4. 260311 - Goflo Hoek Charbonlaan Sassenheim.pdf - 260311 - Goflo Hoek Charbonlaan Sassenheim
Tekst van het document
nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De stedelijke ontwikkeling kan daarnaast – gelet op de toevoeging van 22 woningen – gekwalificeerd worden als ‘voldoende substantieel’. Hierdoor moet de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen worden. De toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 3.2.2 van deze goflo. Volledigheidshalve wordt de toets hieronder opnieuw weergegeven. Volgens de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2023 komt de woningbehoefte voor de periode van 2021 t/m 2030 uit op 30.500 nieuwe woningen. Van de nieuwbouw dient minimaal 30% van de nieuw te realiseren woningen, sociale huur te betreffen. Dit wordt gemonitord op het niveau van het totale programma in de gemeente. De voorgenomen ontwikkeling voorziet ten opzichte van de huidige situatie in het toevoegen van minimaal 18 extra sociale huurwoningen en drie middeldure huurwoningen. Met de totale ontwikkeling van 48 (sociale) huurwoningen (en de sloop van de 26 bestaande woningen) wordt zowel voorzien in een kwantitatieve behoefte aan woningen in de regio als in de kwalitatieve behoefte aan (sociale) huurwoningen.
In aanvulling op voorgaande geldt dat uit het ‘Woonprogramma 2020 – 2024: naar een evenwichtiger woningmarkt’ van gemeente Teylingen volgt dat het aandeel sociale huurwoningen in Teylingen met 23% lager ligt dan het gemiddelde in andere gemeenten in Holland Rijnland. Dit geldt vooral voor Voorhout, waar 16% van de woningvoorraad een sociale huurwoning is. In Sassenheim en Warmond is dit respectievelijk 28% en 32%. 35% van de inwoners van de gemeente komt op basis van hun inkomen in aanmerking voor een sociale huurwoning. De wachttijd voor sociale huurwoningen was de afgelopen jaren weliswaar vrij stabiel: rond 6,5 à 7 jaar (Woningnet Holland Rijnland, 2018). De gemiddelde (actieve) zoektijd stijgt: van 0,8 jaar naar 1,5 jaar. Dit wijst op een groeiende druk op de sociale huur, vergelijkbaar met het regionale gemiddelde (6,9 jaar wachttijd en 1,5 jaar zoektijd). In Sassenheim ligt de bouwopgave volgens het Woonprogramma binnen de bebouwde kom en de nadruk op inbreiding. De voorgenomen ontwikkeling
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 28
voorziet hier bij uitstek in en levert daarnaast een bijdrage aan het reduceren van het groeiende tekort aan sociale huurwoningen. Daarnaast is in het Woonprogramma 2020 – 2024 beschreven dat het nodig is om naast sociale huurwoningen, ook middeldure huurwoningen toe te voegen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hierin door drie middeldure huurwoningen te realiseren. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat voldoende behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling is Conclusie Voor wat betreft het aspect zorgvuldig ruimtegebruik / ladder voor duurzame verstedelijking is sprake van een etfal.
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 29
5
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze goflo wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder geval de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand wordt gemeten vanaf de bedrijfsbestemmingsgrens tot aan de gevel van omliggende woningen, waarbij expliciet rekening gehouden dient te worden met vergunningsvrije bouwwerken en overige bouwmogelijkheden op het perceel. Dit betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1.
Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Relatie tot ontwikkeling De omgeving van de projectlocatie kan aangemerkt worden als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Aan de overzijde van de projectlocatie, aan de Jacoba van Beierenlaan, is in de huidige planologische situatie een maatschappelijke bestemming gelegen. Binnen deze maatschappelijke bestemming zijn maatschappelijke
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 30
voorzieningen toegestaan. Voor een deel van deze gronden is reeds een omgevingsvergunning verleend om woningbouw toe te staan. Dit betreft het gedeelte waar de voormalige basisschool was gesitueerd. Op deze plek zijn in de huidige situatie woningen gevestigd. Zodoende kan toetsing aan de richtafstanden achterwege blijven. Op de Jacoba van Beierenlaan 4 is een uitvaartcentrum gevestigd (Uitvaartverzorging Vliem). Een uitvaartcentrum heeft SBI-code 9603 en valt onder milieucategorie 1. Hiervoor geldt binnen het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’ (waar het uitvaartcentrum in is gelegen) en de gevel van de bestaande woningen op de projectlocatie, bedraagt 10 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand. Daar komt nog bij dat de bebouwing en het parkeerterrein van het uitvaartcentrum zich op grotere afstand bevinden. Ook komen de nieuw te realiseren woningen op een grotere afstand te liggen dan de bestaande woningen op de projectlocatie. Er is derhalve geen sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Overige omliggende functies betreffen woningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet eveneens in woningen en derhalve doet zich hier ook geen beperking op het gebied van milieuzonering voor.
