CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting_16.pdf - Toelichting_16.pdf

Commissie Ruimte 19 april 2022, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Warmonderhek 5, Warmond"11.728 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Warmonderhek 5, Warmond

Vaststelling

Bestemmingsplan Warmonderhek 5, Warmond

Identificatie Kenmerk

: :

NL.IMRO.1525.BP2021WAR10030-VA01 A0028/JLA/BP

Planstatus

:

Voorontwerp Ontwerp Vaststelling

Contactpersoon

:

Dhr. J.C. Langeweg MSc

[15 juni 2021] [7 oktober 2021] [24 januari 2022]

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

I.

TOELICHTING

Inhoudsopgave toelichting

1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding .................................................................................................................... 5 Aanleiding .................................................................................................................. 5 Ligging plangebied ..................................................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................ 8 Leeswijzer .................................................................................................................. 9

2.1 2.2

Huidige situatie en planbeschrijving ..................................................................... 10 Bestaande situatie .................................................................................................... 10 Gewenste situatie..................................................................................................... 11

3.1 3.2 3.3 3.4

Beleidskader........................................................................................................... 15 Nationaal beleid ....................................................................................................... 15 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 16 Regionaal beleid ...................................................................................................... 18 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Omgevingsonderzoeken ........................................................................................ 22 Archeologie en cultuurhistorie................................................................................... 22 Bedrijven- en milieuzonering .................................................................................... 23 Bodem ..................................................................................................................... 25 Ecologie ................................................................................................................... 27 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 28 Externe Veiligheid .................................................................................................... 29 Geluidhinder ............................................................................................................. 32 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 33 Water ....................................................................................................................... 36 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 39

5.1 5.2 5.3

Juridische aspecten ............................................................................................... 41 Inleiding ................................................................................................................... 41 Opzet van de planregels ........................................................................................... 41 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 41

6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 44 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 44 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 45 Eindconclusie ........................................................................................................... 45 Bijlagen ................................................................................................................... 46

Inleiding 1.1

Aanleiding

De bewoners van de Warmonderhek 5 te Warmond hebben de wens om hun huidige woning te slopen en een nieuwe woning te bouwen. Om de sloop en nieuwbouw mogelijk te maken, dienen er een aantal omgevingsonderzoeken te worden uitgevoerd. Tevens zal er een ruimtelijke procedure (in de vorm van een nieuw bestemmingsplan) doorlopen moeten worden. De gemeente Teylingen heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen voor een eerder ingediend verzoek als er rekening wordt gehouden met de voorwaarden uit de beoordeling. Onderstaand is het projectgebied weergegeven in relatie tot de directe omgeving.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in een gebied waar meerdere vrijstaande huizen zijn gesitueerd. Onderliggend planvoornemen heeft betrekking op perceel sectie C, nummer 3882. Het huis binnen het gebied kan bereikt worden via de Oranje Nassaulaan. Daarnaast grenst het plangebied aan het Poelmeer.

Stedelijke ontwikkeling omgeving plangebied Het plangebied ligt buiten de dorpskern van Warmond. Vanaf omstreeks 1900 is te zien dat er bebouwing op de planlocatie is. Voor 1900 is er geen duidelijke bebouwing te zien op de kaarten. Vanaf 1950 is te zien dat Warmond uitbreidt in de richting van het plangebied waardoor het plangebied onderdeel wordt van het bebouwde gebied binnen Warmond.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie is op dit moment het huidige bestemmingsplan ‘Kom Warmond 2009’ van de gemeente Teylingen van kracht. Deze is onherroepelijk sinds 17 december 2009. De beoogde wijziging past niet binnen de geldende regels uit dat plan. Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen’, ‘Natuur’, ‘Tuin’ en ‘Water’. Bij de nieuwbouw van de woning, zal er gebouwd worden op gronden welke niet de bestemming ‘Wonen’ hebben: • De nieuw te bouwen woning ligt deels buiten het bouwvlak, waar hoofdgebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak; • Het water wordt verplaatst naar gronden met bestemming ‘Natuur’. Hier is oppervlaktewater niet toegestaan; • De nieuw te bouwen woning is voorzien in de bestemming ‘Tuin’, het is niet toegestaan hier een woning te bouwen; en • De nieuw te bouwen woning is gelegen op bestemming ‘Water’, het is niet toegestaan hier een woning te bouwen. Daarnaast is het dempen van de sloot ook strijdig met het bestemmingsplan.

