CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Ruimtelijke onderbouwing (flex)woningen Teydelijk Voorhout 24

Gemeenteraad 27 juni 2024, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen 40 tijdelijke woningen Teylingerdreef Voorhout38.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

OMGEVINGSVERGUNNING TIJDELIJKE WONINGEN TEYLINGERDREEF-RUIMTELIJKE ONDERBOUWING vastgesteld, 10 mei 2024

Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Rui mtelijke onderbouwing

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) 1.4 Waarom een ruimtelijke motivering

5 5 5 6 7

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied 2.2 Toekomstige situatie plangebied

9 9 9

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

11 11 12 16

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1 Milieu 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Water 4.4 Flora en Fauna 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.)

19 19 27 29 34 36 37

Bijlagen

38

Bijlage 1

Akoestisch onderzoek

39

Bijlage 2

Bodemonderzoek

127

Bijlage 3

Archeologisch onderzoek

206

Bijlage 4

Onderzoek waterberging

259

Bijlage 5

Toelichting onderzoek stikstofdepositie

311

Bijlage 6

Projectberekening stikstofdepositie bouwfase

323

Bijlage 7

Projectberekening stikstofdepositie gebruikfase

331

Bijlage 8

Controle broedvogels

338

Bijlage 9

Ecologische quickscan 2023

342

Bijlage 10

Notitie broedvogels 2024

358

Bijlage 11

Vormvrije m.e.r. beoordeling

365

Bijlage 12

Verkeersonderzoek

383

Bijlage 13

Besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling

392

Kennisgeving

396

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

2 - 397

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

3 - 397

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

4 - 397

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Stek is voornemens een woningbouwproject genaamd Teydelijk aan de Teylingerdreef in Voorhout te realiseren. Het project behelst 40 sociale huurwoningen. De tijdelijke woningen zijn voor een periode van 20 jaar in gebruik en zijn bedoeld voor ouderen en jongeren en kwetsbaren, voor gezinnen, alleenstaanden en inwoners die dringend woonruimte nodig hebben. Het projectgebied ligt buiten de BSD en heeft als bestemming agrarisch-bollenteelt met daarbij de specifieke aanduiding 'baggerdepot'. In 2021 zijn de betreffende gronden ingericht als baggerdepot en vanaf dat moment zijn de gronden aan de bollenteelt onttrokken. Het (tijdelijke) bouwvoornemen is in afwijking van het geldende bestemmingsplan voor wat betreft het gebruik van de gronden en de bouwregels. Daarvoor dient voor het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid onder a onder 3° Wabo een ruimtelijke onderbouwing te worden overlegd.

1.2 Ligging plangebied Op onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied weergegeven.

Luchtfoto plangebied, plangebied aangeduid

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

5 - 397

Het plangebied ligt ten oosten van Voorhout maar buiten de BSD. De locatie (voormalig depot voor bagger) is gelegen aan de Zuidelijke Randweg in de gemeente Voorhout, om de locatie heen zijn bollenvelden en woningen aanwezig. Het plangebied is middels een bestaande toegangsweg aangesloten op de Teylingerdreef. Deze toegangsweg wordt tevens gebruikt om de aangrenzende vrachtwagenparkeerplaats te bereiken. Het profiel van de zuidelijk randweg wordt gevormd door twee rijbanen, een vrij liggend fietspad aan de zijde van het dorp en aan beide zijden een groenstrook.

1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) Het vigerende bestemmingsplan voor het plan is 'Buitengebied Teylingen', vastgesteld op 30 april 2015. Het gebied is bestemd voor 'Agrarisch - Bollenteelt - bollenzone 2'. Op het perceel is een aanduidingsvlak baggerspeciedepot opgenomen. De voor 'Agrarisch - Bollenteelt - bollenzone 2' bestemde gronden zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf (bollenteeltbedrijf), behoud en versterking en herstel van de voorkomende natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden en de bij deze bestemming horende voorzieningen. De realisatie van nieuwe tijdelijke (burger)woningen is ter plaatse niet toegestaan.

