3. Ruimtelijke onderbouwing (flex)woningen Teydelijk Voorhout 24
Tekst van het document
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Omgevingswet Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangt het omgevingsplan het bestemmingsplan en de gemeentelijke verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan. Tot eind 2029 (of tot de datum waarop de gemeente overgaat naar het definitieve omgevingsplan) bundelt het tijdelijke omgevingsplan de regels die nu zijn opgenomen in het bestemmingsplan, de welstandsnota en een aantal regels over archeologie in de lokale erfgoed- of
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
27 - 397
monumentenverordening. Regels uit de gemeentelijke erfgoed- of monumentenverordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, moeten in 2029 opgenomen zijn in het omgevingsplan. 4.2.1.2 Onderzoek In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Teylingen, 1e herziening (2019)’ heeft het plangebied twee dubbelbestemmingen archeologie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl): In het zuidoosten van het plangebied geldt een dubbelbestemming Waarde -archeologie 5. Dit betekent dat bij bodemingrepen die groter dan 250 m2 zijn en dieper dan 30 cm –Mv reiken archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In het noordwesten van het plangebied geldt een dubbelbestemming waarde-archeologie 7. Dit betekent dat bij bodemingrepen die groter dan 500 m2 zijn en dieper dan 100 cm –Mv reiken archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De zonering in de dubbelbestemmingen archeologie is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart (Wink en Sprangers, 2015; bijlage 2). Bovenstaande vrijstellingsgrenzen hebben zowel betrekking op de realisatie van bouwwerken als op andere graafwerkzaamheden (bijvoorbeeld voor de aanleg van waterpartijen en kabels en leidingen). Ook het rooien van bomen valt hieronder. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt de strengste vrijstellingsgrens overschreden, waardoor voor het gehele plangebied een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is.
Transect heeft dit onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). Op basis van de resultaten van het veldonderzoek zijn aan drie delen van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend. Deze bevinden zich in het noordwesten en het zuidoosten van het plangebied en zijn weergegeven in bijlage 9. Voor wat betreft boring 6 is vanaf 110 cm -Mv tevens een archeologische verwachting vastgesteld. Het lichtbruingrijze zand betreft mogelijk duinzand waarin archeologische resten en sporen voor kunnen komen. Dit niveau bevindt zich op een diepte vanaf 0,8 m -NAP. Voor de noordwestelijke en zuidoostelijke zone is de verwachting gebaseerd op het voorkomen van een veenlaag en een vegetatieniveau (vanaf 150 cm -Mv (1,2 m -NAP) en 175 cm -Mv (1,35 m -NAP), respectievelijk), waaruit af te leiden valt dat er intacte lagen in (de top van) de strandafzettingen aanwezig zijn. De zones komen hierbij overeen met de flanken van een gekarteerde zandkop in het midden van het plangebied. Dit betreft waarschijnlijk een strandwal. Van deze strandwal ontbreekt de oorspronkelijke top en is deze na afgraving en egalisatie opgehoogd met een ophooglaag van 110-150 cm dikte. Deze ophoging reikt tot een diepte van 0,8-1,4 m -NAP. Eventuele archeologische resten worden daarom niet meer binnen 110-150 cm -Mv verwacht.
In het plangebied bestaat het voornemen een wadi aan te leggen en tijdelijke woningen te bouwen. Er is in het noordwesten en zuidoosten een hoge archeologische verwachting vastgesteld voor het bodemtraject vanaf 1,1 m -NAP. Voor een zone rondom boring 6 geldt een verwachting vanaf een diepte van 0,8 m -NAP (bijlage 9). Op basis van de toekomstige plannen blijkt dat het maaiveld ter plaatse van de parkeerplaats in het noordwesten van het plangebied tot een hoogte van 0,5 m +NAP verhoogd zal worden. Aangezien hierdoor het archeologische niveau 160 cm -bouwpeil komt te liggen, zal bij de geplande bodemingrepen een minimale buffer van 30 cm tot het niveau gewaarborgd blijven. Ter plaatse van de woningen zal het maaiveld tot een hoogte van 0,75 m +NAP verhoogd worden. Dit resulteert in een buffer van 185 cm tot het archeologische niveau. Aangezien de woningen op versterkte funderingsbalken komen te staan, zal het niveau bij deze werkzaamheden tevens niet bereikt worden en kan een buffer van 30 cm tot het niveau gewaarborgd blijven. Ter plaatse van de wadi zal maximaal 70 cm -Mv gegraven worden, waardoor er minimaal 30 cm tot het archeologische niveau behouden zal worden. Voor wat betreft de fietsenstalling nabij boorpunt 6 zal bij een verhoogd maaiveld tot 0,75 m +NAP een buffer van 155 cm tot het archeologisch niveau aanwezig zijn.
Bij de aanleg van de fietsenstalling zullen geen bodemingrepen dieper dan 125 cm -Mv plaatsvinden, waardoor een buffer van 30 cm tot het niveau ook hier gewaarborgd blijft. 4.2.1.3 Conclusie Door de geplande werkzaamheden ter plaatse van de hoge verwachtingszones kan een minimale buffer van 30 tot het archeologische niveau behouden blijven. Het treffen van verdere maatregelen met betrekking tot de bouw van de tijdelijke woningen is niet nodig.
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
28 - 397
4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 4.2.2.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 40 tijdelijke woningen. De omgeving van het plangebied kan historisch-geografisch worden gedefinieerd als "Vlakte ontstaan door afgraving en/of egalisatie van duinen of strandwallen".
Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is de strandwal nog herkenbaar door een hogere ligging van het maaiveld (bijlage 5). Ter plaatse van de strandwal is de maaiveldhoogte ongeveer 0,0 m NAP, terwijl die ten oosten en westen ervan ongeveer -0,3 à -0,4 m NAP is. Op de cultuurhistorische kaart van de provincie Zuid-Holland is de watergang aan de oostzijde van het projectgebied aangeduid als historisch landschappelijk waardevol. Het betreft hier een hoofdwetering. Het project heeft geen invloed op de ligging en landschappelijke waarde van de wetering. In de omgeving van het plangebied zijn verder, op basis van de provinciale cultuurhistorische kaart, geen cultuurhistorisch waardevolle objecten of gebouwen aanwezig. 4.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Water 4.3.1 Wettelijk kader Nationaal Water Programma 2022-2027 Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van: klimaatadaptatie waterveiligheid zoetwater en waterverdeling waterkwaliteit en natuur
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
29 - 397
scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Behalve het veranderende klimaat bepalen ook het ruimtegebruik en andere sociaaleconomische ontwikkelingen de opgave voor klimaatadaptatie. Het bodem- en watersysteem staat onder druk. Problemen zoals verdroging, verzilting, bodemdaling en wateroverlast vertalen zich niet alleen in problemen in het watersysteem, maar ook de landbouw, verstedelijking, landschap, cultureel erfgoed en natuur. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet voldoende rekening worden gehouden met de ruimte die op de lange termijn nodig is om Nederland veilig en leefbaar te houden. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar.
Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterbeheerprogramma 6: Water wijst de weg Op 8 februari 2022 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerprogramma 6(WBP6) gepubliceerd. Dit programma beschrijft het waterbeer voor de periode tussen 2022 en 2028. De ondertitel van het programma luidt: Water wijst de weg.
Binnen het programma worden er 5 maatschappelijke opgaves benoemd, waar het Hoogheemraadschap de kerntaken aan koppelt:
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
30 - 397
Bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; Tegengaan van bodemdaling; Versterking van de biodiversiteit; Energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050. Per deelgebied heeft het Hoogheemraadschap een interactieve visiekaart gemaakt, met de 4 landschapstypen (veen, steen, zand en zout). Afhankelijk van het plangebied geldt een ander visie. Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en wordt er meer water afgevoerd via de grote rivieren. Dit kan grote gevolgen hebben voor de (primaire) waterkeringen. Rijnland beschrijft in het WBP6 dat het als taak heeft het leefgebied, de inwoners en bedrijven te beschermen tegen overstromingen vanuit de zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voor het beschermen van het gebied is samenwerken van belang. Rijnland zorgt er op die manier voor dat er bij ruimtelijke plannen waterveiligheid wordt meegenomen. Ook de overige (water gerelateerde) onderwerpen zoals peilbeheer, het watersysteem en wateroverlast) komen aan bod in het WBP6). Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 1 juni 2020 is een nieuwe Keur (opvolger van de Keur 2015) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet.
Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen.
De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000 m2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening. Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Rijnland Op woensdag 27 september 2023 is de Waterschapsverordening door de Verenigde Vergadering van Rijnland definitief vastgesteld en deze wordt op 1 januari 2024 in gebruik genomen. Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd.
De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen.
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
31 - 397
Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a. Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c. Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e. Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: 1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; 2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij.
De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie. Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs.
4.3.2 Onderzoek 4.3.2.1 Bestaande situatie Navolgend is een uitsnede van de legger van het Hoogheemraadschap opgenomen. Het plangebied grenst aan een primaire watergang (zuidkant) en een overige watergang (oostzijde). Langs de oevers van de overige watergang is 20% begroeiing toegestaan.
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
32 - 397
Afbeelding Legger oppervlaktewateren (Hoogheemraadschap Rijnland) Uit de legger regionale waterkeringen blijkt dat een gedeelte van het plangebied binnen de buitenbeschermingszone van een regionale waterkering ligt. Als buitenbeschermingszone wordt aangemerkt een 50,00 meter brede strook aan weerszijden van de buitengrens van de beschermingszones. De buitenbeschermingszone heeft tot doel het beschermen van de stabiliteit van de beschermingszone.
Afbeelding Legger watersysteem (Hoogheemraadschap Rijnland) 4.3.2.2 Watertoets Watersysteem Voorliggend plan houdt geen aantasting van watergangen door demping of anderszins in of nabij het plangebied in. Tevens wijzigt het onderhoud van watergangen niet als gevolg van het plan. Verhard oppervak
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
33 - 397
Doordat het verhard oppervlak in de nieuwe situatie tijdelijk toeneemt ten opzichte van de huidige situatie is er watercompensatie nodig. Voor vertraagde afvoer moet de landelijke afvoer zoals vermeld in het beleid van het Waterschap worden gebruikt. Uit onderzoek (zie Bijlage 4) is gebleken dat een wadi met een waterdiepte van 0,60m toereikend is voor de benodigde waterberging. De wadi heeft een oppervlak van 369 m². Met een rekenwaarde voor de doorlatendheid van 0,50 m/dag bedraagt de totale infiltratie ca. 185 m³/dag wat gelijk is aan 7.687,5 l/uur. Conform de eis van het waterschap dient de infiltratie 0,6 l/uur/m² te bedragen. Het afvoerend oppervlak op de wadi bedraagt 3.204 m², waardoor er in het totaal 1.922 l/uur moet infiltreren. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels.
De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. Bij nieuwbouw wordt gekozen voor aanleg van gescheiden stelsels voor hemel- en afvalwater. Voor de afvoer van het hemelwater wordt uitgegaan van de volgende voorkeursvolgorde: - Hemelwater vasthouden voor benutting; - (in-)filtratie van afstomend hemelwater; - afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; - afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater wordt vastgehouden in een wadi, met overloop naar de watergang.
De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: - het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; - verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; - afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; - huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd; - ander afvalwater dan hiervoor bedoeld: zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht; Het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering.
4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Hierover wordt ten aanzien van het plangebied ´' het volgende gemeld.
