5. Bijlagen bij toelichting_5.pdf.pdf
Tekst van het document
Bijlagen bij toelichting
33
Bijlage 1 Landschappelijke inpassing
34
RIJNSBURGERWEG 6 INPASSINGSPLAN WONINGEN
COLOFON OPG E STE LD DOOR
Bosch Slabbers Landschapsarchitecten; Wijnand Bouw; OP DRACHTG EVE R
Gemeente Teylingen D AT U M
mei 2015
RIJNSBURGERWEG 6 INPASSINGSPLAN WONINGEN
•4•
B OS C H
S LAB B E R S
1
INLEIDING
Voor de familie van den Rotte wordt een postzegelbestemmingsplan opgesteld het mogelijk maken van een 3-tal woonbestemmingen aan de Rijnsburgerweg 6. Om deze functieverandering goed te kunnen beoordelen heeft de gemeente de voorwaarde gesteld dat er een plan voor de landschappelijke inpassing wordt opgesteld. Bosch Slabbers is gevraagd hiervoor het landschapsadvies op te stellen. In het besluit nummer: 2014_BW_00273 is vastgelegd dat het college van B & W van de gemeente Teylingen planologische medewerking wil verlenen aan de realisatie van een drietal greenportwoningen op een open kavel gelegen voor de woning van Rijnsburgerweg 6. Deze woningen passen binnen het bovenliggende beleid (Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek) en vallen onder de zogenoemde greenportwoningen. Derhalve zal dit advies geen uitspraak doen over de wenselijkheid of onwenselijkheid van een dergelijke ontwikkeling op deze locatie. Het advies zal enkel en alleen ingaan op de landschappelijke inbedding van de voorgestelde bestemmingsplanwijziging. De voorgestelde woningen staan haaks op de weg en krijgen een landelijk karakter. Met het opstellen van dit advies waren twee woningen inmiddels ontworpen en de derde nog niet. De twee ontworpen woningen zijn als een familie van elkaar ontworpen, dezelfde stijlkenmerken, materialen, massaopbouw en rooilijn.
Dit levert een rustig en landelijke beeld op. Dit advies begint met een relaas over de landschappelijke ondergrond en de historie. Vervolgens wordt de huidige situatie beschreven en de aanvullende randvoorwaarden. Dan volgt de visie en de uitwerking daarvan.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
•5•
•6•
B OS C H
S LAB B E R S
2
LANDSCHAPPELIJKE ONDERLEGGER
De locatie ligt in het strandvlakte en strandwallen landschap van de Duinen Bollenstreek. Eeuwen lange trans- en regressie heeft hier in sterke mate het landschap gevormd. Op de bodemkaart is de hoofdstructuur van het landschap goed waar te nemen. Parallel aan de kust liggen langgerekte ruggen van zanderig materiaal, de oude duinen. De oude duinen waren vroeger markant aanwezig in het landschap. Dit waren de plekken waar mensen zich vestigden en waar meerdere (hof)stede’s, landgoederen en buitenplaatsen en dorpen en steden op zijn ontstaan. Noordelijk gelegen ten opzichte van Katwijk lag vroeger de monding van de Rijn, de eens zo machtige rivier. In de tijden dat de Rijn nog een groot debiet had, wat thans verschoven is richting de zuid-westelijke delta, heeft deze een grote invloed gehad op de landschapsvorming van dit gebied. Door regelmatige overstromingen vanuit de Rijn, maar ook vanuit zee, is in dit gebied het zogenaamde estruariumlandschap ontstaan. Belangrijke kenmerken daarvan zijn de grillige waterlopen door het landschap en de enigszins kleiige bodem. De Hogewegpolder en de Elsgeesterpolder zijn daar voorbeelden van. Het studiegebied ligt midden op de strandwal, op de overgang naar het estuariumlandschap. Door de eeuwen heen is het bodemgebruik in deze streek sterk gewijzigd.
Vooral grootschalige zanderijen hebben het gebied vervlakt tot de huidige situatie waarin de verschillen tussen strandwal en strandvlakte geminimaliseerd zijn. Naast het afvoeren van zand zijn ook de kleiige en venige bodem omgekeerd om bollenteelt mogelijk te maken, hetgeen het onderscheid nog sterker vervaagd. De occupatiepatronen en de vestiging van stede’s met de bijbehorende beplanting markeren nog de strandwallen en dus de landschappelijke ontstaansgeschiedenis van dit gebied.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
•7•
1900
•8•
B OS C H
S LAB B E R S
2000
3
HISTORIE
Zoals in het voorgaande gesteld, wordt het landschap gedomineerd door het landschappelijk gebruik van de gronden, met name de bollenteelt. De studielocatie ligt op de strandwal en grenst aan het gebied van de hofstede Schoonoord en later het seminarium. Dit gebied dat vanuit Voorhout bezien aan de overkant van de vaart lag, wordt gekenmerkt door een sterk bebost gebied, dat zo op een prachtige wijze de strandwal markeert. Op de kaart van 1900 is prachtig te zien hoe rond het seminarium grote percelen met bos aangeplant zijn. De driehoek tussen trekvaart en Rijnsburgerweg is de overtuin, dit was de oorspronkelijke plek van de Stede Schoonoord, zoals onderstaande tekst illustreert. Schoonoord zal zijn ontstaan nadat in 1657 de Leidse Vaart of Haarlemmer Trekvaart was gegraven. Het oorspronkelijke landhuis lag aan deze Vaart. In de 17e eeuw was het buitengoed in eigendom van de Leidse familie Wittert van der Aa. In 1836 werd Christiaan Lodewijk Coster eigenaar van zowel de heerlijkheid Voorhout als het landgoed. Coster liet een nieuw huis bouwen In 1845 werd het landgoed met overtuin aan de Rijnsburgerweg geveild en kwam het in handen van de rooms-katholieke kerk die op het terrein van de overplaats het seminarie Klein Hageveld bouwde. Het landhuis werd afgebroken en het omliggende park in landschapsstijl werd toen het ‘Het Overbosch’.
