5. Bijlagen bij toelichting_5.pdf.pdf
Tekst van het document
Vanwege deze verstoring, de beperkte omvang van het onderzoeksgebied en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats, is er naar verwachting geen (behoudenswaardige) vindplaats binnen de grenzen van het plangebied aanwezig. Derhalve is geadviseerd geen nader vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Type onderzoek: bureau- boor- en proefsleuvenonderzoek Toponiem: Voorhout, Leidsevaart Uitvoerder: Grontmij Datum: 06-11-2008 en 31-05-2010 Onderzoeksnummer: 27540 en 36144 Resultaat: Een viertal percelen grasland langs de Leidsevaart te Voorhout zullen worden herontwikkeld ten behoeve van de bollenteelt. Hiertoe wordt het dieper liggende kalkrijke zand machinaal naar het oppervlak gehaald. Het booronderzoek heeft twee archeologische vindplaatsen opgeleverd. Beide vindplaatsen zijn aangetroffen in het zuidoostelijke, relatief hoog gelegen deel van het plangebied. Vindplaats 1 is gelegen op de strandwal, vindplaats 2 ligt op de overgang van de strandwal naar de lager gelegen strandvlakte in het noordwesten. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van restanten van een huisplaats die vermoedelijk zijn hoogtepunt kende in het einde van de 17 e en het begin van de 18e eeuw.
Er is echter nog maar weinig van de voormalige huisplaats overgebleven omdat deze rond het midden van de e 19 eeuw is geruimd tot enige diepte onder het maaiveld. Tijdens het onderzoek werden enkel uitbraaksleuven met daarin achtergelaten puinresten aangetroffen en geen (gedeeltelijk) intacte muurwerken of funderingen van de voormalige boerderij. Rondom de huisplaats zijn veel grondsporen aangetroffen die wijzen op landbewerking ten behoeve van de grondverbetering / gewassenteelt. In de strandvlakte nabij de huisplaats is veen ontgraven. Er werden twee vermoedelijke beschoeiingen aangetroffen. Direct naast één van de beschoeiingen werd een goed geconserveerde grote vondstconcentratie van aardewerk, bouwmateriaal, glas, leer en bot aangetroffen.
49637
650 meter ten zuidoosten
59498
750 meter ten zuidoosten
41735
800 meter ten zuidoosten
14055555 TEY.ROM.ARC
Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de waardering van de vindplaats volgens de door de KNA voorgeschreven wijze, is geen verder vervolgonderzoek aanbevolen. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Voorhout, Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 25-11-2011 Onderzoeksnummer: 40838 Resultaat: Ter plaatse van de strandwallen kunnen archeologische resten vanaf het MiddenNeolithicum worden verwacht. In de tussenliggende strandvlakte (met mogelijk resten van duinen en/of strandwallen) geldt een middelhoge verwachting vanaf de IJzertijd. Specifiek voor het noordelijke deel van het plangebied, nabij de dorpskern van Voorhout, geldt een hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Eventueel aanwezige resten worden verwacht vanaf het maaiveld, direct onder de bouwvoor tot in en onder het eventueel aanwezige veen. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Uitvoerder: SOB Research Datum: 05-12-2013 Onderzoeksnummer: 48432 Resultaat: Indien planaanpassing niet mogelijk is, dan is vervolgonderzoek aanbevolen vanaf variërende dieptes binnen verschillende delen van het plangebied. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Teijlingen, Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 29-06-2010 Onderzoeksnummer: 31440 Resultaat: Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een inventariserend veldonderzoek.
Pagina 10 van 20
22294
900 meter ten zuidoosten
23810
500 meter ten noordoosten
48727
650 meter ten noordoosten
56214
650 meter ten noordoosten
60185
650 meter ten noordoosten
14055555 TEY.ROM.ARC
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Sportlaan Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 23-04-2007 Onderzoeksnummer: 18188 Resultaat: In het plangebied wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek wanneer de geplande grondwerkzaamheden dieper zijn dan 30 cm beneden maaiveld . Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Schoonoord Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 02-07-2007 Onderzoeksnummer: 24866 Resultaat: De aanleiding voor dit onderzoek was de aanleg van een riool, dat naar verwachting op een diepte van circa 2,0 -2,5 m beneden maaiveld komt te liggen. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied op een oude strandvlakte is gelegen, waarin tussen 1819 en 1874 een vaart is aangelegd. Aanvullende boringen in het plangebied hebben aangetoond dat het plangebied deel uitgemaakt heeft van een watervoerende vaart die na het geleidelijk dichtgroeien is gedempt. Onderin de aangetroffen venige en kleiige opvulling van de vaart werden fragmenten houtskool aangetroffen en is tevens in een boring een fragment IJsselsteen gevonden. Met name het laatste fragment wijst op het relatief jonge karakter van het sediment en behoort daarom zeer waarschijnlijk tot de opvulling van de vaart.
