CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Ruimtelijke_onderbouwing inclusief onderzoeken def

Gemeenteraad 14 november 2024, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen Loosterweg 8, Voorhout [DOORGESCHOVEN NAAR DE COMMISSIE RUIMTE]29.344 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

| Toelichting

Ruimtelijke onderbouwing Loosterweg 8, Voorhout 15 april 2024

Gemeente Lisse

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

4 4 5 7

2

Plangebied

8

2.1 2.2

Ontstaansgeschiedenis en gebiedskenmerken Het plan

8 12

3

Beleidskader

15

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

15 17 31 32

4

Milieu- en omgevingsaspecten

35

4.1 4.2 4.3

Inleiding Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

35 35 49

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

5.1 5.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59 59

Bijlage 1. Verkennend bodem en asbestonderzoek Loosterweg 8 Voorhout, Adverbo, 13 november 2023 Bijlage 2. Akoestisch onderzoek wegverkeer Loosterweg 8, Voorhout, De Milieuadviseur 20 maart 2024 Bijlage 3. Ecologisch onderzoek Loosterweg 8 Voorhout, Adverbo, 5 april 2024 Bijlage 4. Stikstofberekening+rapportage Loosterweg 8 Voorhout, Ontwerpburo Veldhoven en partners, 11 april 2024 Bijlage 5. Verslag overleg omwonenden, Ontwerpburo Veldhoven en partners, 11 november 2023

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Loosterweg 8 in Voorhout bevindt zich een Rijksmonumentale bollenschuur van het bollenbedrijf van Reisen en zonen, waarvan een deel in 2019 is afgebrand (het achterste deel). De schuur is niet meer als zodanig in gebruik en gezien de modernisering en schaalvergroting in de bollensector ligt een dergelijk gebruik ook niet voor de hand. Het bollenbedrijf bevindt zich nu in moderne bedrijfsgebouwen gelegen ten noorden van de schuur. Het plan is opgevat het afgebrande deel te herbouwen, de schuur zoveel mogelijk in oorspronkelijke luister te herstellen en er 10 appartementen in te realiseren. Het plan kan op steun rekenen van gemeente, maar is in strijd met het bestemmingsplan. Er kan worden meegewerkt door toepassing te geven aan artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Toepassing van dit wetsartikel vereist een goede ruimtelijke onderbouwing, waar dit document in voorziet.

1.2

Plangebied Het plangebied omvat het kadastrale perceel VHT00-B-8652 en meet 1.685 m2. Het is gelegen in de gemeente Teylingen, ten noorden van de kernen Sassenheim en Voorhout.

Plangebied, uitgezoomd

4

Plangebied, ingezoomd

1.3

Geldend bestemmingsplan Ter plaatse geldt primair het bestemmingsplan Buitengebied Teylingen, vastgesteld op 30 april 2015. Er is een bestemmingsplan Agrarisch – Bollenteelt – bollenzone 1 toegekend met een bouwvlak. Dat bouwvlak behelst overigens het gehele bedrijfsperceel van Van Reisen en zonen. Er geldt ook een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2.

Uitsnede geldend bestemmingsplan

5

De voor 'Agrarisch - Bollenteelt - bollenzone 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een bollenteeltbedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.10 onder b; b) (..) c) (..) d) behoud en versterking en herstel van de voorkomende natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden, in de vorm van: • bollenvelden; • grootschalige openheid; • kenmerkende landschapsstructuur; • natuur- en landschapselementen in de vorm van houtwallen en -singels, geriefhoutbosjes en overige groenvoorzieningen; e) de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water op perceelsniveau, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen; met daaraan ondergeschikt: f) g) h) i) j)

aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; extensief recreatief medegebruik; fietspaden; (..) de in tabel 3.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m² aan bebouwing, dat in gebruik mag worden genomen ten dienste van de nevenfunctie.

Een gebruik als (regulier) wonen past hier niet binnen. Met de dubbelbestemming voor archeologie wordt beoogd eventueel aanwezige archeologische relicten te beschermen. Bij grondroerende werkzaamheden is archeologisch onderzoek vereist. Dat is niet het geval als grondwerk wordt verricht dieper dan 100 cm onder maaiveld en er geen hei- en schroefwerkzaamheden zullen worden verricht óf het te bouwen oppervlak een omvang heeft die kleiner is dan 500 m². dat laatste is het geval: het terug te bouwen, afgebrande deel heeft een oppervlakte van ca. 210 m2. Zodoende levert dit artikel geen strijd op. In een 1e herziening van het bestemmingsplan (19 december 2019) is de regeling voor archeologie aangepast naar aanleiding van een geactualiseerde beleidskaart.

6

Deze aanpassing heeft voor voornoemde conclusie aangaande archeologie geen gevolgen. Volledigheidshalve wordt vermeld dat er ook een Paraplubestemmingsplan parkeren Teylingen (vastgesteld 18 juni 2018). De relevantie van laatstgenoemd plan schuilt er in, dat op eigen terrein voorzien moet zijn in voldoende parkeergelegenheid. Daar wordt in voorzien c.q. er is voldoende ruimte voor, zie hoofdstuk 2.

1.4

Leeswijzer Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd; na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid. In hoofdstuk 4 wordt beoordeeld of het plan haalbaar is wat betreft milieu, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. In hoofdstuk 5 volgt de financiële uitvoerbaarheid, de resultaten van het art. 3.1.1 Bro overleg en een beschrijving waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken.