In 1923 werd het seminarium ontruimd en de Bisschoppelijke Nijverheidsschool erin gevestigd, Ook dit gebouw is inmiddels verdwenen om plaats te maken voor een behuizing voor ouderen en de Katholieke Technische school Het ‘Overbosch’ (website gemeente Teylingen, historische vereniging Voorhout) Mooi op de kaart van 1900 is ook te zien hoe de boerderij van Rijnburgerweg 6 op de rand van de strandwal ligt en ruimtelijk met beplantingen een eenheid vormt met de omgeving van het seminarium. Zelfs de ontsluiting van de boerderij ligt in de randen van het bos. De grillige watergang sluit hier de boerderij bij het gebied van het Seminarie. Deze watergang vormt al eeuwen een grens tussen verschillende gemeenten. Na de oorlog is het gebied rond het seminarium meer en meer bebouwd geraakt. Diverse functies vanuit zorg, onderwijs, het katholieke verleden en woningen hebben hier een plek gekregen. De strandwal is hier meer bebouwd geraakt, maar heeft nog steeds een stevig groen karakter en vormt zo een mooi contrast met het open bollenland. Het bollenland dat uiteraard gekenmerkt wordt door het type teelt en de openheid.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
•9•
• 10 •
B OS C H
S LAB B E R S
4
HUIDIGE SITUATIE RUIMTELIJKE CONTEXT
Zoals in het voorgaande beschreven ligt het studiegebied op de strandwal tegen de omgeving van het seminarium aan. Het kavel dat beoogd is om te bebouwen vormt een weitje tussen de bebouwing van het seminarium en de boerderij van nummer 6. Ruimtelijk gezien is de boerderij onderdeel van de omgeving van het seminarium, de beplanting loopt door en sluit aan. De randen van de omgeving van het seminarium hebben op enkele plekken ingeboet in robuustheid. Waar op oude kaarten nog te zien is dat de randen robuust ingeplant waren, zijn beplantingselementen enigszins uitgedund geraakt en is de recente bebouwing soms redelijk zichtbaar. Zo ook bij het studiegebied. Het studiegebied grenst dus aan de oostzijde aan bebouwd gebied, met daartussen een brede sloot en een beplantingsstrook van ongeveer 5 meter. Tussen de beplanting en het water ligt een schouwstrook. Aan de westzijde grenst het studiegebied aan openpolderland. De beoogde kavels liggen op ongeveer 6 meter afstand van het bollenveld, er ligt een weg tussen. Aan de noordzijde ligt de boerderij van nummer 6 met bijgebouwen, boomgaard en dierenwei, tuinen en een royale volwassen beplanting, waaronder volwassen bomen (20 meter hoog). Aan de zuidzijde ligt een rand van het seminariumgebied met nieuwbouw. Deze rand is landschappelijk goed ingepast met een stevige beplanting en een brede sloot.
De locatie is nauwelijks zichtbaar vanuit de omgeving. De locatie wordt bereikt vanaf de Rijnsburgerweg door een poort van groen, min of meer een laantje. De woningen liggen op meer dan 275 meter van de weg en zijn niet zichtbaar vanaf de aansluiting met de Rijnsburgerweg. De locatie is alleen zichtbaar vanuit een bocht in de Rijnsburgerweg, dit ligt ongeveer op 1 kilometer afstand (bovenste foto op linkerpagina). Hier is de rand van de recent gerealiseerde woningen zichtbaar en zal de rand bebouwing daarvoor ook zichtbaar kunnen zijn. Het gedeelte van de Rijnsburgerweg tussen deze bocht en de locatie is dermate dicht gebouwd dat er geen zicht mogelijk is op de locatie. Vanuit de achtererven van de percelen aan de Rijnsburger is wel zicht mogelijk, maar dit zijn veelal bedrijven.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
• 11 •
7455
9330 1000
7500 B
MERK
C
MERK
B
MERK B
0.6 Bijkeuken = 11.80 M2
0.7 Werkkamer = 15.00 M2 KOEL/ VRIEZER
MERK
DROGER
WAS M ACHINE
MERK
deurmaat930x2.....
4820
deurmaat930x2.....
0.6 Bijkeuken= 7.30 M2
0.2 Toilet = 1.60 M2
MERK
deurmaat930x2.....
16875
0.3 M.K. = 0.40 M2
0.4 Leefkeuken= 46.00 M2
0.2 Toilet = 1.50 M2
9000
18000
4000
6500
8000
18000
3500
KAVELGRENS
8500
KAVELGRENS
5500
S LAB B E R S
6180
9000
2320
B OS C H
0.5 Woonkamer = 29.00 M2
• 12 •
Veranda
MERK B
4890
0.4 Woonkamer = 25.50 M2
Twee van de drie bouwplannen (in ontwikkeling)
MERK B
0.3 M.K. = 0.40 M2
deurmaat930x2.....