Afbeelding locatie bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen' (Ruimtelijkeplannen.nl, 2022) Voorliggend plan past niet binnen het vigerende plan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een omgevingsvergunning noodzakelijk.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

6 - 397

1.4 Waarom een ruimtelijke motivering Het college van burgemeester en wethouders kan meewerken aan het afwijkende gebruik op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan (buitenplans). De algemene motiveringsplicht op grond van artikel 3.46 Algemene wet bestuursrecht en de indieningsvereisten in Artikel 3.2. in de Regeling Omgevingsrecht voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met planologische regels zijn daarmee van toepassing. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt aan de genoemde motiveringsplicht voldaan. De planopzet is gedurende de voorbereiding om te komen tot voorliggende ruimtelijke onderbouwing gewijzigds. De afwijkende situatietekeningen, zoals in diverse onderzoeksrapporten weergegeven, zijn niet van invloed en/of niet relevant zijn voor de in deze rapportages aangegeven resultaten/conclusies.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

7 - 397

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

8 - 397

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied Ten oosten en zuiden van de locatie zijn watergangen gelegen. Aan de zuid- westzijde bevinden zich (aan de andere zijde van de randweg) de recent gebouwde appartementencomplexen (4 lagen). Aan de zijde van de sloot ligt langs de vrachtwagenparkeerplaats en baggerdepot een groenstrook met een lage wal (hoogte circa 1,5 meter) waarop een bestaande bomenrij. Ter hoogte van de vrachtwagenparkeerplaats is deze groenstrook breder. Het groen ter plaatse van het baggerdepot is dichter qua structuur dan de relatief open groenzone ter plaatse van het vrachtwagenparkeerterrein. De wal en bomenrij blijven ongewijzigd gehandhaafd.

Luchtfoto plangebied en directe omgeving

2.2 Toekomstige situatie plangebied 2.2 Toekomstige situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 40 flexwoningen in de vorm van sociale huurappartementen. De bebouwing in de vorm van 3 geschakelde delen bevat 7 studio's met 1 kamer, 24 studio's met 2 kamers en 9 woningen met 3 kamers. Deze tijdelijke woningen komen beschikbaar voor ouderen en jongeren en kwetsbaren, voor gezinnen, alleenstaanden en inwoners die dringend woonruimte nodig hebben en die daarvoor zijn aangewezen op de sociale huursector. Naast woningbouw zijn binnen het besluitgebied een fietsenstalling, parkeerplaats, watercompensatie in de vorm van een wadi (zuidkant plangebied) en een (speel)veldje beoogd. Het besluitgebied wordt ontsloten op de Teylingerdreef via de bestaande toegang naar de vrachtwagenparkeerplaats. Niet gemotoriseerd verkeer kan gebruik maken van een nieuw

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

9 - 397

noordwest-zuidoost georiënteerd pad dat aantakt op het bestaand fietspad ter hoogte van de rotonde. De 40 benodigde parkeerplaatsen zijn naast de bestaande vrachtwagenparkeerplaats voorzien. De bomen langs de watergang blijven gehandhaafd. De afbeelding op de volgende pagina verbeeldt de beoogde situatie.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

10 - 397

Hoofdstuk 3

Beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het voor dit specifieke project relevante beleid samengevat.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de ladder) is een motiveringsvereiste voor ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder is opgenomen in artikel 3.1.6. lid 2 Bro. De volgende stappen dienen doorlopen te worden: 1. Uitgangspunten vaststellen: Wat zal met het projectbesluit mogelijk gemaakt worden. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? 2. Afweging locatiekeuze: valt het projectgebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied. 3. Beschrijving van de behoefte: voorzien de functies die het project mogelijk maakt in een behoefte. Ad. 1 Nieuwe stedelijke ontwikkeling In artikel 1.1.1 Bro is een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd: 'Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. De ladder is alleen van toepassing op een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Hiervan is in beginsel alleen sprake als het nieuwe projectbesluit meer bebouwing mogelijk maakt. Dit project voorziet in het realiseren van 40 flexwoningen voor de duur van 20 jaar.

Voor een woningbouwlocatie volgt uit de jurisprudentie dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Gelet op het aantal flexwoningen (40) die langer dan 10 jaar mogelijk worden gemaakt op een locatie dat in het geldende bestemmingsplan niet bestemd is voor wonen, is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat dit projectbesluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en dat de locatiekeuze gemotiveerd moet worden en dat een beschrijving van de behoefte nodig is. Ad. 2 Ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied dient gemotiveerd te worden of deze behoefte niet in stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Daarom is het van belang om te weten of het plangebied binnen of buiten stedelijk gebied is gelegen. In artikel 1.1.1 Bro wordt het stedelijk gebied als volgt gedefinieerd: 'Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het projectgebied is tegen de nieuwe wijk Engelse Tuin gelegen op een voormalige baggerdepot. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het projectgebied buiten het bestaand stedelijk gebied van Voorhout ligt. Ad 3.