In de top van de strandafzettingen zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen en is de overgang van de klei naar zand dusdanig scherp, dat vermoedt wordt dat de top van de strandvlakte vergraven is geraakt bij de aanleg van de vaart. Er bestaat daardoor een lage archeologische verwachting op het aantreffen van een archeologische vindplaats, aangezien een dergelijke vindplaats verstoord of vernietigd zal zijn. Naar verwachting kunnen er wel sporen van beschoeiing worden e aangetroffen die stammen uit de 19 eeuw, de periode waarin de vaart is aangelegd. Dergelijke resten hebben een dusdanig lage informatiewaarde, dat geadviseerd is geen verder vervolgonderzoek te laten uitvoeren in het plangebied. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, De Toog Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 04-10-2011 Onderzoeksnummer: 38659 Resultaat: Het plangebied ligt op een strandwal, waarvan de top is verwijderd, waarschijnlijk ten behoeve van de aanleg van de kruipruimte van het café. Er was geen humeuze bovenlaag in het zand aanwezig, zoals dat wel bij het onderzoek aan de Herenstraat 112-114 het geval was. Ook is de bovenlaag van het aanwezige zand omgewerkt, wat te zien is aan grote hoeveelheden puin en baksteen. Archeologische resten worden daarom niet meer in het plangebeid verwacht. Geadviseerd is om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Rembrandstraat 14 Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 28-03-2013 Onderzoeksnummer: 46308 Resultaat: In een groot deel van het plangebied zijn kalkloze oude duinafzettingen aangetroffen. Geadviseerd is om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Timmerman, R., Plangebied Rembrandtlaan 14 in Voorhout, gemeente Teylingen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek`, RAAPnotitie 4516, (WEESP, 2013) Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 06-02-2014 Onderzoeksnummer: 48947 Resultaat: Het plangebied is gelegen op een strandwal, afgedekt met Oude Duinen. Voor de Oude Duinafzettingen gold een hoge archeologische verwachting voor de Prehistorie t/m de Romeinse tijd. Tijdens het karterend onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans dat er in het plangebied sprake is van vindplaatsen in de Oude Duinafzettingen wordt dan ook erg klein geacht. Geadviseerd is om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.
Pagina 11 van 20
18614
700 meter ten noordoosten
23370
750 meter ten noordoosten
14789
850 meter ten noordoosten
8744
950 meter ten noordoosten
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Herenstraat Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 17-08-2006 Onderzoeksnummer: 15334 Resultaat: Op basis van de resultaten van het IVO is vastgesteld dat de bodemopbouw direct rondom plangebied tot een diepte van 70 à 100 cm is verstoord. De top van de strandwal, waarin eventuele archeologische resten zich zouden kunnen bevinden, is daardoor niet meer intact. In de directe omgeving van het plangebied kunnen derhalve geen archeologische resten meer in situ aanwezig zijn. Gezien de beperkte omvang van het plangebied kan een relatie gelegd worden tussen de bodemopbouw van de directe omgeving van het plangebied en het plangebied zelf. Hierdoor kan er voor het plangebied gesteld worden dat de bodembouw waarschijnlijk dezelfde mate van verstoring vertoont, alsmede de afwezigheid van eventuele archeologische resten in situ. Bij gebrek aan boringen in het plangebied zelf kan echter niet met volledige zekerheid gesteld worden dat het plangebied ook verstoord is. Geadviseerd wordt daarom om in het plangebied, zodra dit toegankelijk is, een controleboring te laten zetten. Deze controleboring kan bijvoorbeeld gezet worden in het deel van het plangebied dat nu bedekt is met betonnen platen en dat daardoor misschien minder verstoord zal zijn dan de bebouwde delen.