33330
0.1 Hal = 10.00 M2
33330
5290
17
1
16
2
15000
15
3
14
4
8
5
9
6
7
10
11
13
12
0.1 Hal = 10.00 M2
0.5 Leefkeuken= 43.50 M2
MERK A
0.6 Provisiekast= 4.50 M2
5
AANVULLENDE RANDVOORWAARDEN Drift gewasbeschermingsmiddelen (uit advies OMWH 28 maart 2014) De drift van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelt is een aspect dat van belang is bij een goede ruimtelijke ordening. Door de wind komt een deel van de middelen neer in de omgeving, waar het effect heeft op de gezondheid van omwonenden. Volgens jurisprudentie moet er een afstand van 50 meter worden aangehouden tussen open teelt en gebieden met een woonbestemming. Uit onderzoek blijkt dat bij lage teelt zoals boomsierteelt een afstand van 35 meter tussen de teelt en een woonbestemming voldoende is. Voor bollenteelt kan ook van deze afstand worden uitgegaan. Hierbij wordt gerekend van de rand van de open teelt tot aan de rand van de woonbestemming (inclusief tuin). De reden hiervoor is dat gewasbeschermingsmiddelen neerslaan op tuinmeubelen, buitenspeelgoed en dergelijke. Via de handen kunnen de middelen in de mond terecht komen of direct door de huid worden opgenomen. Het plangebied ligt op minder dan 35 meter afstand van de open bollenteelt, namelijk op circa 6 meter afstand. Om te beoordelen of de drift van gewasbeschermingsmiddelen gevolgen heeft voor het woonen leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen (inclusief tuin) moet dit aspect nader beschouwd cq. onderzocht worden. Het is mogelijk dat door het treffen van maatregelen (bv.
haagbeplanting of aanleg van water, vergroten afstand) voldaan kan worden aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het plan wordt rekening gehouden met de afstand van de woning, de inrichting van de voortuin en de afscheiding op de kavelgrens. De rooilijn van de woning is op 9 meter van de weg geplaatst om de afstand met de bollenteelt te vergroten. Ook is de entree van de woningen aan de zijkant ongeveer 10 meter verder terug gelegd, ook om deze afstand te vergroten. De voor- en zijtuinen worden zo ingericht dat deze minder intensief gebruikt worden. Het accent voor buiten zijn en buiten spelen ligt aan de achterzijde van de woningen. Op de grens van het kavel zal een haag geplant worden die de drift van gewasmiddelen zoveel mogelijk zal beperken. Deze haag zal 1.50 meter hoog zijn. Het huidige aanpalende gewas wordt niet hoger dan 50 centimeter (narcissen), dus een haag van 1.50 zou ruim moeten voldoen. Ten behoeve van de toegankelijkheid voor calamiteitendiensten (brandweer) wordt in het plan een keermogelijkheid opgenomen. Deze heeft een minimale diameter van 20 meter en wordt uitgevoerd in gras versterkt met een puinfundering. Tevens zijn er in de toegangsroute twee uitwijkmogelijkheden opgenomen en wordt de hele toegangsweg enigzins verbreed (minimaal 25 cm). Zowel de uitwijkmogelijkheden als de verbreding worden uitgevoerd in grasbetonstenen.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
• 13 •
Corylus avellana (hazelaar)
Aesculus hippocastanum (paardekastanje)
Quercus robur (zomereik)
Fagus sylvatica (gewone beuk)
Tilia europea (linde)
Viburnum opulus (gelderse roos)
6
VISIE
Voor de landschappelijke inbedding en inpassing van deze ontwikkeling wordt voorgesteld om de ontwikkeling zoveel mogelijk te laten aansluiten aan de landschappelijke gegevens van de strandwal. Preciezer geformuleerd: onderdeel uit te laten maken van het ensemble van het seminarium. Voorgesteld wordt om de landschappelijke middelen in te zetten die gebruikelijk zijn op dit deel van de strandwal, namelijk hagen, bomen en bosstruweel. Op deze wijze blijft de boerderij als bijzonder element in tact, met zijn eigen sfeer en eigen beplanting, en worden de drie nieuwe woningen opgenomen in de logica van de strandwal. De landschappelijke inbedding bestaat uit vijf onderdelen: de rand langs de weg, de voortuinen, het decor (achterzijde), de zijkanten van de kavels en de rand naar het water (natuurvriendelijke oever).
De rand langs de weg De rand van de weg wordt zoals eerder in deze rapportage aangegeven een haag voorgesteld met een hoogte van 1.50 meter. Dit is functioneel nodig, maar is ook landschappelijk een zeer passend element in het landschap. Hagen zijn in de duin- en bollenstreek veel voorkomend. Deze werden ingezet langs wegen (tussen akker en weg) of langs erven in de vorm van ligusterhagen. Op de strandwallen in de meer historische context van oude stede wordt juist beukenhaag toegepast. In aansluiting op dat landschappelijke beeld van de “stede” op de strandwal wordt hier beuk voorgesteld. De bestaande knotwilgen kunnen geïntegreerd worden in het beeld, maar mogen op termijn verdwijnen. Knotwilgen zijn meer planten van de strandvlakte dan de strandwallen, ook al is dat in de huidige tijd op deze locatie niet het geval. In de foto genomen vanaf de bocht in de Rijnsburgerweg (pagina 10 bovenaan) is goed te zien hoe de knotwilgen afwijken qua beeld.
De voortuinen De voortuinen worden rustig en landschappelijk ingericht. Deze visie doet geen uitspraak over de precieze inrichting van de voortuinen, maar adviseert wel om minimaal 3 bomen van de 1e of 2e orde in de voortuinen aan te planten. Deze bomen zullen op termijn boven de woningen uit groeien en zorgen voor een continu landschappelijk beeld in aansluiting op de bestaande bomen langs de entreeweg en de aanpalende percelen.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
• 15 •
Decor, verbreding bestaande houtsingel
voortuinen met bomen (minimaal 3 per voortuin)
Beukenhaag
Draaicirkel in gras met puinfundering
eventuele verbreding water (hier twee meter getekend) met natuurvriendelijke oevers (minimaal 1:3)
• 16 •
B OS C H
S LAB B E R S
Qua soorten worden hier eiken, lindes, kastanjes of esdoorns voorgesteld. Dit zijn bomen die in de huidige opstanden in aansluiting op de bosschages van de strandwal ook voorkomen.
