4. P02217_Bijlagenboek_Westerstraat 8A Sassenheim_20210713-gecomprimeerd.pdf
Tekst van het document
de opdrachtgever;
het kadaster;
topotijdreis.nl;
gemeente Teylingen;
omgevingsdienst West-Holland;
het dinoloket;
terreininspectie.
In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken.
2.2
Topografische beschrijving
De onderzoekslocatie ligt aan de Westerstraat ong. te Sassenheim. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Teylingen Sassenheim, sectie A, nummer 8506. De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 95.846/ Y = 471.424. Zie bijlage 1 voor een kadastrale kaart. Op onderstaande luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven. De binnen de contour zichtbare bebouwing is inmiddels gesloopt.
Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (bron luchtfoto: pdokviewer ) Pagina | 5 AM19344
2.3
Historisch overzicht en omgeving
In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Uit kaartmateriaal van 1950 is af te leiden dat de onderzoekslocatie niet bebouwd is. Op de kaart uit 1960 is bebouwing op de locatie waar te nemen. Het betreft het recent gesloopte gebouw. In de periode 1980-1990 is de bebouwde kern van Sassenheim in westelijke richting verder uitgebreid.
jaartal 1950
jaartal 1960
jaartal 1980
jaartal 1990 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (bron kaarten: topotijdreis.nl)
2.4
Dossieronderzoek
Via de website van de omgevingsdienst West-Holland is bodeminformatie gedownload van de locatie en directe omgeving. De omgevingsrapportage is opgenomen in bijlage 8. Uit de rapportage blijkt dat bij de Ogevingsdienst geen bodeminformatie bekend is van de onderzoekslocatie. In directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn wel enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Een samenvatting van de onderzoeksresultaten is opgenomen in tabel 2.1. Voor het verkrijgen van historische informatie van de onderzoekslocatie is op 1 juli 2020 een informatieverzoek ingediend bij de gemeente Teylingen. Gevraagd is naar uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen, verleende hinderwet- of milieuvergunningen, bouw- en/of sloopvergunningen, de aanwezigheid van onder- en/of bovengrondse brandstoftanks, en gegevens over calamiteiten. Tevens is gevraagd of de locatie en de directe omgeving verdacht is op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS en/of GenX, of dat er ter plaatse bronlocaties bekend zijn voor PFAS of GENX. In het gemeentelijk archief waren echter geen, voor het verkennend bodemonderzoek relevante, (milieu)dossiers beschikbaar. Pagina | 6 AM19344
Op de locatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Er is geen informatie bekend dat in directe omgeving (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die een potentiële bron zijn voor PFAS en/of GenX. Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden. In de directe omgeving zijn de in tabel 2.1 weergegeven bodemonderzoeken uitgevoerd. Adres
Samevatting resultaten
Jacoba van Beierenlaan 6
Aanleiding voor het uitvoeren van het verkennend bodem- en asbestonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de locatie.
verkennend bodem- en asbestonderzoek rapport Sweco, kenmerk 2018061835, 23-03-2018
Bij het verrichten van boringen en het graven van inspectiegaten zijn in het opgeboorde/uitgegraven bodemmateriaal visueel enkele baksteenresten aangetroffen. In de grove fractie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verhoogd met kwik. Daarnaast is een marginaal verhoogde asbestconcentratie aangetoond (7 mg/kg d.s.). Dit gehalte valt ruimschoots onder de norm voor het uitvoeren van een nader onderzoek. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.
Westerstraat 1-11
De bovengrond is licht verhoogd met PAK en matig verhoogd met cadmium. Het grondwater
verkennend bodemonderzoek
is licht verhoogd met tolueen.