7

2

Plangebied Alvorens de huidige en gewenste nieuwe situatie te benoemen, is het nodig het gebied in zijn cultuurhistorische context te beschouwen. Niet alleen is de geschiedenis vaak een bron voor inspiratie en tegelijk iets van het verleden zichtbaar te houden. Maar het verleden verklaart ook waarom de fysieke ruimte is ingericht en gebruikt wordt zoals ze is en waarom er veranderingen gewenst zijn. Cultuurhistorische waarden zijn tastbare elementen en structuren die een beeld geven van onze geschiedenis. Ze vormen oriëntatiepunten, zorgen voor afwisseling en maken dat bewoners zich met een stad of streek kunnen identificeren.

2.1

Ontstaansgeschiedenis en gebiedskenmerken De gemeente Teylingen kent een lange en rijke geschiedenis, alhoewel de gemeente zelf vrij jong is. Ze is ontstaan uit de kernen Sassenheim, Voorhout en Warmond. De naam is afgeleid van het Slot Teylingen. Dit slot werd gebouwd in de 13 e eeuw om de noord-zuid route in het graafschap Holland te beschermen. Sassenheim, Voorhout en Warmond zijn allen ontstaan op een oude strandwal. De strandwal zorgde voor droge voeten omdat deze hoger lag dan de rest van de omgeving, en was daardoor geschikt voor nederzettingen. De zandgronden zorgden tevens voor een ideale ondergrond voor bollenteelt. De aangrenzende veengronden vormden een ideale ondergrond voor veeteelt. Zodoende ontstonden diverse zogenaamde wegdorpen tussen Haarlem en Leiden.

Historische atlas 1868 Vanaf de 8e eeuw werden de strandwallen meer en meer bewoond. In de 10e en 11e eeuw worden in steeds grotere mate kastelen en versterkte hoeven gerealiseerd.

8

Deze duiden op een toenemende macht van al dan niet adellijke groot-grondbezitters die een overheersende positie innamen en hun grond verpachtten aan boeren. Ten oosten van de strandwallen ontstond een moerasgebied. Als gevolg van zandwinning, uitbreiding van steden en dorpen en grondbewerking voor de bloembollenteelt zijn in de regio de strandwallen afgegraven. Het agrarisch verleden is zichtbaar aan de hand van tal van boerderijen uit de 17e, 18e en 19e eeuw, met name gelegen in en rond Warmond, die bewaard zijn gebleven. De opkomst van de bollenteelt vanaf eind 19e eeuw is zichtbaar aan de hand van enkele bollenschuren en kwekerswoningen in Voorhout en Warmond. In de periode 1850-1940 kwam de grootschalige bedrijfsmatige kweek en handel van bloembollen op. De bollenschuur speelde een belangrijke rol in het teeltproces; de bollen werden er gedroogd, gekoeld, gepeld en verpakt. Vanaf omstreeks 1900 werden, behalve de eenlaags houten bollenschuren met zadeldak, bakstenen schuren van meerdere bouwlagen onder plat dak opgericht. De locatie is gelegen in de Loosterpolder en maakt onderdeel dit van zanderijlandschap met onvergaven strandwallen en strandvlaketen er is hier sprake van een relatief grote openheid. De Loosterweg is een voormalige duinweg, waar het contrast tussen de onafgegraven duinen en de lager gelegen bollenvelden nog te zien is.

De weg ligt enkele meters boven de bollenvelden. Als bescherming tegen de zeewind werden de bollenpercelen omzoomd met ligusterhagen en meidoornhagen. Tussen de bedden met bloembollen werden beukenhagen geplant. Ook het relatief smalle profiel herinnert aan het historisch karakter van de weg. Naast bollenschuren en traditionele (bedrijfs) woningen komen er ook moderne bollenloodsen voor.

Impressies omgeving plangebied 9

De Rijks monumentale bollenschuur van Van Reisen en zonen is een typisch voorbeeld van de bloembollencultuur in de streek. Het achterste deel is in 2019 afgebrand. Ze maakt onderdeel uit van een ensemble van meerdere bollenschuren alhier. Dit cluster bestaat uit de volgende bollenschuren, die nog allemaal aanwezig zijn. -Loosterweg 4, gebouwd in1885 voor P. van Reisen, uitgebreid in 1895, later in gebruik bij Leo M. van Reisen. -Loosterweg 8, gebouwd in 1925 voor P. van Reisen, nog steeds eigendom van het bedrijf. -Loosterweg 5, gebouwd voor de firma Roozen, sinds 1928 van P. van Reisen, later Johan C.van Reisen.

10

Impressies plangebied De bollenschuur bestaat uit een schuurgedeelte met daaraan vastgebouwd een eenlaags aanbouw, waarin oorspronkelijk de opslagruimten en het kantoor waren ondergebracht. Het is de derde schuur van de vier, die het familiebedrijf langs de Loosterweg liet neerzetten. Van deze schuren resten nog een woonhuis met schuur uit 1885, die ten zuiden van de bollenschuur staan en aan de overzijde van de weg een schuur uit 1928. Na de Tweede wereldoorlog (in 1958, 1968 en 1989) zijn aan de noordzijde van de bollenschuur bedrijfsruimten vastgebouwd. In de gevels van de schuur zijn zogenaamde droogdeuren aangebracht; dit zijn dubbele deuren waarmee de ventilatie in de schuur werd geregeld, zodat de bollen met behulp van natuurlijke warmte konden drogen. De droogdeuren in de zuid- en westgevel zijn in 1989 vervangen door hardhouten exemplaren uit een stuk, die echter nog de originele vormgeving hebben. In de aanbouw zijn enkele vensteropeningen gewijzigd. De schuur werd in 1925 onder andere uitgerust met een electrische installatie, een lift en 6000 m2 aan stellingen. Van dit interieur is nog een groot aantal onderdelen aanwezig. De lift is later verplaatst en vervangen. De bollenschuur staat met de kopgevel naar de weg gericht.