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
34 - 397
4.4.2 Onderzoek 4.4.2.1 Gebiedsbescherming Gezien de ligging en het gebruik van de locatie In het verleden als baggerspeciedepot heeft de locatie geen rijkdom in kwaliteit en natuurlijke hulpbronnen. De planlocatie ligt niet in of nabij Natura 2000-gebieden, weidevogelgebied of het NatuurNetwerk Nederland. Het meest nabij gelegen(stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid (ca. 4 km).
In de AERIUS-calculator is de bouw- en gebruiksfase doorgerekend. Op basis van de voorgaande gegevens is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 6 en Bijlage 7). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Een en ander is toegelicht in Bijlage 5. 4.4.2.2 Soortenbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het •beschermingsregime andere soorten vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Er is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van broedvogels, dat is vastgelegd in een notitie (Wijnands milieu consultancy, 20 maart 2023, zie Bijlage 8). Geconcludeerd is dat het te vroeg in het broedseizoen is voor broedvogels.
De broedende nijlgans biedt geen belemmering voor de kap van de bomen, omdat deze niet beschermd is. Indien op 21 maart 2023 de bomen en struiken worden gekapt zijn er geen beschermde broedende vogels aanwezig in het plangebied. De kap heeft inmiddels plaatsgevonden op 21 maart 2023 en er heeft met de kap dan ook geen overtreding van de Wet natuurbescherming plaats gevonden. Er is op de locatie vervolgens een ecologische quickscan uitgevoerd (zie Bijlage 9). Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied (met name de watergang en aangrenzende bomenrij) een essentiële vliegroute vormt voor gewone dwergvleermuis. Om die reden mag kunstlicht dat op de watergang schijnt niet worden gebruikt en ook in de gebruiksfase
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
35 - 397
mag geen licht op de watergang en bomenrij schijnen. Overdag mag zonder belemmering voor vleermuizen worden gewerkt. Wel moeten de sloot en bomenrij behouden blijven. De sloot en de bomenrij zijn een vaste vliegroute, die niet mag worden aangetast zonder ontheffing van de Wet natuurbescherming. Andere beschermde soorten zijn binnen het plangebied niet aangetroffen en worden niet verwacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt te allen tijde de zorgplicht in het kader van de Wnb. Op 18 april 2024 is binnen de verstorende invloedsfeer van het toekomstige plangebied nogmaals onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van broedvogels (zie Bijlage 10). Binnen de verstorende invloedsfeer zijn twee oude nesten aangetroffen. Deze nesten zijn niet bezet. In een van de nesten broedde vorig jaar maart een nijlgans. Binnen het plangebied in het lagere groen broeden op dit moment seizoensgebonden vogels.
Om die reden wordt geadviseerd om de werkzaamheden plaats te laten vinden na 15 augustus, op het moment dat het broedseizoen voorbij is.
4.4.3 Conclusie De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.5 Verkeer en parkeren 4.5.1 Onderzoek 4.5.1.1 Verkeersbewegingen De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 40 flexwoningen in de vorm van sociale huurappartementen. De appartementengebouwen worden ontsloten op de Teylingerdreef via de bestaande toegang naar de vrachtwagenparkeerplaats. Niet gemotoriseerd verkeer kan gebruik maken van een nieuw noordwest-zuidoost georiënteerd pad dat aantakt op het bestaand fietspad ter hoogte van de rotonde. Conform de Parkeernota Teylingen 2014 wordt bij het bepalen van de verkeersgeneratie uitgegaan van ‘Buitengebied' en 'matig stedelijk gebied', waarbij verwezen wordt naar CROW-publicatie 317. Tegenwoordig dient uitgegaan te worden CROW-publicatie 381. In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van het plan weergegeven. Tevens wordt het gemiddelde van de norm gehanteerd. Functie CROW-publicatie Kencijfer (aantal 381 voertuigbewegingen per etmaal per eenheid)
Aantal eenheden
huur, appartement midden/ 1,4 goedkoop (incl sociale huur) totaal
40
Verkeersgeneratie (aantal voertuigbewegingen per etmaal per eenheid) 56 56
Uit de tabel blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan met 56 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Deze verkeersbewegingen betreffen een dusdanig klein aandeel van de totale huidige verkeerssituatie op de Teylingerdreef dat bijna geen verschil in verkeer te merken is. Het heeft geen effect op de huidige verkeersstromen. Daarom zorgt het planvoornemen niet voor belemmeringen op het verkeer. 4.5.1.2 Parkeren In augstus 2023 is de Nota Parkeernormen 2023 afgerond. In april 2024 wordt het vastgesteld. Voor voorgenomen ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de nieuw vast te stellen parkeernormen. Dit wordt gemotiveerd in Bijlage 12.
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
36 - 397
In de Nota parkeernormen 2023 is onderscheid in aantal parkeerplaatsen voor verschillende grootte, type en kosten van woningen. Voor sociale huurappartementen kleiner dan 50 m2 gbo geldt een norm van 0,7 per woning (inclusief 0,2 bezoekers), voor sociale huurappartementen tussen de 50 en 75 m2 gbo is dat 0,9 per woning (inclusief 0,2 bezoekers) en voor sociale huurappartementen boven de 75 m2 gbo is de norm 1,0 per woning (inclusief 0,2 bezoekers). Op basis van dit parkeerbeleid kunnen we, gelet op de grootte van de appartementen uitgaan van 0,9 parkeerplaats per appartement. Voor het initiatief met 40 flexwoningen (in de vorm van 3 geschakelde delen bevat 7 studio's met 1 kamer, 24 studio's met 2 kamers en 9 woningen met 3 kamers) worden 40 halfverharde parkeerplaatsen gerealiseerd waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. 4.5.1.3 Langzaam verkeer, hulpdiensten en verkeersveiligheid Hulpdiensten dienen met hun voertuig de gebouwen te kunnen bereiken tijdens een calamiteit. De eisen van de brandweer in de Praktijkrichtlijn Bereikbaarheid van de Regionale Brandweer Hollands Midden ten aanzien van de dimensionering van de wegen maatgevend. In het stedenbouwkundig ontwerp wordt hiermee rekening gehouden.
