CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. De Waaier, Warmond_vastgesteld-01-Toelichting (1) GEWIJZIGDE VERSIE

Gemeenteraad 13 november 2025, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan "De Waaier, Warmond" en beschikbaar stellen krediet [HAMERSTUK TENZIJ - WORDT EEN BESPREEKSTUK]16.064 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

De Waaier, Warmond

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Leeswijzer

3 3 3

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Integrale visie & beeldkwaliteit 2.3 Beschrijving plan

4 4 5 7

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

9 9 10 13

Hoofdstuk 4 Milieutechnische uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage (M.E.R.) 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Geluidhinder 4.4 Natuurbescherming 4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.6 Bodemkwaliteit 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Externe Veiligheid 4.9 Waterbeheer 4.10 Verkeer en parkeren

15 15 21 21 22 26 28 30 31 33 36

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Plansystematiek 5.2 Opzet van de regels 5.3 De bestemmingen

38 38 38 39

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

40 40 40

2

Toelichting

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doelstelling

Het plangebied betreft de voormalige locatie van de school De Waaier aan het Leerpad 9 te Warmond. De beoogde ontwikkeling voor deze plek is woningbouw. Het gaat om de bouw van een appartementencomplex van maximaal 17 woningen. Daarnaast zal een deel van het plangebied ontwikkeld worden als ‘kerketuin’ aansluitend bij naastliggende moestuin en kerketuin van de Sint Matthias kerk. Met dit nieuwe bestemmingsplan wordt de ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor de daarna aan te vragen reguliere omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de benodigde goede ruimtelijke onderbouwing en het toetsingskader in de vorm van de regels en verbeelding voor het plan.

1.2

Leeswijzer

Onderhavig bestemmingsplan bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht. Na de toelichting volgen de regels inclusief de bijlagen en de verbeelding van het bestemmingsplan.

3

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt aan Leerpad 9 te Warmond. Warmond is een dorp gelegen ten noorden van Leiden, tussen Sassenheim en Oegstgeest. Per 1 januari 2006 is de gemeente met Sassenheim en Voorhout opgegaan in de gemeente Teylingen. Ten oosten van het plangebied staat de Sint Matthias kerk. Het noordelijke deel van het plangebied grenst aan het terrein van het Groot Seminarie en het zuidelijke deel sluit aan op de naastgelegen woonwijk. Ten noordwesten van het plangebied ligt een sporthal.

Figuur 1. Plangebied in omgeving. Plangebied globaal aangeduid met rode cirkel. (Bron: Google Earth)

4

Figuur 2. Plangebied in nabije omgeving. Plangebied globaal aangeduid met rood kader. (Bron: Google Earth)

2.2

Integrale visie & beeldkwaliteit

Integrale visie Om een afgewogen keuze te kunnen maken voor de herontwikkeling van de locatie De Waaier is er integraal naar de locatie gekeken. Dit heeft geleid tot de Integrale Visie De Waaier Warmond waarin verschillende kansen worden geformuleerd ten aanzien van de herontwikkeling van de locatie De Waaier (zie Bijlage 1). Hierbij is woningbouw als uitgangspunt gekozen. Er zijn weinig locaties in Warmond beschikbaar, waardoor verschillende functies zorgvuldig tegen elkaar afgewogen dienen te worden. Het perceel de Waaier gelegen binnen het Beschermd Dorpsgezicht. Het is daarom de bedoeling dat historische structuren intact blijven, waarbij nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen het historisch gegroeide karakter. Uit de integrale visie komt naar voren dat het perceel gelegen is op de grens van twee totaal verschillende gebieden met ieder een compleet eigen karakter en functie. Het noordelijke deel van het plangebied valt binnen de sfeer van de kerketuin. Het besloten karakter van deze parkaanleg in landschapsstijl zal in het noordelijk deel van het plangebied gewaarborgd moeten worden. Het zuidelijke deel van het plangebied valt binnen de sfeer van woonwijk. Hier is er ruimte voor een wat dorpsere inrichting, aansluitend bij de bestaande woonwijk.

5

Figuur 4. Schets integrale visie (bron: Wissing)

Door de cultuurhistorische tweedeling van het plangebied dienen er twee duidelijk onderscheidene woonmilieus te worden gecreëerd. Bij een herontwikkeling wordt tevens de kans geboden om de historische landschappelijke structuur in het gebied te herstellen. De integrale visie biedt een verdere input voor het kader en de randvoorwaarden van het Beeldkwaliteitsplan De Waaier Warmond 2021. Beeldkwaliteitsplan In het beeldkwaliteitsplan zijn de verschillende aspecten van de beeldkwaliteit uitgewerkt, zie Bijlage 2. Het plan biedt niet zozeer details maar wel de kaders waarbinnen de ontwikkeling kan plaatsvinden. Een belangrijk punt is dat er aangesloten wordt op de cultuurhistorische achtergrond van het perceel en de omgeving. Het perceel de Waaier ligt binnen beschermd dorpsgezicht. Door het terugbrengen van het Leerpad wordt een historische scheiding tussen het noordelijke deel (kerketuin) en zuidelijke deel (woonwijk) weer hersteld. Stedenbouwkundig perspectief De beoogde ontwikkeling betreft woningbouw, waarbij als uitgangspunt een tweedeling van