De zijkanten Aan de uiterste west- en oostkant wordt voorgesteld om een landschappelijke beplanting aan te brengen met enig volume. Deze strook wordt minimaal 3 meter breed met een landschappelijke, inheemse beplanting. Dit zijn dezelfde soorten als in het decor (volgende alinea) worden toegepast. Met de aanplant wordt voorgesteld om 2 rijen te planten met een afstand van 0,75 meter. Zo kan de beplanting ruim een meter uitgroeien aan weerszijde. Deze landschappelijke beplanting kan eens in de 2 a 3 jaar gesnoeid worden om de breedte van 3 meter niet te overschrijden. Tussen de kavels in wordt voorgesteld dezelfde soorten te planten maar dan in een enkele rij.
Het decor Het decor voor de nieuwe woningen wordt gevormd door een stevige landschappelijke boszoom op de achterzijde van het kavel. Thans staat daar een sterk uitgedunde strook met bosplantsoen van ongeveer 5 meter breed. Het voorstel is om deze meer volume te geven, minimaal acht meter. Deze strook krijgt een landschappelijk karakter met inheemse beplanting. In deze strook komen nog enkele boomvormers te staan. De boomvormers worden gevormd door eiken, essen en esdoorns. De ondergroeiing is inheems, hierbij kan gedacht worden aan soorten als hazelaar, gelderse roos, rode kornoelje, meidoorn, sleedoorn en veldesdoorn. Het beheer van het decor zal er op gericht moeten zijn de struiken zo royaal mogelijk te laten uitgroeien.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
• 17 •
Voorbeeld van een natuurvriendelijke oever zoals hiernaast beschreven (bron: stowa, handreiking natuurvriendelijke oevers). Hieronder een foto van het doelsoort, de rugstreeppad.
• 18 •
B OS C H
S LAB B E R S
Rand naar het water (bron: RO milieuadvies dd 7 april 2015, omgevingsdiens West-Holland) De intentie is om een natuurvriendelijke oever aan te leggen over een lengte van ca. 57 meter aan de zuidoost/noordoost kant van het plangebied om het habitat voor de (strikt) beschermde rugstreeppad te versterken. Voor een goed functionerende natuurvriendelijke oever gelden de volgende zaken: • de oever wordt vergraven tot een flauw aflopend talud met een verloop van 1: 3 tot 1:5. Hierdoor wordt het water van ondiepe oevers gemakkelijk opgewarmd door de zon. De nieuwe oevers hebben hierdoor tot circa één meter vanaf de waterlijn een ondiepe zone met een diepte van 5 tot 20 centimeter. De oevers dienen vervolgens af te lopen tot een diepte van tenminste een halve meter; dit is noodzakelijk voor de ontwikkeling van larven. Zie ook het getoonde referentiebeeld. • het water moet zich in de zogenaamde ‘pioniersfase’ bevinden en blijven. Ter hoogte van ondiepte dient daarom extensief onderhoud te worden uitgevoerd, gericht op dicht ontwikkelde vegetaties. De kans op ongewenste rietontwikkeling langs flauwe oevers is groot, maar is ongewenst voor de rugstreeppad. Regelmatig onderhoud met maaien of schonen is daarom noodzakelijk.
• aan de onderstaande voorwaarden moet een voortplantings/aquatisch habitat voor de rugstreeppad voldoen: • vaak ondiep (tijdelijk) water; • geschoonde sloten (weinig tot geen vegetatie); • het water moet helder zijn en bij voorkeur vegetatie loos; • in de nabijheid van losse, zandige bodems en bosschages die beide dienen als landhabitat.
R IJ N S B U RG E RW E G
6
• 19 •
© Dit werk is auteursrechtelijk beschermd. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Bosch Slabbers Tuin- en Landschapsarchitecten B.V. (hierna: “Bosch Slabbers”). Bosch Slabbers heeft bij haar werkzaamheden de zorgvuldigheid in acht genomen die van haar kan worden verwacht. Aan de getoonde informatie in deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend. Op onze werkzaamheden zijn de voorwaarden van toepassing zoals vastgelegd in De Nieuwe Regeling 2005 (DNR 2005). Bosch Slabbers heeft met zorgvuldigheid de beelden in deze publicatie geselecteerd. Het kan voorkomen dat niet alle rechthebbenden van de gebruikte beelden zijn achterhaald. Belanghebbenden worden verzocht contact op te nemen met Bosch Slabbers.
1e Sweelinckstraat 30 2517 GD Den Haag T 070 3554407 F 070 3061618 den-haag@bosch-slabbers.nl www.bosch-slabbers.nl
Bijlage 2 Archeologisch onderzoek
57
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN GECOMBINEERD VERKENNEND EN KARTEREND BOORONDERZOEK RIJNSBURGERWEG 6 TE VOORHOUT GEMEENTE TEYLINGEN
Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek Rijnsburgerweg 6 te Voorhout in de gemeente Teylingen Opdrachtgever
Rombou Postbus 240 8000 AE Zwolle
Project Rapportnummer Status Versienummer Datum
TEY.ROM.ARC 14055555 Eindrapportage D1 19 augustus 2014
Vestiging
Doetinchem
Auteur(s)
Drs. G.W.J. Spanjaard
Paraaf
Met een bijdrage van de heer P.J.L. Wemerman Autorisatie
Drs. A.H. Schutte (Senior KNA-Archeoloog)
Paraaf
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode en nummer
14055555 TEY.ROM.ARC
Toponiem
Rijnsburgerweg 6
Opdrachtgever
Rombou
Gemeente
Teylingen
Plaats
Voorhout
Provincie
Zuid-Holland
Kadastrale gegevens
Gemeente Voorhout, Sectie A, nummer 4242 (ged.)