Door de toegangspoort naar het parkeerterrein voor vrachtwagens 8 meter naar het westen, ten opzichte van de huidige locatie, te verplaatsen ontstaat er voldoende opstelruimte voor één vrachtwagen. Met dit voorstel wordt de toegang en het zicht rondom de ontwikkellocatie niet geblokkeerd Gelet op de verekeersveiligheid voor langzaam verkeer worden een aantal aanpassingen/ maatregelen rondom het plangebied uitgevoerd om de huidige en toekomstige verkeersveiligheid te verbeteren. Deze maatregelen worden behandeld in de verkeerskundige notitie in Bijlage 12.
4.6 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het de ruimtelijke onderbouwing planm.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), projectm.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (onderdeel D11.2) mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer, - Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of - Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Op de planlocatie wordt voorzien in de bouw van 40 nieuwe woningen binnen een plangebied met een oppervlakte van circa 0,6 hectare. Daarmee valt deze ontwikkeling ruim onder de bovenstaande drempelwaarden en is niet rechtstreeks m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Wel dient middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden nagegaan of sprake kan zijn van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die de uitvoering van een m.e.r. noodzakelijk maken. De beslissing en de motivering dienen in de toelichting bij de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning te worden verwerkt.
In Bijlage 11 wordt daarom aan de hand van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, beoordeeld of er belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat de realisatie van de 40 flexwoningen op het perceel ten oosten van Engelselaan 5A, Voorhout geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Op 24 oktober 2023 heeft de Omgevingsdienst een Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling (kenmerk D2023-093403, zaaknummer 2023-009552) genomen voor dit project gebaseerd op deze aanmeldnotitie (zie Bijlage 13). Hieruit blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., zijn uitgesloten.
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
37 - 397
Bijlagen
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
38 - 397
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek
(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001
39 - 397
Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai geprojecteerde woningbouw Teylingerdreef te Voorhout
Concept
Rapportnummer O 16688-3-RA d.d. 3 mei 2024
Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai geprojecteerde woningbouw Teylingerdreef te Voorhout
Concept
Opdrachtgever: Rapportnummer: Datum: Referentie: Verantwoordelijke: Opsteller:
HTL samen O 16688-3-RA 3 mei 2024 EdB/EdB/ /O 16688-3-RA ing. E.H.A. de Beer ing. E.H.A. de Beer +31 85 8228723 e.debeer@peutz.nl
Peutz bv, postbus 696, 2700 ar zoetermeer, +31 85 822 87 00, info@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid Nlingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook - zoetermeer - groningen - eindhoven - haps - düsseldorf - dortmund - berlijn - nürnberg - leuven - parijs - lyon
O 16688-3-RA 2 Concept
Inhoudsopgave 1
Inleiding en samenvatting
4
2
Grenswaarden en wettelijke aspecten
6
2.1
Industrielawaai
6
2.2
Wegverkeerslawaai
7
2.3
Geluidbeleid gemeente Teylingen
9
3
Uitganspunten
10
3.1
Nieuwbouw
10
3.2
Industrielawaai
10
3.3
Wegverkeerslawaai
12
4
Industrielawaai
13
4.1
Akoestische modelvorming
13
4.2
Rekenresultaten
13
4.2.1
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
13
4.2.2
Maximale geluidniveaus
14
Beoordeling
15
Wegverkeerslawaai
16
5.1
Modelvorming
16
5.2
Rekenresultaten
16
5.3
Beoordeling
16
6
Conclusie
18
4.3 5
Bijlage 1 Akoestisch rekenmodel industrielawaai Bijlage 2 Rekenresultaten industrielawaai Bijlage 3 Akoestisch rekenmodel wegverkeerslawaai Bijlage 4 Rekenresultaten wegverkeerslawaai
O 16688-3-RA 3 Concept
1
Inleiding en samenvatting In opdracht van HLT Samen is een geluidonderzoek (wegverkeerslawaai en industrielawaai) ter hoogte van geprojecteerde woningen gelegen aan de Teylingerdreef te Voorhout. In figuur f 1.1 is de locatie van het plangebied en de thans geprojecteerde wijze van invulling (ontwerp mei 2024) weergegeven. Het doel van het onderzoek betreft de bepaling en toetsing van de optredende geluidbelasting ten gevolge van de omliggende wegen en ten gevolge van de ten noordwesten van het plangebied gelegen vrachtwagenparkeerplaats.