6

het gebied is genomen. De kerketuin van het plangebied wordt aangesloten op de landschappelijke inrichting van de kerketuin en moestuin van het Groot Seminarie. Daarnaast wordt door het plangebied de recreatieve routes vanuit de Kerketuin verbonden met de structuur van de woonwijk, zodat een rondwandeling mogelijk wordt. Voor de beplanting wordt gedacht aan een boomgaard, pluktuin of moestuin. Het woongedeelte van het plangebied sluit aan op de stedenbouwkundige kenmerken van de woonwijk. Aan de oostkant wordt voldoende afstand gehouden tot de bestaande woningen door een parkeergedeelte. De overgang van privaat naar openbaar wordt zorgvuldig vormgegeven. Het woongebouw heeft een rustige gevelindeling, met daarnaast grote raampartijen om het gebouw een eigentijdse uitstraling te geven. Het materiaalgebruik bestaat in de basis uit licht gekleurde baksteen, met eventueel accenten die bestaan uit natuurlijke materialen. Zonnepanelen worden uit het zicht geplaatst op het platte dak.

2.3

Beschrijving plan

In de huidige situatie is het schoolgebouw De Waaier reeds gesloopt. De nieuwe ontwikkeling bestaat uit een complex van maximaal 17 woningen. Een deel van het plangebied wordt openbare ruimte, aansluitend op de kerketuin van het Groot Seminarie die er omheen ligt. Het Leerpad wordt doorgetrokken, zodat er een scheiding ontstaat tussen het noordelijke en het zuidelijke gedeelte. In het zuidelijke gedeelte van het plangebied wordt het wooncomplex gerealiseerd. Het appartementengebouw bestaat uit maximaal 17 appartementen verdeeld over 3 woonlagen met een interne berging op de begane grond. De appartementen op de verdiepingen hebben een balkon die op het zuidwesten en de pastorietuin zijn gericht. De entree van het appartementengebouw komt aan de zuidwestelijke kant van het gebouw. Er worden verder er worden extra parkeerplaatsen aangelegd. Fietsparkeren wordt in de bebouwing opgelost.

Figuur 5. Overzicht planontwikkeling In de navolgende afbeelding is het ontwikkelingsplan van het Groot Seminarie weergegeven, waarbij de buitenplaats werd ontwikkeld met verschillende woningen. Hierin is te zien hoe het voorliggende plan zich verhoudt tot het Groot Seminarie. Het blauw omkaderde gedeelte betreft voorliggend plan, waarbij het gearceerde gedeelte wordt ingericht als kerktuin aansluitend bij omliggende kerketuin.

7

Figuur 6. Het ontwikkelplan van het Groot Seminarie, met in blauw globaal het plangebied van voorliggend plan. Het gearceerde gedeelte van het plangebied wordt kerketuin, zoals omliggende gronden. (Bron: Copijn; Wissing)

8

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vastgesteld op 11 september 2020, is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Dit kan worden bereikt door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen en voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3.

Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek De ontwikkeling bevindt zich in het stedelijke gebied van de gemeente Teylingen. De hierboven genoemde ambitie uit de NOVI om de omgevingskwaliteit te versterken wordt in voorliggend plan concreet gemaakt. De locatie wordt getransformeerd naar een woonbestemming met behoud en uitbreiding van de cultuurhistorische waarden. Aansluitend op de cultuurhistorische structuur bestaat het plangebied uit twee delen. De deelgebieden worden gescheiden door het terugbrengen van het Leerpad, een historische scheiding tussen de twee delen die in ere wordt hersteld. Het noordelijke deel speelt in op het Groot Seminarie met de kerketuin. Hier wordt de nog bestaande moestuin/boomgaard hersteld. Het gebied wordt hiermee weer ruimtelijk aangehecht aan de kerketuin. Het zuidelijk deel sluit aan op de naastgelegen woonwijk. Hier wordt ingespeeld op de woonbehoefte. Verder heeft het plan beperkt raakvlak met het Rijksbeleid, maar sluit desalniettemin aan op het beleid van de NOVI. 3.1.2

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 12 woningen. De Ladder stelt dat voldaan wordt aan de Ladder als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied.

9

Planspecifiek Voorliggende planontwikkeling betreft een herontwikkeling van reeds bestaand bebouwd terrein. Een voormalige school maakt plaats voor maximaal 17 appartementen met parkeergelegenheid en recreatief terrein bestaande uit een kerketuin en groene zone. In februari 2020 is voor deze locatie een integrale visie opgesteld met woningbouw als uitgangspunt. Voorliggend plan sluit aan op de visie om woningbouw te realiseren op het perceel. Hierdoor wordt binnen bestaand stedelijk gebied woongelegenheid gecreëerd, wat voorziet in de landelijke vraag naar woningen. Verder draagt de planontwikkeling bij aan eigentijdse voorzieningen, waaronder uitgebreide parkeervoorziening en recreatie. Ook wordt de kwaliteit van de openbare ruimte verbeterd door groenzones en groene parkeergelegenheid te realiseren, wat tevens aansluit op de uitdagingen van klimaatadaptatie. Voorliggend plan voldoet hiermee aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Om uitvoering te geven aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, is op 30 december 2011 het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin staat een aantal projecten beschreven die van Rijksbelang zijn en waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het vaststellen van bestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen. De projecten zijn exact ingekaderd en voorzien van regels, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het betreft de onderstaande projecten: Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Natuurnetwerk Nederland Grote rivieren IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Waddenzee en waddengebied Kustfundament Primaire waterkeringen buiten het kustfundament Rijksvaarwegen Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Elektriciteitsvoorziening Defensie Project Mainportontwikkeling Rotterdam Ruimtereservering parallelle Kaagbaan Planspecifiek Voorliggend plan betreft de bouw van maximaal 17 appartementen in het stedelijke gebied van Teylingen. Het plan heeft geen raakvlak met één van de beschreven projecten van het Barro.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019)