Conclusie Voor wat betreft het aspect milieuzonering is sprake van een etfal.
ASBEST Vanaf 1 januari 1994 geldt er een verbod op de toepassing van asbest. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de relevante regels rondom asbest in bouwwerken opgenomen. Voor objecten geldt het Bbl niet. De bepalingen voor objecten (bijvoorbeeld personenauto’s of vaartuigen) zijn terug te vinden in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor bouwwerken die gebouwd zijn voor 1 januari 1994 dient op basis van artikel 7.9 Bbl een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld, zodat bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden dat in het bouwwerk zich asbest of een asbesthoudend product bevindt. Voor het slopen van (een gedeelte van) een bouwwerk waarbij ook asbest wordt verwijderd, is het doen van een sloopmelding noodzakelijk (artikel 7.10 Bbl). De sloopmelding dient tenminste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te worden gedaan. In uitzonderingsgevallen bedraagt deze termijn tenminste een week, zie hiervoor artikel 7.10 lid 2 Bbl. Relatie tot ontwikkeling Er worden werkzaamheden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat vóór 1 januari 1994 is gebouwd. In 2019 is door BK Ingenieurs een asbestinventarisatie uitgevoerd naar een van de woningen in het plangebied, om de haalbaarheid van eventuele renovatie van het complex vast te stellen. Tijdens dit onderzoek is asbesthoudend materiaal aangetroffen.
Uit dit onderzoek volgde echter ook dat voor dat met renovatiewerkzaamheden gestart kan worden, een sloopmelding noodzakelijk is. In het kader van de sloopmelding dient een aanvullend (mogelijk ook zwaar destructief) onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van asbest binnen de nog niet-geschouwde ruimten en/of asbestverdachte constructies. In de periode februari t/m april 2025 is door Dufornee een asbestinventarisatie uitgevoerd voor negen woningen in het projectgebied. Dit onderzoek is uitgevoerd conform het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering. Uit dit onderzoek volgt dat een aantal asbesthoudende materialen zijn aangetroffen, waarbij het advies is om deze op (korte) termijn te laten saneren door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Een asbestinventarisatieonderzoek kan (nog) niet worden uitgevoerd voor alle bestaande woningen in het projectgebied, omdat diverse woningen nog bewoond worden. Voor de etfal-toets vormt dit geen Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 31
belemmering, aangezien op grond van artikel 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) het verboden is om een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval meer bedraagt dan 10 m3. Op basis van de reeds uitgevoerde asbestinventarisatie, is duidelijk dat voor in ieder geval een gedeelte van de woningen asbest dient te worden verwijderd. Daarnaast zal meer dan 10 m3 sloopafval vrijkomen. Een sloopmelding is daarmee verplicht. In het kader van de sloopmelding dient tevens een asbestinventarisatierapport te worden overhandigd (artikel 7.11 Bbl). Dit onderzoek zal moeten toezien op het gehele projectgebied. Conclusie In het kader van asbest is sprake van een etfal. Tenminste vier weken voor aanvang van de sloopwerkzaamheden dient op grond van artikel 7.10 Bbl een sloopmelding te worden gedaan. Een asbestinventarisatierapport voor de gehele ontwikkeling vormt in dit kader een indieningsvereiste.
BODEM Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: - Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); - Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); - Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) - Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling In de huidige planologische situatie heeft de projectlocatie reeds een woonbestemming. In de feitelijke situatie zijn ook daadwerkelijk woningen met bijbehorende tuinen aanwezig. In principe mag dus verondersteld worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie wonen. In het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen betreft het verkennend bodemonderzoek een indieningsvereiste. In dat kader is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd door Grondslag. Deze rapportage is opgenomen als bijlage bij deze goflo. De resultaten worden hieronder weergegeven. Het doel van het vooronderzoek is om op basis van historische informatie inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Indien daaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden, kan worden afgezien van een verkennend bodemonderzoek. Het onderzoek volgt de leidraad NEN 5725 “Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”. Uit het onderzoek volgen de volgende bevindingen: - Ter plaatse van de locatie zijn voor zover zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen aangebracht.