f 1.1 Ligging geprojecteerde woningen ten opzichte van de omgeving
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt het volgende: - Uit het onderzoek blijkt dat het optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van de vrachtwagenparkeerplaats ter plaatse van de geprojecteerde woningen kan voldoen aan de standaard geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit, indien ook bij de reeds bestaande woningen wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. - Het optredende maximale geluidniveau voldoet in de dag- en avondperiode aan de standaard geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. In de nachtperiode is sprake van een overschrijding van 3 dB van de standaard geluidgrenswaarde van 60 dB(A). Dit optredende maximale geluidniveau van 63 dB(A) zou echter op grond van de onderbouwing bij het reeds verleende maatwerkvoorschrift aan de vrachtwagenparkeerplaats kunnen worden toegestaan, aangezien daarin voor de nachtperiode voor de omliggende woningen een geluidgrenswaarde van ten hoogste 65 dB(A) is opgenomen. - De geluidbelasting ten gevolge van de Teylingerdreef bedraagt ter hoogte van de geprojecteerde woningen meer dan voorkeursgrenswaarde van 48 dB echter minder dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor de Teylingerdreef dienen dus O 16688-3-RA 4 Concept
-
hogere waarden te worden aangevraagd. Voor de overige wegen wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Voor deze wegen is derhalve geen hogere waarde noodzakelijk. Woningbouw op deze locatie is vanuit het oogpunt van het aspect wegverkeerslawaai mogelijk na aanvraag van een hogere waarde voor de Teylingerdreef. In het ontwerp van geplande woningen zijn reeds diverse geluidreducerende maatregelen (onder andere glazen geluidschermen aan de galerij) opgenomen teneinde te kunnen voldoen aan het hogere waardenbeleid van de gemeente Teylingen. Zo wordt er voorzien in een geluidluwe gevel, bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 57 dB en is er een geluidluwe gezamenlijke buitenruimte in de vorm van een binnentuin. Het verlenen van de hogere waarden voor de Teylingerdreef is aldus mogelijk.
O 16688-3-RA 5 Concept
2
Grenswaarden en wettelijke aspecten
2 .1 I ndust ri e la wa a i
De vrachtwagenparkeerplaats betreft conform de ODWH een inrichting krachtens de Wet milieubeheer (opgenomen in de Wabo). Een dergelijk type inrichting betreft dan een type B inrichting conform het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). In het Activiteitenbesluit zijn standaard geluidgrenswaarden opgenomen ten aanzien van de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus. Deze geluidgrenswaarden gelden ter plaatse van en binnen geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen. In het Activiteitenbesluit zijn de volgende voor het geluid relevante voorschriften opgenomen (citaat): Artikel 2.17
1.
Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 2.2 genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
t2.2
07:00–19:00 uur
19:00–23:00 uur
23:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.2 opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
Door de ODWH zijn middels maatwerkvoorschrift 2014017658 van 9 juli 2014 afwijkende geluidgrenswaarden dan voornoemde standaard geluidgrenswaarden en aanvullende voorschriften opgelegd. De volgende relevante (afwijkende) voorschriften zijn opgelegd:
O 16688-3-RA 6 Concept
Opgemerkt wordt dat voor de dag- en avondperiode aldus de standaard voorschriften uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.
2 .2 Weg ver ke ersl a wa ai
Langs wegen liggen van rechtswege zones. De breedte van deze zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de wegclassificatie. In tabel 2.1 is een overzicht gegeven van de zonebreedtes. t 2.1 Zonebreedte in meters Aantal rijstroken
Zonebreedte in meter Stedelijk gebied
1 of 2
200
3 of meer
350 Buitenstedelijk gebied
1 of 2
250
3 of 4
400
5 of meer
600
Buitenstedelijk gebied heeft betrekking op het gebied buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom voor zover het gebied gelegen is langs een autoweg of autosnelweg. Binnenstedelijk gebied heeft betrekking op het gebied binnen de bebouwde kom langs lokale wegen niet zijnde een autoweg of autosnelweg. Voor de volgende wegen gelden geen zones: - wegen die zijn gelegen op een woonerf; - wegen met een maximumsnelheid van 30 km per uur. O 16688-3-RA 7 Concept
In de Wet geluidhinder (Wgh), artikel 82, lid 1 is bepaald dat, behoudens in nader omschreven gevallen, de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg 48 dB (Lden) bedraagt (deze waarde wordt ook wel de voorkeursgrenswaarde genoemd). Conform artikel 83 van de Wgh, kunnen burgemeester en wethouders voor stedelijk gebied een hogere waarde vaststellen van 49 dB tot maximaal 63 dB. Voor buitenstedelijk gebied is een hogere waarde mogelijk van 49 tot maximaal 53 dB. Conform artikel 110g Wgh kan maximaal een aftrek worden gehanteerd op de geluidbelasting alvorens getoetst wordt aan de grenswaarden van: - 5 dB voor wegen met een rijsnelheid tot 70 km/uur; - 2 dB voor wegen met een rijsnelheid van 70 km/uur of hoger.
Op 20 mei 2014 is het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 gewijzigd (Staatscourant jaargang 2014, nr. 10330). De belangrijkste wijziging betreft een tijdelijke verruiming 1 van de aftrek bij geluidberekeningen voor wegen met een snelheid vanaf 70 km/uur (artikel 3.4, lid 1). De aftrek bij deze snelheden was voorheen 2 dB en is nu gewijzigd in: - 4 dB voor situaties met een geluidbelasting van 57 dB zonder aftrek volgens artikel 110g Wgh; - 3 dB voor situaties met een geluidbelasting van 56 dB zonder aftrek volgens artikel 110g Wgh; - 2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting. Conform artikel 110a lid 5 Wgh kan een hogere waarde verleend worden indien de toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van een weg op de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In de Wet geluidhinder artikel 1b lid 5 is in de omschrijving van het begrip 'gevel' een uitzondering gemaakt voor een constructie zonder te openen delen en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB.
