3. De Waaier, Warmond_vastgesteld-01-Toelichting (1) GEWIJZIGDE VERSIE
Tekst van het document
Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en -deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator. Op 10 maart 2021 is Wet stikstofreductie en natuurverbetering vastgesteld en op 14 juni 2021 het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering vastgesteld die de wet nader uitwerkt.
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. Als gevolg van deze maatregelen gelden er nieuwe uitgangspunten voor een stikstofberekening. In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is in artikel 2.9a een uitzondering opgenomen voor de tijdelijke extra stikstofuitstoot bij bouwwerkzaamheden, de zogenaamde bouwvrijstelling. Stikstof dat vrijkomt bij de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bouwwerken en infrastructuur wordt niet meegerekend bij de informatie die ten grondslag ligt aan het verlenen van een vergunning. Op 2 november 2022 deed de Raad van State de uitspraak dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europees natuurbeschermingsrecht dat vereist dat individuele beschermde natuurgebieden geen schade oplopen, en niet op een hoger schaalniveau gekeken mag worden naar maatregelen die bovendien onzeker zijn qua uitvoering. Dit betekent dat ook bouwactiviteiten getoetst dienen te worden aan lokale stikstofgevolgen bij de vergunningsaanvraag. 4.4.4
Conclusies
Soortenbescherming Voor voorliggend plan zal er nieuwbouw gerealiseerd worden. Bij het transformeren van een
24
locatie moet verzekerd worden dat er geen beschermde gebieden en of soorten benadeeld worden als gevolg van de planontwikkeling. De planontwikkeling vindt plaats op een braakliggend terrein zonder opgaande beplanting. De woningbouw vindt niet plaats op het plandeel dat bestemd is als Bos. Omdat het een braakliggend terrein betreft en voor de planontwikkeling, geen bebouwing gesloopt wordt, watergangen gedempt of vergraven worden, geen bomen gekapt en of bosschages verwijderd worden is het aannemelijk dat geen beschermde soorten aangetast worden door het plan. Een ecologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht voor de ontwikkeling. Om toch te garanderen dat er geen beschermde gebieden en/of soorten benadeeld worden als gevolg van de planontwikkeling is een Rapportage ecologisch werkprotocol opgesteld, zie Bijlage 6. In het werkprotocol zijn diverse maatregelen voorgesteld voor vleermuizen, broedvogels en zorgplichtsoorten (die volgen uit de Wet natuurbescherming): Vleermuizen: Maatregel 1: Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. Maatregel 2: Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes.
Broedvogels Maatregel 1: afstand bewaren tot aangetroffen broedgeval van een vogel zonder jaarrond beschermd nest. Verder is het mogelijk dat door de werkzaamheden geschikte broedgelegenheden ontstaan voor witte kwikstaart en zwarte roodstaart. Deze laatstgenoemde soorten kunnen in hopen afval of bouwmateriaal tot broeden komen. Maatregel 2: voorkom vestiging van deze soorten door in de broedperiode (globaal van half maart t/m eind juli) bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het plangebied. Of dek de bouwmaterialen geheel af met een stevig zeil of doek. Naast de witte kwikstaart en zwarte roodstaart, is de oeverzwaluw ook een vogelsoort die tot broeden kan komen wanneer geschikte broedgelegenheden ontstaan tijdens werkzaamheden. Hopen zand met steile wanden zijn geschikt voor oeverzwaluw. Maatregel 3: Voorkom vestiging van oeverzwaluw door in de periode april t/m juni steilwanden te voorkomen (in de vorm van zanddepots en afgravingen). Of zorg voor geleidelijke overgangen met een minimale verhouding van 1:3 óf dek de zandhopen af met een stevig zeil. Zorgplichtsoorten Maatregel 1: Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen, egels) om verkeersslachtoffers te voorkomen.
Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. Maatregel 2: Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. Maatregel 3: Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes. Maatregel 4: Verplaats individuen die aanwezig zijn binnen het werkterrein naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen dus met in achtneming van bovenstaande maatregelen uitgevoerd te worden en ecologisch begeleid te worden door een deskundige op het gebied van flora en fauna met. Ecologisch adviesbureau Habitus is gevraagd om de ecologische begeleiding uit te voeren. Wanneer men moet/wil afwijken van de bovenstaande werkwijze dient dit eerst besproken te worden met een deskundig ecoloog, zodat er kan worden gekeken of dit in ecologisch opzicht haalbaar is en of dit in strijd is met de bepalingen uit het werkprotocol. Bij inachtneming van het ecologisch werkprotocol vormt het aspect soortbescherming geen belemmering voor voorliggend plan.