Op de locatie hebben in het verleden potentieel bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Dit betreffen groente-, bloembollen- en bloemknollenkwekerijen. De locatie is hiermee
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 32
-
-
verdacht op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de woningen dateren van 1921 en dat de melding van de bloembollen- en bloemknollenkwekerijen van 1921 tot en met 1967. Op basis van het historisch gebruik kan in enige mate bodemvreemde materialen in de bodem worden verwacht. Met het locatiebezoek is vastgesteld dat er meerdere schuurtjes/opstallen aanwezig zijn met asbestverdachte golfplaten. Het merendeel van de daken watert af richting de brandgang die is verhard met tegels. Hier is geen risico dat de onderliggende bodem als gevolg van verwering verontreinigd is geraakt met asbest. Bij de woningen Jacoba van Beierenlaan 13 en 15 en de Westerstraat 6 en 8 watert het dak af richting de tuinen. Met het locatiebezoek konden deze tuinen niet betreden worden onduidelijk of de druppelzone verhard is met een elementenverharding. Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt zowel de onder- als bovengrond beoordeeld als klasse wonen. Wel is op de locatie mogelijk een voormalige weg aanwezig. Ter plaatse van de weg kan een afwijkende bodemkwaliteit worden verwacht.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek kan ten aanzien van de onderstaande punten een afwijkende bodemkwaliteit worden verwacht ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart: - De (voormalige) bovengrond is als gevolg van het gebruik van de locatie als groente-, bloembollen- en bloemknollenkwekerijen verdacht op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen. - Ter plaatse van de voormalige weg kan een afwijkende bodemkwaliteit worden verwacht. - Daken met asbestverdachte golfplaten ter plaatse van de Jacoba van Beierenlaan 13 en 15 en de Westerstraat 6 en 8 is mogelijk sprake van verwering van golfplaten op vaste bodem. Ten aanzien van de bovengenoemde punten dient een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd te worden. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. Zodra de resultaten beschikbaar zijn, zullen deze ook in onderhavige goflo worden verwerkt. Conclusie Er dient een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd te worden. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. Zodra de resultaten beschikbaar zijn, zullen deze ook in onderhavige goflo worden verwerkt.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Externe veiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het externe veiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.
externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de externe veiligheid zijn twee begrippen van belang: Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 33
Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein.
Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied
Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Relatie tot ontwikkeling De kaartviewer Atlas Leefomgeving is een tool die de risico-objecten van de Risicokaart op een geografische kaart laat zien. Op de Atlas Leefomgeving is te zien dat:
Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een activiteit met risico’s; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Figuur 12. Uitsnede risicokaart, projectlocatie ter plaatse van blauwe informatie druppel (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl).
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 34
Conclusie In het kader van externe veiligheid is sprake van een etfal.
GELUID Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: - Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); - Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); - Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De gemeente Teylingen valt binnen het werkgebied van Omgevingsdienst West-Holland. Hier gelden de standaard voorwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wanneer sprake is van verhoogde geluidwaarden, met daarbovenop de aanvullende voorwaarden zoals beschreven in Afwegingskader geluid (weg, rail en industrie) tussen standaardwaarde en grenswaarde (Omgevingswet). Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een geluidgevoelig gebouw in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De projectlocatie is daarnaast gelegen in de zone van gemeentewegen. Derhalve is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is uitgevoerd door M+P en als bijlage bij deze goflo opgenomen. In het akoestisch onderzoek zijn de voor geluid relevante wegen beschouwd. Dit betreffen de Westerstraat, Wilhelminalaan en de Hoofdstraat. Daarnaast is de ligging binnen de contour van 48 dB voor luchtvaartgeluid in het onderzoek betrokken.
De resultaten voor het berekenen van het geluid als gevolg van wegverkeer laten zien dat er enkel aan de noordwestelijke zijde van het plan overschrijding van de standaardwaarde is en dan voornamelijk op de begane grond met een enkele overschrijding op de eerste verdieping. Dit zijn de appartementen met huisnummers 5, 6, 7, 15, 16, 17, 18, 19, 32, 33, 34, 35, 36, 44, 45, 47 en 48. De overschrijding van de standaardwaarde bedraagt ten hoogste 4 dB. Verder is er nergens sprake van een overschrijding. Dit voldoet aan het ambitieniveau van 63dB van ODWH voor gemeentelijke wegen. Uit de berekeningen blijkt dat de gevel aan de binnentuin als geluidsluw is te beschouwen. Tevens zijn de gevels die niet aan Westerstraat zijn gelegen als geluidluw aan te merken. Daarmee hebben alle woningen een geluidsluwe gevel. Een uitzondering daarop zijn enkele hoekwoningen op de verdiepingen aan de noordwesthoek, de woningen 7, 19 en 36. De zijde aan de binnentuin betreft hier de woningtoegang. Er is bij deze woningen in beginsel geen verblijfsruimte gelegen aan een geluidsluwe gevel.