De provincie heeft op 1 april 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. De nieuwe omgevingswet, die naar verwachting in januari 2023 in werking treedt, schrijft voor dat een provincie één omgevingsvisie en één omgevingsverordening heeft. De omgevingsvisie is de opvolger van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit. In de omgevingsvisie zijn meerdere beleidsvisies gebundeld. Het gaat om de volgende plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm), het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww), het verkeersen vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De omgevingsvisie omvat inhoudelijk geen grote wijzigingen ten opzichte van het voorgaande beleid. Ook is de digitale beschikbaarheid van het beleid via de digitaal raadpleegbare kaarten weer een wezenlijk onderdeel van het beleid. In de Omgevingsvisie zijn zes ambities gedefinieerd. Het zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Het zijn abstracte ambities die bij specifieke opgaven ook tot conflicterende belangen kunnen leiden. Juist de confrontatie in opgave zal leiden tot knelpunten maar ook tot kansen om de opgaven verder te helpen.

De zes ambities zijn: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level

10

Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Naast de ambities is het algemene doel van de omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in provincie. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen verstaan. Het bestaande beleid is hiervoor gebundeld in de Omgevingsvisie. Vervolgens wordt met het oog op de omgevingswet dit verder ontwikkeld. Er komt een omschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in de drie Deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in het internationale netwerk. Daarnaast komt er een leefomgevingstoets. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling. Tot slot wordt een concrete uitwerking van het beleid opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. De Omgevingsvisie maakt gebruik van de reeds bestaande integrale kwaliteitskaart opgebouwd uit vier onderliggende kaarten. Dit instrument wordt verder gebruikt in zowel de visie als de verordening. Vanuit de kaart volgen onder andere bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’).

Voor ontwikkelingen blijft het ‘ja, mits-beleid’ gelden: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Zoals aangegeven is in de Omgevingsvisie veel beleid overgenomen en samengevoegd. Het beleid zal met het daarvoor opgesteld instrumentarium, Monitor en Evaluatie Omgevingskwaliteit geactualiseerd worden. Hierbij is het uitgangspunt dat niet al het beleid in één keer geactualiseerd wordt maar op basis van specifieke aanleidingen. Het samenvoegen van het beleid heeft tot een opsomming van twaalf beleidskeuzes geleid: Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving; Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren; Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie; Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen; Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder; Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen; Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende

drinkwater; Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond; Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen; Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders; Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied; Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken. Van alle beleidskeuzes is aangegeven op basis van welke specifieke beleidsdocumenten die gebaseerd zijn. Deze beleidsdocumenten zijn allemaal apart digitaal beschikbaar gesteld. Planspecifiek Het plan betreft de ontwikkeling van maximaal 17 appartementen aan het Leerpad in Warmond. De parkeerplaatsen voor het appartementencomplex worden voorzien aan de zuidoost- en noordwestzijde van het bouwblok. Aan de noordoostzijde wordt een kerketuin gerealiseerd waar bewoners kunnen ontspannen. De overige openbare ruimte wordt ingericht met groen. In de gemeente Teylingen en de regio HollandRijnland is er een grote behoefte aan betaalbare appartementen voor een- of tweepersoonshuishoudens.

Het voorliggende plan omvat maximaal 17 appartementen voor deze doelgroep en is om die reden opgenomen in de provinciale planlijst van de gemeente Teylingen. Het plan draagt hiernaast ook bij het bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving die aansluit bij verschillende doelgroepen. Het plan geeft invulling aan de beleidskeuze van een zorgvuldige ruimtegebruik. Ten tweede

11

verbetert de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld bij de beleidskeuze over het zorgen voor een samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Tot slot draagt de tuin- en groenzone bij aan het behoud van regenwater in het gebied en het beperken van hittestress zoals bedoeld bij de beleidskeuze om zodanig te bouwen dat weersextremen beter opgevangen worden. Het plan draagt zodoende concreet bij aan de doelstellingen van de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De omgevingsverordening is gelijk met de omgevingsvisie vastgesteld. Verordeningen worden geregeld geactualiseerd. De vigerende ruimtelijke omgevingsverordening dateert van 1 augustus 2020. De verordening bevat bindende ruimtelijke regels waar de provincie en gemeenten in Zuid-Holland zich aan moeten houden. De doorwerking van de regels is uitgewerkt doordat bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen niet in strijd mogen zijn met de verordening. De verordening wordt met een digitale kaart beschikbaar gesteld om per locatie direct inzichtelijk te krijgen welke beleidsregels van toepassing zijn op de specifieke locatie. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plaatsgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.