Literatuur: Moerman, S., 2006: Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase Herenstraat in Voorhout, gemeente Teylingen. Becker & Van de Graaf rapport. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Herenstraat 47 Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 05-07-2007 Onderzoeksnummer: 28124 Resultaat: Tijdens het archeologisch onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat er archeologische vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Op basis hiervan werd geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Beukenrode Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 22-11-2005 Onderzoeksnummer: 12514 Resultaat: Geadviseerd is om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Raadhuisplein Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 30-12-2004 Onderzoeksnummer: 4514 Resultaat: Tijdens het veldonderzoek zijn, afgezien van puin en houtskool in de verstoorde laag direct onder de bouwvoor geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op grond hiervan is er geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden. Geadviseerd is om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Leijnse, K., Plangebied Raadhuispleinlocatie, gemeente Voorhout; een inventariserend archeologisch onderzoek, 2004
Waarnemingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische waarnemingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan, buiten de hierboven beschreven onderzoeksmeldingen, vijf waarnemingen geregistreerd (zie Tabel VI en figuur 8).
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 12 van 20
Tabel VI.
Overzicht ARCHIS-waarnemingen
Waarnemingsnr. 7923
Situering t.o.v. plangebied 750 meter ten oosten
Aard van de melding In 1981 zijn tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden diverse aardewerkfragmenten uit met name de Late Middeleeuwen aangetroffen.
16883
700 m ten oosten
24046
700 m ten noordoosten 300 meter ten zuiden
Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : kogelpotten, Paffrath aardewerk, proto-steengoed, roodbakkend geglazuurd aardewerk, steengoed, kleipijpen Tijdens niet-archeologische werkzaamheden in 1985 is een bronzen randhielbijl aangetroffen, daterend uit de Midden-Bronstijd. In 1939 is Romeins aardewerk aangetroffen. Betreft een indirecte waarneming. De vondstomstandigheden zijn niet bekend. Bij het graven van een gat tot in de veengrond zijn 18 bronzen bijlen en een bronzen beitel aangetroffen. Betreft een indirecte melding.
700 m ten noordoosten
Midden Bronstijd : beitels, bijlen Betreft de vondst (in 1908) van een vuurstenen dolk uit de periode Laat-Neolithicum - Vroege Bronstijd.
45491
45349
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan vondstmeldingen geregistreerd. Nadat deze zijn gecontroleerd worden het waarnemingen. Tot die tijd staan ze als vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied en het onderzoeksgebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd (zie figuur 8). NUMIS NUMIS, oftewel het NUMismatisch InformatieSysteem, is een database waarin beschrijvingen zijn te vinden van in Nederland gevonden munten, penningen en andere numismatische voorwerpen. In NUMIS zijn alle bij het Geldmuseum bekende schatvondsten beschreven. Van de losse vondsten is 11 met name materiaal van vóór het jaar 1600 na Christus opgenomen. Aangezien de accuratesse van de gegevens in NUMIS niet toereikend is voor dit onderzoek, is NUMIS niet geraadpleegd. 3.8
Relatie aardwetenschappelijke informatie met archeologische waarden
Van de hierboven beschreven archeologische waarden zijn er twee afkomstig van de strandwal waar e e ook het huidige plangebied op ligt. Dit betreft het boerenerf uit de 17 -18 eeuw (onderzoeksmelding 41194) en de vondst van Romeins aardewerk waarvan de context niet duidelijk is (waarneming 24046). De overige waarnemingen zijn grotendeels afkomstig van de ten zuidoosten van het plangebied gelegen strandwal.