Gebiedsbescherming inclusief stikstof Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het meest nabijgelegen
25
Natura2000 gebied (Meijendel & Berkheide) ligt op ca 5,9 kilometer afstand. Het plangebied ligt evenmin in een NNN gebied. In de kern Warmond zijn meerdere gebieden aangewezen als NNN met de nadere aanduiding bestaande en nieuwe natuur. Deze gebieden liggen echter op meer dan 150 meter afstand van het plangebied. Tot slot ligt het plangebied ook niet in een vogelweidegebied, een strategische reservering natuur of een karakteristieke landschapselement. Vanuit het aspect gebiedsbescherming volgen dan ook geen beperkingen voor de beoogde planontwikkeling. Onderstaand wordt nog ingegaan op het aspect stikstof. Gebiedsbescherming - stikstof In voorliggend plan wordt een wooncomplex met een maximum van 17 appartementen gerealiseerd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Hiervoor is een onderzoek uitgevoerd op 8 augustus 2025, zie Bijlage 7. De conclusie van het onderzoek luidt: De berekeningen zijn uitgevoerd met de AERIUS Calculator 2024.2.1. Uit de berekeningen blijkt dat de bouwgerelateerde activiteiten en het gebruik van het bouwplan De Waaier niet leidt tot van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000gebieden.
Om die reden wordt geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Een vergunning hieromtrent is dan ook niet benodigd. Op basis van bovenstaande resultaten vormt het aspect Stikstofdepositie geen belemmering voor voorliggend plan. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect Natuurbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
Het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Erfgoedwet, vastgesteld in 2016, regelt op welke wijze omgegaan dient te worden met archeologisch erfgoed in Nederland. In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de toenmalige Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze Wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Deze wetten zijn vervangen door de Erfgoedwet, echter overgangsrecht in de Erfgoedwet regelt dat bepaalde bepalingen uit de Monumentenwet (die dus niet in de Erfgoedwet staan) nog van kracht zijn tot de Omgevingswet van kracht is. Planspecifiek Monumentale bouwwerken en beschermd zicht In voorliggend plan maakt een deel van het perceel uit van beschermd dorpsgezicht. In het beeldkwaliteitsplan is beschreven hoe de historische karakteristiek wordt meegenomen in voorgenomen planontwikkeling.
Het noordelijke deel van het plangebied wordt ingericht als kerketuin, aansluitend op het omringende landschap van het Groot Seminarie. Het zuidelijke deel sluit aan op de naastgelegen woonwijk en speelt in op de woonbehoefte. Daarnaast wordt het Leerpad doorgetrokken en daarmee wordt een historische scheiding tussen de delen teruggebracht. Voor de toetsing van het aspect archeologie is de beleidsnota 'Onder de grond 2015' gehanteerd. Hierin staan kaarten die de archeologische verwachtingen weergeven.
26
Voorliggend plan ligt in het gebied categorie 5, zone met hoge verwachtingen. Hier geld dat archeologisch onderzoek nodig is als bodemverstorende activiteiten dieper reiken dan 30 cm onder maaiveld en een oppervlakte heeft van meer dan 250 m2. Voorliggend plan heeft een oppervlakte groter dan 250 m2, er is daarom een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8. De bevindingen van het rapport zijn als volgt: Uit het bureau- en booronderzoek kan worden geconcludeerd dat er in het hele plangebied, direct onder een modern eerddek (vanaf -0,4 m NAP), resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen worden verwacht. Daarnaast kunnen er mogelijk resten uit het Neolithicum aanwezig zijn, onder een overstuivingspakket, beneden -2 m NAP. Dit niveau is in twee van de vier boringen waargenomen. Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging een dubbelbestemming 'waarde - archeologie' op het plangebied te leggen, met een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm -mv. Dit betekent dat voorafgaand aan toekomstige vergunningsplichtige werkzaamheden eerst verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd in de vorm van een karterend/waarderend inventariserend veldonderzoek, dat tot doel heeft vindplaatsen op te sporen, te begrenzen en te waarderen.