Beschrijving van de behoefte Kwantitatief Dit projectbesluit maakt het mogelijk om maximaal 40 flexwoningen te realiseren, voor een periode van 20 jaar. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft gemeente Teylingen. Flexibele of tijdelijke woningen kunnen snel worden gerealiseerd en ook worden geplaatst op locaties die slechts tijdelijk beschikbaar zijn om te wonen. Daarmee helpt de realisatie van dit type woningen om aanvullend aan de realisatie en instandhouding van permanente sociale en betaalbare woningen de acute woningnood onder spoedzoekers te verkleinen. Daarom wordt landelijk gestreefd naar de realisatie van 15.000 flexwoningen per jaar. De huisvestingsbehoefte voor de verschillende groepen spoedzoekers en de slaagkansen in de bestaande voorraad verschillen tussen regio’s en tussen gemeenten binnen de regio.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

11 - 397

Kwalitatief Er is in Teylingen grote behoefte aan sociale huur, waarin dit plan voorziet. De flexwoningen worden kant-en-klaar op de locatie geplaatst. Hierdoor kunnen er snel extra woningen worden gebouwd om in deze grote behoefte te kunnen voorzien.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft op 1 april 2019 de omgevingsvisie vastgesteld en deze is op 1 februari 2023 geconsolideerd. In de Omgevingsvisie zijn zes ambities gedefinieerd. Naast de ambities is het algemene doel van de omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in provincie. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen verstaan. Het samenvoegen van het beleid heeft tot een opsomming van twaalf beleidskeuzes geleid: Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving; Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren; Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie; Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen; Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder; Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen; Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater; Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt

gebruik van bodem en ondergrond; Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen; Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders; Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied; Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken. Van alle beleidskeuzes is aangegeven op basis van welke specifieke beleidsdocumenten die gebaseerd zijn. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft het oprichten van woonunits buiten maar direct aansluitend aan bestaand stads- en dorpsgebied. Het plan geeft invulling aan de beleidskeuze van het bevorderen van voldoende woningen in combinatie met de ambitie van een zorgvuldig ruimtegebruik. In het plan wordt ook aangesloten op de duurzaamheidsambities van de provincie, zoals beschreven is in de paragraaf 4.1.9 Duurzaamheid. De woningen worden kwalitatief ingepast waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd, zoals bedoeld bij de beleidskeuze over het zorgen voor een samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied.

De kwalitatieve inpassing wordt nader toegelicht in de paragraaf Hoofdstuk 2 Planbeschrijving en in de onderstaande paragraaf Omgevingsverordening Zuid-Holland waar expliciet op de kwaliteitseisen wordt ingegaan. Het plan sluit daarmee aan op het beleid van de provincie Zuid-Holland.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De beleidskeuzes uit de Visie werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en de verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De volgende regels zijn van toepassing: Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

12 - 397

Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren.

Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; wegnemen van verharding; toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. Het plangebied ligt in het aangewezen gebied 'Beschermingscategorie 3 Buitengebied', zie hiervoor onderstaande afbeelding.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

13 - 397

Afbeelding gebied beschermingscategorie 3 buitengebied (bron Omgevingsverordening Zuid-Holland) Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied.

In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Bollenteelt De locatie is aangewezen als bollenteeltgebied, zie hiervoor onderstaande afbeelding.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

14 - 397

Afbeelding bollenteeltgebied (bron Omgevingsverordening Zuid-Holland) Op basis van artikel 7.58, lid 1 van de Zuid Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn primair bollenteeltbedrijven toegestaan, waarbij volgens het betreffende artikel onder lid 7 afgeweken kan worden van dit eerste lid voor beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. Voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in een gebied dat is aangewezen voor bollenteelt wordt voorzien in compensatie van bollenteeltgebied door een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. Planspecifiek Voorliggend plan betreft geen structuurwijziging omdat de nieuwe woningen op het bestaande (voormalig) bedrijfsperceel gerealiseerd worden binnen het bestaande slotenpatroon. Er vindt derhalve geen aanpassing van de aanwezige landschappelijke structuur plaats. Voorliggend plan omvat de realisatie van 40 woningen op een voormalig baggerdepot. Zoals voorgaand beschreven wordt de structuur van het gebied niet aangetast door de beoogde ontwikkeling. De gronden ten westen van de planlocatie maken onderdeel uit van de nieuwe wijk Engelse Tuin. De grens van het stedelijk gebied wordt daardoor verplaats.