11
www.geldmuseum.nl/museum/content/zoeken-numis.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 13 van 20
3.9
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Mesolithicum
-
-
-
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het eerddek en in de (top van de) strandwal/duinzanden
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het eerddek en in de (top van de) strandwal/duinzanden
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het eerddek en in de (top van de) strandwal/duinzanden
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het eerddek en in de (top van de) strandwal/duinzanden
Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het eerddek en in de (top van de) strandwal/duinzanden
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder/in het eerddek en in de (top van de) strandwal/duinzanden
Uit de landschappelijke ligging, op een strandwal daterend uit de periode 3000-2000 v. Chr. met een deels intacte top, blijkt dat het plangebied vanaf het Laat-Neolithicum een gunstige nederzettingslocatie heeft gevormd. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode LaatNeolithicum - Middeleeuwen wordt daarom hoog geacht. Voor de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting, op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor bewoning op het historisch kaartmateriaal. Op basis van de aanwezige lage enkeerdgronden, worden de archeologische resten verwacht onder onder het eerddek, in de (top van de) duin- en strandwalzanden. Potentiële archeologische niveaus zijn te herkennen aan bodemhorizonten/cultuurlagen in het zand. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, hoeft niet te betekenen dat de eventueel aanwezige archeologische resten ook behoudenswaardig zijn. Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 14 van 20
Binnen het noordoostelijke deel van het plangebied is de top van de strandwal afwezig, vermoedelijk als gevolg van afzanding. Archeologische resten, die oorspronkelijk direct aan het maaiveld aanwezig zijn geweest zullen hier verloren zijn gegaan. Dieper gelegen archeologische resten kunnen echter nog intact aanwezig zijn. Verder worden lage enkeerdgronden verwacht, waarbij de bodem tot een diepte van 0,5 -0,9 m -mv is omgezet. Archeologische resten die tot deze diepte aanwezig zijn geweest, zullen niet meer in situ liggen. Wel kunnen indicatoren worden aangetroffen in het eerddek, die wijzen op een (deels) verstoorde vindplaats. 3.10 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is een drietal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het bureauonderzoek de daarvoor benodigde gegevens hebben opgeleverd. ’
Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Binnen het noordoostelijke deel van het plangebied is de top van de strandwal afwezig, vermoedelijk als gevolg van afzanding. Archeologische resten, die oorspronkelijk direct aan het maaiveld aanwezig zijn geweest zullen hier verloren zijn gegaan. Dieper gelegen archeologische resten kunnen echter nog intact aanwezig zijn. Verder worden lage enkeerdgronden verwacht, waarbij de bodem tot een diepte van 0,5 -0,9 m -mv is omgezet. Archeologische resten die tot deze diepte aanwezig zijn geweest, zullen niet meer in situ liggen. Wel kunnen indicatoren worden aangetroffen in het eerddek, die wijzen op een (deels) verstoorde vindplaats.
’
Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid, welke vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of rug, nabij een veengebied, een beekdal)? Uit de landschappelijke ligging, op een strandwal daterend uit de periode 3000-2000 v. Chr. met een deels intacte top, blijkt dat het plangebied vanaf het Laat-Neolithicum een gunstige nederzettingslocatie heeft gevormd.
’
Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Vanwege de landschappelijke ligging geldt een hoge kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Neolithicum - Middeleeuwen. Voor de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting, op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor bewoning op het historisch kaartmateriaal.
4 4.1
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, conform de eisen van de KNA, versie 3.3, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 13 juni 2014 door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 15 van 20
In totaal zijn zes boringen gezet (zie figuur 10). Er is geboord tot een diepte van maximaal 4 m -mv. De boringen zijn tot een diepte van 2 m -mv gezet met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. Vanaf 2 m -mv zijn de boringen doorgezet met een zuigerboor (diameter 4 cm). Er is in twee raaien geboord met een afstand van 20 m tussen de raaien en een afstand van circa 25 m tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische 12 Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. De exacte locatie van de boringen (x-, y- en zwaarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Opgeboord veen en klei is verbrokkeld om het te doorzoeken op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Het opgeboorde zand is gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Vanwege het gebruik van het plangebied (grasland) was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren. 4.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. De bodemopbouw wisselt binnen het plangebied. Hieronder zijn de hoofdlijnen beschreven. In twee boringen, de boringen 3 en 6, is een grotendeels intacte top van de strandwal aangetroffen. Onder een (kalkrijke) bouwvoor van circa 15 tot 20 cm dik, is hier een 30 tot 35 cm dikke laag sterk siltig tot kleiig zand aangetroffen. Dit betreft het overstromingsmateriaal dat de top van de strandwal heeft gevormd. Het materiaal is iets bruin van kleur en wordt naar beneden toe geleidelijk lichter. Vermoedelijk betreft het een Bw-horizont. De vlekkerige/rommelige aard van deze laag wijst op een lichte verstoring, vermoedelijk als gevolg van bioturbatie. In boring 3 is hieronder een dunne, fossiele bodem aangetroffen, in de top van het onderliggende zand. De bovenste laag van deze grijsbruine Ahb-horizont was sterk kleiig. In de bodemhorizont zijn houtskoolresten waargenomen. Onder deze bodemhorizont liggen matig silige, kalkloze zanden tot een diepte van 1,7 m -mv. Hieronder ligt een dunne laag venige klei, met daaronder kalkarme zanden, een tweede venige kleilaag, en kalkrijke zanden. In boring 6 is de Ahb-horizont in de top van de strandwal niet aangetroffen onder het overstromingsmateriaal. Mogelijk is deze tijdens de overstromingen geërodeerd.