Ten aanzien van het niveau direct onder het eerddek, waar vooral grondsporen worden verwacht, wordt geadviseerd om dit onderzoek uit te voeren door middel van een proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Ten aanzien van de verwachting voor de overstoven strandvlakte wordt geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren om het verloop van de top van de strandwal beter in kaart te brengen en eventueel aanwezige archeologische resten op te sporen. Het rapport adviseert dat het archeologische aspect verder onderzocht moeten worden indien het projectgebied groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm gaat. Aangezien de werkzaamheden een groter gebied dan 250 m2 betreft zal er een inventariserend veldonderzoek moeten worden uitgevoerd. Het is aan het bevoegde gezag om te beoordelen of de bevindingen van het rapport overgenomen worden en verder onderzoek noodzakelijk is. De Omgevingsdienst adviseert om het vervolgonderzoek in de vorm van een sleuvenonderzoek met voor het diepere niveau profielputten uit te voeren. Er zal een Programma van Eisen moeten worden opgesteld. In voorliggend bestemmingsplan is de dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen.
27
Deze dubbelbestemming schrijft voor dat verkennend en eventueel vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden alvorens een omgevingsvergunning voor de beoogde ontwikkeling verstrekt mag worden. Op deze manier is geborgd dat eventueel aanwezig archeologische waarden afdoende beschermd worden. Het archeologisch inventariserend onderzoek zal uitgevoerd worden. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen de resultaten van dit onderzoek en de eventueel noodzakelijke vervolgacties overlegd worden aan het bevoegd gezag. Cultuurhistorisch landschap Het dorp Warmond is cultuurhistorisch waardevol door het beschermde dorpsgezicht. De bouwstijlen van gebouwen in Warmond, waaronder ook de verhouding massa en ruimte, functie, bouwtijd, materiaalgebruik, detaillering en/of situering dragen aan die beleving bij. Het beschermde dorpsgezicht van Warmond wordt gevormd door de 17 e- tot 20 e-eeuwse bebouwing langs en nabij een twee-assen stelsel van wegen. Deze wegen zijn gericht op het zuidwest tot het noordoosten en vice versa. Hierbij is ook een parallelle lopende waterloop bepalend, waarvan de ontwikkeling sterk samenhangt met het strandwallen en strandvlaktenlandschap. Hoog opgaande beplanting is kenmerkend voor dit landschap dat wordt afgewisseld in ruime en open veenweidegebieden. Het planvoornemen maakt maximaal 17 appartementen mogelijk.
Een deel van het plangebied zal worden ontwikkeld als kerketuin die aansluit op de naastgelegen moes- en kerketuin van de Sint Matthiaskerk. De planlocatie ligt in het beschermde dorpsgezicht van Warmond, maar niet aan het twee-assen stelsel dat kenmerkend is voor de plaats. Ook ligt de planlocatie niet in een gebied waar veel gebouwen uit de 17 e, 18 e en 19 e eeuw zijn geconcentreerd, zoals het centrum. Door de aansluiting tussen de nieuwe en bestaande moes- en kerketuin wordt de landschappelijke en karakteristieke cultuurhistorie van beide functies met elkaar verbonden en geborgd. Tot slot komt in de omgeving van het plangebied een bouwhoogte van 10 meter veelvuldig voor, waardoor de bouwhoogte van de ontwikkeling in lijn is met het dorpse karakter van Warmond. Het aspect 'Erfgoed' vormt daarom geen belemmering voor voorliggend plan.
4.6
Bodemkwaliteit
Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Het oorspronkelijke bodemonderzoek voldeed niet meer aan de actuele eisen en is daarom geactualiseerd volgens de standaarden van de Omgevingswet. Hoewel het plan-initiatief onder het oude recht in procedure is gebracht, vormt het hanteren van de nieuwe normen geen bezwaar. De actualisatie zorgt voor een robuustere onderbouwing en voorkomt discussie in het vervolgtraject. Planspecifiek Voorliggend plan betreft de herontwikkeling van een perceel waar voorheen een school stond tot Tuin en Woonbestemming. In verband met de nieuwe woonbestemming is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Sweco, zie Bijlage 9. De conclusie van het onderzoek luidt: Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie, alsmede bodembedreigende milieubelastende activiteit (graven).