Dit houdt in dat de geluidbelasting op een dergelijke constructie hoger mag zijn dan de grenswaarde van 63 en 53 dB voor respectievelijk binnenstedelijk en buitenstedelijk gebied, mits de geluidwering van de gevel voldoende hoog is (dove gevel). In deze situatie kan, conform de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH), de locatie van de geplande woningbouw als binnenstedelijk worden beschouwd. De ODWH zal ten Deze tijdelijke verruiming is middels het besluit van 12 juni 2018 (Staatscourant jaargang 2018 nummer 31892) permanent van kracht geworden. 1
O 16688-3-RA 8 Concept
behoeve van de bestemmingsplanprocedure hiertoe een nadere onderbouwing opstellen. Dit betekent voor het onderhavige onderzoek dat conform de Wet geluidhinder sprake is van een voorkeurswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. 2 .3 G elu idb el e id ge me ent e Te yl ing en
Ten aanzien van het verlenen van hogere waarden heeft de gemeente Teylingen een geluidbeleid vastgesteld. Dit geluidbeleid is opgenomen in de publicatie 'Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder, 4 maart 2013', opgesteld door de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH). In dit geluidbeleid worden naast de wettelijk vastgestelde hoofdcriteria eveneens de volgende aanvullende voorwaarden omschreven op grond waarvan de hogere waarden kunnen worden verleend (citaat): -
-
-
bij een gevelbelasting hoger dan 53 dB wordt akoestische compensatie toegepast; voor nog niet geprojecteerde woningen kan alleen een hogere waarde dan 53 dB als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld als voldoende verzekerd wordt, dat de verblijfsruimten, alsmede ten minste één van de tot de woning behorende buitenruimten niet aan de uitwendige scheidingsconstructie worden gesitueerd waar de hoogste geluidsbelasting optreedt, tenzij overwegingen van stedenbouw of volkshuisvesting zich daar tegen verzetten; in dat geval wordt de buitenruimte afsluitbaar uitgevoerd. bij een waarde vanaf 53 dB wordt gestreefd naar ten minste één stille gevel (< 48 dB); dove gevels worden bij voorkeur niet toegepast; indien toch noodzakelijk dan maximaal één dove gevel, bij voorkeur niet als voor- of achtergevel; voor nog niet geprojecteerde woningen ter vervanging van bestaande woningen is een hogere waarde alleen mogelijk als de vervanging niet leidt tot: - een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur; - een toename van het aantal geluidgehinderden met meer dan 100, gerekend op bouwplanniveau; de hogere waarde bedraagt niet meer dan 58 dB.
Het gemeentelijk geluidbeleid geeft tevens richtlijnen voor het verlenen van een hogere waarde voor industrielawaai, echter dit betreft de geluidbelasting ten gevolge van een zogenaamd gezoneerd industrieterrein. In de onderhavige situatie is hiervan geen sprake.
O 16688-3-RA 9 Concept
3
Uitganspunten
3 .1 N i eu wbou w
In figuur f 3.1 is lay-out van de nieuwbouw weergegeven. De nieuwbouw bestaat uit drie bouwblokken van 2 of 3 bouwlagen. Bij zowel het bouwblok dat het dichtst bij de vrachtwagenparkeerplaats is gelegen als het bouwblok dat parralel aan de Teylingerdreef is gelegen, worden glazen schermen met een breedte van 3 m toegepast die aan de galerij worden bevestigd. Deze glazen schermen reduceren de geluidbelasting ter hoogte van de achterliggende deuren en ramen die in deze gevels zijn opgenomen. Deze glazen schermen worden op alle bouwlagen toegepast. Bij het bouwblok dat evenwijdig is gelegen aan de Engelselaan wordt aan de kopse zijde van de galerij voorzien in een glazen geluidscherm van 6 m breedte (zie rode lijn in figuur f 3.1.
f 3.1 Lay-out van nieuwbouwblokken 3 .2 I ndust ri e la wa a i
In figuur f 3.2 is de locatie van de vrachtwagenparkeerplaats weergegeven.
O 16688-3-RA 10 Concept
f 3.2 Locatie vrachtwagenparkeerplaats
De vrachtwagenparkeerplaats dient als locatie waar chauffeurs kunnen rusten en de vrachtwagen veilig kunnen stallen/parkeren. Conform het door de ODWH opgelegde maatwerkvoorschrift mogen op de locatie vrachtwagens niet met draaiende koelmotor in de nachtperiode parkeren. In de dag- en avondperiode is dit verbod niet opgelegd. Ook mogen vrachtwagens in de nachtperiode niet langer dan 15 minuten de motor in werking hebben (ten behoeve van bijvoorbeeld warmdraaien). De vrachtwagens zullen de parkeerplaats oprijden en verlaten via de zuidelijke oprit. De noordelijke in- en uitrit is middels een hek gesloten. In het onderzoek is uitgegaan van 40, 20 en 20 vrachtwagens die het terrein op- en afrijden in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het gehanteerde geluidvermogen van een langzaam rijdende vrachtwagen bedraagt 102 dB(A) bij 10 km/uur. De koelmotor van de vrachtwagens is hierbij in de dag - en avondperiode tijdens het rijden continu in bedrijf verondersteld. Bij het parkeren met draaiende koelmotor zal tevens de dieselmotor van de vrachtwagen met verhoogd stationair toerental in bedrijf zijn. De geluidemissie van een draaiende vrachtwagen met koelmotor is sterk afhankelijk van het type vrachtwagen en koelmotor. Een realistische aanname betreft hierbij een geluidvermogen van 103 dB(A) voor een moderne vrachtwagen met koelmotor.