In boring 1, waar op basis van de verwachtingskaart (zie paragraaf 3.7) eveneens een intacte top van de strandwal werd verwacht, is een geroerd of sterk biotuurbaat pakket aangetroffen tot een diepte van 0,5 m -mv. Ook hier is geen bodemhorizont in de top van de strandwal aangetroffen. Mogelijk houdt de verstoring verband met de ligging nabij de perceelsgrens en de inrit van het weiland. Ter plaatse van het noordoostelijke deel van het plangebied bleek de top van de strandwal, zoals verwacht, niet intact. Hier is geen overstromingsmateriaal aangetroffen. Wel bleek sprake van een ontkalkte top van het zand. Tot een diepte van circa 70 cm -mv is het zand kalkloos, daaronder kalkarm tot circa 165 - 200 cm -mv. Het dieper gelegen zand is kalkrijk.
12
J.H.A. Bosch, 2005.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 16 van 20
In boring 5 is, op een diepte van circa 90 cm -mv, een vegetatiehorizont aangetroffen. Deze is in de overige boringen niet waargenomen. Op een diepte van circa 110 - 150 cm -mv is een kleiige veenlaag aangetroffen in het zuidelijke deel van het plangebied (de boringen 4 - 6). Hieronder zijn in de zanden dunne (circa 5 cm) laagjes venige klei aanwezig in de boringen 3 tot en met 6. De aangetroffen bouwvoor heeft een dikte variërend van 15 tot 40 cm. In de bouwvoor is binnen het gehele plangebied (sub-)recent bouwpuin (baksteenresten, beton, etc.) aanwezig. Hieronder is veelal een circa 10 cm dikke menglaag van A- en C-horizont aanwezig. Van lage enkeerdgronden is op basis van de dikte van de A-horizont geen sprake. Dit is in overeenstemming met het landgebruik op het historisch kaartmateriaal. Hieruit blijkt dat het plangebied de laatste tweehonderd jaar in gebruik is geweest als grasland. De enkeerdgronden worden aangetroffen op de bollenvelden. Het aangetroffen bodemprofiel komt derhalve niet overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 3.6). Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn in vier van de zes boringen archeologische indicatoren aangetroffen (zie Tabel VIII). De aangetroffen archeologische indicatoren zijn gedetermineerd door dhr. P.J.L. Wemerman. Tabel VIII. Boring nr.
Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren Diepte/Traject in cm -mv
Datering
Indicator
1
20-50
900-1200
1 fragment (circa 1 cm) kogelpot aardewerk
3
0-20 Ap
1600-1850
roodbakkend aardewerk
3
55-60 Ahb
4
0-40 Ap
4
0-40 Ap
6
0-15 Ap
houtskool 1750-1900
roodbakkend aardewerk metaalslak
1600-1900
roodbakkend aardewerk
Het fragment kogelpotaardewerk is aangetroffen in een geroerde laag, onder de bouwvoor. Hoewel deze met het overstromingsmateriaal zou kunnen zijn aangevoerd, zou deze ook een aanwijzing kunnen vormen voor de aanwezigheid van een vindplaats binnen het plangebied, daterend uit de periode 900-1200 n. Chr. Deze vindplaats zou zich in de top van de strandwal bevinden of in het daarop gelegen overstromingsmateriaal. Een tweede aanwijzing voor een vindplaats in de top van de strandwal wordt gevormd door de aangetroffen houtskoolresten in de begraven vegetatiehorizont. De aangetroffen fragmenten roodbakkend aardewerk in de bouwvoor kunnen beschouwd worden als “mestaardewerk”. Binnen het plangebied wordt geen erf uit deze periode verwacht. De ouderdom van de metaalslak is niet bekend. Aangezien deze in de bouwvoor is aangetroffen kan een recente ouderdom niet worden uitgesloten. De aangetroffen indicatoren komen allen uit de top van de strandwal of het overstromingsmateriaal. Op diepere niveaus in de strandwal zijn geen indicatoren aangetroffen.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 17 van 20
4.3
Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
Voor het veldonderzoek is een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd; ’
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Binnen het westelijke deel van het plangebied is een grotendeels intacte top van de strandwal aangetroffen, bestaande uit sterk siltig tot kleiig overstromingmateriaal, met daaronder in één boring een begraven bodemhorizont in de top van de strandwal. In het oostelijke deel van het plangebied is het overstromingsmateriaal niet aangetroffen en is de top van de strandwal vermoedelijk afgetopt. In de onderliggende zanden zijn een begraven vegetatiehorizont, een kleiige veenlaag en venige kleilagen aangetroffen in het zuidelijke deel van het plangebied.