Omvang plangebied
circa 2.000 m
Kaartblad
30 F (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 92.530 / Y: 470.465
Bevoegde overheid
Gemeente Teylingen Postbus 149 2215 ZJ Voorhout Tel. 14 0252
Deskundige namens de bevoegde overheid
Gemeente Katwijk Postbus 589 2220 AN Katwijk Tel. 071-4065000
ARCHIS2
Bureauonderzoek 62.031 n.v.t. 50.563
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Vondstmeldingsnummer Onderzoeksnummer
2
Booronderzoek 62.032 424.732 50.564
Archeoregio NOaA
Hollands duingebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Doetinchem/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerders
Econsultancy, Drs. G.W.J. Spanjaard
Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rombou in juni 2014 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Het plangebied is gelegen aan de Rijnsburgerweg 6 te Voorhout in de gemeente Teylingen. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 5). Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen.
Het IVO dient inzicht te verschaffen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Daarnaast is het gericht op het opsporen van eventueel aanwezige archeologische vondsten en/of sporen en het verkrijgen van een eerste indruk van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek en/of planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting Uit de landschappelijke ligging, op een strandwal daterend uit de periode 3000-2000 v. Chr. met een deels intacte top, blijkt dat het plangebied vanaf het Laat-Neolithicum een gunstige nederzettingslocatie heeft gevormd. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode LaatNeolithicum - Middeleeuwen wordt daarom hoog geacht. Voor de Nieuwe tijd geldt een lage verwachting, op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor bewoning op het historisch kaartmateriaal. Op basis van de aanwezige lage enkeerdgronden, worden de archeologische resten verwacht onder onder het eerddek, in de (top van de) duin- en strandwalzanden. Potentiële archeologische niveaus zijn te herkennen aan bodemhorizonten/cultuurlagen in het zand.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied is sprake van een grotendeels intacte top van de strandwal. Hier zijn indicatoren aangetroffen die zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. In het noordoostelijke deel van het plangebied bleek de strandwal afgegraven, maar is nog wel een kalkloze top van het zand aanwezig. In de onderliggende zanden zijn een vegetatiehorizont en een veenlaag aangetroffen. In geen van beide waren archeologische indicatoren aanwezig. Conclusie Hoewel de aanwijzingen niet sterk zijn, zouden de aangetroffen indicatoren in het westelijke deel van het plangebied verband kunnen houden met de aanwezigheid van een vindplaats in deze hoek van het plangebied. Hier blijft de hoge verwachting behouden op basis van het uitgevoerde onderzoek. Deze zone wordt begrensd door de grens van de intacte top van de strandwal en door het ontbreken van indicatoren van een vindplaats in boring 6. In de overige delen van het plangebied, en dieper in de strandwal, worden op basis van het ontbreken van indicatoren, geen vindplaatsen verwacht. 14055555 TEY.ROM.ARC
Selectieadvies Econsultancy adviseert om in de westelijke hoek van het plangebied, waar op basis van het uitgevoerde onderzoek een hoge verwachting geldt, geen bodemingrepen te laten plaats vinden die een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden vormen. Hierbij dient een buffer van 20 cm ten opzichte van het archeologisch niveau aangehouden te worden. Derhalve dienen bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv vermeden te worden. Indien dit niet mogelijk is adviseert Econsultancy om dit deel van het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Tijdens dit onderzoek dient duidelijkheid te ontstaan over de aan- of afwezigheid van een vindplaats en van een eventuele verstoring daarvan. Op basis van de huidige bouwplannen is sprake van dermate beperkte bodemingrepen (naar schatting zal circa de helft van de heipalen binnen de zone met een hoge archeologische verwachting worden geplaatst, waardoor per woning slechts sprake is van een (directe) verstoring van de ondergrond 2 in deze zone van circa 0,17 m ), dat uitvoering van het proefsleuvenonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Het is echter aan het bevoegd gezag (de gemeente Teylingen), om op basis van de uiteindelijke bouwplannen (inclusief het palenplan) te bepalen of uitvoering van het proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is.
Voor de overige delen van het plangebied wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Bovenstaand advies vormde het selectieadvies van Econsultancy. De resultaten van dit onderzoek zijn beoordeeld door het bevoegd gezag (Gemeente Teylingen), die het selectieadvies heeft overgenomen en verwerkt in het selectiebesluit (beoordelingsbrief van de gemeente Teylingen, kenmerk 117317, contactpersoon mevrouw C. Bekker). Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het vrij te geven deel van het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden daar toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456), de gemeente Teylingen of de Provincie Zuid-Holland.
14055555 TEY.ROM.ARC
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1
3
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 15 4.1 4.2 4.3
5
Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 3 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 5 Archeologische waarden .................................................................................................. 8 Relatie aardwetenschappelijke informatie met archeologische waarden....................... 13 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 14 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek .................................................... 15
Methoden ........................................................................................................................ 15 Resultaten ....................................................................................................................... 16 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 18
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES ....................................................................................... 19 5.1 5.2
Conclusie ........................................................................................................................ 19 Selectieadvies................................................................................................................. 19
14055555 TEY.ROM.ARC
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Overzicht AMK-terreinen Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-waarnemingen Gespecificeerde archeologische verwachting Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart Boorpuntenkaart Resultaat van het booronderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Literatuur Bronnen Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
14055555 TEY.ROM.ARC
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rombou een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Rijnsburgerweg 6 te Voorhout in de gemeente Teylingen (zie figuur 1 en figuur 2). In het plangebied zal de bestemming worden gewijzigd, waarna de nieuwbouw van drie woningen zal worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 5). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 0).
Dit advies dient te worden getoetst door het bevoegd gezag, de gemeente Teylingen, waarna een besluit zal worden genomen of het plangebied kan worden vrijgegeven of dat vervolgstappen nodig zijn.