Aan de achterzijde van de schuur is een haven gegraven, die via een sloot te bereiken is en het mogelijk maakte om de bollen per boot vanaf de velden naar de schuur te brengen. Op rechthoekige plattegrond opgetrokken bollenschuur, bestaande uit drie bouwlagen onder met mastiek en grind gedekt plat dak. Langs de gehele zuidzijde een eenlaags aanbouw, onder met asfaltpapier gedekt plat dak. De overstekende houten gootlijst rust op klossen. De bakstenen gevels worden horizontaal geleed door siermetselranden met daarin luchtspleten boven de droogdeuren van de schuur. De droogdeuren zijn rechtgesloten en hebben, net als de vensters in de aanbouw, houten kozijnen en waterdorpels. Elke deur is voorzien van vier ruiten.

11

De gevelindeling van de schuur is symmetrisch: de beide kopgevels tellen drie en de beide zijgevels veertien vensterassen. De voorgevel (west): boven het gesloten muurvlak van de begane grond op de eerste en de tweede verdieping drie droogdeuren, waarbij de middelste droogdeuren breder zijn. De gevel is op dakhoogte voorzien van twee vierkante hoekpenanten met een getrapte bekroning. Tussen deze penanten is onder de dakrand een witgeschilderd fries aangebracht, met daarin in zwarte letters de firmanaam. Aan de rechterkant bevindt zich de westgevel van de aanbouw, die eveneens voorzien is van twee hoekpenanten op het dak. In deze gevel is een nieuw venster aangebracht. De zijgevel (zuid) van de aanbouw bestaat uit, van links naar rechts, twee nieuwe vensters (linker venster bestond oorspronkelijk uit drie ramen met rechts een deur), een deur, een vierruitsvenster, een houten schuifdeur, een dubbele houten deur, een venster en twee samengestelde vensters, die elk bestaan uit vier openslaande ramen met een horizontale roedenverdeling. Boven de aanbouw hebben de eerste en tweede verdieping van de schuur ieder veertien droogdeuren. Het interieur is nagenoeg gaaf, met onder meer de stellingen, die de dragende constructie van de schuur vormen.

Op de begane grond bevindt zich achter de voorgevel een koelkamer met extra geïsoleerde muren en daarnaast een kamer met een vochtig klimaat: de zogenaamde hol- of boorkamer. Verder zijn in het interieur de ventilatieluiken als onderdeel van de verticale beluchting nog aanwezig, evenals de originele paneel- en schuifdeuren. Aan de achterzijde van het gebouw bevinden zich de restanten van een lier, die gebruikt werd om de bollen van de schepen te halen die vlak achter de schuur afmeerden. De bollenschuur is van algemeen cultuurhistorisch belang als representatief voorbeeld van een grote, op de fabrieksmatige verwerking van bollen gerichte schuur en als onderdeel van de (economische) ontwikkeling van de bollencultuur, zowel regionaal als landelijk, met daarin ook een woning. De bollenschuur is van algemeen architectuurhistorisch belang vanwege de hoge mate van gaafheid in hoofdvorm, materiaalgebruik en detaillering van zowel het in- als het exterieur (met name de aanwezigheid van de oorspronkelijke stellingen) en vanwege de kenmerkende architectuur van een grote bollenschuur gebouwd na 1905, onder meer te herkennen aan de hoekpenanten, de symmetrische indeling van de gevels, de groot aangebrachte firmanaam en de ineen aparte aanbouw ondergebrachte opslagruimte en kantoor.

De bollenschuur is van stedenbouwkundig belang vanwege zijn opvallende ligging in het vlakke landschap, vanwege zijn ligging aan enerzijds de weg en anderzijds de sloten, van belang vanwege de aan- en afvoer van bollen over het land en het water, en als onderdeel van een reeks bollenschuren langs de Loosterweg.

2.2

Het plan Nu een bedrijfsmatig gebruik van de bollenschuur niet voor de hand ligt, maar vanuit cultuurhistorisch oogpunt het zeer gewenst is dat de schuur behouden blijft, is het plan opgevat om het afgebrande deel terug te bouwen, de schuur in oude luister te herstellen en er 10 appartementen in te realiseren. Hiermee wordt tegelijk een bijdrage geleverd aan de nog altijd grote woningbehoefte. Het erf wordt zorgvuldig ingericht, zonder verdere erfbebouwing (behoudens een kleine berging) zodat de schuur solitair en prominent in het beeld blijft. Ook zal er een doorzicht blijven naar het achtergelegen open bollenvelden. Wel komen er 26 parkeerplaatsen, waarvan 6 direct om de schuur en 20

12

in een strook ten noorden van de schuur. Zie navolgende situatieschets, impressies en gevelbeelden.