Op de onderzoekslocatie zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van potentiële bronnen van bodembelasting, in het heden of verleden. De locatie is niet asbestverdacht en wordt niet beïnvloed door de omgeving of geohydrologie. Er zijn geen aanvullende eisen waaraan de bodemkwaliteit dient de voldoen vanuit het omgevingsplan van de gemeente, waterschap of provincie, anders dan de landelijk gestelde eisen uit de Omgevingswet. Op basis van het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. PFAS komt diffuus in Nederland voor, maar dit betekent echter niet, dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke
28
gehalten aan PFAS voorkomen. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem concludeert Sweco, dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de onderzoekslocatie is. Van atmosferische depositie is bekend, dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water kan leiden. Verkennend bodemonderzoek Deelocatie A: gehele plangebied Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof, zwak grindig zand. De bovengrond is bovendien plaatselijk zwak humeus. De bovengrond is plaatselijk zwak baksteenhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak betonhoudend, zwak plastichoudend, zwak metaalhoudend en/of matig puingranulaathoudend. Naar aanleiding van het (zeer) plaatselijk aanwezige puingranulaatlaagje is besloten om asbestonderzoek ter plaatse uit te voeren. Tijdens het graven van het asbestinspectiegat bleek er eerder sprake te zijn van bijmengingen met baksteen en beton, dan dat er sprake is van een puin(granulaat)laag. Tijdens de werkzaamheden zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
In de bovengrond zijn de parameters kwik, lood, PCB en som PFOS in een verhoogd gehalte aangetroffen. Daarmee valt de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de bovengrond op de onderzoekslocatie variërend tussen de kwaliteitsklasse landbouw/natuur en wonen. In de ondergrond zijn de parameters cadmium, kwik, lood, zink en PCB in een verhoogd gehalte aangetroffen. Daarmee valt de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de ondergrond op de onderzoekslocatie variërend tussen de kwaliteitsklasse landbouw/natuur en wonen. In het grondwater zijn geen parameters in een concentratie boven de signaleringswaarde aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie als “heterogeen verdacht” dient te worden beschouwd, wordt aanvaard. Verkennend onderzoek asbest in bodem Deellocatie B: Pad noordwest Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HE). Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. In de bodem zijn zintuiglijk geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Conclusie en advies Gelet op de aard en mate van de aangetroffen zintuigelijke verontreinigingen en de analytisch aangetoonde verontreinigingen bestaat er geen reden voor nader (asbest)onderzoek. Conform het omgevingsplan van de gemeente Teylingen geldt de Interventiewaarde bodemkwaliteit (en een omvang van > 25 m3 ) als toetsingswaarde om vast te stellen of sprake is van een toelaatbare bodemkwaliteit voor het oprichten van bodemgevoelige bouwwerken op een bodemgevoelige locatie. Deze eis wordt niet overschreden. Er zijn derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw.
Gezien bovenstaande conclusie vormt aspect Bodem vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
29
4.7
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Advieswaard e (WHO)
Stikstofdioxide (NO 2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg / m³
10 µg / m³
Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)
200 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
40 µg / m³
24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden)
50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg / m³
Fijnstof (PM10)
Fijnstof (PM2,5)
15 µg / m³
5 µg / m³
Tabel 1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd.
30
Figu ur 10. Luchtkwaliteit. Van boven naar beneden: concentratie stikstof, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5 in 2020. Voor 2030 gelden dezelfde waarden. (Bron: NSL Monitoringstool) De concentraties blijven op basis van de NSL monitoringstool onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 15 microgram per kuub, en 5 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Deze is uitgevoerd door Econsultancy (zie Bijlage 7). In paragraaf 4.4.3 staat een uitgebreide onderbouwing over stikstofdepositie. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan.
4.8
Externe Veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
31
vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde.
Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB)
32
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Samen vormen deze besluiten een uitwerking van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. Het LIB legt het beperkingengebied en het luchthavengebied vast. Indien het plangebied gelegen is binnen het beperkingengebied gelden beperkingen met het oog op veiligheid en geluid. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten in overeenstemming zijn met het LIB. Het gaat hierbij om afwegingen die moeten worden gemaakt met betrekking tot externe veiligheid, hoogtebeperkingen, beperkingen bij het toelaten van functies (bestemmingen), het voorkomen van geluidhinder en het voorkomen van het aantrekken van vogels. Planspecifiek Het plan betreft de ontwikkeling van maximaal 17 wooneenheden in bestaand woongebied. Om te bepalen wat de risico's zijn ten aanzien van voorliggend plangebied is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd, zie Bijlage 10. De conclusie van het onderzoek luidt: Doel van het onderzoek is het identificeren van mogelijk relevante risicovolle activiteiten in de omgeving en de effecten van deze activiteiten op het plan. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden mogelijke calamiteitenscenario's beschreven.
Het plan is gelegen op ruime afstand van risicobronnen. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Naast de genoemde risicobronnen in de quickscan ligt het plangebied in een LIB-5 gebied. In de nabijheid van Schiphol bestaat een verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond. De planologische contour van het afwegingsgebied wordt benut om de gemeenten te duiden waarvoor de verplichting geldt om expliciet beleidsmatige aandacht te hebben voor het risico op een vliegtuig ongeval. De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) is wettelijk verplicht eenmaal in de vier jaar een risicoprofiel vast te stellen. De VRHM heeft voor vliegtuigongevallen afspraken gemaakt met de Veiligheidsregio Kennemerland (VRK) waar Schiphol onder valt. De gevolgen van een vliegtuigongeval kunnen binnen het beschikbare potentieel van de VRHM samen met de VRK worden opgevangen. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied leidt tot een toevoeging van maximaal 17 extra woningen. Gezien de kleinschalige omvang van het project is geen sprake van een significante toename in persoonsdichtheid. Een nadere beschouwing en/of verantwoording wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Gezien bovenstaande conclusies zijn van uit het aspect Externe veiligheid geen aanvullende randvoorwaarden van toepassing op het plan.
Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
4.9
Waterbeheer
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
33
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakteen grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Het NWP (maart 2022) bevat de belangrijkste punten van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren. Onderdelen hiervan zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen over klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren.
Vanwege Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo werken we al in de geest van de Omgevingswet. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstroming risicobeheersplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma-invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Waterschapbeleid Rijnland Het plangebied valt onder beheer van het Waterschap Rijnland. Het Waterschap heeft het beleid vastgelegd in Waterbeheerprogramma 6: 'Water wijst de weg', dat op 8 februari 2022 door het algemeen bestuur is vastgelegd. In het document worden 6 hoofddoelen onderscheiden: 1. Waterveiligheid: We beschermen ons beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem; 2. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur; 3. Schoon water: Wij zorgen voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterken de biodiversiteit; 4. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven.
Hiermee dragen we bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving; 5. Rijnland duurzaam: Rijnland zet samen met de omgeving in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten; 6. Rijnland klimaatadapatief: Het klimaat verandert. Daarom maken we 'Rijnland klimaatadaptief' door de inrichting van onze omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dat bereiken we door duidelijke regels te stellen, constructief samen te werken, advies te geven en actief betrokken te zijn bij nationale, regionale en lokale ontwikkelingen. Het versterken van het waterbewustzijn van onze inwoners en bedrijven maakt daarvan een belangrijk onderdeel uit. Het Waterschap is verantwoordelijk voor en werkt aan een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar 'Rijnland'. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Naast het beheerplan beschikt het Waterschap over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen.
Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Deze watervergunning wordt vervolgens door het waterschap verleend of geweigerd. Ook is het mogelijk dat nadere eisen worden gesteld aan de vergunningverlening. Planspecifiek Bestaand watersysteem
34
Het planperceel is niet gelegen in of nabij een waterkering. Het plan heeft geen gevolgen voor het onderhoud van watergangen en/of waterkeringen.
Figuur 11. Legger oppervlaktewater en waterkeringen. Plangebied globaal aangeduid met rood kader. (Bron: Waterschap Rijnland) Riolering In voorliggend plan betreft het enkel huishoudelijk afvalwater. Het systeem voor huishoudelijk afvalwater zal worden aangesloten op het (bestaande) vuilwaterriool van het plangebied. Afwatering Er ligt een gemengd stelsel onder het plangebied, het is dus niet mogelijk om het hemelwater af te koppelen van het riool ter plaatse van de Waaier. De afvoer van hemelwater geschied via het afkoppelen van de dakgoten. Ook wordt het hemelwater via het maaiveld geïnfiltreerd in de bodem. Op deze manier wordt het rioolsysteem ontlast en het grondwater gevoed, zodat deze minder vatbaar is voor langdurige droge perioden. Verder zullen er in voorliggend plan zo weinig mogelijk uitloogbare materialen worden toegepast die door regenwater kunnen worden uitgespoeld. In de voorgaande situatie was er alreeds verharding aanwezig vanwege het schoolgebouw en het schoolplein. Ter plaatse van het schoolgebouw/schoolplein zal in de beoogde situatie ongeveer de helft veranderen naar tuin en op de andere helft zal het wooncomplex gerealiseerd worden. Aan het overige deel van het plangebied zal weinig veranderen qua verharding. Daarnaast zullen de parkeerplaatsen worden aangelegd met halfverharding. Kortom, de verharding neemt in de nieuwe situatie af.