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 35
Naast wegverkeer speelt luchtvaart ook een rol, bij de cumulatie. Voor de cumulatie is rekening gehouden met een waarde van 49 dB. Alleen de waarneempunten met een overschrijding van de standaardwaarde worden meegenomen in de cumulatieberekening. De hoogst berekende waarde voor wegverkeer is 57 dB. Hierop heeft luchtvaartgeluid een beperkte bijdrage in de cumulatie. Het gecumuleerde geluid is ten hoogste 59 dB Lcum. Het is aan de gemeente om te bepalen of dit toelaatbaar is. Een stiller wegdek voor de Westerstraat/Wilhelminastraat kan de overschrijding van de standaardwaarde verminderen. Dit zou een reductie van ongeveer 2-5 dB kunnen opleveren afhankelijk van het type. De vraag is of een dergelijke aanpassing doelmatig is gezien het beperkt aantal woningen (48) en toepasbaar is vanwege het aantal kruisingsvlakken en de daarmee resterende weglengtes. De maximumsnelheid kan niet lager dan de huidige 30km/h. Verder is er geen ruimte om een scherm te bouwen in deze smalle straat. Om de binnenwaarde van 33 dB te waarborgen zoals zal de gevelwering in de uiterste gevallen, zoals bij woning 5 en 6, een reductie van 25 dB moeten verzorgen.
Om de woningen 19 en 36 te voorzien van een geluidsluwe gevel kunnen bij de buitenruimten van deze woningen maatregelen worden getroffen in de vorm van een gesloten balustrade (hoogte 1,1 m) en een geluidsabsorberend plafond met een absorptiewaarde van 0,9 als streven en 0,8 als minimum (indien er een plafond is). Voor woning 7 zou de slaapkamer verplaatst moeten worden naar de gevel aan de binnentuin. Daarmee wordt bij alle woningen voldaan aan het beginsel van een geluidsluwe gevel voor alle woningen. Hiermee kan er voldaan worden aan de aanvullende voorwaarde van ODWH om slaapkamers aan de geluidluwe zijde te realiseren voor ieder appartement. Tevens beschikt iedere woning in het ontwerp over één buitenruimte aan een gevel waar het geluid niet meer is dan 58 dB (gemeentewegen zijn hier de maatgevende bron). Verder schrijven de aanvullende voorwaarden voor dat 50% van de verblijfsruimten aan de geluidluwe zijde moeten liggen. Aangezien eenzijdig georiënteerde appartementen met geluidniveaus boven de standaardwaarde op woningniveau niet kunnen voldoen aan deze voorwaarde, geldt het op gebouwniveau. Daaraan voldoet het huidige ontwerp ruimschoots. Conclusie In het kader van geluid is sprake van een etfal.
GEUR In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een geurgevoelig gebouw. In de omgeving van de projectlocatie zijn geen sterk geur emitterende bedrijven aanwezig. Daar komt bij dat op de projectlocatie reeds sprake is van geurgevoelige gebouwen (te weten woningen). Om te beoordelen of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (en vice versa), kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering 2009. Deze toets heeft reeds plaatsgevonden in paragraaf 5.1 van deze goflo. Hieruit volgt dat aan de richtafstanden behorende bij omliggende bedrijven wordt voldaan. Conclusie In het kader van geur is sprake van een etfal.
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 36
GEZONDHEID Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Relatie tot ontwikkeling Op de aspecten geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit wordt in respectievelijk de paragrafen 5.5, 5.10, 5.6 en 5.17 ingegaan. Voor wat betreft gezondheidsbevordering geldt dat de gemeente Teylingen op dit onderdeel geen specifiek beleid heeft (in het kader van de fysieke leefomgeving). In de voorgenomen ontwikkeling is wel rekening gehouden met het aspect gezondheid(sbevordering). Door de gezamenlijke binnentuin is er ruimte om elkaar te ontmoeten en samen te zijn. Het bezoeken van de binnentuin wordt extra geactiveerd door de centrale trap vanuit de parkeergarage, waardoor bewoners direct via het dek naar hun woning kunnen lopen en dus niet ‘verdwijnen’ in de lift. Daarnaast is onderdeel van het aspect gezondheid(sbevordering) dat de voorgenomen ontwikkeling van een groene invulling wordt voorzien. Dit draagt bij aan een prettig verblijfsklimaat alsmede het reduceren van hittestress. Conclusie In het kader van gezondheid is sprake van een etfal.