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN
Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied op te stellen. De archeologische verwachting is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: ’ ’ ’
Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of -rug, nabij een veengebied of een beekdal)? Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied en het inventariseren van eventueel aanwezige archeologische vondsten en/of sporen om een eerste indruk te vormen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 1 van 20
Het veldonderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: ’ ’ ’ ’ ’ ’
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? Zijn, daar waar het bodemprofiel intact is, archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats? Zo ja, wat is de aard en diepteligging ervan? Zijn er archeologische lagen aangetroffen (cultuur- en afvallagen cq. ophogingslagen)? Zo ja, wat is de aard, diepteligging en minimale en maximale dikte ervan? In welke mate stemmen de resultaten overeen met de verwachtingen? Indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen van de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats?
Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 12 juni 2014 door drs. G.W.J. Spanjaard (fysisch geograaf). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 17 juni 2014. Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur).
3 3.1
BUREAUONDERZOEK Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.3, december 2013), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 1 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: ’ ’ ’ ’ ’
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ’ ’ ’ ’ ’ ’ ’ ’ ’ 1
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; literatuur en historisch kaartmateriaal; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Teylingen.
Beschikbaar via www.sikb.nl.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 2 van 20
3.2
Afbakening van het plangebied
Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied. Het plangebied heeft oppervlakte van circa 2.000 m² en ligt aan de Rijnsburgerweg 6, circa 1 kilometer ten zuidwesten van de kern van Voorhout in de gemeente Teylingen (zie figuur 1 en figuur 2). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) heeft het maaiveld een hoogte van circa 0,1 tot 0,2 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Voorhout, sectie A, nummer 4242 (ged.). 3.3
Huidige situatie
Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland en heeft de bestemming agrarische doeleinden bollenteelt (zie figuur 3). Op de onderzoekslocatie staan, parallel aan de Rijnsburgerweg, vier grote wilgen. In het midden van de locatie bevindt zich een linde. Ten noordwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich een woonhuis met bijbehorende tuin van de Rijnsburgerweg 6. Ten noordoosten van de onderzoekslocatie bevindt zich de wijk Leidsevaart. Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een wateroppervlak en een kleine bosschage. De onderzoekslocatie wordt aan de zuidzijde omgeven door weilanden waarop bollen worden geteeld. Bodemloket Met het bodemloket wil de overheid inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. 2
Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied geen gegeven opgeleverd. Wel is direct ten noorden van het plangebied, ter plaatse van de wijk Leidsevaart, een bodemonderzoek uitgevoerd. Hier was geen noodzaak tot verder onderzoek of sanering. 3.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De manier waarop het plangebied wordt ingericht kan tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden (deels of geheel) onverstoord (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting zo aan te passen dat archeologische waarden alsnog onverstoord kunnen blijven liggen.
2
www.bodemloket.nl.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 3 van 20
In het plangebied is de nieuwbouw van drie woningen gepland (zie bijlage 6). Het perceel waarop de woningen worden gebouwd zal hiertoe worden opgehoogd. Het perceel ligt namelijk laag, waardoor het met name in de winter (erg) nat is. Om vochtproblemen te voorkomen zullen de woningen op circa 30 a 40 centimeter boven maaiveld worden gebouwd, waarbij de bovenkant van de weg als peil wordt gebuikt. Door de woningen iets “op te tillen” zullen de bodemingrepen ten opzichte van het huidige maaiveld zeer beperkt zijn. Alleen de bovenste circa 10 centimeter zal worden geroerd. De funderingsbalken komen op de grond te liggen (circa 40 cm boven maaiveld). De twee meest noordelijk gelegen woningen, die deels binnen het archeologisch waardevolle gebied liggen, zullen niet worden voorzien van kelders. Wel dient geheid te worden. Per woning worden circa 15 heipalen gebruikt met een afmeting van 15 x 15 cm. De totale oppervlakte aan heipalen, en daarmee de directe verstoring van het bodemarchief door de heipalen, per woning is circa 0,34 m2. 3.5
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel I.
3
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal3
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Balthasar en Florisz. van Berckenrode
1615
Voorhout
1:25.000
Vermoedelijk onbebouwd.
Voorganger huidige erf ten noordwesten van plangebied reeds aanwezig. Historische kern Voorhout ten noordoosten van plangebied. Voorlopers huidige wegenpatroon en watergangen reeds deels aanwezig.
Kadastrale minuut
1819
Gemeente Voorhout, Sectie A, Blad 01
1:2.500
Onbebouwd en in gebruik als weiland.
Bebouwd erf ten noordwesten, verder grotendeels omringd door weilanden, enkele bospercelen en boomgaarden en een enkele akker. Haarlemmer trekvaart reeds aangelegd.
Militaire topografische kaart (nettekening)
1850
Leiden
1:50.000
Onbebouwd en in gebruik als weiland.
Bebouwd erf ten noordwesten, verder grotendeels omringd door weilanden, enkele bospercelen en boomgaarden. Zone met akkerland ten zuidwesten. Houtsingels rondom akkers. Seminarie ten oosten van plangebied.
www.watwaswaar.nl.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 4 van 20
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1898
402
1:50.000
Onbebouwd en in gebruik als weiland.
Bebouwd erf ten noordwesten, verder grotendeels omringd door weilanden, enkele bospercelen en boomgaarden. Zone met akkerland ten zuidwesten en ten zuiden. Houtsingels rondom akkers. Seminarie ten oosten van plangebied.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1926
402
1:50.000
Onbebouwd en in gebruik als weiland.
Bebouwd erf ten noordwesten, verder grotendeels omringd door weilanden, enkele bospercelen en boomgaarden. Zone met akkerland ten zuidwesten en ten zuiden. Houtsingels rondom akkers. Seminarie ten oosten van plangebied
Topografische kaart
1974
30 F
1:25.000
Onbebouwd en in gebruik als weiland.