In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Figuur 7. keuzeschema ruimtelijke kwaliteit Planspecifiek Voorliggend plan voegt zich in de bestaande structuur en kan daarmee ingepast worden. "Inpassing betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten." Voorliggend plan betreft de herontwikkeling van een voormalige school naar een woongebied. De bestaande structuren en kwaliteiten hoeven hiervoor niet gewijzigd te worden. Voorts is de digitale kaartviewer van de omgevingsverordening geraadpleegd. Er zijn geen specifieke kaarten uit de verordening van toepassing op het plangebied. Wel zijn enkele onderwerpen zoals ecologie en water van toepassing op het plangebied. Over deze milieutechnische onderwerpen worden in hoofdstuk vier nader toegelicht hoe daar aan voldaan wordt dan wel invulling aan gegeven wordt.

12

3.2.3

Intergemeentelijke structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (2010)

De Greenport Bollenstreek bestaat uit zes gemeenten, namelijk Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen. Deze gemeenten hebben samen de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Bollenstreek (ISG) vastgesteld. De ISG is voor de greenportgemeenten van de Duin- en Bollenstreek een wettelijk zelfbindend kader voor gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied tot 2030 en geldt als toetsingskader voor de toekomstige bestemmingsplannen. De ISG is gericht op het creëren van een vitale Greenport met een vitaal landschap. In de ISG zijn richtlijnen gesteld voor woningbouw, werken, landschap, natuur en recreatie. Voor de uitvoering van het ISG is de Greenport Ontwikkeling Maatschappij (GOM) opgericht. Binnen het ISG zijn onder andere 600 woningen gelabeld als "Greenportwoning". De basis om tot verbetering van de landschapskwaliteiten in de Duin- en Bollenstreek te komen, is het Landschapsperspectief. Middels het in het ISG gepresenteerde Landschapsperspectief wordt een locatiegericht beleid neergezet gericht op landschapskwaliteit. Het plangebied is aangeduid als "woningbouw tot 2030 binnen de huidige streekplancontour". Planspecifiek De woningen worden binnen bestaand bebouwd gebied gerealiseerd.

Er kan worden geconcludeerd dat het plan bijdraagt aan het uitvoeren van het beleid, zoals bepaald in de Intergemeentelijke Structuurvisie Duin- en Bollenstreek (ISG).

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie 2030 Gemeente Teylingen

In de op 23 oktober 2014 door de raad vastgestelde Structuurvisie Teylingen 2030 wordt Warmond beschreven als 'een watersportdorp dat rijk is aan cultuur, historie en recreatiemogelijkheden. De ligging aan de Kagerplassen, de bijzondere monumentale gebouwen en het vele groen maken Warmond tot een geliefde woonkern.' Het ruimtelijk beleid voor Warmond is vooral gericht op behoud en versterking van de vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit met een sterkere profilering als recreatie- en cultuurdorp. Er zal in beperkte mate aanvullende woningbouw plaatsvinden in kleinschalige projecten, die het karakter van het dorp versterken. Planspecifiek Het planperceel in voorgenomen planontwikkeling maakt deel uit van beschermd dorpsgezicht en het nieuwe wooncomplex kijkt uit op de tuin van het Groot Seminarie en de15e-eeuwse Matthiaskerk. Doordat een deel van het plangebied wordt 'herenigd' met de historische kerketuin wordt de cultuurhistorische waarde en aanblik van de omgeving versterkt. Ook de verlenging van het Leerpad draagt bij aan het herstel van de historische achtergrond van het gebied. Het plan sluit aan bij het beleid van de gemeente om woningbouw te laten plaatsvinden in kleinschalige projecten die het karakter van het dorp versterken. Geconcludeerd kan worden dat de planontwikkeling nauw aansluit op de structuurvisie van Teylingen. 3.3.2

Welstandsnota Teylingen

Bij bouwplannen regelt het welstandsbeleid de verschijningsvorm van bouwwerken. Met het uiterlijk van een bouwwerk wordt iedere voorbijganger geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving. Doel van het welstandsbeleid is bij bouwplannen een welstandsbeoordeling te maken en het toezicht op welstand op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Het welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota Teylingen (2012) en geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Planspecifiek Het voorliggende projectgebied is in de welstandsnota aangeduid als 'Welstandsniveau Bijzonder'. Het gedeelte van het plangebied waar voorheen de school stond maakt deel uit van beschermd dorpsgezicht. In voorliggend plan wordt het noordelijke gedeelte van dit gebied ontwikkeld als kerketuin in aansluiting op de omliggende tuin, terwijl in het zuidelijke

13

deel van het plangebied een wooncomplex wordt gerealiseerd. Het wooncomplex zal qua vormgeving en materiaalgebruik aansluiten bij de omliggende woonwijk. In het beeldkwaliteitsplan in Bijlage 2 is de beeldkwaliteit van het plan verder uitgewerkt. Als onderdeel van de beoordeling op de omgevingsvergunning voor het bouwen zal het plan getoetst worden door de Welstandscommissie. De beoordeling van het plan vindt daar plaats. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het plan niet is uit te werken binnen de kaders van de welstandsnota. 3.3.3