’
Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? De verstoring is over het algemeen beperkt tot de bouwvoor, die een dikte van 15 tot 40 cm heeft. Hieronder bevindt zich veelal een circa 10 cm dikke menglaag van A- en C-horizont. Alleen in boring 1 is een diepere verstoring waargenomen, tot circa 0,5 m -mv.
’
Zijn, daar waar het bodemprofiel intact is, archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats? Zo ja, wat is de aard en diepteligging ervan? In boring 1 is een fragment kogelpotaardewerk aangetroffen in een geroerde laag, onder de bouwvoor. Dit aardewerkfragment zou een aanwijzing kunnen vormen voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de periode 900-1200 n. Chr. Deze vindplaats zou zich in de top van de strandwal bevinden of in het daarop gelegen overstromingsmateriaal. Het aardewerkfragment zou ook met het overstromingsmateriaal mee kunnen zijn gekomen. Een tweede aanwijzing voor een vindplaats in de top van de strandwal wordt gevormd door de aangetroffen houtskoolresten in de begraven vegetatiehorizont die in boring 3 is aangetroffen. De aangetroffen fragmenten roodbakkend aardewerk in de bouwvoor kunnen beschouwd worden als “mestaardewerk”. Binnen het plangebied wordt geen erf uit deze periode verwacht. De ouderdom van de metaalslak is niet bekend. Aangezien deze in de bouwvoor is aangetroffen, kan een recente ouderdom niet worden uitgesloten. De aangetroffen indicatoren komen allen uit de top van de strandwal of het overstromingsmateriaal. Op diepere niveaus in de strandwal zijn geen indicatoren aangetroffen.
’
Zijn er archeologische lagen aangetroffen (cultuur- en afvallagen cq. ophogingslagen)? Zo ja, wat is de aard, diepteligging en minimale en maximale dikte ervan? De begraven bodemhorizont in de top van de strandwal, die in boring 3 is aangetroffen, zou op basis van het aangetroffen houtskool een archeologische laag kunnen betreffen. Aangezien de top van deze laag sterk kleiig is, en de basis niet, wordt niet verwacht dat deze laag intensief bewerkt is. Deze laag is slechts in één boring aangetroffen. In de dieper gelegen vegetatiehorizont (boring 5) en in de in het zuidelijke deel van het plangebied aangetroffen veenlaag zijn geen indicatoren aangetroffen.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 18 van 20
’
In welke mate stemmen de resultaten overeen met de verwachtingen? In boring 1 is een fragment kogelpotaardewerk aangetroffen. Hoewel deze met het overstromingsmateriaal mee zou kunnen zijn gekomen, zou deze ook een aanwijzing kunnen vormen voor een vindplaats binnen het plangebied. Ook is in boring 3 houtskool aangetroffen, dat een indicatie zou kunnen vormen voor de aanwezigheid van een vindplaats. De hoge verwachting blijft derhalve behouden voor de westelijke hoek van het plangebied, ter plaatse van de boringen 1 en 3. In de overige boringen, en dieper in de strandwal zijn geen indicatoren aangetroffen. Hier dient de verwachting bijgesteld te worden tot een lage verwachting voor alle periodes.