Toename akkerland rondom plangebied. Sterke toename bebouwing kern Voorhout.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied sinds het e e begin van de 17 eeuw onbebouwd geweest en in ieder geval sinds het begin van de 19 eeuw in e gebruik als weiland (zie figuur 4). Ten noordwesten van het plangebied is al sinds de 17 eeuw een bebouwd erf aanwezig. Ten zuidwesten en zuiden van het plangebied lagen enkele gebieden met akkerland, de overige gronden rondom het plangebied waren grotendeels in gebruik als grasland of bos. De kern van Voorhout bevond zich langs de voorlopers van de huidige Herenstraat en de Dinsdagse Wetering. e
Deze situatie blijft grotendeels ongewijzigd tot in de tweede helft van de 20 eeuw. In deze periode breidt de kern van Voorhout sterk uit. Ook neemt het areaal akkerland rondom het plangebied toe, e waarbij aan het eind van de 20 eeuw de huidige situatie ontstaat (zie figuur 2). Her perceel waar het plangebied binnen ligt is altijd in gebruik gebleven als grasland. Gebouwde rijks- en gemeentemonumenten binnen het onderzoeksgebied Het plangebied ligt niet binnen een attentiezone van een gebouwd rijksmonument of gemeentelijk monument. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Teylingen is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. 3.6
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon van de mens. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 5 van 20
De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel II.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens Geologie
4
Gegevensomschrijving Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl / Zandvoort
Geomorfologie5
Bodemkunde
6
Grotendeels deels afgegraven strandwal met kalkloze top. Westelijke en zuidwestelijke hoek overslibde strandwal met plaatselijk (restanten van) duinen Kalkloze lage enkeerdgronden, opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand
7
Geologie Het plangebied ligt landschappelijk gezien binnen het duingebied van Nederland. De ontstaanswijze van dit gebied hangt nauw samen met de zeespiegelstijging in het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden). In de periode van snelle zeespiegelstijging in het Atlanticum (ca.7000 voor Chr.) zijn buiten de huidige kustlijn waarschijnlijk al strandwallen gevormd door sedimenttransport onder invloed van getijden, golfwerking en wind. Deze strandwallen werden bij een snel stijgende zeespiegel echter na korte tijd weer afgebroken. Aan het einde van het Atlanticum en het begin van het Subboreaal (ca. 3900 voor Chr.) bereikte de zee zijn maximale uitbreiding, waarna door een minder snel stijgende zeespiegel uitbouw van de kust in westelijke richting kon plaatsvinden (‘progradatie’). Daardoor werd een serie kustparallelle strandwallen gevormd, waarbij steeds een jongere strandwal ten westen van de oude werd gevormd. Tussen de strandwallen lagen de lager gelegen strandvlakten, welke in een latere fase meestal zijn opgevuld met jongere klei- en veenlagen. Aan de kustuitbouw kwam rond 500 voor Chr. een einde. De strandwallen in de gemeente Teylingen dateren uit de periode 3000-2000 v. Chr. Op de strandwallen zijn onder invloed van een aanlandige wind duinen gevormd: de Oude Duinen (ter onderscheid van de pas in de Late Middeleeuwen gevormde Jonge Duinen).
Deze duinen zijn vrijwel altijd afgegraven. De duin- en strandzanden behoren tot de Formatie van Naaldwijk, onderverdeeld in het Laagpakket van Schoorl gelegen op het Laagpakket van Zandvoort. De strandwallengordel werd in Midden-Nederland oorspronkelijk op drie plaatsen onderbroken door riviermondingen (estuaria). Ten zuiden van het plangebied betreft dat het Oude Rijn-estuarium, welke zich gelijktijdig vormde met de kustuitbreidingen en de daarbij behorende vorming van strandwallen, tussen 4400 vóór Chr. en 1122 na Chr. Hoewel de fluviatiele activiteit een belangrijke zo niet bepalende rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van dit gebied, ontbreken de kenmerkende afzettingen van een meanderende rivier, zoals duidelijk ontwikkelde kronkelwaarden en oeverwallen. Het ontbreken van vooral kronkelwaarden duidt vermoedelijk op een vrij grote mariene invloed, waardoor zich in het kweldergebied en verder naar het noorden tussen de strandwallen getijdenkreken vormden. Hiervan slingeren zich enkele tot in de strandvlaktes nabij Voorhout. Na het gesloten raken van de duinenrij verminderde de mariene invloed. De Oude Rijn kreeg een meanderend karakter binnen de oorspronkelijke Oude Rijn-estuarium, met de vorming van kronkelwaarden en oeverwallen.
Na de actieve periode van de Oude Rijn is vanuit zee nog een pakket klei afgezet, voorheen aangeduid als Afzettingen van Duinkerke IIIB, nu het Laagpakket van Walcheren. Het plangebied is gelegen op een strandwal, die deels is afgedekt met een laag overstromingsklei vanuit het Rijnestuarium.