Archeologie Teylingen 2015

Het archeologisch beleid van de gemeente Teylingen is vastgelegd in de beleidsnota Onder de grond 2015. Beleid voor archeologie in Teylingen (september 2015). Hierin is de recentelijk geactualiseerde archeologische waardenkaart opgenomen (Brandenburgh, C.R., 2020: Graven in archieven). Het doel is om het archeologische erfgoed binnen de gemeente te beschermen. In de beleidsnota zijn kaarten toegevoegd die de waardevolle archeologische verwachtingen aangeven. In paragraaf 4.5 word hier uitgebreid op in gegaan. 3.3.4

Doelgroepenverordening woningbouw gemeente Teylingen

Op 28 december 2021 heeft de gemeente Teylingen een doelgroepenverordening vastgesteld. De doelgroepenverordening is er om eisen te stellen voor de woningbouw. De maximale koopprijs voor sociale koopwoningen en de maximale aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen en de huurverhoging wordt hiermee binnen wettelijke kaders vastgelegd. In voorliggend plan is vastgelegd dat maximaal 15 sociale huurwoningen en 2 middeldure huurwoningen zijn toegestaan. Dit is vastgelegd in de begrippen en het artikel wonen van de planregels. 3.3.5

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Warmond 2009' van de gemeente Teylingen. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 17 december 2009. Planspecifiek Onderstaand is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven. De uitsnede toont dat het huidig toegestaan gebruik van het plangebied Maatschappelijk is. Verder zijn gedeeltes van het plangebied aangeduid als verkeer- of groenbestemming. Daarnaast heeft een deel van het plangebied de dubbelbestemming Beschermd dorpsgezicht.

Figuur 8. Uitsnede vigerend bestemmingsplan. Plangebied globaal in rood kader. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

14

Hoofdstuk 4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een ruimtelijk plan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.

4.1

Milieueffectrapportage (M.E.R.)

Toetsingskader Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden. Onderdeel B is reeds vervallen. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. De m.e.r. procedure is uitsluitend van toepassing op projecten die voorkomen in het Besluit m.e.r.. Indien kan worden aangetoond dat het project geen onderdeel uitmaakt van onderdeel C of D van het Besluit m.e.r., dan is de procedure niet van toepassing. In de bijlage van het Besluit m.e.r.

is aangegeven welke activiteiten van het planvoornemen m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. De vormvrije m.e.r. beoordeling is opgebouwd uit drie selectiecriteria: Criteria 1 zijn de kenmerken van het project waarin onder andere de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen uiteen zijn gezet. In criteria 2 wordt de plaats van het project beschreven waarin het bestaande grondgebruik, Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen milieu zijn meegenomen. Criteria 3 betreft de kenmerken van het potentiële effect. Planspecifiek Voorliggend plan valt in categorie D11.2 "Stedelijk ontwikkelingsproject". Het plan overschrijdt de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r. (kolom C en D) niet. Deze grenzen zijn: D 11. 2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Figuur 9: Categorie D11.2 met getalsmatige grenzen. (bron: bijlage D van Besluit milieueffectrapportage) Dit betekent dat er sprake is van een vormvrije m.e.r. beoordeling. In onderstaande tabel is deze beoordeling toegelicht aan de hand van de selectiecriteria zoals die gelden voor een vormvrije m.e.r. beoordeling:

15

Kenmerken van het project

Argumentatie

Omvang van het project

D11.2: Het betreft een ontwikkeling van maximaal 17 woningen in een stedelijke omgeving. De omvang is dermate klein dat geen Mer-plicht geldt voor deze ontwikkeling.

Cumulatie met andere projecten

Het plan betreft de ontwikkeling van een appartementengebouw van maximaal 17 woningen en de ontwikkeling van een 'kerketuin'. Het plan betreft een zelfstandig project en er is geen koppeling met andere projecten. Er is fysiek danwel planologisch-juridisch geen koppeling of verplichting die gerealiseerd moet worden om voorliggend plan uit te kunnen voeren. Er is dan ook geen sprake van cumulerende effecten die meegenomen moeten worden.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

Er zal op reguliere wijze gebruik gemaakt worden van natuurlijke hulpbronnen, zoals bouwmaterialen en energie.

Productie van afvalstoffen

(Zeer) geringe productie van afvalstoffen dat samenhangt met de functies wonen en voorzieningen. Voor afvoer van afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, zoals het scheiden van afvalstromen vanaf de planlocatie en afvoer naar erkende verwerkers.

Verontreiniging en hinder

Voor de verontreiniging en hinder wordt verwezen naar de 3e onderstaande selectiecriteria over de kenmerken van het potentiële effect.

Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. Waaronder ook risico's voor de menselijke gezondheid.

Het plan betreft de ontwikkeling van een appartementengebouw van maximaal 17 woningen en de ontwikkeling van een 'kerketuin'. Doordat het een kleinschalig plan betreft en er geen opslag of transport van grote hoeveelheden van gevaarlijke stoffen, gevaarlijke industriële processen danwel werkzaamheden met gevolgen ten aanzien van (water-)veiligheid plaatsvinden is er geen risico op zware ongevallen of rampen.

Plaats van het project

Argumentatie

Bestaand grondgebruik

In de bestaande situatie zijn de gronden als Bos en Maatschappelijke bestemd. Het feitelijke gebruik is braakliggend. In het verleden heeft er een schoolgebouw op de locatie gestaan dat ook dienst heeft gedaan als kinderdagverblijf.

16

Kwaliteit en regeneratie van De locatie heeft in de bestaande situatie geen expliciete natuurlijke hulpbronnen van het kwaliteit omdat het een braakliggend terrein betreft. gebied Archeologie Er is archeologisch bureau- en booronderzoek gedaan door Econsultancy, Bijlage 8. Op basis van het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht kunnen worden, met mogelijk ook resten uit het Neolithicum. Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de dubbelbestemming 'waarde-archeologie' op het plangebied te leggen, met een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm. Aangezien de werkzaamheden een grotere gebied dan 50 m2 betreft zal er een inventariserend veldonderzoek moeten worden uitgevoerd. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen worden de resultaten van dit onderzoek en de eventueel noodzakelijke vervolgacties overlegd aan het bevoegd gezag. Er is geen sprake van externe effecten op de omgeving van het plangebied. Cultuurhistorie De gehele kern Warmond en ook de planlocatie is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. In potentie heeft de locatie daarom waarde en hier wordt ook expliciet op aangesloten. Het planvoornemen maakt maximaal 17 appartementen mogelijk.

Een deel van het plangebied zal worden ontwikkeld als kerketuin die aansluit op de naastgelegen moes- en kerketuin van de Sint Matthiaskerk. In het voorliggende plan wordt de potentiële kwaliteit dan ook expliciet gebruikt en versterkt. Ten aanzien van de landschappelijke, historische, culturele en belangen worden niet geschaad door het planvoornemen. Ecologie Omdat het een braakliggend terrein betreft en voor de planontwikkeling geen bebouwing gesloopt wordt, geen watergangen gedempt of vergraven worden, geen bomen gekapt en bosschages verwijderd worden is het aannemelijk dat geen beschermde soorten aangetast worden door het planvoornemen. Een ecologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht voor de ontwikkeling. Om te garanderen dat er geen beschermde gebieden en/of soorten benadeeld worden als gevolg van de planontwikkeling is een Rapportage ecologisch werkprotocol opgesteld, zie Bijlage 6. Om te beoordelen dat geen onevenredige schade aan het milieu optreedt als gevolg van het plan is beoordeeld off het plan in beschermde natuurgebieden ligt danwel dat er als gevolg van stikstofdepositie door het plan aantasting van Natura-2000 gebieden plaatsvindt. Zie onderstaande alinea m.b.t. stikstof. Er is geen sprake van externe effecten op de omgeving van het plangebied. Stikstof. Voor het planvoornemen is een onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd zie Bijlage 7.

Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee wordt geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000- gebieden veroorzaakt.

17

Luchtkwaliteit Uit de monitoringtool van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de gewenste ontwikkeling. Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling en voor de omgeving. Opname vermogen van het Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de planrealisatie milieu Aandacht voor: geen significante negatieve effecten heeft op bedrijven- en Wetlands; Kustgebieden; Berg- milieuzonering, bodem, geluid, externe veiligheid, verkeer en en bosgebieden; Reservaten en parkeren. Voor de conclusies van deze milieuaspecten zie de natuurparken; Habitat- en toelichting onder 'Aard van het effect en de orde van grootte vogelrichtlijn gebieden; en het ruimtelijk bereik van de effecten' Overschrijdingsregio's t.o.v. milieunormen; Hoge bevolkingsdichtheid (regio's); Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologisch van belang zijnde gebieden. Kenmerken van het potentiële Argumentatie effect

18

Aard van het effect en de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten

Bedrijven en Milieuzonering. Voor het onderdeel Bedrijven en milieuzonering is ten aanzien van het planvoornemen geconcludeerd dat er geen externe belemmeringen zijn: Er zijn geen bedrijfsbestemmingen in de nabije omgeving aanwezig. Om het plangebied heen liggen voornamelijk woonbestemmingen, een bos van Groot Seminarie met de maatschappelijke bestemmingen kerk en begraafplaats. Ten noordwesten ligt eveneens een maatschappelijke bestemming, namelijk een sporthal. De maatschappelijke functies in de nabijheid van het wooncomplex voldoen aan de richtafstanden. Ondanks dat de sporthal buiten de richtafstand ligt is er in het kader van een goede ruimtelijke ordening als nog een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het geluid, Bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat de te verwachten geluidbelasting veroorzaakt door de technische installaties, de bezoekers op het terras en het verkeer van en naar de sporthal voldoet aan stap 2 van de VNG. Uit het onderzoek volgt ook dat de piekgeluiden veroorzaakt door het dichtslaan van autoportieren de richtwaarden van de VNG overschrijden. Omdat de parkeerplaats naar verwachting niet uitsluitend door bezoekers aan de sporthal zal worden gebruikt, maar ook door bewoners en bezoekers van appartementengebouw De Waaier, zijn de piekgeluiden niet alleen en direct toe te kennen aan de sporthal.

Om die reden achten wij de piekgeluiden in deze situatie aanvaardbaar. Dit betekent dat door voorgenomen planontwikkeling geen bedrijven in de omgeving worden beperkt en er zijn geen bedrijven in de omgeving die een belemmering vormen voor de inpassing van een woonbestemming. Verder worden in het plangebied geen functies gerealiseerd die belemmeringen kunnen veroorzaken op de omgeving. Bodem. Er is door Econsultancy verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, Bijlage 9. Uit het onderzoek blijkt dat de vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd wordt. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en zijn de effecten plan- en locatiegebonden die geen gevolgen hebben voor de directe omgeving. Verder worden in het plangebied geen functies mogelijk gemaakt die leiden tot vervuiling van de bodem in en nabij het plangebied. Geluid. Ter plaatse van het plangebied is er onderzoek uitgevoerd naar, Bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat er ter plaatse van de nieuwbouw voldaan wordt aan de grenswaarden van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. De totale geluidsbelasting zonder aftrek is maximaal 44 dB. Ontheffing van een hogere grenswaarde(n) is niet aan de orde.

Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen wordt aangetoond dat bij de nieuwe woningen is voorzien in voldoende geluidwerende gevels en daken. Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor voorliggend plan. Verder zijn er geen gevolgen te verwachten op de omgeving ten gevolge van het geluid van het wegverkeer op de omgeving. Externe Veiligheid. Om de effecten ten aanzien van Externe Veiligheid in beeld te krijgen is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd,

19

Bijlage 10. De conclusie van het onderzoek luidt: Het plan is gelegen op ruime afstand van risicobronnen. In het planvoornemen worden geen inrichtingen, leidingen of transportroutes gerealiseerd gevolgen hebben voor externe veiligheid voor de omgeving. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Verkeer Er is voor het planvoornemen een verkeersonderzoek uitgevoerd door BuroDB, Bijlage 12. Uit het onderzoek volgt dat het plan niet leidt tot extra voertuigbewegingen. Daarbij is de omliggende verkeersstructuur ingericht om de verkeersgeneratie van deze basisschool op te vangen. Hierdoor vormt verkeer geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Parkeren Door Bureau de Groot Volker is in nov/dec 2022 onderzocht hoeveel restcapaciteit er in de omgeving aanwezig is op momenten dat de sporthal in gebruik is. Uit deze parkeerdrukmeting blijkt dat er geen sprake is van een te hoge parkeerdruk in de nabije omgeving van de sporthal. Er is daarom geen aanleiding extra parkeerplaatsen aan te leggen. Voor de aspecten cultuurhistorie, archeologie, stikstof , flora en fauna en luchtkwaliteit, zie de argumentatie onder ''kwaliteit en regeneratie van natuurlijke hulpbronnen van het gebied''. Grensoverschrijdend karakter van het effect

De effecten zijn van zeer beperkte (lokale) aard en zijn oplosbaar door het treffen van maatregelen.

De intensiteit en de complexiteit van het effect

Voorliggend plan betreft een afgebakend gebied waarbinnen een appartementencomplex en een kerketuin gerealiseerd wordt. Er is geen sprake van bijzondere complexiteit danwel intensiteit van de effecten. In de voorgaande argumentaties en in het bestemmingsplan zijn de effecten volledig in beeld gebracht.

De waarschijnlijkheid van het effect

De effecten zijn van zeer beperkte (lokale) aard en zijn oplosbaar door het treffen van maatregelen. Het optreden van de effecten is met bovenstaande argumentatie in beeld gebracht zoals bij de verwachte geluidstoename dan wel gemitigeerd door het opnemen van de archeologisch dubbelbestemming en het ecologisch werkprotocol. Hiermee is het optreden van de effecten afdoende in beeld danwel zijn er afdoende maatregelen getroffen om die effecten te kunnen mitigeren.

De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten

Er is geen sprake van cumulatie van effecten.

De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen

In de voorgaande paragrafen is bij de argumentatie verwoord welke maatregelen genomen moeten worden om de effecten te verminderen. Zo is bij geluid aangegeven welke maatregelen getroffen moeten worden om geluidhinder in de woningen te voorkomen.

Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat (op basis van bovenstaande onderbouwing per criteria) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet aannemelijk zijn. Paragraaf 4.1 en navolgende paragrafen kunnen worden beschouwd als een m.e.r.-aanmeldnotitie. Het bevoegd gezag heeft op 17 juni 2024 een m.e.r.-beoordelingsbesluit afgegeven, deze is toegevoegd als Bijlage 3.

20

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Er dient dus beoordeeld te worden: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Voor deze afstanden in de brochure geldt dat naast de factoren aard en omvang van het bedrijf deze mede afhankelijk zijn van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden.

Planspecifiek Voorliggend plan houdt het realiseren van maximaal 17 appartementen in. Om het plangebied heen liggen ten zuiden voornamelijk woonbestemmingen. Ten oosten en noorden van het plangebied ligt het bos van Groot Seminarie met de maatschappelijke bestemmingen kerk en begraafplaats. Ten noordwesten ligt eveneens een maatschappelijke bestemming, namelijk een sporthal. Er zijn geen bedrijfsbestemmingen in de nabije omgeving aanwezig. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven voor de verschillende maatschappelijke functies. Daarnaast is in de laatste kolom weergegeven wat in voorliggend plan de afstand is van een functie tot het beoogde wooncomplex.