Extra watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk. Watertoets De watertoets is doorlopen bij Waterschap Rijnland. Hieruit volgde dat de korte procedure moet worden doorlopen (zie Bijlage 11). Klimaatadaptatie Het waterschap is een groot voorstander van klimaatadaptief bouwen. Voorliggend plan biedt de kans om de woningen klimaatbestendig te ontwikkelen. Het watersysteem kan ontlast worden door het hemelwater eerst vast te houden op eigen terrein. Het hemelwater (en ook grijs water) kan tevens prima worden hergebruikt, bijvoorbeeld bij het doorspoelen van het toilet. Voor het toepassen van klimaat adaptieve maatregelen kan het Waterschap geraadpleegd worden voor vragen en/of advies. Conclusie Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan. Als onderdeel van de werkzaamheden voor het bestemmingsplan wordt het plan ter beoordeling toegezonden aan het waterschap.
35
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Verkeersgeneratie Teylingen is een Matig Stedelijk Gebied en de planlocatie ligt in de Rest bebouwde kom. De verkeersgeneratie betreft tussen de 4,5 en 5,3 ritten per woning volgens CROW. Er wordt uitgegaan van een worst case scenario, dus 5,3 x 17 = 91 ritten per dag voor het hele wooncomplex. Een verkeersonderzoek van BuroDB geeft aan dat de verkeersgeneratie van de voormalig basisschool op de planlocatie circa 200 autoritten per etmaal was (zie Bijlage 12). Gezien het feit dat de omliggende verkeersstructuur ingericht is om de verkeersgeneratie van deze basisschool op te vangen, wordt de verkeersstructuur in staat geacht op de verkeersgeneratie van het wooncomplex te kunnen verwerken. Provinciaal parkeerbeleid Volgens de provinciale verordening Zuid-Holland mag een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen een maximale parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning (inclusief bezoekers) hanteren. De reden dat de provincie dit wil reguleren is dat parkeernormen voor sociale huur in veel gevallen te hoog zijn vergeleken bij het werkelijk autobezit van de huurders.
Een hoge parkeernorm voor sociale huur belemmert de haalbaarheid en betaalbaarheid van de sociale woningbouwprojecten. Gemeentelijk parkeerbeleid Er kan afgeweken worden van het provinciaal beleid, voor het hanteren van hogere parkeernorm wanneer de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld en dit beleid een hogere norm rechtvaardigt. Volgens de Nota Parkeernormen is de locatie de Waaier gesitueerd in het gebied 'overig', Op basis van het woonprogramma en de grootte van de appartementen (2x middenhuur tussen 75m2 en 100 m2 bvo, 4x sociale huur groter dan 75 m2 bvo en 11 sociale huur van max. 75 bvo is de bruto parkeerbehoefte voor bewoners 13,7 parkeerplaatsen en voor bezoekers 3,4 parkeerplaats.
Het parkeerbeleid gaat uit van de mogelijkheid van dubbel parkeergebruik voor bewoners en bezoekers op basis van de in het parkeerbeleid vermelde aanwezigheidspercentage per dagdeel. Hieruit volgt een parkeerbehoefte van (afgerond) 16 parkeerplaatsen voor de beoogde 17 appartementen
Met de ontwikkeling verdwijnen de parkeerplaatsen aan het Peerke Donderspad. Om die reden worden voor de nieuwbouwontwikkeling totaal 22 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. 16 parkeerplaatsen worden aangelegd tussen het appartementencomplex en de woningen aan het Leerpad. De overige parkeerplaatsen worden aangelegd aan de andere kant, op het half verharde terrein tussen de parkeerplaatsen van de sporthal de Geest en het appartementencomplex. Dit half verharde terrein wordt sinds een paar jaar gebruikt als parkeergelegenheid door bezoekers van de sporthal en omwonenden, op momenten dat de sporthal optimaal wordt gebruikt. Dit half verharde terrein behoorde echter eerder tot het terrein van de voormalige school en werd toen niet als parkeergelegenheid gebruikt. Om aan de wensen van omwonenden tegemoet te komen wordt op het halfverharde terrein ook nog een aantal extra parkeerplaatsen aangelegd.
36
Figuur 12 indicatief ontwerp van parkeren Het aspect Verkeer en Parkeren vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
37
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Plansystematiek
Het bestemmingsplan 'De Waaier, Warmond' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van woningen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het 'Teylingen regels handboek versie 2.8' van gemeente Teylingen en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Het 'Teylingen regels handboek versie 2.8' bevat de meest recente versie van de gemeentelijke standaard regels. Daarom is hierop aangesloten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplan-vormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
5.2
Opzet van de regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).
De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: de anti-dubbeltelbepaling; algemene bouwregels; algemene aanduidingsregels; algemene afwijkingsregels; algemene wijzigingsregels; overige regels. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
38
5.3
De bestemmingen
In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Bos De gronden met de bestemming 'Bos' zijn bestemd om de nieuw beoogde boomgaard/kerketuin planologisch mogelijk te maken. De regels voor Bos zijn gebaseerd op de regels van 'Teylingen regels handboek versie 2.8'. Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied In het bestemmingsplan is de openbare ruimte bestaande uit wegen, parkeervoorzieningen en ondergeschikte groenstructuren bestemt als Verkeer - Verblijfsgebied. De regels zijn overeenkomstig de regels van 'Teylingen regels handboek versie 2.8' Artikel 5 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor Wonen zijn gebaseerd op de regels van 'Teylingen regels handboek versie 2.8'. De planregels zijn enkel aangepast daar waart niet relevante regels niet overgenomen zijn. Artikel 6 Waarde - Beschermd Dorpsgezicht Met deze (dubbel)bestemming worden de cultuurhistorische kenmerken van het beschermd dorpsgezicht Warmond beschermd. De regels voor Waarde - Beschermd dorpsgezicht zijn gebaseerd op de regels van 'Bestemmingsplan Kom Warmond 2009'. Artikel 7 Waarde - Archeologie Met deze (dubbel)bestemming worden de archeologische waarden van de ondergrond ter plaatse beschermd.
De regels voor Waarde - Archeologie zijn gebaseerd op de regels van 'Bestemmingsplan Kom Warmond 2009'.
39
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer de bouw van één of meer woningen. Er is geen exploitatieplan nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Omdat de gemeente Teylingen de locatie de Waaier in eigendom heeft, worden de kosten grotendeels gedekt vanuit de uitgifte van de bouwrijpe grond aan woonstichting Stek. Omdat de opbrengst uit de verkoop van bouwrijpe grond de verwachte kosten niet dekt, heeft de gemeenteraad van Teylingen een krediet beschikbaar gesteld voor het dekken van het tekort. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling gewaarborgd en is het niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie In oktober 2021 is een inloopavond gehouden over de visie en het beeldkwaliteitsplan. Daarna zijn ook nog gesprekken geweest met verschillende omwonenden over de planvorming. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is aan de wettelijk vooroverlegpartners gestuurd voor zover het de belangen van deze partijen raakten. Ook is op grond van de Inspraakverordening gelegenheid geboden tot inspraak op het plan. Er is een informatieavond gehouden en het voorontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen voor inspraak. Tijdens de inspraakperiode zijn acht inspraakreacties ontvangen. In de Nota inspraak- en vooroverleg, dat als separate bijlage (Bijlage 14) bij de besluitvorming op het bestemmingsplan is toegevoegd, zijn de reacties samengevat en is aangegeven of en hoe dit tot aanpassing van het bestemmingsplan heeft geleid.
6.2.1
Ontwerp
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 21 december 2023 tot en met woensdag 31 januari 2024 ter inzage gelegen waarbij een ieder in de gelegenheid was om een zienswijze in te dienen. Ook is er op 10 januari 2024 een inloopbijeenkomst georganiseerd over het ontwerpbestemmingsplan. Er is 1 zienswijze ontvangen. Verder is er een aantal ambsthalve wijzigingen doorgevoerd tijdens ontwerp en vaststelling. In de Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen, dat als separate bijlage (Bijlage 15) bij de besluitvorming op het bestemmingsplan is toegevoegd, zijn de reacties samengevat en is aangegeven of en hoe dit tot een aanpassing van het bestemmingsplan heeft geleid.
40