Situatieschets, gevelbeelden en impressies, getekend ontwerpburo Veldhoven en Partners

Er komen 4 appartementen in de sociale sector (parkeernorm 1,5); de overige in de vrije sector (parkeernorm 1,8). Het plan past geheel binnen de visie van de gemeente te bewerkstelligen dat het cultuurhistorisch erfgoed wordt behouden. Stedenbouwkundig en ruimtelijk gaat het ook om een gewenst plan. Belangen van derden worden niet

13

onevenredig geschaad. De afstand tot belendende percelen van de nieuwe woningen is meer dan 2 m (afstand artikel 5.50 Burgerlijk Wetboek om voldoende privacy te garanderen) en er kan ruimschoots voldaan worden aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm1. Zodoende is er geen onaanvaardbare schending van de privacy of onaanvaardbare schaduwwerking. Er komen 20 parkeerplaatsen op eigen terrein, waarmee voldaan wordt aan de Parkeernota Teylingen, die voorschrift dat er 2,1 P/woning keer 6 (waarvan 0,3 bezoekersdeel) en 1,8 P/appartement keer 4 (waarvan 0,3 P bezoekersdeel), = 19,8 P moeten komen. Er is voorts positief advies gegeven door de Werkgroep Bollenerfgoed van het CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek en de Erfgoedcommissie Lisse, Teylingen en Hillegom. Er kan zodoende medewerking aan worden verleend. In navolgende hoofdstukken volgt een toets aan het ruimtelijk relevant beleid van de diverse overheden en vervolgens aan milieu- en omgevingsaspecten.

1 De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 fe-

bruari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

14

3

Beleidskader Aan ieder bestemmingsplan ligt een aantal uitgangspunten ten grondslag ten aanzien van de inrichting van de omgeving. Deze uitgangspunten vinden hun grondslag in algemeen gemeentelijk beleid. Ook is er beleid op deelaspecten ten aanzien van bijv. wonen, detailhandel, groen, welzijn etc. dat voor een ruimtelijk plan als het bestemmingsplan van belang is. Dit gemeentelijk beleid ten aanzien van de inrichting van het gemeentelijk gebied, heeft gestalte gekregen mede op grond van ruimtelijk beleid van hogere overheden, zoals het rijk en de provincie. Ook het beleid van het Hoogheemraadschap ten aanzien van waterbeheer en veiligheid speelt een rol. Provinciaal en gemeentelijk beleid en het beleid van het hoogheemraadschap zijn ieder op hun beurt weer een vertaling van de meer abstracte regie op nationaal niveau, het rijksbeleid. Rijks- en provinciaal ruimtelijk beleid, worden hierna kort uiteengezet. Het gemeentelijk beleid, dat de achterliggende gedachten van het bestemmingsplan vormt, komt daarna aan de orde. Het beleid van hoogheemraadschap en gemeente met betrekking tot het aspect water is in een separate paragraaf in hoofdstuk 4 opgenomen, als onderdeel van de watertoets.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen

15

voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna. Beoordeling en conclusie In relatie tot het voorliggende plan is het nationale belang 5 'Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften' van belang. Doel is om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen en daarmee een bijdrage te leveren aan de verbetering van de leefbaarheid. Ook nationaal belang 13 is relevant: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit belang is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, zie hiervoor paragraaf 3.2.3. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

16

Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’ Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4. Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Bedrijfsuitbrei-dingen tot 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409) of van een winkel met 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409), of van een kantoor met 540 m2 (201506789/1/A1) worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling aan te merken.

Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). Beoordeling en conclusie Dit plan voorziet in 10 appartementen en betreft daarom geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Nadere toetsing aan de Ladder kan achterwege blijven.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (2022) Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn er operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar

17

beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De ruimtelijke koers die men wil varen laat zich als volgt omschrijven: een sterk ZuidHolland is een slim en schoon Zuid-Holland. Er moet ruimte voor ontwikkeling zijn met waarborg kwaliteit. Daarbij zijn zes ambities benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid sluiten we aan op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Omgevingskwaliteit is het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Het gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. In verband met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet is dit verder ontwikkeld. De basis hiervoor is gelegd in de volgende onderdelen van ‘omgevingskwaliteit’: - Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.

- Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, waarin ook aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling. Hiertoe implementeren we een integrale beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit voor toekomstige kwaliteitsverbetering.

18

- Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. In de bijlage zijn de ‘kwaliteitskaart’ en de ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’ opgenomen, behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen: 1. Laag van de ondergrond 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen 3. Laag van de stedelijke occupatie 4. Laag van de beleving Het plangebied ligt in het deelgebied Duin- en Bollenstreek.

Deelgebieden Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Drie soorten ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: - De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. - Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van

19

een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling; inpassing, aanpassing en transformatie.

Beschermingscategorieën Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied ,een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet, zoals bij de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed. Aanpassing is sterk gericht op het vergroten van de gebruikswaarde van een gebied.

Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk de invloed van de nieuwe ontwikkeling.De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied, een nieuwe gebiedsidentiteit, gebaseerd op nieuwe kwaliteiten, structuren en kenmerken. De impact van deze plannen op een gebied is enorm. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is de rol van de provincie groot omdat bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding is. De betrokkenheid van de provincie zal gericht zijn op een actieve behartiging van die doelen en op een kwalitatief lzo goed mogelijk resultaat.

Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bij-

20

voorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, waardeert de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Er wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar ook onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Binnen de laag van de natuur- en cultuurlandschappen ligt het gebied binnen het bollenlandschap, alsook binnen een lint.