SBI-code (2008)

Functie

Richtafstand

Gemeten afstand

931 A

Sporthal

50 m (geluid)

Ca. 65 m

9491

Kerkgebouw

30 m (geluid)

Ca. 45 m

96031

Begraafplaats

10 m (geluid)

Ca. 70 m

De maatschappelijke functies in de nabijheid van het wooncomplex voldoen aan de richtafstand. Dit betekent dat door voorgenomen planontwikkeling geen bedrijven in de omgeving worden beperkt en er zijn geen bedrijven in de omgeving die een belemmering vormen voor de inpassing van een woonbestemming. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

4.3

Geluidhinder

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Voorliggend plan houdt het realiseren van maximaal 17 woningen in. Het plangebied ligt nabij een sporthal met een groot parkeerterrein. Het ligt buiten de richtafstand, maar voor de volledigheid is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. De conclusie uit het onderzoek is:

21

De gemeente Teylingen heeft plannen voor de realisatie van een appartementengebouw aan het Leerpad 9 in Warmond. In het kader van goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij is het geluid dat wordt veroorzaakt in en rondom sporthal De Geest inzichtelijk gemaakt. Bij de beoordeling is gebruik gemaakt van het stappenplan zoals dat is opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Uit het onderzoek volgt dat de te verwachten geluidbelasting veroorzaakt door de technische installaties, de bezoekers op het terras en het verkeer van en naar de sporthal voldoet aan stap 2 van de VNG. Uit het onderzoek volgt ook dat de piekgeluiden veroorzaakt door het dichtslaan van autoportieren de richtwaarden van de VNG overschrijden. Omdat de parkeerplaats naar verwachting niet uitsluitend door bezoekers aan de sporthal zal worden gebruikt, maar ook door bewoners en bezoekers van appartementengebouw De Waaier, zijn de piekgeluiden niet alleen en direct toe te kennen aan de sporthal. Om die reden achten wij de piekgeluiden in deze situatie aanvaardbaar. Tevens is er 29 april 2024 een akoestisch onderzoek naar het wegverkeer uitgevoerd door BuroDB, zie Bijlage 5. De conclusie uit het onderzoek is: De gemeente Teylingen werkt aan het plan voor de realisatie van een woongebouw met 17 appartementen aan het Leerpad 9 in Warmond.

In het kader van de ruimtelijke onderbouwing van het plan is akoestisch onderzoek naar het (weg)verkeer uitgevoerd. Naast het geluid van het wegverkeer speelt het vlieglawaai een relevante rol bij dit plan. De planlocatie is gelegen binnen het beperkingengebied kwetsbare objecten van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. De planlocatie is niet gelegen binnen een wettelijke geluidszone van (auto)wegen. De geluidsbelasting van het verkeer wordt bepaald door de aanwezige 30 km/uur-wegen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat ter plaatse van de nieuwbouw wordt voldaan aan de grenswaarden van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. De totale, ongecorrigeerde geluidsbelasting is maximaal 44 dB. Het uitvoeren van nader onderzoek naar c.q. het treffen van geluidsbeperkende maatregelen buiten het gebouw is daarom niet nodig. Ontheffing van een hogere grenswaarde(n) is niet aan de orde. De planlocatie ondervindt een relevante geluidsbelasting van het vliegverkeer van en naar luchthaven Schiphol. De geluidsbelasting ter plaatse van de planlocatie is circa 51 dB. De gecumuleerde geluidsbelasting Lcum (van weg-, railen vliegverkeer) is 57 dB. Met een standaard geluidwering van 20 dB kan niet worden voldaan aan het maximale binnenniveau van 33 dB dat geldt voor een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Het plan heeft een 4 dB verhoogde eis.

Geadviseerd wordt om bij de aanvraag omgevingsvergunning aan te tonen dat/hoe bij de nieuwe woningen wordt voorzien in voldoende geluidwerende gevels en daken. Met de toepassing van voldoende geluidwering is vanuit het oogpunt van geluid bij de nieuwe woningen van het plan sprake van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat en daarmee van goede ruimtelijke ordening. Daarmee kunnen de woningen volgens plan worden gerealiseerd. Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen wordt aangetoond dat bij de nieuwe woningen is voorzien in voldoende geluidwerende gevels en daken. Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

4.4

Natuurbescherming

Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd 'handelingen') bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermings-bepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

22

4.4.1

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Het plangebied is niet gelegen in Natura-2000 gebied. In paragraaf 4.4.3 wordt hier nader op ingegaan ten aanzien van effecten door stikstof op deze gebieden.. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Het plangebied is niet gelegen in NNN gebied. Overige beschermde gebieden Naast NNN gebieden zijn op basis van provinciaal beleid in de provinciale verordening nog andere gebieden aangewezen waar extra bescherming van toepassing is. Het gaat hier om belangrijke weidevogelgebieden, strategische reservering natuur, karakteristieke landschapselementen. In de provinciale verordening zijn regels opgenomen waaraan voldaan moet worden om deze gebieden afdoende te beschermen. Het plangebied is niet gelegen in één van deze overige beschermde gebieden. 4.4.2

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.

De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden

23

verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Er moet in ieder geval altijd, ook in het geval van vrijgestelde soorten rekening worden gehouden met de zorgplicht. Dit betekent onder andere dat er gelegenheid wordt gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.4.3

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=b7c02942-2763-4017-9172-2b11ade9abdf