KABELS EN LEIDINGEN In (de omgeving van) de projectlocatie kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Relatie tot ontwikkeling In het geldende omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Ook uit de HoogspanningsNet Netkaart volgen geen kabels en leidingen die in of in de nabijheid van de projectlocatie zijn gelegen. Daarnaast worden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Conclusie In het kader van kabels en leidingen is sprake van een etfal.
LICHT Bezonning Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 37
Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. Daarnaast kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd TNO-norm Voor het beoordelen of sprake is van voldoende zonlicht op de gevels van omliggende woningen, hanteren veel gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen de (niet wettelijk verplichte) TNO-norm.
TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. In sommige gevallen kan het echter wenselijk zijn om ook de bezonningssituatie voor deze woningen inzichtelijk te maken. Doorgaans wordt een bezonningsstudie aanbevolen bij een bouwhoogte van meer dan 25 meter. Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing van maximaal 13 meter hoogte. Conform de TNO-norm is een bezonningsonderzoek niet noodzakelijk. Door Peutz is echter in het kader van een etfal alsnog op basis van de lichte TNO-norm een bezonningsonderzoek uitgevoerd om de mogelijke invloed van de nieuwbouw op de bezonning van de omliggende bestaande woningbouw te beoordelen. Dit bezonningsonderzoek is als bijlage bij deze goflo opgenomen. De resultaten worden hieronder weergegeven.
Doordat de zonnebaan in de eerste en tweede helft van het jaar gespiegeld gelijk aan elkaar zijn, met een verschuiving van een uur in verband met de zomertijd, is de helft van de periode uit de lichte TNO-norm onderzocht. De bezonning op 21 oktober is bijvoorbeeld gelijk aan 19 februari, en 21 september is gelijk aan 21 mei. Uit de resultaten blijkt dat dat op de locaties op de gevels rond het plan waar er een afname van de mogelijke bezonningsduur is, er altijd nog minimaal twee uur zon over blijft. Op De School aan de zijde van de Westerstraat is op een deel van de gevel een geringe afname van de mogelijke de bezonningsduur, waardoor deze lokaal onder de twee uur komt. Aan deze gevel liggen echter geen woonkamers. Die zijn gelegen aan de andere zijde van de woningen waar er geen invloed is van het plan en er genoeg zon overblijft. De betreffende woningen blijven dus nog steeds voldoen aan de lichte TNO-norm.
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 38
Figuur 13. Beoordeling van de bezonning (bron: bezonningsonderzoek Peutz)
Uit de resultaten van het bezonningsonderzoek blijkt dat de schaduwwerking van het plan naar de omgeving beperkt is. Op de gevels van de woningen in de omgeving voldoet de bezonning ook in de geplande bebouwingssituatie aan de criteria van de lichte TNO-norm Conclusie In het kader van het aspect bezonning is sprake van een etfal.
Lichthinder Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten: 1. Hinder voor de mens 2. Hinder langs wegen 3. Verstoring van de natuur 4. Horizonvervuiling
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 39
Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt Lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes. Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden. Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder.
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van woningen en is daarmee geen activiteit die onevenredige lichthinder veroorzaakt. Daarnaast zijn er geen ontwikkelingen in de omgeving, waarvan lichthinder te verwachten is. Wel is door Goudappel onderzoek gedaan naar inschijnend licht als gevolg van koplampen. De ontsluiting van de parkeergarage vindt plaats op de Jacoba van Beierenlaan (zuid). Door Goudappel zijn in totaal vier opties voor de ontsluiting onderzocht. Hieruit komt naar voren dat voor de in- en uitrit van de parkeergarage wordt ontraden om deze te plaatsen op de Westerstraat en de Jacoba van Beierenlaan (noord), vanwege verkeersveiligheidsrisico’s. Deze verkeersveiligheidsrisico’s doen zich niet voor bij de Jacoba van Beierenlaan (zuid). Het betreft immers een rustige eenrichtingsstraat met goed zicht op ander verkeer. Als nadeel brengt deze positie met zich mee dat er mogelijk sprake is van indirecte inschijning van koplampen voor de woning tegenover de in- en uitrit. Indirect inschijnend licht van koplampen komt op veel gevallen voor, ook in Sassenheim en is geen reden tot het nemen van maatregelen. Wel kunnen de effecten van eventuele inschijning worden verminderd door te zorgen voor een dichte permanent bladhoudende haag voor de woning.