rapport Joustra Geomet, 16-02-1993 Tabel 2.1: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.2. Diepte [m-mv]
Hydrogeologische eenheid
Lithologie
0 – 12
Holocene afzettingen
Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand
12 – 17
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
17 – 34
Formatie van Kreftenheye
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen
34 – 47
Formatie van Urk
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig fijn zand en grind en een spoor klei, zandige klei en veen
Tabel 2.2: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket identificatienummer B30F0451)
Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 0,45 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal oostelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 1 meter beneden maaiveld. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 1 september 2020 is een veldinspectie uitgevoerd, hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Pagina | 7 AM19344
De onderzoekslocatie ligt grotendeels braak. Het noordelijk deel is ingericht als groenstrook met bomen. In het westen wordt de onderzoekslocatie begrensd door de Westerstraat, in het zuidwesten en noordwesten door bebouwing aan de Westerstraat (nr. 10) en Jacoba van Beierenlaan (nr. 6, voormalige Prof. Dr. Leo Kannerschool) en het oosten door de begraafplaats van de Dorpskerk. Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of
bronnen van
verontreinigingen. Tijdens de veldinspectie is op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2.
2.7
Asbest
Uit het dossieronderzoek en de uitgevoerde veldinspectie is geen informatie naar voren gekomen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie asbestverdachte activiteiten hebben plaatsgevonden.
2.8
Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer gemeente Teylingen
De gemeente Teylingen beschikt niet over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Wel is er een bodemfunctieklassenkaart beschikbaar. De onderzoekslocatie valt binnen de functieklasse ‘Wonen’.
2.9
Onderzoekshypothese
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (niet verdacht).
Pagina | 8 AM19344
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1
Inleiding
Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (BodemLandbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond van het Nederlands Normalisatie-Instituut.
3.2
Onderzoeksstrategie
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘ONV’ uit de NEN 5740. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'ONV' Aantal boringen
Aantal te onderzoeken (meng)monsters
oppervlakte (m²)
tot 0,5 m
èn tot 2 m
èn met peilbuis
bovengrond
ondergrond
grondwater
1.082
6
1
1
1
1
1
NEN-grond incl. lutos
NEN-grond incl. lutos
NEN-grondwater
Analysepakket
Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 ‘ONV’ Uit elke boring worden monsters genomen in trajecten van ten hoogste 0,5 m.
Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: drogestof-bepaling 9 zware metalen 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen 7 polychloorbifenylen (PCB) minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: 9 zware metalen 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen minerale olie
Pagina | 9 AM19344
4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1
Algemeen
Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001 en 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.
4.2
Grondbemonstering
Op 1 september 2020 zijn de boringen geplaatst volgens de in paragraaf 3.2 weergegeven onderzoeksstrategie.
De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer H. van den Tillaar, erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018.
De boringen zijn verricht met behulp van de Edelmanboor (ø 7 of 10 cm). Zie voor de boorpuntlocaties bijlage 3.
Gebaseerd op de diepte en stroming van het freatisch grondwater is een boring afgewerkt met een peilbuis. Deze is centraal op de onderzoekslocatie geplaatst, ter plaatse van boorpunt 1. De bovenkant van het peilbuisfilter is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst. Tijdens de installatie van de peilbuis is geen werkwater gebruikt.
Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging.
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4).
Pagina | 10 AM19344
In tabel 4.1 zijn de boringen beschreven waarin zintuiglijk afwijkingen zijn geconstateerd. Boring 1
Diepte boring (m -mv) 2,8
Traject (m -mv) 0 – 0,8
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
zand
zwak baksteenhoudend, spoor glasrest
0,8 – 1,1
zand
sporen baksteen
2
2,0
0 – 0,6
zand
sporen baksteen
4
1,0
0 – 0,5
zand
sporen baksteen
5
1,0
0 – 0,5
zand
sporen baksteen
Tabel 4.1: Overzicht zintuiglijke afwijkingen
In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De zintuiglijk waargenomen baksteenresten worden niet als asbestverdacht beschouwd. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.
4.3
Grondwatermonstername
De peilbuis is op 8 september 2020 bemonsterd conform protocol 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De bemonstering is uitgevoerd door erkend veldwerker van Aeres Milieu, de heer H. van den Tillaar. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrischegeleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in tabel 4.2 samengevat. Peilbuis Pb 1
Filterdiepte (m-mv.) 1,8 – 2,8
Grondwaterstand (m-mv. 0,8
pH (-) 5,6
Ec (µS/cm) 845
Troebelheid (NTU) 30,8
Tabel 4.2: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername
De meetresultaten wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden.
Pagina | 11 AM19344
5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1
Algemeen
De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van Synlab BV te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025, waar verdere conservering en (voor)behandeling van de monsters plaats heeft gevonden.
5.2
Grond(meng)monster(s)
In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele monsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie.
Analysemonster MM1
Traject (m -mv) 0 – 0,5
Deelmonsters
Analysepakket
1-1
Standaardpakket incl. lu/os
2-1 4-1 5-1 MM2
1,0 – 2,0
1-4
Standaardpakket incl. lu/os
1-5 2-3 2-4 Tabel 5.1: samenstelling analysemonsters en analysepakket
De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven.
*
Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergronden interventiewaarde;
**
het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;
***
het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de Regeling bodemkwaliteit (RBK) is vastgelegd dat de toetsing altijd moet plaatsvinden door het gevonden gehalte in een monster eerst te corrigeren met het lutum en organisch stof gehalte (=berekende concentratie) en vervolgens te vergelijken met de grenswaarden van de Regeling Bodemkwaliteit.
Pagina | 12 AM19344
In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 6 voor het analyserapport. (Meng)monster MM1
MM2
Traject (m -mv) 0 – 0,5
1,0 – 2,0
Zintuiglijke waarnemingen
Verhoogde component
baksteenresten en glas
Lood
Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing 59,8 *
Zink
168
*
Som PCB
33
*
--
-
-
geen bijzonderheden
Tabel 5.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters
Uit de analyseresultaten blijkt dat grondmengmonster MM1 (dieptetraject 0-0,5 m-mv.) licht verhoogd is met lood, zink en som PCB. In grondmengmonster MM2 (dieptetraject 1,0-2,0 m-mv.) zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden.
Zware metalen, zoals lood en zink, bezitten een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan slib- en kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Tot de bedrijfsactiviteiten die verontreiniging van de bodem met zware metalen kunnen veroorzaken worden onder andere gerekend galvanische bedrijven, grafische industrie, sloperijen en metaalbewerkende industrie.
PCB (Polychloorbifenylen) zijn geen natuurlijk voorkomende stoffen. De aanwezigheid van PCB in het milieu is met name het gevolg van industriële productie en het gebruik van PCB van ongeveer 1930 tot 1980. PCB werden gebruikt als hydraulischeof warmtegeleidingsvloeistoffen, smeermiddelen en als weekmakers in producten zoals verf en koolstofvrij kopieerpapier. Sedert 1985 is de verkoop en het toepassen van PCB in Nederland verboden.
5.3
Grondwatermonster(s)
De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven.
*
Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde;
**
het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;
***
het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende streefwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 7 voor het analyserapport.
Pagina | 13 AM19344
Peilbuis 1
Filtertraject [m-mv] 1,8 – 2,8
Grondwaterstand [m-mv.]
Verhoogde component
0,8
Xylenen
Gemeten concentratie [µg/l] en toetsing 0,72 *
Naftaleen
0,07
*
Tabel 5.3: Toetsingsresultaten van de grondwatermonsters
Uit de analyseresultaten blijkt dat het freatisch grondwater licht verhoogd is met xylenen en naftaleen. Voor de overige onderzochte componenten zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de streefwaarden.
5.4
Toetsing van de gestelde hypothese
Geconcludeerd kan worden dat de analyseresultaten van de bovengrond en het grondwater in tegenspraak zijn met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. De aangetoonde concentraties liggen echter beneden de tussenwaarde. Daarnaast zijn op de locatie ook geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd aangetroffen gehalten. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk.
Pagina | 14 AM19344
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk baksteen- en glas resten waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met lood, zink en som PCB. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
De
milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (realisatie van multifunctioneel centrum).
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.
Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Pagina | 15 AM19344
aeres milieu
Bijlage 1 Topografische en kadastrale situatie
AM19344
Kadastrale kaart
Uw referentie: AM19344-TT
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 500
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Sassenheim A 8506
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 28 augustus 2020 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
aeres milieu
Bijlage 2 Foto’s onderzoekslocatie
AM19344
AM19344
Foto 1
Foto 2
Foto 3
Foto 4
Foto 5
Foto 6
aeres milieu
Bijlage 3 Situatietekening met boorpuntlocaties
AM19344