Tevens zijn op de locatie het Paraplubestemmingsplan Beeldbepalende objecten Teylingen en het paraplubestemmingsplan parkeren Teylingen van toepassing. Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bebouwing en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw (postzegel)bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin.

1.4

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de verbeelding. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 5). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Hoofstuk 2 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, provinciaal, regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6. De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Tevens is er op aangeven van de gemeente gebruik gemaakt van het Handboek regels versie 2.8 van de gemeente Teylingen.

Huidige situatie en planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie

In de huidige situatie staat er al een woning op het perceel aan de Warmonderhek 5. Het plangebied ligt in een omgeving waar meerdere vrijstaande huizen zijn gesitueerd. Daarnaast is de omgeving voorzien van veel groen en water.

In onderstaand figuur is het perceel met de huidige woning in relatie tot de omgeving weergegeven met behulp van een luchtfoto.

2.2

Gewenste situatie

Het bouwplan is het creëren van een nieuwe woning. De nieuwe woning beslaat gebieden welke niet de bestemming ‘Wonen’ hebben. Het plan bevat de wijziging van de gebieden zodat het in lijn is met het bestemmingsplan. •

•

•

•

Bestemming ‘Wonen’ De nieuwe woning ligt deels buiten het bouwvlak. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Hiermee is het bouwplan strijdig. Bestemming ‘Natuur’ Het water wordt verplaatst naar gronden met bestemming ‘Natuur’. Oppervlaktewater is niet toegestaan binnen de bestemming natuur. Bestemming ‘Tuin’ De nieuwe woning is voor een groot deel voorzien binnen de tuinbestemming. Het is niet toegestaan om deze gronden te gebruiken ten behoeve van het bouwen van een woning. Bestemming ‘Water’ De woning is voor een deel gelegen binnen de waterbestemming. Dit is in strijd met de regels van de bestemming water. Daarnaast bestaat het voornemen om de huidige sloot in zijn geheel te dempen en het water te verplaatsen. Een deel van de sloot zal worden uitgebreid om een insteekhaven te realiseren, dit is ook strijdig met het bestemmingsplan.

De nieuwe situatie is weergegeven in onderstaande figuur. Hierbij is ook de bestaande woning aangegeven met arcering.

De nieuwe woning bestaat uit twee verdiepingen en een kelder. De kelder bestaat uit een sauna met douche, opslag, en techniekruimte. Onderdeel van de begane grond zijn een garage, kantoor, woonkamer, keuken en entree. Op de eerste verdieping zijn verschillende slaapkamers en badkamers gesitueerd. Binnen de woning is ook een lift waardoor de woning levensloopbestendig is. Het perceel voorziet van voldoende ruimte voor het parkeren van voertuigen. De nieuwbouwwoning is in onderstaand figuur weergegeven.

Met dit planvoornemen wordt bereikt: •

•

Een kwaliteitsimpuls door een verouderde woning te vervangen door nieuwbouw die aan de eisen van deze tijd moet voldoen (bijvoorbeeld ten aanzien van energieverbruik). Zo wordt er HR++ glas gebruikt, en zijn de volgende Rc-waardes aanwezig: vloer 3,7; gevels 4,7 en daken 6,3. Daarnaast wordt de woning levensloopbestendig gerealiseerd. Hierbij wordt het volgende meegenomen: o Brede binnendeurkozijnen dagmaat 90 cm, rolstoelgeschikt o Badkamer met een bewegingsruimte minimaal 150x150 cm o Geen kozijndorpels o vloeroppervlak zonder hoogteverschillen o Logeerkamer voor (klein)kinderen o Brede gang en hal, rolstoelgeschikt o Woonhuislift, rolstoelgeschikt o Onderhoudsvriendelijke materialen

Conclusie De gewenste situatie zoals hierboven geschetst voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. De onderzoeken in onderstaand hoofdstuk zijn hiervoor uitgevoerd.

Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen.

3.1

Nationaal beleid

Nationale omgevingsvisie De Nationale omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk betreffende de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving. De NOVI is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI vervangt de Structuurvisie infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Nationaal Milieubeleidsplan en de Rijksnatuurvisie. De NOVI is vastgesteld ter voorbereiding op de Omgevingswet. Van belang in de NOVI is het richting geven aan decentrale afwegingen en het gebiedsgericht werken. Het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten moeten meer samenwerken. De NOVI is gericht op ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’, ‘duurzaam economisch groeipotentieel’, ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ en ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Beoordeling rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet Ladderplichtig.