De openheid van het gebied wijzigt hierdoor niet omdat het plangebied in de huidige situatie volledig is begroeid en in de nieuwe situatie ook volledig omzoomd blijft met de bestaande begroeiing. Hierdoor is er geen sprake van aantasting van het landschap en is compensatie niet nodig. Omdat het aan de rand van het dorp wordt geplaatst is een stevige groene inpassing gewenst. Hier zijn de richtpunten vanuit stads- en dorpsranden van toepassing. De locatie kan passend gemaakt worden als een groene dorpsrand als een geleidelijke overgang van bebouwd gebied en landschap. Zoals hiervoor aangegeven blijft bestaande beplanting als groene omzoming rondom het plan behouden. De bouwhoogte blijft beperkt tot 3 bouwlagen. Hoger is ongewenst in verband met de groene inpassing en vanwege de bestaande hoogtes van bebouwing binnen de kern. Om verdere invulling te geven aan de groene aanpassing worden de parkeerplaatsen halfverhard uitgevoerd. De ontwikkeling vindt plaats op gronden die zijn aangewezen als bollenteeltgebied. Voor de gronden ter plaatse van het beoogd project is in 2001 een vergunning afgegeven op basis van artikel 19, lid 1 W.R.O. voor de aanleg van een permanent depot voor (niet-verontreinigd) baggerslib.

Dit project is gelijktijdig met het project van de aanleg van het aangrenzend vrachtwagenparkeerterrein in procedure gebracht en voor beide projecten hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland in juni 2001 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Hiermee hebben de gronden in 2001 een andere functie gekregen en zijn de gronden onttrokken aan het areaal bollenteeltgrond. Inmiddels is het baggerdepot niet meer in gebruik en worden de gronden in gebruik genomen door het plan voor 40 tijdelijke woningen. Op basis van artikel 7.58, lid 1 van de Zuid Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn primair bollenteeltbedrijven toegestaan, waarbij volgens het betreffende artikel onder lid 7 afgeweken kan worden van dit eerste lid voor beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie, mits aangetoond is dat

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

15 - 397

geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. Omdat de gronden al sinds 2001 legaal voor andere doeleinden worden gebruikt, is er geen sprake van onevenredige aantasting van de omvang en bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. Om die reden kan met toepassing van de balansregeling van artikel 7.86 van de ZHOV afgeweken worden van de provinciale verordening voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor dit project. Op basis van artikel 7.58 (bollenteeltgebied) lid 10 van de Zuid Hollandse Omgevingsverordening voorziet een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt binnen het gebied, in compensatie van bollenteeltgebied, door een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek (de GOM). Omdat de gronden van een ander gebruik dan bollenteelt al voor de totstandkoming van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport in 2009 aan de bollenteeltfunctie zijn onttrokken, heeft afstemming met de GOM plaatsgevonden dat geen bollengrondcompensatie nodig is.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie 2030 Gemeente Teylingen Op 25 juni 2015 is de structuurvisie 'Duurzaam bloeiend' door de gemeenteraad van Teylingen vastgesteld. Het doel van de structuurvisie is een samenhangend ontwikkelingskader bieden voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op hoofdlijnen tot 2030. In de structuurvisie staan vier leidende principes centraal; Duurzame ontwikkeling; Versterken ruimtelijke kwaliteit van de drie kernen en het buitengebied; Verbeteren vitaliteit in de drie kernen en het buitengebied; Inzetten voor een vitale Greenport Duin- en Bollenstreek; Ten aanzien van de ruimtelijke opgave "Wonen" is het doel om op lange termijn een duurzame en aantrekkelijke woonomgeving in complete vitale kernen te bereiken. De kernen krijgen een eigen identiteit, met voldoende geschikte woningen om te voorzien in de eigen behoefte en met de ruimtelijke mogelijkheid om een beperkte opvangfunctie te vervullen voor de regio. Het is noodzakelijk het programma, de locaties, het tempo en de kwaliteiten goed af te stemmen met de regio en de provincie. Planspecifiek Voorliggend plan wordt duurzaam ontwikkeld zoals is beschreven in de paragraaf 5.11 Duurzaamheid. De ruimtelijke structuur wordt niet aangetast omdat de nieuwe woningen op het bestaande bedrijfsperceel (baggerspeciedepot) gerealiseerd worden binnen het bestaande slotenpatroon.