Uitsnede laag natuur- en cultuurlandschappen Bollenlandschap Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt. Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Ambities Verbeteren van de beleefbaarheid en de aantrekkelijkheid van het unieke ontginningslandschap (bollenteelt).

− Het behouden en versterken van het zicht op de bollenvelden en het contrast tussen de open vlakten en de bestaande verdichte zones (bebouwing en beplanting).

21

− − −

Koesteren van bebouwing die het gebied haar identiteit verleent zoals bollenschuren en arbeiderswoningen. Bedrijfsuitbreiding wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan landschapsbouw, bijvoorbeeld door aanplant van erfbeplanting. Aantrekkelijkheid van het bollengebied versterken door landschapsbouw, bijvoorbeeld door: o toevoegen van beplanting op de strandwallen (lanen, houtwallen, bosschages, hagen). o aanplant van hagen in het zanderijenlandschap. o aanleg van natuurvriendelijke oevers langs noord-zuid gerichte watergangen in de strandvlaktes en langs het boezemwater (zie ook Handleiding bedrijfsuitbreiding Duin- & Bollenstreek).

Richtpunten: • Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen. • Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap. Herstructurering van het greenportgebied door landschapsverbetering, de sanering van verrommeling en schaalvergroting en intensivering gaat gepaard met de ambitie om het bollenareaal en de waardevolle graslanden te behouden. Daarnaast is er een integrale wateropgave voor de het greenportgebied. Relevant zijn voorts de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt binnen het gebiedsprofiel Duin- en Bollenstreek. De Duin- en Bollenstreek is onderdeel van het binnenduinlandschap, dat zich achter de Hollandse kustboog uitstrekt van Hoek van Holland naar Den Helder. De bodemkundige ondergrond van de binnenduinrand bestaat uit een patroon van strandwallen en strandvlakten parallel aan de jonge duinen.

De Zuid-Hollandse Bollenstreek is een bijzonder onderdeel van de kuststrook, omdat het reliëfrijke patroon van strandwallen en strandvlakten hier sinds het einde van de 18de eeuw is geëgaliseerd. Delen van de strandwallen zijn afgegraven ten behoeve van wegenaanleg en stadsuitbreidingen. Daardoor kwam de afgevlakte zandige bodem dichter boven het grondwater te liggen en ontstonden er uitstekende condities voor de bollenteelt. Vervolgens zijn ook delen van de natte en venige strandvlakten omgespoten om ze als bollengrond te kunnen gebruiken. Het verschil tussen de strandwallen en -vlakten is in dit gebied niet meer goed herkenbaar in het reliëf. Op enkele plekken is nog de oorspronkelijke parallelle ligging van strandvlakten en strandwallen zichtbaar; vooral in het zuidelijke deel van de Bollenstreek waar in de natte strandvlaktes nog delen als grasland in gebruik zijn. Begin 20ste eeuw waren er in het gebied op de strandwallen bij Lisse/Hillegom en Noordwijk/Noordwijkerhout nog uitgestrekte landgoedzones aanwezig. Slechts enkele restanten van deze landgoedzones zijn bewaard gebleven (o.a. Keukenhof, Leeuwenhorst, huis Warmond). Landgoed De Keukenhof met het aangrenzende gebied van de

22

Lageveensepolder is de grootste landgoedcomplex in de Bollenstreek. De bosranden hebben een grote ruimtelijke kwaliteit voor de omgeving. De Bollenstreek is door de transformatie van het landschap een specifiek onderdeel van het Hollandse binnenduinlandschap geworden; met zijn kenmerkende zanderijlandschappen en veel verspreide bewoning is het gebied minder lommerrijk dan de aangrenzende binnenduinlandschappen van Haarlem en Wassenaar. Deze zanderijlandschappen zijn vooral heel karakteristiek langs de westrand van de strandwal Sassenheim-Lisse en ter plaatse van de voormalige Oosterduinen bij Noordwijkerhout. Door de hoofdlijnen van het landschap is de Bollenstreek wel onderdeel van, en verbonden met het Hollandse kustlandschap als geheel. De smalle rij duinen, de spoorlijn, de Haarlemmertrekvaart, de doorgaande autowegen en de reeks kernen op de strandwal tussen Haarlem en Leiden zijn noord-zuid gerichte patronen die ook buiten het gebied doorlopen. In deze patronen is het onderscheid strandwal-strandvlakte nog wel herkenbaar. De trekvaart tussen Leiden en Haarlem is hiervan een opvallend voorbeeld. Deze vaart werd in 1657 in de laag gelegen strandvlakte aangelegd. Twee eeuwen later werd het spoor langs deze trekvaart gelegd, met als gevolg dat deze lijnen op afstand van de dorpen op de strandwal lopen.

Vanwege de sterke noord-zuid gerichtheid van het wegenpatroon en het feit dat de Bollenstreek vanuit de noordelijke randstad gezien achter de Haarlemmermeerpolder ligt is de Bollenstreek in oost-west richting slecht ontsloten. Ook het natuurlandschap van de jonge duinen heeft de laatste eeuw veel veranderingen ondergaan. Er is een scherpe harde grens tussen de duinen en het agrarische productielandschap, die niet wordt verzacht door binnenduinrandbossen of natuurzones. Er liggen op deze rand wel enkele terreinen voor verblijfsrecreatie en instituten (ESTEC). In vergelijking met andere delen van de Hollandse kust zijn de campings en huisjesterreinen bescheiden van omvang. De Oude Rijn doorsnijdt ter hoogte van Katwijk het binnenduinlandschap en de duinenrij. Langs de Oude Rijn - die in de Romeinse tijd een hoofdrivier was - heeft zich een hoger gelegen oeverwal gevormd met een bodem van rivierklei. Binnen het Duinen Bollengebied vormt deze oeverwal een verstedelijkte zone. Ondanks de smalle duinen heeft dit deel van de kust een toeristisch recreatieve betekenis voor de zuidelijke Randstad. Dat heeft vooral te maken met de aantrekkingskracht van Noordwijk. Noordwijk is naast Scheveningen de mondaine badplaats van de Randstad, met veel voorzieningen langs de boulevard en congresfaciliteiten van internationaal niveau.

Katwijk, een voormalig vissersdorp, heeft zich meer ontwikkeld tot familiebadplaats. In Noordwijk is een nieuwe duinenrij aangebracht als kustversterking van de zwakke schakels. Ook Katwijk maakt deel uit van de zwakke schakels. Een andere attractie van internationaal niveau is de Keukenhof, sinds 1949 elk voorjaar een openlucht expositie van de bollenteelt. De Hollandse kust is een geliefd woongebied en die druk op het grondgebruik is ook in de Bollenstreek merkbaar. De afweging in hoeverre er bollengrond wordt opgegeven voor woningbouw of recreatieterreinen is de laatste decennia intensief gevoerd en heeft inmiddels geleid tot afspraken over het minimaal te handhaven areaal bollengrond.

23

AMBITIES • In inrichting van de wegen en bebouwingslinten het onderscheid strandwallen en strandvlaktes zichtbaar maken; • Doorzichten naar de duinen, landgoederen en de binnenduinrand behouden; • Waar mogelijk opgaande beplanting op de strandwallen aanbrengen; • Behoud van de karakteristieken van het zanderijlandschap: het raster van brede waterlopen en de hoger gelegen, met hagen beplante wegen. Bollentapijt Het bollengebied heeft één dominant grondgebruik: de bollenteelt, met als specialisatie de hyacintenteelt. De kalkrijke bodem van de afgegraven strandwallen en de goed te controleren grondwaterspiegel vormen ideale omstandigheden voor de bollenteelt. In de lente is de hele Bollenstreek een kleurig tapijt. De rest van het jaar zijn de agrarische gronden veelal kaal. Vanuit de trein is de ervaring van de bloeiende bollenvelden elk jaar weer een feest. Vanaf de doorgaande wegen in de Bollenstreek is die ervaring minder spectaculair. De N206 is grotendeels ingeplant met struweel en provinciale wegen die vanaf de A44 de Bollenstreek in leiden gaan grotendeels door een gebied dat verdicht is met bedrijfsbebouwing. De bollengrond strekt zich uit van de rand van de jonge duinen tot aan de bebouwingskernen Hillegom, Lisse en Sassenheim op de strandwal.

In de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG)is vastgelegd dat er altijd 2625 ha eerste klas bollengrond (grond geschikt voor hyacintenteelt) gehandhaafd moet blijven. Het verlies van oppervlakte van deze bollengrond moet gecompenseerd worden: door het slopen van bebouwing, het verbeteren van de kwaliteit van tweede klas bollengrond of door het omzetten van daarvoor aangewezen graslanden. Deze regel is een harde garantie voor het behoud van productiegrond en voor het behoud van open ruimte. De Bollenstreek geldt als greenport voor de bollenteelt. Het gaat hier om het complex van teelt, handel en kenniscentrum. Door de verspreide bebouwing langs de wegen wordt de ruimtelijke opbouw van het bollenlandschap ervaren als kamers: vlakke open ruimtes met verdichte randen. In het Landschapsperspectief van de ISG is aangegeven in welke kamers er nog verdichting van bebouwing mag plaatsvinden, waar dat alleen onder voorwaarden mag plaatsvinden (ja, mits) en waar gestreefd wordt naar het actief vergroten van de openheid. Uit die beleidskeuzes komt het beeld naar voren dat langs de binnenduinrand, in de strandvlaktes langs de Haarlemmertrekvaart en ten zuiden van de Keukenhof de openheid actief wordt vergroot. Hier kunnen daardoor grootschalige open zones ontstaan, die de landschapsstructuur zichtbaar maken.

In delen van het waardevolle zanderijlandschap ten westen van Lisse is verdichting door bebouwing onder voorwaarden mogelijk. Het is een ontwerpopgave hoe hierbij de landschappelijke karakteristieken behouden kunnen blijven. De bollenteelt is nog steeds aan een sterke intensivering en schaalvergroting onderhevig. Het is een productielandschap met veel dynamiek, waar grondruil en verbete-

24

ring van de ontsluiting en ontwatering nog steeds aan de orde is. Aan deze verbetering van de productieomstandigheden is ook de ambitie van de landschapsbouw toegevoegd: compenserende maatregelen die een ondernemer moet treffen om te kunnen uitbreiden. Het maken van een groen landschappelijk kader kan zorgen voor een natuurlijke windbeschutting voor de bollen en voor een betere recreatieve ontsluiting van het landschap. Sterke groene randen van de kamers vormen een duidelijk landschappelijk kader voor de bebouwing. Het landschappelijke raamwerk laat uitbreiding van bestaande bedrijven of nieuwe bebouwing toe, zonder dat het beeld te rommelig wordt. Een zorgvuldige vormgeving en positionering van de bebouwing is belangrijk voor de beeldkwaliteit van het productielandschap. AMBITIES • De specifieke kwaliteiten van het landschap als bollentuin versterken door zones open te houden en groene randen langs de kamers op de strandwallen te maken; • Vanuit de oost-west wegen de verschillende landschappen zichtbaar maken; • Entrees en randen van het bollentapijt accentueren; • Aan bollenteelt gekoppelde bedrijfsgebouwen goed vormgeven verspreid door het landelijk gebied. • Woonlandschap De Duin- en Bollenstreek is een kustlandschap, een productielandschap voor de tuinbouw en een woonlandschap.