Daarnaast is het belangrijk dat er geen sprake is van opwaartse hellingen of drempels voor wegrijdende auto’s. Dergelijke hellingen of drempels worden niet toegepast in het project. Gelet op voorgaande is geen sprake van onevenredige lichthinder als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling voor de omgeving. Conclusie In het kader van lichthinder is sprake van een etfal.
LUCHT De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 40
Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling Voor het projectgebied is beschouwd in hoeverre het project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. Daarnaast wordt het woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit toegelicht. Toets Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties. De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van maximaal 48 woningen mogelijk (waarbij netto sprake is van een toevoeging van 22 woningen). Hiermee draagt het plan - gelet op de weergegeven voorbeelden - niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving.
Goed woon- en leefklimaat In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving, wordt in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in tabel 2. Opgemerkt wordt dat het dichtstbijzijnde rekenpunt aan de Parklaan is gelegen. Dit betreft een relatief drukkere weg ten opzichte van de Charbonlaan / Westerstraat / Jacoba van Beierenlaan, waar de projectlocatie aan is gelegen. In zoverre wordt hieronder dus een worstcase situatie beschouwd. Tabel 2. Totale concentraties stikstof en fijnstof nabij het projectgebied (bron: CIMLK) NO2 (µg/m³) PM10 (µg/m³) PM2,5 (µg/m³) Monitoringsronde 2025 Monitoringsjaar 2025 Monitoringsronde 2025 Monitoringsjaar 2030 Grenswaarde
14,4
16,1
8,0
11,4
14,8
6,9
40
40
25
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
receptor wegverkeer 27364167_6904 receptor wegverkeer 27364167_6904
Pagina | 41
Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. De verkeersaantrekkende werking van de voorgenomen ontwikkeling is ook niet zodanig, dat overschrijding van de grenswaarden te verwachten is. Zodoende kan gesproken worden van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied. Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage (artikel 22.226 omgevingsplan gemeente Teylingen) De voorgenomen ontwikkeling voorziet ook in het realiseren van een parkeergarage. Indien deze parkeergarage mechanisch zou worden geventileerd, dient getoetst te worden aan artikel 22.226 van het Omgevingsplan gemeente Teylingen. De parkeergarage wordt echter natuurlijk geventileerd via twee niet aan elkaar grenzende gevels conform de NEN1087. Nadere toetsing aan dit artikel kan derhalve achterwege blijven. Conclusie In het kader van lucht is sprake van een etfal.
LUCHTHAVENINDELINGSBESLUIT Luchthavenbesluiten vormen het kerninstrument voor de regulering van luchthavens. Luchthavenbesluiten bevatten aan de ene kant regels over het luchthavenverkeer en aan de andere kant regels over de ruimtelijke indeling in de nabijheid van de luchthaven. Omdat de Omgevingswet alle regels over de fysieke leefomgeving bundelt, vallen deze laatste regels onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Het luchthavenbesluit bevat uitsluitend regels over het luchthavenverkeer en een aanwijzing van de beperkingengebieden. Dit kunnen beperkingengebieden zijn in verband met de (vlieg)veiligheid, geluidhinder, externe veiligheid, laserstraalvrije gebieden of vogelbeperkingsgebieden. De ruimtelijke beperkingen die in de verschillende beperkingengebieden gelden, zijn opgenomen als instructieregels voor omgevingsplannen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee ligt de doorwerking van de ruimtelijke beperkingen naar omgevingsplannen vast. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in LIB-zone 5: het afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid. Artikel 2.2.1d, lid 1 van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) geeft daarbij aan dat op de gronden die aangewezen zijn met zone 5 geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied.
Er doet zich dan ook geen strijdigheid met artikel 2.2.1d lid 1 LIB. Daarnaast moet op grond van artikel 2.2.1d, lid 2 LIB gemotiveerd worden op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Het risico van een vliegtuigongeval neemt toe naarmate de intensiteit van het ruimtegebruik toeneemt. Bij het voorgenomen plan neemt de intensiteit van het ruimtegebruik beperkt toe. In de huidige situatie is een groot deel van het projectgebied al bebouwd ten behoeve van woningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet weliswaar in het toevoegen van 22 woningen en het realiseren van een nieuw gebouw, maar het ruimtegebruik wordt niet wezenlijk anders. Van belang hierbij is ook de aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare objecten op de grond, waardoor vervolgschade kan ontstaan. In en nabij het projectgebied ontbreken deze objecten. De kans op een vliegtuigongeval nabij het plangebied is zeer klein. Deze kans is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de zone 3 van het beperkingengebied. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar is dusdanig gering dat het risico aanvaardbaar wordt geacht.