Er vindt derhalve geen aanpassing van de aanwezige landschappelijke structuur plaats. Door het toevoegen van de appartementen draagt het plan, zij het op bescheiden wijze, bij aan de instandhouding van de aanwezige voorzieningen in de kern en daarmee de vitaliteit van het gebied. De beoogde ontwikkeling in voorliggend plan sluit dan ook aan op de Structuurvisie 2030.

3.3.2 Woonprogramma 2020-2024: Naar een evenwichtiger woningmarkt Op 24 september 2020 is het woonprogramma van de gemeente Teylingen vastgesteld door de gemeenteraad voor de periode 2020-2024. Het woonprogramma bestaat uit de volgende ambities: In de gemeente Teylingen wil de gemeente een evenwichtiger bevolkingsopbouw, waarbij ook starters, jongeren, jonge gezinnen, en mensen met een laag of middeninkomen hun plek hebben. Dat is belangrijk voor onze samenleving en voor onze lokale economie. De kernen en woningen zijn klaar voor de toekomst. Ze zijn energiezuinig en klimaatbestendig. Mensen kunnen in alle kernen lang zelfstandig thuis wonen en onderdeel zijn van de gemeenschap, ook als zij zorg nodig hebben. Om woningen duurzaam betaalbaar te realiseren (die dus niet sterk in prijs gaan stijgen), zijn andere woonconcepten nodig. Te denken valt aan kleine woningen met een smalle beukmaat, kleine startersappartementen, alternatieve koopvarianten, andere (tijdelijke) huurcontracten en tijdelijke woonvormen. Ook is toevoeging van sociale en middeldure huurwoningen nodig. De gemeente voert actief beleid om deze huur- en koopwoningen te behouden voor de en.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

16 - 397

Planspecifiek De flexwoningen die gerealiseerd gaan worden, worden gasloos en energiezuinig gerealiseerd. Voldaan wordt aan de eisen voor permanente bebouwing uit het Bouwbesluit. Dus de woningen hebben daarbij behorende isolatiewaarde van het dak, de gevels en vloer. Een warmtepomp, vloerverwarming en zonnepanelen. Het plan draagt bij aan het afnemen van de druk op de woningmarkt door het realiseren van tijdelijke woningen, als tussenoplossing totdat een reguliere sociale huurwoning beschikbaar is. Het plan draagt bij aan de behoeften op de woningmarkt naar tijdelijke woningen voor ouderen en jongeren en kwetsbaren, voor gezinnen, alleenstaanden en inwoners die dringend woonruimte nodig hebben. Het plan sluit dan ook aan op de ambities van het woonprogramma.

3.3.3 Welstandsnota In 2013 is de gemeentelijke welstandsnota door de gemeente Teylingen vastgesteld. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen, die de bestaande structuur van het gebied niet wezenlijk doorbreken. De gebiedscriteria zijn richtlijnen voor maatwerk. Ter ondersteuning van de verschillende niveaus van welstand is een aantal gebiedsbeschrijvingen gemaakt. Het plangebied maakt deel uit van het buitengebied, ter plaatse van het plangebied geldt een minimaal welstandsniveau. Bebouwing speelt in het buitengebied een ondergeschikte rol. De beoordeling van de woongebouwen is gericht op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering en traditioneel materiaal- en kleurgebruik. De bedrijfsgebouwen sober en zorgvuldig vormgeven met terughoudende kleuren. Planspecifiek De ontwikkeling wordt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de welstandscriteria. Daarnaast is in de Hoofdstuk 2 Planbeschrijving aangegeven aan welke voorwaarden de bebouwing zal voldoen. De voorliggende onderbouwing vormt geen belemmering voor een adequate toetsing aan de welstandsnota.