4
E.F.J. de Mulder et al., 2003. Schute, 2009. 6 Stichting voor Bodemkartering, 1981. 7 Schute, 2009 / Berendsen, 2008. 5
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 6 van 20
Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt het plangebied binnen een strandwal, met of zonder vervlakte duinen. In de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Teylingen zijn de geomorfologische eenheden op een hoger detailniveau weergegeven. Volgens deze kaart ligt het plangebied grotendeels binnen een deels afgegraven strandwal met kalkloze top (zie figuur 5). De zuidwestelijke rand ligt ter plaatse van een overslibde strandwal met plaatselijk (restanten van) duinen. 8
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op het AHN is de strandwal duidelijk te herkennen als een relatief hoog gelegen rug in het landschap, met een noordoost - zuidwest strekking (zie figuur 6). Binnen deze rug valt op dat het perceel waar het plangebied binnen ligt, ten opzichte van de omringende agrarische percelen, relatief hoog ligt (één tot enkele decimeters hoger). De toegangsweg langs de zuidwestelijke rand ligt hoger dan het plangebied. Verder lijkt ter plaatse van de woonwijken ten noordoosten van het plangebied ophoging plaats te hebben gevonden. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als kalkloze lage enkeerdgronden, opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand (zie figuur 7). Deze gronden heten in de volksmond ook wel zanderijgronden en zijn ontstaan door het zogenaamde drie-steek-delven. Dit was een voor dit gebied normale grondbewerking, waarbij de grond regelmatig drie steken, dat wil zeggen tot ongeveer 90 cm diepte, werd omgespit. Door deze bewerking ontstond de meer dan 50 cm dikke humushoudende bovenlaag. Tot 30-50 cm -mv zijn de zanden vaak homogeen en los gepakt.
Vanaf 50 cm tot 90 cm -mv zijn ze veelal iets vlekkerig en redelijk vast. Beneden 90 cm -mv begint het onveranderde, uiterst humusarme zand. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel III geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.
8
www.ahn.nl.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 7 van 20
Tabel III.
Grondwatertrappenindeling9
Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
GHG (cm -mv)
-
-
<40
>40
<40
40-80
>80
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Het plangebied heeft grondwatertrap II. 3.7
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden staan afgebeeld op figuur 8, een kaart met daarop, binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied, de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen. Indicatieve archeologische waarde De IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) geeft voor heel Nederland de trefkans aan op het voorkomen van archeologische resten. Die trefkans is aangegeven in vier categorieën (per landen waterbodem): een hoge, middelhoge, lage en zeer lage verwachting. Bebouwde gebieden, waarvan geen bodemkundige of geologische gegevens bekend zijn, zijn niet gekarteerd. De IKAW is voornamelijk gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemkundige of geologische kwalificaties en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1:50.000.
De grenzen op de kaart zijn in werkelijkheid globale overgangen, abrupte overgangen zijn het gevolg van bodemkundige of geologische kwalificaties. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Omdat de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. 10
Archeologische verwachtingskaart Gemeente Teylingen Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische verwachtingskaart. De archeologische verwachtingskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. 9
W.P. Locher & H. de Bakker, 1990. Schute, 2009.
10
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 8 van 20
Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Teylingen ligt het zuidwestelijke deel van het plangebied binnen een overslibde strandwal, soms met duinen (zie figuur 9). Voor deze gebieden geldt een hoge verwachting vanaf het Neolithicum. Het noordoostelijke deel van het plangebied is gelegen ter plaatse van een deels afgegraven strandwal met een kalkloze top. Ook voor deze gebieden geldt een hoge verwachting vanaf het Neolithicum. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn de terreinen ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het plangebied liggen geen AMK-terreinen. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie Tabel IV en figuur 8). Tabel IV. AMK nr. 16823
Overzicht AMK-terreinen
Situering t.o.v. plangebied 1 kilometer ten zuiden
Datering
Waarde en omschrijving
IJzertijd
Toponiem: Voorhout, Elsgeesterpolder, Rijnsburgerweg Complex: nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit de IJzertijd. Tijdens graafwerkzaamheden in 1969 zijn verschillende scherven uit de IJzertijd gevonden. Controleboringen in 2008 hebben een donkere laag aangetoond die gezien wordt als een oude akkerlaag.
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 16 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en proefsleufonderzoeken (zie Tabel V en figuur 8). Tabel V. Onderzoeksmeldingsnr. 8510
Overzicht onderzoeksmeldingen Situering t.o.v. plangebied 650 meter ten oosten
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: bureauonderzoek en karterend booronderzoek Toponiem: Voorhout, Agneslocatie Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 23-12-2004 Onderzoeksnummer: 4275 Resultaat: Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, afgezien van bouwpuin in de verstoorde bovengrond. Op grond van het ontbreken van duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten en de verstoringsgraad van de bodem in het plangebied, is geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Literatuur: Smit, B.I., 2003: Plangebied Agneslocatie, gemeente Voorhout; een inventariserend archeologisch onderzoek. RAAPnotitie 366.
14055555 TEY.ROM.ARC
Pagina 9 van 20
31191
650 meter ten oosten
32002 en 41194
250 meter ten noorden
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Voorhout, Boerhaavestraat Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 24-09-2008 Onderzoeksnummer: 23809 Resultaat: Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied zeer waarschijnlijk in een strandvlakte ligt, die mogelijk is afgedekt door overstromingsafzettingen vanuit de monding van de Oude Rijn. De strandvlakte is naar verwachting vanaf 3000 v. Chr. gevormd, waardoor in deze archeologische resten te verwachten zijn die dateren vanaf het Neolithicum. Uit het booronderzoek is gebleken dat het plangebied zeer waarschijnlijk in de strandvlakte ligt, achter de strandwal waarop Voorhout gelegen is. De strandafzettingen werden aangetroffen op een diepte van circa 190 cm beneden maaiveld. Op de strandafzettingen heeft zich na het sluiten van de kust rond 2.500 jaar geleden een pakket veen kunnen ontwikkelen. kunnen zijn uit het Neolithicum dan wel de Bronstijd. Hiervoor zijn echter geen aanwijzingen aangetroffen. De minder diep gelegen archeologische niveaus (IJzertijd/Romeinse tijd en de Middeleeuwen/Nieuwe tijd) zijn verstoord geraakt, vermoedelijk als gevolg van het aanleggen van de voorheen in het plangebied aanwezige brandweerkazerne.