Het is een verstedelijkt gebied, met een grote variatie in woonvormen: tuinderswoningen, arbeidershuisjes, landhuizen, stedelijke linten, buurtschappen, kernen op de strandwal, kernen in de binnenduinrand, recreatiewoningen, duinvilla’s, klooster, instituten en voormalige instituten die tot woningen zijn getransformeerd. De bollenteelt brengt specifieke bebouwing met zich mee: bollenschuren, ondersteunend glas en aan de bollenteelt gelieerde bedrijvigheid en transport. Juist die menging en variatie is een karakteristiek van het gebied. In de loop van de tijd hebben zich niet alleen langs de noord-zuid verlopende wegen maar ook langs de oost-west wegen bebouwingslinten ontwikkeld. Het is kenmerkend voor de bebouwingslinten dat ze bijna altijd uit een mix aan woningen bestaan, die een verschillende omvang en ouderdom hebben. Bijna alle lintbebouwing is aan twee zijden van de weg gesitueerd. AMBITIES • Voorkomen dat de kernen aan elkaar groeien; • Behouden en versterken diversiteit van het woonlandschap; • Benutten bouwopgave voor het versterken van de landschapsstructuur.

Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Aansluiten bij de huidige korrel betekent, dat bij een lint met grootschalige bebouwing, grote loodsen of schuren inpasbaar zijn, maar bij een lint met kleinschalige bebouwing niet. Bestaand dwarsprofiel richtinggevend betekent het in stand houden van het bestaande wegprofiel (breedte, beplanting en berm), aansluiten bij de bestaande afstand van bebouwing tot de weg, (a)symmetrie van het lint, diepte van de (bouw)kavels en

25

dergelijke. Om het lint transparant te houden, dienen doorzichten vanaf de weg naar het achterliggende landschap intact te blijven. Respect voor historische gaafheid van het lint tenslotte, houdt in dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden wordt met cultuurhistorische kwaliteiten van zowel het lint als geheel, als van de individuele bebouwing. Bestaande linten kunnen worden verlengd met inachtneming van bovenstaande uitgangspunten voor een lint, als dit bijdraagt aan de leesbaarheid van het landschap en dit de (verdere) verdichting en verdikking van hetzelfde lint voorkomt. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit maken een verdere onderverdeling in linten en bieden een handreiking voor het omgaan met nieuwe bebouwing ter plaatse. Richtpunten: • •

• •

Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Beoordeling en conclusie Het plan draagt bij aan de herkenbaarheid van het bollenlandschap alsook het historisch karakter van het lint. Er wordt een cultuurhistorisch waardevolle bollenschuur behouden. Het gebouw heeft aan de achterzijde contact met het landschap en de voorzijde grenst aan de openbare weg. De ontwikkeling draagt bij voorts aan een ruimtelijke kwalitatieve verbetering. De openheid wordt niet (onevenredig) aangetast omdat er in de huidige situatie geen sprake is van doorzichten naar het achterliggende open gebied. Het initiatief is zodoende in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Het plan is een voorbeeld van inpassing en is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening (2019) De provincie Zuid-Holland kiest ervoor om in aanloop naar de komst van de Omgevingswet twee belangrijke kerninstrumenten van deze wet – de omgevingsvisie en de omgevingsverordening – op basis van huidig recht vast te stellen. Deze verordening integreert achttien verordeningen met het oog op het vereenvoudigen en harmoniseren van de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Het algemene artikel 6.9 is op de gehele provincie van toepassing, met zoals aangegeven de verbijzondering dat het plangebied ligt binnen beschermingscategorie 1, beschermd grasland in de Bollenstreek: Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

26

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1° zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2° het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1° een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2° het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling. 2. Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën zijn a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2.

het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. (…)

27

In dit plan is ingegaan op de inpassing van het plan (beeldkwaliteit) in de omgeving. De functie is passend binnen het gebied/ de gebiedsidentiteit en is van kleinschalige aard zodat het gaat om inpassen, en dus niet om een ontwikkeling als bedoeld in b en c (transformeren resp. aanpassen). Er is zodoende geen strijd met dit artikel. NB: een ruimtelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als: bebouwing of gebruik van bebouwing of grond. Overwogen wordt dat de provincie bedoeld heeft nieuwe bebouwing of nieuw gebruik. In dit hoofdstuk is ingegaan op de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. In Hoofdstuk 2 is gelet op de verordening de ontstaansgeschiedenis beschreven, de kenmerkende structuur en principes en de wijze waarop het plan daarbinnen past. De locatie is voorts niet voorzien van een beschermingscategorie.