Om de risico's bij een vliegtuigongeval zo laag mogelijk te houden kunnen maatregelen ten behoeve van de bestrijdbaarheid van de gevolgen, zoals het verbeteren van vlucht- en toegangswegen voor hulpdiensten, en de zelfredzaamheid van personen, zoals voorlichting, rampenbestrijdingsplannen en oefeningen, getroffen worden. Het projectgebied is goed te ontvluchten en goed bereikbaar voor hulpdiensten. Het uitgangspunt Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 42
voor de beoogde woningen is dat bewoners zichzelf en anderen goed kunnen redden. Er worden geen functies mogelijk gemaakt voor personen met een minder fysieke gesteldheid, die daardoor een beperkte zelfredzaamheid hebben. Verder is het advies aan personen om bij een vliegtuigongeval niet te gaan kijken, afstand te houden bij brand vanwege hitte, giftige rook en mogelijk vrijkomende gevaarlijke stoffen en 112 te bellen. In vergelijking met de bestaande situatie draagt de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet bij aan een significante toename van het aantal potentiële slachtoffers op de grond in geval van een vliegtuigongeluk. Gelet op de geringe ongevalskans en de (zeer) beperkte omvang van de ontwikkeling, is het bovendien zeer onwaarschijnlijk dat precies hier een vliegtuig zal neerstorten. Er is daarom geen reden om vanwege de mogelijkheid van een vliegtuigongeval van de beoogde ontwikkeling af te zien. Tot slot wordt opgemerkt dat in paragraaf 5.5 van deze goflo nog is ingegaan op het aspect geluid, mede vanwege het vliegverkeer. Verder is het projectgebied gelegen binnen een tweetal beperkingengebieden voor wat betreft de radar. Deze beperkingengebieden stellen dat de bouwhoogte van een nieuwe ontwikkeling niet hoger dan 90 meter t.o.v. NAP en 128 meter t.o.v. NAP mag zijn. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in nieuwbouw met een maximale hoogte van 13 meter.
Aan de gestelde hoogtebeperkingen wordt derhalve voldaan. Conclusie In het kader van het Luchthavenindelingsbesluit is sprake van een etfal.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de mer-beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de mer-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-mer-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-mer-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit).
Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een mer-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de mer-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een merbeoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 43
J.11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Derhalve is het doorlopen van de mer-beoordeling noodzakelijk. In dit kader dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een mer-beoordeling opgesteld. Hieruit volgt dat het doorlopen van een MER niet noodzakelijk is. Het bevoegd gezag dient in dit kader nog een merbeoordelingsbesluit te nemen. Conclusie Uit de mer-beoordeling volgt dat er geen noodzaak is tot het doorlopen van een MER. Aan het bevoegd gezag wordt gevraagd een mer-beoordelingsbesluit te nemen.
MOBILITEIT EN PARKEREN Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Relatie tot ontwikkeling Door Goudappel is een onderzoek naar de verkeerseffecten alsmede de parkeerbehoefte uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen in de bijlagen van deze goflo. De resultaten worden hieronder weergegeven. Parkeerbehoefte auto Op basis van het parkeerbeleid kan berekend worden hoeveel autoparkeerplaatsen er nodig zijn en of er derhalve voldoende parkeergelegenheid voor auto’s aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Het beoogde programma voorziet in de realisatie van 48 woningen en de sloop van 26 woningen.