Afhankelijk van de buitentemperatuur en de gewenste temperatuur van het gekoelde compartiment van de vrachtwagen zal de koelmotor van de vrachtwagens meer of minder in bedrijf zijn. In het onderzoek is uitgegaan van een bedrijfsduur van vrachtwagen/koelmot or van 40%, 35% en 0% van de tijd in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Dit betreft naar verwachting een realistische aanname voor de dag- en avondperiode, rekening houdend met de voorschriften uit het maatwerkvoorschrift. O 16688-3-RA 11 Concept
Tevens is uitgegaan dat gedurende 15 minuten per vrachtwagen deze geparkeerd zullen zijn met stationair draaiende motor ten behoeve van het warmdraaien. Voor het stationair draaien van de vrachtwagens is uitgegaan van een geluidvermogen van 100 dB(A). In het onderzoek is uitgegaan van 10 vrachtwagens die gelijktijdig aanwezig zijn en maximaal als is toegestaan in bedrijf zijn gedurende zowel de dag-, avond- als nachtperiode. De vrachtwagens zijn hierbij voor beoordeling van deze situatie zoveel als mogelijk aan de zuidoostzijde geparkeerd (worst case-beschouwing voor de huidige ontwikkeling). Op elk moment kunnen de vrachtwagens op elke locatie van de parkeerplaats (waar de vrachtwagens kunnen rijden) een piekgeluidemissie veroorzaken door het afblazen van remlucht of luidruchtig optrekken. In het onderzoek zijn hiertoe piekgeluidbronnen gemodelleerd met een geluidvermogen van 108 dB(A). Deze piekgeluidemissies kunnen het gehele etmaal optreden. 3 .3 Weg ver ke ersl a wa ai
Ten behoeve van het onderzoek zijn door de ODWH de relevante weggegevens voor peiljaar 2032 opgegeven. Deze verkeersgegevens zijn geëxtrapoleerd naar het peiljaar 2035 middels een autonome groei van 1% per jaar. Een volledig overzicht van de gehanteerde ge gevens is opgenomen in bijlage 3. Samengevat zijn de volgende gegevens gehanteerd: -
-
-
-
-
Teylingerdreef: - etmaalintensiteit: 10.962/5.256 (westelijk/oostelijk deel); - snelheid: 60 km/uur; - wegdektype: fijn asfalt (standaard); Schoutenlaan: - etmaalintensiteit: 6.408; - snelheid: 50 km/uur; - wegdektype: fijn asfalt (standaard); Engelselaan: - etmaalintensiteit: 515/240 (westelijk/oostelijk deel); - snelheid: 30 km/uur; - wegdektype: fijn asfalt (standaard); Bollendreef: - etmaalintensiteit: 11.476; - snelheid: 50 km/uur; - wegdektype: fijn asfalt (standaard); Jacoba van Beierenlaan: - etmaalintensiteit: 16.463/1.090 (oostelijk/westelijk deel); - snelheid: 60/30 km/uur (oostelijk/westelijk deel); - wegdektype: fijn asfalt (standaard).
O 16688-3-RA 12 Concept
4
Industrielawaai
4 .1 A ko est is che mod e lvor ming
Bij de berekeningen is uitgegaan van de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" uit 1999 (de Handleiding). In het onderhavige geval is voor de berekeningen gebruik gemaakt van de volgende in de Handleiding vermelde methode II.8: Berekening van de overdracht. De berekeningen zijn uitgevoerd voor octaafbanden met middenfrequentie van 63 t/m 8.000 Hz. De toetspunten zijn gelegen ter plaatse van de geprojecteerde woningen (ter hoogte van de ramen en deuren) én, ter vergelijking, ter plaatse van de omliggende bestaande woningen. In bijlage 1 zijn de relevante invoergegevens van het akoestische rekenmodel opgenomen. 4 .2 R e kenr esul ta t en 4.2.1 Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In tabel t 4.1 is een overzicht gegeven van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) ter plaatse van de geprojecteerde woningen én ter plaatse van de gevels van de omliggende bestaande woningen/appartementen. In deze tabel zijn uitsluitend de meest bepalende beoordelingsposities en beoordelingshoogte gegeven. In bijlage 2 zijn de berekende geluidniveaus op alle beoordelingsposities en -hoogten gegeven. t 4.1 Berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau t.g.v. vrachtwagenparkeerplaats
Toetspunt
Omschrijving
B001
Bestaand appartementengebouw
B002 B003
Hoogte in m
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dB(A) Dagperiode avondperiode nachtperiode
10
63
62
52
Bestaand appartementengebouw
5
64
64
53
Bestaand appartementengebouw
10
64
63
53
1
Geprojecteerde nieuwbouw raam
7,5
58
58
47
15
Geprojecteerde nieuwbouw deur
7,5
53
52
42
17
Geprojecteerde nieuwbouw deur
7,5
55
54
44
Met de in tabel t 4.1 gegeven berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau worden de geluidgrenswaarden (de standaard geluidgeluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit inclusief maatwerkvoorschriften) ter hoogte van de bestaande woningen fors overschreden. Teneinde ter plaatse van de bestaande woningen te kunnen voldoen, dienen ten hoogste de volgende beperkte uitgangspunten voor de vrachtwagenparkeerplaats te worden gehanteerd: O 16688-3-RA 13 Concept
-
-
In tabel
aantal vrachtwagens op- en afrijdend: - dagperiode: 40; - avondperiode: 10; - nachtperiode: 20. 10 vrachtwagens aanwezig met: - stationair draaien per vrachtwagen: - dagperiode: 6 minuten; - avondperiode: 0 minuten; - nachtperiode: 0 minuut. - koelmotor in bedrijf per vrachtwagen: - dagperiode: 4,8 minuten - avondperiode: 0 minuten - nachtperiode: 0 minuten.
t 4.2 is een overzicht gegeven van het berekend langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT) ter plaatse van de geprojecteerde woningen én ter plaatse van de gevels van de omliggende bestaande woningen/appartementen waarbij is uitgegaan van de hiervoor omschreven beperkte bedrijfssituatie van de vrachtwagenparkeerplaats. t 4.2 Berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau t.g.v. vrachtwagenparkeerplaats; beperkte bedrijfssituatie
Toetspunt
Omschrijving
Hoogte in m
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dB(A) Dagperiode avondperiode nachtperiode
B001
Bestaand appartementengebouw
10
49
45
45
B002
Bestaand appartementengebouw
10
50
45
45
B003
Bestaand appartementengebouw
10
50
44
44
1
Geprojecteerde nieuwbouw raam
7,5
45
40
40
15
Geprojecteerde nieuwbouw deur
4,5
39
35
35
17
Geprojecteerde nieuwbouw deur
7,5
38
34
34
In bijlage 2 zijn ook voor deze bedrijfssituatie de berekende geluidniveaus op alle beoordelingsposities en -hoogten gegeven. 4.2.2 Maximale geluidniveaus
De berekende maximale geluidniveaus (LAmax) ten gevolge van het afblazen van remlucht of het luidruchtig optrekken door de vrachtwagens zijn opgenomen in tabel t 4.3. Deze maximale geluidniveaus kunnen in het gehele etmaal optreden.