3.3.4 Groenbeleidsplan Het groenbeleidsplan ziet toe op het openbaar toegankelijk groen binnen de bebouwde kom. Speerpunten zijn groenwaardes, groenfuncties, hoofd- en nevenstructuren, biodiversiteit en burgerparticipatie. Planspecifiek Het groenbeleidsplan heeft geen invloed op voorliggend plan omdat het plan het eigen kadastraal perceel betreft. Groenstructuren in de omgeving liggen niet binnen het plan en worden ook niet aangetast.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

17 - 397

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

18 - 397

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

4.1 Milieu 4.1.1 Geurhinder 4.1.1.1 Wettelijk kader De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object in de Wet geurhinder en veehouderij. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken, binnen bepaalde grenzen (artikel 6 van de wet). De gemeente Teylingen heeft niet een dergelijke verordening vastgesteld. In onderstaande tabel zijn de vaste afstanden opgenomen. minimale afstand tot veehouderij [m] geurgevoelig object geurgevoelig object binnen buiten bebouwde kom bebouwde kom geurgevoelig object van andere of (voormalige) 100 50 veehouderij (art. 3 lid 2, Wgv) 50 veehouderij met een diercategorie waarvoor bij 100 ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld (art. 4 lid 1, Wgv) 25 buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van 50 een geurgevoelig object (art.

5 lid 1, Wgv) De afstanden worden gemeten tussen het meest nabijgelegen emissiepunt voor veehouderijen met een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld en de gevels van de omliggende geurgevoelige objecten. De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een veehouderij waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld ter plaatse van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet-concentratie gebied. Op basis van artikel 3 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden de in de volgende tabel weergegeven wettelijke waarden (norm) voor de geurbelasting en bijbehorende bandbreedtes voor een gemeentelijke verordening. binnen bebouwde kom Geurbelasting [ouE/m3] min norm max concentratiegebied 0,1 3 14 niet-concentratiegebied 0,1 2 8

buiten bebouwde kom min norm 3 14 8 2

max 35 20

Indien de berekende geurbelasting lager is dan de van toepassing zijnde norm, staat dit de realisatie van een nieuw geurgevoelig object niet in de weg. De gemeente Teylingen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen buiten een concentratiegebied. Voor niet-concentratiegebieden geldt als standaard norm 2 OU/m3 voor locaties binnen de bebouwde kom en 8 OU/m3 voor locaties buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 8 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

19 - 397

4.1.1.2 Onderzoek De geurhinder die feitelijk in een bepaald gebied op kan treden wordt bepaald door zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting in dat gebied. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Er zijn geen veehouderijen in de omgeving aanwezig. Op de agrarische gronden in de buurt (Agrarisch – Bollenteelt- Bollenzone 2) zijn geen veehouderijen toegestaan, dus hier hoeft geen rekening mee te worden gehouden. De gronden zijn vooral voor bollenteelt en daaraan ondergeschikte activiteiten. Er hoeft daarom geen v-stacks berekening te worden uitgevoerd voor het aspect geur. 4.1.1.3 Conclusie Aan de vaste afstanden kan ruimschoots worden voldaan. Gesteld kan worden dat ten aanzien van de bewoning van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Het aspect geur vormt geen belemmering.

4.1.2 Geluid wegverkeer 4.1.2.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer. In de Wet geluidhinder (artikel 74 lid 1) is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft. Uitgezonderd zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg. Zodra binnen deze geluidszones nieuwe geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd dan wel aanpassing van wegen moet plaatsvinden, is akoestisch onderzoek vereist op grond van de Wet geluidhinder.

Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. Bij hogere grenswaarden dan de voorkeursgrenswaarde dan wel bij eerder vastgestelde hogere grenswaarden, maar niet hoger dan de maximaal toelaatbare hogere grenswaarde, zal een nieuw ontheffingsbesluit in het kader van de toepassing van de Wet geluidhinder moeten worden genomen (De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie). Een ontheffingsbesluit kan worden genomen indien aan nadere randvoorwaarden van het gemeentelijke geluidhinderbeleid wordt voldaan. De Wet geluidhinder is echter niet het enige instrument voor het ordenen van de omgevingskwaliteit. Inmiddels leert vaste jurisprudentie dat binnen zoneloze wegen (30 km/h-wegen) en buiten geluidzones (bv. onvoldoende of niet afgeschermde rijkswegen) op grond van de Wro in het kader van goede ruimtelijke ordening geluidonderzoeken toch noodzakelijk kunnen zijn en, vooral bij al aanwezige hoge geluidsbelastingen, afwegingen moeten worden gemaakt met betrekking tot het eventueel treffen van maatregelen. 4.1.2.2 Onderzoek Er is sprake van het toevoegen van een geluidsgevoelig objecten (woningen) in de zin van de Wet geluidhinder.