Uitsnede bescherming categorieën

3.2.3

Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek 2016 De Duin- en Bollenstreek heeft een omvangrijke economische en landschappelijke vitaliseringsopgave. Om deze opgave voortvarend ter hand te nemen, hebben de Greenportgemeenten de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht. Een wettelijk bindend planologisch kader, waarbinnen de GOM goed kan opereren, is daarbij van groot belang. Mede daarom besloten de Greenportgemeenten in 2009 om deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG) uit te werken en vast te stellen voor de Duin- en Bollenstreek. De ISG2009 kan worden gezien als een deeluitwerking van de Regionale StructuurVisie (RSV), die het intergemeentelijke samenwerkingsverband Holland Rijnland begin 2009 vaststelde. Een herijking van dit beleid vindt plaats (het gaat hierbij met name om de woningopgave). De Duin- en Bollenstreek is één van de vier greenports van Nederland die economisch van groot belang zijn. De ambities van Greenport(s) Nederland zijn hoog: een

28

excellerende tuinbouw die in de toekomst, nog meer dan nu het geval is, bijdraagt aan de economie, werkgelegenheid, leefbaarheid, bereikbaarheid, gezondheid en voedselzekerheid van Nederland. Tegelijk is geconstateerd dat de verrommeling toeneemt. In het Pact van Teylingen (1996) en het Offensief van Teylingen (2004) is reeds de beleidsmatige bodem gelegd dit effect tegen te gaan en structureel aan kwaliteitsverbetering te verwerken. De uitgangspunten uit het Pact komen in wezen terug in de ISG. De ambities houden in dat: • de economische herstructurering van de Greenport centraal staat; • de gemeenten de herstructureringsopgave zullen combineren met landschapsverbetering; • de gemeenten verdergaande verrommeling van het landschap tegengaan; • met het uitvoeren van de woningbouwopgave, zoals in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek overeen is gekomen, de maximale woningbouwbijdrage van de Duin- en Bollenstreek bereikt is; • de gemeenten het areaal aan 1e klas bollengrond van 2625 hectare duurzaam moeten handhaven, hoewel zij met het herstructureringsproces tijdelijke krimp onder nader te bepalen voorwaarden (waaronder harde tijdgebonden compensatiegaranties) toestaan (zie hoofdstuk 5 Uitvoering); • primaire greenportfuncties, zoals bollencluster, vaste planten, bloemencluster en toerisme (inclusief greenportgerelateerde handel en dienstverlening), krijgen bij

conflicterende ruimteclaims prioriteit boven niet primaire greenportfuncties, zoals overige landbouw en veeteelt. Bij de uitwerking van bovenstaande ambities hanteren de greenportgemeenten de volgende uitgangspunten: • Het totale areaal aan 1e klas bollengrond (referentie rapport Heijkoop) mag niet afnemen. Dit heeft vooral te maken met de ‘kritische massa’ die nodig is voor de hyacintenteelt, hét kernproduct van de Duin- en Bollenstreek met bovendien een hoge toegevoegde waarde. Tijdelijke krimp is onder voorwaarden toegestaan. • Er komt een Ruimtebalans voor de Duin- en Bollenstreek met constante monitoring. Daarbij moet het mogelijk zijn binnen bepaalde grenzen flexibel om te gaan met de compensatie van bollengrond. Dit om het hele transformatieproces voldoende op gang te krijgen. • De landschapskwaliteiten moeten significant verbeteren, mede op basis van de vele rapporten die hierover zijn verschenen. Daarbij is aandacht nodig voor verschillende schaalniveaus. Vanaf de grote landschapsstructuren van de strandwallen en strandvlaktes die van noord naar zuid lopen tot de vele te onderscheiden ‘landschapskamers’ en maatregelen op kavelniveau, zoals erfbeplanting en natuurvriendelijke oevers. • We nemen de herstructurering in combinatie met landschapsverbetering (inclusief opruimen verrommeling) spoedig en slagvaardig ter hand. Dit heeft de hoogste prioriteit.

We zullen ons beleid, regelgeving en uitvoeringsorganisatie daar snel en adequaat op afstemmen en inrichten. • De glastuinbouw is een belangrijk economisch onderdeel van de Greenport. De berekende ruimtebehoefte komt zo veel mogelijk binnen de Greenport. • De meer grootschalige veehouderijgebieden moeten behouden blijven. Dit is zowel in het belang van de sector als voor het beleven en beheer van het totale landschapsmozaïek. We moeten inzien dat niet alle veehouderij op de

29

•

• • • • •

graslanden in de Duin- en Bollenstreek even perspectiefvol is. Dat komt vooral vanwege de versnipperde en kleinschalige productiestructuur (zie Agrarisch structuuronderzoek Veehouderijen Duin- en Bollenstreek, januari 2007). De sector veehouderij zit als gebied feitelijk al onder zijn bestaansgrens. Mogelijkheden om met uitbreiding van het areaal de noodzakelijke schaalvergroting te faciliteren zijn er niet. Het loslaten van het streven om alle veehouderij op de graslanden te behouden is een van de pijnlijke maar noodzakelijke keuzes die tijdens het proces zijn gemaakt. Deze keuzes vormen de uitgangspunten bij de verdere visievorming. (..) De gemeenten integreren de wateropgave zo veel mogelijk in concrete initiatieven. (..) Investeringen om de bereikbaarheid te vergroten zijn hoogst urgent. De projecten moeten haalbaar en betaalbaar zijn

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=cfe199fa-7944-41e8-bf7c-4e5bb8ddaec6