’
5 5.1
Indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen van de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Indien in de westelijke hoek van het plangebied bodemingrepen plaats gaan vinden die dieper reiken dan 0,5 m -mv, vormen deze een bedreiging voor eventueel aanwezig archeologische resten.
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES Conclusie
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder de ligging ter plaatse van een deels intacte strandwal verhoogde de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied is inderdaad sprake van een grotendeels intacte top van de strandwal. Hier zijn indicatoren aangetroffen die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. In het noordoostelijke deel van het plangebied bleek de strandwal afgegraven, maar is nog wel een kalkloze top van het zand aanwezig. In de onderliggende zanden zijn een vegetatiehorizont en een veenlaag aangetroffen. In geen van beide waren archeologische indicatoren aanwezig. Hoewel de aanwijzingen niet sterk zijn, zouden de aangetroffen indicatoren in het westelijke deel van het plangebied verband kunnen houden met de aanwezigheid van een vindplaats in deze hoek van het plangebied. Hier blijft de hoge verwachting behouden op basis van het uitgevoerde onderzoek. Deze zone wordt begrensd door de grens van de intacte top van de strandwal en door het ontbreken van indicatoren van deze vindplaats in boring 6. De zone met resterende hoge verwachting is weergegeven in figuur 11.
In de overige delen van het plangebied, en dieper in de strandwal, worden op basis van het ontbreken van indicatoren, geen vindplaatsen verwacht. 5.2
Selectieadvies
Econsultancy adviseert om in de westelijke hoek van het plangebied, waar op basis van het uitgevoerde onderzoek een hoge verwachting geldt, geen bodemingrepen te laten plaats vinden die een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden vormen. Hierbij dient een buffer van 20 cm ten opzichte van het archeologisch niveau aangehouden te worden. Derhalve dienen bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv vermeden te worden. Indien dit niet mogelijk is adviseert Econsultancy om dit deel van het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Tijdens dit onderzoek dient duidelijkheid te ontstaan over de aan- of afwezigheid van een vindplaats en van een eventuele verstoring daarvan.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 19 van 20
Op basis van de huidige bouwplannen is sprake van dermate beperkte bodemingrepen (naar schatting zal circa de helft van de heipalen binnen de zone met een hoge archeologische verwachting worden geplaatst, waardoor per woning slechts sprake is van een (directe) verstoring van de ondergrond 2 in deze zone van circa 0,17 m ), dat uitvoering van het proefsleuvenonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Het is echter aan het bevoegd gezag (de gemeente Teylingen), om op basis van de uiteindelijke bouwplannen (inclusief het palenplan) te bepalen of uitvoering van het proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is. Voor de overige delen van het plangebied wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Bovenstaand advies vormde het selectieadvies van Econsultancy. De resultaten van dit onderzoek zijn beoordeeld door het bevoegd gezag (Gemeente Teylingen), die het selectieadvies heeft overgenomen en verwerkt in het selectiebesluit (beoordelingsbrief van de gemeente Teylingen, kenmerk 117317, contactpersoon mevrouw C. Bekker). Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het vrij te geven deel van het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten.
Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden daar toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456), de gemeente Teylingen of de Provincie Zuid-Holland.
Econsultancy Doetinchem, 19 augustus 2014
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 20 van 20
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Situering van het plangebied binnen Nederland (bron : http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legend Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Detailkaart van het plangebied binnen Nederland Legend Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1615 (bron: www.watwaswaar.nl)
Situatie 1819 (bron: www.watwaswaar.nl)
Situatie 1850 (bron: www.watwaswaar.nl)
Situatie 1898 (bron: www.watwaswaar.nl)
Situatie 1926 (bron: www.watwaswaar.nl)
Situatie 1974 (bron: www.watwaswaar.nl)
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 7.
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 8.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis2, AHN)
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 9.
Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Teylingen Legenda: zie volgende pagina Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 10.
Boorpuntenkaart
Rijnsburgerweg 6 te Voorhout Boorpuntenkaart Legenda Plangebied
14055555 TEY.ROM.ARC
Figuur 11.
14055555 TEY.ROM.ARC
Resultaat van het booronderzoek
Bijlage 1
Literatuur
Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Schute, I.A., 2009: Gemeente Teylingen, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. RAAP-rappot 1979. Stichting voor Bodemkartering, 1981: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 30 Oost.