O 16688-3-RA 14 Concept
t 4.3 Berekende maximale geluidniveau t.g.v. vrachtwagenparkeerplaats; beperkte bedrijfssituatie
Toetspunt
Omschrijving
Hoogte in m
Maximale geluidniveaus in dB(A)
B001
Bestaand appartementengebouw
5
70
B002
Bestaand appartementengebouw
10
65
B003
Bestaand appartementengebouw
10
64
1
Geprojecteerde nieuwbouw raam
4,5
63
15
Geprojecteerde nieuwbouw deur
4,5
63
17
Geprojecteerde nieuwbouw deur
7,5
58
In bijlage 2 zijn de berekende maximale geluidniveaus op alle beoordelingsposities en hoogten gegeven. 4 .3 B e oord e ling
Uit de rekenresultaten blijkt dat uitgaande van de in paragraaf 3.3.1 omschreven beperkte bedrijfssituatie bedraagt het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter hoogte van de bestaande woningen ten hoogste 50, 45 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avonden nachtperiode. Hiermee wordt dan voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit en het opgelegde maatwerkvoorschrift. Uitgaande van deze beperkte bedrijfssituatie bedraagt het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw ten hoogste 45, 40 en 40 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 50, 45 en 40 dB(A). Het optredende maximale geluidniveau (L Amax) ten gevolge van het afblazen van remlucht door vrachtwagens op het terrein (meest bepalende optredende piekgeluidemissie) bedraagt ter plaatse van de geplande woningen ten hoogste 63 dB(A). Hiermee wordt de standaard geluidgrenswaarde uit het Activiteitenbesluit van 60 dB(A) geldend voor de nachtperiode met 4 dB overschreden. Voor de dag- en avondperiode wordt voldaan aan de standaard geluidgrenswaarden. De beperkte overschrijding van 3 dB kan middels het opleggen van een additioneel maatwerkvoorschrift c.q. het aanpassen van het reeds opgelegde maatwerkvoorschrift worden tenietgedaan.
In het maatwerkvoorschrift is voor de bestaande woningen, welke overigens recent gerealiseerd zijn (2019), voor de nachtperiode een geluidgrenswaarde voor het maximale geluidniveau van 65 dB(A) 'vergund'. Het thans berekende optredende maximale geluidniveau van 63 dB(A) in de nachtperiode zou derhalve eveneens zonder meer toelaatbaar moeten zijn. Met een standaard gevelopbouw kan met een maximaal geluidniveau op de gevel van 63 dB(A) eenvoudig voldaan worden aan de standaard geluidgrenswaarde voor het optredende maximale binnenniveau welke zou gelden bij aanpandige situatie van 45 dB(A) voor de nachtperiode. Hiermee is een goed akoestisch binnenklimaat gewaarborgd. O 16688-3-RA 15 Concept
5
Wegverkeerslawaai
5 .1 M od el vo rming
De berekeningen zijn uitgevoerd conform het 'Reken- en meetvoorschrift geluid 2012'. De gehanteerde rekenhoogten van de ontvangerposities betreft 1,5 en 4,5 m boven het plaatselijk maaiveld voor nieuwbouw bestaande uit 2 bouwlagen. Voor deze nieuwbouw bestaande uit 3 bouwlagen is tevens een rekenhoogte gehanteerd van 7,5 m boven het plaatselijk maaiveld. De toetspunten zijn gelegen ter plaatse van de ramen en deuren van de geprojecteerde woningen. De invoergegevens van het akoestisch rekenmodel zijn opgenomen in bijlage 3. 5 .2 R e kenr esul ta t en
In bijlage 4 zijn de berekende geluidbelastingen per geveldeel van het geplande woongebouw per weg weergegeven inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Tevens is in die bijlage de berekende gecumuleerde geluidbelasting vanwege het wegverkeer (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) opgenomen. Samengevat zijn de volgende ten hoogste optredende geluidbelastingen (inclusief aftrek) berekend: - Bollendreef: 38 dB; - Jacoba van Beierenlaan: 42 dB; - Schoutenlaan: 48 dB; - Teylingerdreef: 57 dB; - gecumuleerd wegverkeer: 63 dB. De berekende geluidniveaus zijn opgenomen in bijlage 4. 5 .3 B e oord e ling
De geluidbelasting ten gevolge van de Bollendreef, Jacoba van Beierenlaan en Schoutenlaan bedraagt ten hoogste 48 dB en voldoet daarmee aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Uitsluitend de geluidbelasting ten gevolge van de Teylingerdreef overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met ten hoogste 9 dB. Deze maximale geluidbelasting van 57 dB ten gevolge van de Teylingerdreef bedraagt echter minder dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor de woningen alwaar de geluidbelasting hoger bedraagt dan 48 dB (zie figuur 4.1 in bijlage 4) dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Conform het hogere waardenbeleid van de gemeente Teylingen mag een hogere waarde, in principe niet meer bedragen dan 58 dB. Hieraan wordt voldaan. Daarnaast dient er bij een geluidbelasting hoger dan 53 dB voorzien te worden in een stille gevel. Ook hieraan wordt voldaan. De binnentuin, die als gezamenlijke buitenruimte fungeert, is ook grotendeels geluidluw. O 16688-3-RA 16 Concept