Het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 1) is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Teylingerdreef. Uit de berekeningen die Peutz heeft uitgevoerd blijkt dat de voorkeursgrenswaarde plaatselijk wordt overschreden. Woningbouw op deze locatie is vanuit het oogpunt van het aspect wegverkeerslawaai mogelijk na aanvraag van een hogere waarde voor de Teylingerdreef. In het ontwerp van geplande woningen zijn reeds diverse geluidreducerende maatregelen (onder andere glazen geluidschermen aan de galerij) opgenomen teneinde te kunnen voldoen aan het

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

20 - 397

hogere waardenbeleid van de gemeente Teylingen. Zo wordt er voorzien in een geluidluwe gevel, bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 57 dB en is er een geluidluwe gezamenlijke buitenruimte in de vorm van een binnentuin. Aan de gemeente wordt verzocht een hogere grenswaarde te verlenen voor de woningen waarvoor dat relevant is. Ten aanzien van het verlenen van hogere waarden heeft de gemeente Teylingen een geluidbeleid vastgesteld. Dit geluidbeleid is opgenomen in de publicatie 'Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder, 4 maart 2013', opgesteld door de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH). Conform het hogere waardenbeleid van de gemeente Teylingen mag een hogere waarde, in principe niet meer bedragen dan 58 dB. Hieraan wordt voldaan. Daarnaast dient er bij een geluidbelasting hoger dan 53 dB voorzien te worden in een stille gevel. Ook hieraan wordt voldaan. De binnentuin, die als gezamenlijke buitenruimte fungeert, is ook grotendeels geluidluw. Het besluitgebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorlijn, de zone van een gezoneerd industrieterrein, maar wel binnen de richtafstand voor geluid afkomstig van een vrachtwagenparkeerterrein. Hierop wordt nader ingegaan bij aspect bedrijven en milieuzonering. 4.1.2.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.1.3 Bodem 4.1.3.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 4.1.3.2 Onderzoek Er is sprake van het toevoegen van een gevoelige bestemming.

Om de kwaliteit van de bodem te bepalen, is er een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

21 - 397

De bodem op de locatie bestaat tot de maximale boordiepte uit zand met lokaal een kleilaag. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op 2,51 m-mv. In de bodem zijn bodemvreemde bestanddelen aangetroffen. De bestanddelen betreffen puin en baksteen. Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de grond is daarnaast analytisch geen asbest vastgesteld. De zandige bovengrond met bijmenging van bodemvreemd materiaal (puin) is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, PAK en OCB (chloordaan). In de zintuiglijk schone bovengrond zijn voor cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK en chloordaan zeer lichte verontreinigingen vastgesteld. De herkomst van de lichte verontreinigingen in de bovengrond is naar verwachting deels te relateren aan voormalige bedrijfsactiviteiten en de bodemvreemde bijmenging In de ondergrond met bodemvreemde bijmenging van puin en baksteen is een lichte verontreiniging met minerale olie, PCB, kwik, lood, zink en PAK vastgesteld. De herkomst van de verontreiniging is niet exact bekend, maar een relatie met het puin is aannemelijk. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De verontreiniging is vermoedelijk van nature aanwezig. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

4.1.3.3 Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

4.1.4 Externe veiligheid 4.1.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige externe risico's die de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Hiertoe zijn de risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risico aanvaarding.

4.1.4.2 Onderzoek Uit de provinciale risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen: het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; het invloedsgebied van een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water; het invloedsgebied van een EV-relevante buisleiding; Volgens de risicokaart zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die gevaarlijke stoffen transporteren of opslaan. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

22 - 397

Uitsnede risicokaart 4.1.4.3 Conclusie Er zijn voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten.

In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 4.1.5.2 Onderzoek Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De directe omgeving van het

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

23 - 397

plangebied kan vanwege de ligging worden beschouwd als een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure. Categorie bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied is een aantal bedrijven aanwezig. Voor de bloembollenkwekerij aan de Engelselaan 36 geldt een richtafstand van 10m. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. De richtafstand tot de vrachtwagenparkeerplaats bedraagt 50 meter. Aan deze afstand kan niet worden voldaan. Hierom heeft Peutz akoestisch onderzoek gedaan (zie Bijlage 1 Akoestisch onderzoek).Uit de berekeningen die Peutz heeft uitgevoerd blijkt dat het optredende langetijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de vrachtwagenparkeerplaats ter plaatse van de geplande woningen kan voldoen aan de standaard geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het optredende maximale geluidniveau voldoet in de dag- en avondperiode aan de standaard geluidgrenswaarden. In de nachtperiode is sprake van een overschrijding van 4 dB van de standaard geluidgrenswaarde van 60 dB(A). Deze geluidgrenswaarde is voor de omliggende woningen reeds opgenomen in het verleende maatwerkvoorschrift. Met een standaard gevelopbouw kan met een maximaal geluidniveau op de gevel van 63 dB(A) eenvoudig voldaan worden aan de standaard geluidgrenswaarde voor het optredende maximale binnenniveau welke zou gelden bij aanpandige situatie van 45 dB(A) voor de nachtperiode.

Hiermee is een goed akoestisch binnenklimaat gewaarborgd. 4.1.5.3 Conclusie Alle bedrijven in de omgeving bevinden zich op meer dan voldoende afstand, immers aan alle richtafstanden kan ruimschoots worden voldaan. De realisatie van de nieuwe woning zal de ontwikkelingsmogelijkheden van in de omgeving van het plangebied gelegen bedrijven niet belemmeren. Omdat aan alle richtafstanden ruimschoots kan worden voldaan kan tevens gesteld worden dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.1.6 Spuitzones 4.1.6.1 Wettelijk kader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen1 . In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en (tuinen bij) woningen2 . Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In het Activiteitenbesluit zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen.

Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is mede bepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Op 1 januari 2018 zijn enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit van kracht geworden die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermings-middelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. De woningen zijn driftgevoelige objecten. Bij het beoordelen van de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermende middelen wordt gekeken naar de gezondheid van mensen en de kwaliteit van het oppervlaktewater.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

24 - 397

4.1.6.2 Onderzoek De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie. De bollenvelden liggen op ongeveer 15 meter afstand van de nieuwe woningen. De Omgevingsdienst adviseert om een aaneengesloten jaarrond bladhoudende windhaag te plaatsen en in stand te houden met een minimale hoogte van 1,5 meter. In dit geval is er in de bestaande situatie reeds sprake van een ruime groene omzoming van het plangebied. Het behoud van de windhaag wordt geborgd in de voorschriften van de omgevingsvergunning.

4.1.7 Luchtkwaliteit 4.1.7.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.

Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.1.7.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.

In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggende aanvraag wordt uitgegaan van de realisatie van 40 nieuwe woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het wijzigingsplan 'Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing' is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Deze concentraties zijn afkomstig uit de Atlas Leefomgeving -

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

25 - 397

Luchtkwaliteit.

Atlas Leefomgeving - Luchtkwaliteit De concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het plangebied betreffen respectievelijk: 14,9 µg/m3, 16,4 µg/m3 en 8,38 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt hiermee dus niet overschreden. 4.1.7.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).

4.1.8 Radar Radarverstoringsgebieden en straalpaden zijn niet over het plangebied gelegen.

(vastgesteld) Tijdelijke woningen Teylingerdreef-Ruimtelijke onderbouwing NL.IMRO.1525.teylingerdreef-0001

26 - 397

4.1.9 Duurzaamheid Ten aanzien van duurzaamheid zal voldaan moeten worden aan de wettelijke eisen van het Bouwbesluit en zal een bijdrage geleverd dient te worden aan de duurzaamheidseisen van de gemeente. De gemeente Teylingen heeft zichzelf als doel gesteld om als gemeentelijke organisatie in 2030 volledig duurzaam te zijn. Deze doelstelling kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden-)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing. Om de doelstelling is kunnen bereiken zijn veranderingen op het gebied van energiebesparing en opwek van duurzame energie noodzakelijk. Volgens de Lokale Energie Strategie betekent dit dat alle energie die binnen de gemeentegrenzen wordt verbruikt, wordt geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen. Er wordt geadviseerd om het complex nul-op-de-meter te maken. Dit betekent dat er geen energie van elders behoeft te worden gebruikt en zo de opgave van de gemeente volledig duurzaam in 2030 te worden door dit plan niet toeneemt. Bij verduurzaming wordt tevens gedacht aan natuur inclusief bouwen, vergroening van versteende oppervlaktes om de waterbergende capaciteit te vergroten, groene daken. De woningen in het plan zijn all-electric (gasloos). De woningen voldoen aan de eisen voor permanente bebouwing uit het Bouwbesluit.

Dus de woningen hebben daarbij behorende isolatiewaarde van het dak, de gevels en vloer. En een warmtepomp, vloerverwarming en zonnepanelen.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=ca176bfc-fdae-4dcf-a993-949c67388f20