14055555 TEY.ROM.ARC
Bijlage 2
Bronnen
AHN; internetsite, augustus 2014. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis2, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, augustus 2014. http://archis2.archis.nl/archisii/html/index.html Bodemloket, internetsite, augustus 2014. www.bodemloket.nl SIKB; internetsite, augustus 2014. http://www.sikb.nl Wat Was Waar; internetsite, augustus 2014. http://www.watwaswaar.nl
14055555 TEY.ROM.ARC
Bijlage 3 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
14055555 TEY.ROM.ARC
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
Atlanticum warm vochtig
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
14055555 TEY.ROM.ARC
Bijlage 4
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.
De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een
14055555 TEY.ROM.ARC
greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse Tijd (ca.
12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten.
Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'.
e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos,
14055555 TEY.ROM.ARC
heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd.
Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
14055555 TEY.ROM.ARC
Bijlage 5
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een selectiebesluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
14055555 TEY.ROM.ARC
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. De derde fase: Archeologische Begeleiding (AB) of Opgraven (AAO) Archeologische Begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een Algehele Archeologische Opgraving (AAO).
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden.
14055555 TEY.ROM.ARC
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ ▼ Opgraven*** Begeleiding*** Beschermen Verwijderen Begeleiding Bescherming van de van de van de archeologie werkzaamheden archeologie door door door archeologen archeologen planaanpassing * ** *** **** ***** ******
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend booronderzoek moet worden uitgevoerd. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
14055555 TEY.ROM.ARC
Bijlage 6
14055555 TEY.ROM.ARC
Planontwerp
Bijlage 7
14055555 TEY.ROM.ARC
Boorprofielen
1 X: Y:
2 92504 470483
0,12
0
m +NAP
X: Y: 0 10
50
50
60 75
125 135
Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, geel, rommelig, geroerd
m +NAP
50
200
Zand, matig fijn, matig siltig, licht bruingrijs, kalkarm
30 40
Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, zw ak puinhoudend, grijsbruin, kalkrijk, Ap
60 70
Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, grijsgeel, A/C Zand, matig fijn, zw ak siltig, beigegeel, kalkloos
120 130
Zand, matig fijn, matig siltig, matig gleyhoudend, beigegeel, kalkarm, Cg Zand, matig fijn, matig siltig, licht beigegrijs, kalkarm, Cr
150 170 180
Zand, matig fijn, zw ak siltig, oranjegeel, sterke ijzerneerslag 200
0
100
Zand, matig fijn, matig siltig, matig gleyhoudend, beigegeel, kalkloos, Cg Zand, matig fijn, matig siltig, licht beigegrijs, kalkarm, Cr
150
0,04
0 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, zw ak puinhoudend, grijsbruin, kalkrijk, Ap
Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtgeel, kalkloos
100
92528 470484
200 220
Zand, matig fijn, zw ak siltig, oranjegeel, sterke ijzerneerslag Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak humeus, licht bruingrijs, kalkarm Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, grijsbruin, Ahb
250
Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak humeus, licht bruingrijs, kalkarm tot kalkrijk 300
300
3 X: Y: 0
Zand, matig fijn, zw ak siltig, neutraalgrijs, kalkrijk
4 92519 470464
0,15
m +NAP
X: Y: 0 20
50
55 60
100
0
92541 470466
0,05
m +NAP
0
Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, grijsbruin, kalkrijk, Ap Zand, matig fijn, matig siltig, lichtbruin, matig tot sterk silthoudend, kalkloos, rommelig, nar beneden toe geleidelijk lichter tot beigegeel, mogelijk licht geroerde B of opgebracht?
40
50
55 70
150 170 173
200
195 200
Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak humeus, licht bruingrijs, kalkloos, Cr Klei, uiterst siltig, beigegrijs, kalkarm, veel plantenresten, houtresten
250
Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, licht bruingrijs, kalkarm, w einig plantenresten
300
130 140
150
Zand, matig fijn, matig siltig, matig gleyhoudend, beigegrijs, kalkloos, Cg
180 190
350
Veen, sterk kleiïg, grijsbruin, zeer abrupte onder- en bovengrens, brok?
Zand, matig fijn, kleiïg, grijs Zand, matig fijn, zw ak siltig, neutraalgrijs, kalkrijk, w einig zeer fijn verdeelde schelpresten (zandgrootte), duinzand