Conclusie rijksbeleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het nationale beleidskader.

3.2

Provinciaal beleid

De Visie ruimte en mobiliteit en de daarbij behorende Verordening ruimte 2014 zijn op 1 april 2019 vervallen. In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: • Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: • De provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); • Het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); • Het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); • Het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; • De natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Specifieke beleid wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied (verdichting) en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer (nabij mobiliteitsvoorzieningen). De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt expliciet om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied mee te wegen. De provincie heeft de ambitie dat alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (hevigere regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.

Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en de verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkeling In de omgevingsverordening is er geen specifieke kaart of expliciet beleid voor wonen. Wel wordt er in artikel 6.10 ‘Stedelijke ontwikkeling’ aangehaald dat het uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte bestaat uit de betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen het BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. Artikel 6.14: 20 Ke-contour Schiphol In de Omgevingsverordening is onder artikel 6.14 aandacht voor het afwegingsbeleid vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol. De planlocatie ligt binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid, maar buiten het beperkingengebied geluidsgevoelige gebouwen van het LIB. Gelet op artikel 2.1.11 van de Verordening Ruimte, geldt dat woningbouw uitsluitend binnen bestaand stads- en dorpsgebieden mag plaatsvinden. Aangezien er met dit planvoornemen slechts een vervanging van een woning binnen het bestaand stads-en dorpsgebied wordt gerealiseerd, is er geen strijdigheid met het LIB.

Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid Deze ontwikkeling, waarbij er één woning wordt vervangen, vindt plaats binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. In de paragraaf Rijksbeleid is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is. De woning wordt binnen het bestaand stads-en dorpsgebied gerealiseerd, dus er is er geen strijdigheid met het LIB.

Conclusie provinciaal beleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleidskader. 3.3

Regionaal beleid

Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 Op 14 maart 2018 heeft het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017 vastgesteld. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de sub-regio’s Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijn- en Veenstreek. Met de agenda ambieert de regio een actuele, kwalitatieve koers te schetsen voor een goed functionerende woningmarkt. Zij wil daarmee aansluiten bij de behoeften aan verschillende woonvormen en woonmilieus. Waar de vorige woonagenda met name zich richtte op afstemming van het aantal te bouwen woningen, richt de nieuwe woonagenda zich ook op de gewenste kwalitatieve richting. Naast het accommoderen van de lokale en sub-regionale behoefte, zijn er ook bovenregionale woningbouwopgaven waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. Het nieuwe aanbod moet daarbij in kwalitatief opzicht zo goed mogelijk aansluiten op de toekomstige behoefte. Deze is per gemeente in de regio anders. Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland In de Regionale Structuurvisie zijn de ambities en keuzes van Holland Rijnland uitgewerkt in zeven kernbeslissingen. Deze zijn samen van belang voor de toekomst van het gebied.

Uitgangspunten hierbij zijn een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie en infrastructuur en een intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn: • • • • • • •

Het in de regio bouwen van 33.000 nieuwe woningen tot 2020; Het zorgen voor een betere bereikbaarheid van de centrumfunctie van Leiden; Het concentreren van nieuwe bebouwing in de bestaande aaneengesloten stedelijke agglomeratie; Het versterken van groen en water en het beter toegankelijk maken van groene gebieden; Het openhouden van de Bollenstreek en het Veenweide- en Plassengebied, met een revitalisering van de Bollenstreek door middel van een herstructurering; Het kiezen voor de kenniseconomie en de Greenport Duin- en Bollenstreek als de belangrijke economische kennisdragers; Het ontwikkelen van een goed openbaar vervoernetwerk en de realisering van de Rijnlandroute en de Noordelijke Ontsluiting Greenport.

Conclusie regionaal beleid Het voorgenomen plan bestaat uit het vervangen van een woning en past daarmee binnen het regionaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Teylingen 2030 ‘Duurzaam bloeiend’ Het ruimtelijk beleid van de gemeente Teylingen tot 2030 is in de Structuurvisie op hoofdlijnen vastgelegd. De Structuurvisie omvat het hele grondgebied van de gemeente en heeft betrekking op de periode tot 2030. De raad heeft de visie op 25 juni 2015 vastgesteld. De kern van de visie is dat Teylingen duurzaam bloeit in een krachtige regio, met ruimtelijk hoogwaardige en sociaaleconomisch sterke kernen Voorhout, Sassenheim en Warmond, een vitale Greenport en aantrekkelijk plassengebied. Ten aanzien van wonen wordt er in de structuurvisie aangegeven dat het een doel is om op lange termijn een duurzame en aantrekkelijke woonomgeving te bereiken in complete vitale kernen. De diverse kernen beschikken over een eigen identiteit, met voldoende geschikte woningen om te voorzien in de eigen behoefte en met de ruimtelijke mogelijkheden om een beperkte opvangfunctie te vervullen in de regio. Daarbij is het van belang om het programma, de locaties, het tempo en de kwaliteit goed af te stemmen met de regio en de provincie. In de structuurvisie wordt aangegeven dat er een opgave ligt om (bestaande) woningen en de woonomgeving meer geschikt te maken voor zorg aan ouderen en mensen met een functiebeperking.

De Woningbehoefteraming en de Bevolkingsprognose van de gemeente zijn voldoende afgestemd met de regio en de provincie zoals beschreven in de vorige paragraaf. De gemeente Teylingen zet in op de verdere ontwikkeling van ‘centrum-dorpse’ woonmilieus. Dat betekent bouwen in hogere dichtheid. Dit draagt bij aan zuiniger ruimtegebruik en ondersteunt daarmee gelijk de duurzaamheidsambitie van Teylingen. Belangrijk voor het wonen is om gedifferentieerd te bouwen, duurzaam, met een hoge beeldkwaliteit en een aantrekkelijke openbare ruimte.

Woonprogramma 2020-2024 “Naar een evenwichtiger woningmarkt” Het woonprogramma beschrijft het gemeentelijk beleid op het gebied van wonen voor de periode 2020-2024. Deze vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor de prestatieafspraken met de corporaties. Binnen de visie is regionale afstemming gezocht met de omliggende gemeenten. In de Woonvisie staan bestaande kernen en bestaande woningvoorraad, duurzaamheid, wonen met zorg en welzijn en beschikbaarheid en doelgroepen en betaalbaarheid centraal. De woningbouwbehoefte van de gemeente wordt jaarlijks afgestemd door middel van een planlijst bij de Woningbehoefteraming (WBR) en de Bevolkingsprognose (BP). Het totaal aan plannen dient te passen binnen de bandbreedte van de WBR en de BP. Samen voor verduurzaming - Gemeente Teylingen Gemeente Teylingen vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Teylingen streeft ernaar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen.

In het gemeentelijk beleid ‘Samen voor verduurzaming - Gemeente Teylingen’ staat betreffende de duurzaamheidsambities genoemd dat Teylingen in 2030 100% duurzaam moet zijn. Alle woningen en gebouwen (oud en nieuw) zullen een bijdrage moeten leveren aan deze doelstelling door energie te besparen en/of duurzaam op te wekken. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030. Visie verdichting Warmond West Op 4 februari 2016 is door de gemeenteraad van Teylingen de ‘Visie Verdichting Warmond West’ vastgesteld. Voor het gebied Komplan Warmond, ten westen van de spoorlijn, kwamen diverse verzoeken binnen ter verdichting van bepaalde kavels. Deze visie geeft duidelijkheid hoe er met deze verzoeken omgegaan moet worden, daar een totaalvisie op het gebied van verdichting ontbreekt. In deze visie heeft verdichting betrekking op het toevoegen van extra zelfstandige vrijstaande wooneenheden/woningen inclusief bijbehorende bouwwerken. Hierdoor ontstaat een hogere dichtheid als een manier om te komen tot een beter of intensiever gebruik van de ruimte. De dichtheid wordt uitgedrukt op basis van de kavelgrootte, de Floor Space Index (FSI) en de Ground Space Index (GSI). Voor de kavels die in aanmerking komen voor verdichting gelden specifieke criteria. Het planvoornemen valt met betrekking tot dichtheid onder het gebied ‘Verdichting binnen Lommerrijk’.

De kavelgrootte varieert hier tussen de 500 m2 en 2.000 m2. Er dient sprake te zijn van een maximale GSI van 0,25 en een FSI tussen de 0,3 en 0,6. Daarnaast moet er sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en de afstand van de zijdelings perceelsgrens tot het bouwvlak is minimaal 3 meter. Beoordeling planvoornemen Het huidige planvoornemen kent een GSI van 0,22 (237 m2/1.083 m2. De FSI van het plan is circa 0,35 (377 m2/1.083 m2.) Hiermee voldoet het plan aan de vastgestelde voorwaarden betreffende GSI en FSI zoals hierboven besproken.

Conclusie gemeentelijk beleid Het vervangen van de woning, heeft geen consequenties voor bovengenoemd beleid. Er is slechts sprake van een vervanging. De vervanging van de woning geeft juist een kwaliteitsimpuls doordat de woning duurzamer, energiezuiniger en levensloopbestendig zal zijn.

Omgevingsonderzoeken 4.1

Archeologie en cultuurhistorie

Wetgeving archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -

Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Beoordeling planvoornemen archeologie Er is inmiddels een Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd door IDDS. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage. De resultaten zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Naar aanleiding van het verkennend onderzoek is vervolgonderzoek nodig. Het soort vervolgonderzoek wordt op een later moment bepaald wanneer duidelijk is hoe de bouw en aanleg van het huis wordt uitgevoerd en de woning is gesloopt. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren bij bode verstorende werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 m -mv. Bij bodem verstorende werkzaamheden die dieper reiken dan 0,8 m -mv (-0,3 m NAP) adviseert IDDS Archeologie om bij dat vervolgonderzoek rekening te houden met twee archeologisch relevante niveaus. Indien die verstoringen dieper reiken dan 1,7 m -mv (-1,4 m NAP)2, adviseert IDDS Archeologie om rekening te houden met drie potentiële archeologische niveaus. Bij werkzaamheden die dieper reiken dan 2,9 m -mv (-2,2 m NAP)3, adviseert IDDS Archeologie om bij dat vervolgonderzoek rekening te houden met vier archeologisch relevante niveaus.

Wetgeving cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing. Beoordeling planvoornemen cultuurhistorie Het plangebied vormt geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht van Warmond, noch bevinden zich beeldbepalende panden of monumenten in het plangebied.

Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Op basis van de resultaten van het verkennend archeologisch onderzoek is nader onderzoek nodig. Afhankelijk van de aanlegmethode van de kelder wordt het soort vervolgonderzoek bepaald. Cultuurhistorie vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.2

Bedrijven- en milieuzonering

Wetgeving De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering 2009” Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009” ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object.

Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is.

Tabel 1: Richtafstanden bedrijven in relatie tot omgevingstype rustige woonwijk Milieucategorie

Richtafstand gemengd gebied [m]

1

10

2

30

3.1

50

3.2

100

Beoordeling planvoornemen De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt als ‘rustige woonwijk’. De directe omgeving van het plangebied, kent geen bedrijfsbestemmingen. Op circa 477 meter van het plangebied is bedrijventerrein Teylingen gelegen. Op dit bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan, hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Met 477 meter wordt hier ruimschoots aan voldaan. Op onderstaande afbeelding is de afstand weergegeven.

Alle bedrijven bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Andersom geldt dat de nieuwe woning de eventuele bedrijfsvoering van de huidige bedrijven (of uitbreiding daarvan) niet in de weg zit. Bovendien bevinden zich al meerdere woningen tussen de nieuwe woning en de bedrijfslocaties in.

Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.3

Bodem

Wetgeving In het kader van de Woningwet/ Gemeentelijke Bouwverordening dient een bestemmingsplanwijziging en de daaruit (voortvloeiende) omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem.

Beoordeling planvoornemen Verkennend bodemonderzoek Door middel van een verkennend milieukundig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: - In de bodem zijn bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De grond bevat sporen baksteen/ houtskool/ metselpuin of is zwak/ matig aardewerk / baksteen / metselpuinhoudend; - Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; - De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK; - De ondergrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK en plaatselijk sterk verontreinigd met lood en zink; - Het grondwater is licht verontreinigd met PAK - Het gehalte asbest is lager dan de desbetreffende detectiegrens. Algemene bodemkwaliteit Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarden en interventiewaarde (grond) en streefwaarden (grondwater) wordt de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie verworpen. Plaatselijk is in de ondergrond een sterke verontreiniging met lood en zink aangetoond.

Vooralsnog kan niet worden uitgesloten dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarin binnen de grenzen van de onderzoekslocatie een aaneengesloten bodemvolume van meer dan 25 m3 gemiddeld de interventiewaarde voor de gehalten overschrijdt. Op basis van deze bevindingen worden belemmeringen inzake de herontwikkeling van de onderzoekslocatie vanuit milieuhygiënisch oogpunt voorzien. Onzes inziens is een nader onderzoek noodzakelijk om de sterke verontreiniging in kaart te brengen, en hiermee uitsluitsel te kunnen geven of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Asbest Er is geen analytisch geen asbest aangetoond. Vervolgonderzoek is onzes inziens niet noodzakelijk. Verkennend waterbodemonderzoek Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen demping van de watergang waarbij inzage is gewenst in het (vrijkomende) slib en daarmee samenhangende toepassingsmogelijkheden. Conclusies Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Toepassing op of in de landbouw (T1) Het vrijkomende slib kan worden ingedeeld als zijnde ‘niet toepasbaar’. Toepassing in het oppervlaktewater (T3) Het vrijkomende slib mag worden toegepast als ‘klasse B’ in oppervlaktewater. Let op dat het vrijkomende slib alleen mag worden toegepast in Rijkswater en niet toepasbaar is voor ander soort water. Verspreiden op het aangrenzende perceel (T5) Het vrijkomende slib van de watergang is niet verspreidbaar op de aangrenzende percelen. Aanbevelingen Rekening dient te worden gehouden dat het vrijkomende slib niet toepasbaar is op de aangrenzende percelen. Aanbevolen wordt de baggerspecie te verwijderen en af te voeren naar een erkend verwerker. Nader bodemonderzoek De doelstelling van het nader bodemonderzoek is het vaststellen van de omvang van de verontreiniging met zware metalen.

Op basis hiervan kan worden nagegaan of ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: - De sterke verontreiniging met lood en zink is in de grond afdoende ingekaderd; - De grond is heterogeen diffuus verontreinigd met lood en zink; - De sterke verontreiniging met zink is zeer plaatselijk aangetroffen en betreft een spotverontreiniging. De omvang van de sterk verontreinigde grond ligt onder de 25 m3; - Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Risico’s ten aanzien van de aanvraag van een omgevingsvergunning worden onzes inziens niet voorzien. Rekening dient te worden gehouden dat de spotverontreiniging mogelijk extra aandacht in de uitvoerfase vereist. Het verkennend bodemonderzoek, verkennend waterbodem onderzoek en nader bodemonderzoek zijn als bijlage toegevoegd.

Conclusie bodem Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat na uitvoering van het verkennend bodemonderzoek, verkennend waterbodem onderzoek en het nader bodemonderzoek geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het aspect (water)bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Ecologie

Wetgeving Bij de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000. Doel van de Quickscan is het toetsen van de plannen aan de Wnb, zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om overtreding van deze wet te voorkomen. Verder is de zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hierbij zijn de zorgplicht zoals in artikel 1.1 en de zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 1.3 van toepassing. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt in Warmond. Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: • • • •

Meijendel & Berkheide – 5 km; Gevoelig tot zeer gevoelig voor stikstofdepositie; Coepelduynen – 6 km; Gevoelig tot zeer gevoelig voor stikstofdepositie; Kennemerland-Zuid – 8 km; Gevoelig tot zeer gevoelig voor stikstofdepositie; De Wilck – 8 km; Niet gevoelig voor stikstofdepositie.

Naast de zorgplicht welke van toepassing is, is tijdens het veldbezoek geconstateerd dat het plangebied mogelijk geschikt voor verscheidene vleermuissoorten. In 2021 is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd voor vier verschillende soorten vleermuizen conform het geldende vleermuisprotocol. Tijdens het nader onderzoek zijn geen zomer-, kraam- of paarverblijven vastgesteld. Ook is geen essentieel foerageergebied of vliegroutes vastgesteld. Ten alle tijden dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht voor soorten uit de Wnb. De quickscan en het nader ecologisch onderzoek met daarin de bevindingen en resultaten zijn als losse bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Conclusie ecologie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Stikstofdepositie

Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was.

Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Beoordeeld dient te worden of er als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied kan verslechteren. In de nabijheid van het plangebied liggen stikstofgevoelig Natura 2000-gebieden. Daarom is het nodig om een stikstofonderzoek uit te voeren. Er wordt een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase van het planvoornemen. Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. In deze wet is een partiële vrijstelling opgenomen voor de tijdelijke bouw/aanlegfase van projecten.

Enkel voor de gebruiksfase dient nog een stikstofonderzoek uitgevoerd te worden. Beoordeling planvoornemen Zoals eerder genoemd, liggen er binnen een straal van 10 kilometer meerdere stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Met behulp van AERIUS is het effect van het planvoornemen doorgerekend. IDDS heeft op basis van ervaring een onderbouwing opgesteld met een AERIUS-stikstofdepositieberekening. Met de nieuwe AERIUS update die op 20 januari 2022 online is gekomen, is een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. De sloop- en bouwfase zijn sinds 1 juli 2021 vrijgesteld. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft geen rekenresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. De notitie met AERIUS-uitvoerbestanden is als losse bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Conclusie stikstofdepositie Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Externe Veiligheid

Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen

(beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang).

Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico voorafgaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron.

Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt.

Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen

(bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.

Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Op ruime afstand bevindt zich: -

BP Tankstation Elsgeest, Rijksweg A44, Oegstgeest (1,9 km)

De contour van het bijbehorende invloedgebied plaatsgebonden risico ligt enkel rondom het desbetreffende bedrijf. Gelet op de ruimte afstand tussen het planvoornemen en deze contouren, vormen de risicovolle inrichtingen geen risico. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen buisleidingen waardoor transport

van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Geluidhinder

Wetgeving Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Beoordeling planvoornemen Het voornemen bestaat om op de planlocatie een nieuwe woning te realiseren. In het onderzoek (uitgevoerd door Alcedo) worden de geluidsbelastingen gepresenteerd ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Abtspoelweg, Haarlemmertrekvaart en de Oranje Nassaulaan. Ook worden de geluidsbelastingen gepresenteerd ten gevolge van railverkeerslawaai vanwege de spoorlijn Weesp-Leiden. Vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van de Abtspoelweg en de Oranje Nassaulaan wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Vanwege de Abtspoelweg bedraagt de geluidsbelasting 50 dB inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh. Vanwege de Oranje Nassaulaan bedraagt de geluidsbelasting 50 dB inclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh. De optredende geluidsbelasting ten gevolge van het spoor bedraagt maximaal 58 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB niet. De aan te vragen hogere grenswaarden zijn per beoordelingspunt in de tabel hieronder weergegeven.

Tabel 2: Aan te vragen hogere grenswaarden weg- en railverkeerslawaai Reken punt

Omschrijving

Abtspoelweg

Oranje Nassaulaan

Spoorlijn Weesp - Leiden

001

Voorgevel

-

-

58

002

Linker zijgevel

-

-

57

004a

Rechter zijgevel

50

50

-

De gecumuleerde geluidsbelasting vanwege weg- en railverkeerslawaai bedraagt ten hoogste 60 dB exclusief 5 dB correctie conform artikel 110g Wgh. Aan de algemene criteria uit het gemeentelijk geluidsbeleid kan worden voldaan. Hiervoor is aanvullend onderzoek naar de geluidswering van de gevel uitgevoerd. Aan de specifieke criteria voor weg- en railverkeerslawaai volgens het geluidsbeleid wordt voldaan. Er dienen geluidsisolerende maatregelen getroffen te worden om te kunnen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit en om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen. Het onderzoek naar de geluidwering van de gevel is als bijlage toegevoegd.

Conclusie geluidhinder Gelet op het bovenstaande, luidt de conclusie dat het aspect geluidhinder geen belemmering vormt voor het planvoornemen na het aanvragen van hogere grenswaarden.

4.8

Luchtkwaliteit

Wetgeving Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven. Tabel 3: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof

Concentratie [μg/m3]

Omschrijving

40

Jaargemiddelde concentratie

Stikstofdioxide

200

Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden

PM10

40

Jaargemiddelde concentratie

Fijnstof (grove deeltjes)

50

24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden

25

Jaargemiddelde concentratie

NO2

PM2,5 Fijnstof (fijne deeltjes)

Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om ervoor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De

uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM). AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m 3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol.

Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020.

Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de gemonitorde wegen ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk maximaal 20,6, 18,1 en 10,2 µg/m3 zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,3 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 4: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10

Stof

Maximale achtergrondwaarde [μg/m3]

Jaargemiddelde grenswaarde conform Wet milieubeheer [μg/m3]

NO2

20,6

40

PM10

18,1

40

PM2,5

10,2

25

Conclusie Luchtkwaliteit Het project valt onder de regeling NIBM en draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Water

Wetgeving Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.

Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=0f53be26-ebf0-46ae-a8d8-2efd664e1f1e