Per saldo worden dus 22 woningen toegevoegd. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de Nota Parkeernormen 2024 van de gemeente Teylingen. Op basis van deze nota mag bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte van de bestaande situatie. Dit betekent dat in het geval van sloop/nieuwbouw ook de parkeerbehoefte van de bestaande, te vervallen, functies wordt bepaald op basis van de parkeernormen in deze nota. Deze parkeerbehoefte mag vervolgens worden afgetrokken van de parkeerbehoefte van de nieuwbouw. Zodoende dat alleen het verschil aan parkeerplaatsen nog extra benodigd is. De projectlocatie is op basis van de nota gelegen in het ‘overig gebied’. Op basis van de parkeernormen voor sociale huurwoningen in het ‘overig gebied’ is de parkeervraag voor de huidige en toekomstige situatie door Goudappel bepaald. Dit is weergegeven in de hierna volgende figuren. Figuur 14. Parkeerbehoefte berekening huidige situatie (bron: Goudappel)
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 44
Figuur 15. Parkeerbehoefte berekening toekomstige situatie (bron: Goudappel)
De parkeerbehoefte van huidige situatie (35 parkeerplaatsen) mag worden gesaldeerd met de parkeervraag van het plan (50 parkeerplaatsen). Dit betekent dat in het plan minimaal 15 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd om te voldoen aan de Nota Parkeernormen. In het plan is uitgegaan van maximaal 21 parkeerplaatsen en dit volstaat ruimschoots. Parkeerbehoefte fiets Het fietsparkeren is voorzien in eigen bergingen en daarmee wordt voldaan aan de vraag. De fietsparkeerbehoefte voor bezoekers bedraagt tien plaatsen: hiervoor dient plek te worden gecreëerd naast de ingang. Verkeersgeneratie- en afwikkeling Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-publicatie 744 (Parkeerkencijfers 2024) gebruikt. Bij deze berekening is uitgegaan van ligging in sterk stedelijk gebied en rest bebouwde kom. Van de kencijfers uit de CROW-publicatie zijn de gemiddelden van de gepubliceerde minimale en maximale waarden aangehouden. De verkeersgeneratie berekening is weergegeven op figuur 16. Figuur 16. Verkeersgeneratie huidige en toekomstige situatie, per weekdagetmaal (bron: Goudappel)
De voorgenomen ontwikkeling heeft een toename van 27 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal tot gevolg. Dit komt overeen met 30 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Dit is een toename van 24% voor de verkeersgeneratie van het betreffende blok. Tijdens het drukste uur rijden er dan drie auto’s extra: dit komt overeen met één extra auto per 20 minuten. Wat deze toename betekent voor de omliggende straten is weergegeven op figuur 17.
Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 45
Figuur 17. Geschatte verkeerseffecten op omliggende straten in mvt/werkdagetmaal (bron: Goudappel)
Uit bovenstaand figuur volgt dat de effecten op de verkeersdrukte op de omliggende straten er niet of nauwelijks zijn. Daarnaast wordt op geen van de straten de grenswaarde bereikt. Daarmee worden de verkeerskundige effecten als acceptabel beschouwd. Ontsluiting De ontsluiting van de parkeergarage vindt plaats op de Jacoba van Beierenlaan (zuid). Door Goudappel zijn in totaal vier opties voor de ontsluiting onderzocht. Hieruit komt naar voren dat voor de in- en uitrit van de parkeergarage wordt ontraden om deze te plaatsen op de Westerstraat en de Jacoba van Beierenlaan (noord), vanwege verkeersveiligheidsrisico’s. Deze verkeersveiligheidsrisico’s doen zich niet voor bij de Jacoba van Beierenlaan (zuid). Het betreft immers een rustige eenrichtingsstraat met goed zicht op ander verkeer. Conclusie In het kader van mobiliteit is sprake van een etfal.
NATUUR De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen – datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd alsmede een nader onderzoek naar vleermuizen. Daarnaast is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De onderzoeken zijn als bijlagen bij deze goflo opgenomen. De resultaten worden hieronder per onderdeel beschreven. Bescherming gebieden De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland of ander beschermd gebied, zoals een Natura 2000-gebied, een weidevogelleefgebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 5,5 km en betreft het Natura 2000-gebied “Kennemerland – Zuid”.
De voorgenomen ontwikkeling kan negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen dit Natura 2000-gebied. Om die reden is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de stikstofdepositieberekening volgt dat het projecteffect op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jr bedraagt. Bij een dergelijke projectbijdrage treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet is voor het project niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect stikstofdepositie er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het project. Mees Ruimte & Milieu | 24234.goflo
Pagina | 46
De beoogde ontwikkeling heeft gelet op voorgaande geen (negatieve) gevolgen voor beschermde gebieden. Bescherming soorten De beoogde ontwikkeling heeft, vanwege de aard en omvang van de beoogde werkzaamheden, mogelijk gevolgen voor beschermde dier- en plantsoorten. Derhalve is door IDDS een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit deze quickscan volgt dat een nader onderzoek nodig is naar verblijfplaatsen van vleermuizen en naar nesten of rustplaatsen van gierzwaluwen en huismussen. Voor grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen, vissen, overige soorten en vaatplanten zijn geen beschermde soorten aanwezig en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Het nader onderzoek is eveneens door IDDS uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat: - tijdens de veldbezoeken voor het vleermuisonderzoek vier verschillende soorten vleermuizen zijn waargenomen, dit waren de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Binnen het projectgebied is één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Voor het verstoren of vernietigen van deze verblijfplaats is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig (thans: een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit). - net buiten het projectgebied, in de nok van de woning op Charbonlaan 11A, is een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen.