240415 GRO Hortusplein 2.0
Tekst van het document
Conclusie Het aspect archeologie is voldoende onderzocht en vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is onder andere opgenomen hoe de rijksbeschermde collecties worden beheerd, hoe rijksbeschermd erfgoed wordt aangewezen en hoe het wordt beschermd. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 29
Relatie tot ontwikkeling De locatie is geen rijks- of gemeentelijk beschermd monument en is ook geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Bij het ontwerp is overigens wel rekening gehouden met de bestaande bebouwing rondom de projectlocatie. Met het oog op een goede inpassing van het ontwerp aan de zijde van de Dorpskerk (rijksmonument) is het plan gepresenteerd aan de Erfgoedcommissie. Figuur 14. Beschermd dorpsgezicht (bron: cultureel erfgoed)
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 30
Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemmingen ‘Centrum’, ‘Wonen-3’, en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Maatschappelijk’, ‘Centrum’ en ‘Wonen -1’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van gemengd gebied. Daarnaast is ook sprake van functiemenging in de toekomstige situatie gezien er woningen boven de Hoogvliet worden gerealiseerd. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op 0 meter afstand. De Hoogvliet betreft een supermarkt, welke valt onder milieucategorie 1 (SBI code: 471). In een gemengd gebied geldt voor milieucategorie 1 een richtafstand van 0 meter. Hieraan wordt voldaan. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van functiemenging, op de begane grond wordt een supermarkt gerealiseerd met daarboven woningen. Een supermarkt is op grond van de VNG-brochure gecategoriseerd onder milieucategorie B volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging. Voor bedrijvigheid uit milieucategorie B geldt dat deze kan worden uitgeoefend in gemengd gebied. Een supermarkt met woningen erboven is daarom toegestaan mits ze bouwkundig van elkaar zijn gescheiden. Bij de beoogde ontwikkeling zijn de woningen bouwkundig afgescheiden van de supermarkt.
Indien er bij de toekomstige exploitant van de bedrijfsruimtes, waaronder de supermarkt, sprake is van een milieubelastende activiteit zoals bedoeld in het Besluit Activiteiten leefomgeving of het omgevingsplan, dient er uiterlijk vier weken voor het starten van de activiteiten te worden voldaan aan de meldings- of informatieplicht in het kader van het Bal en het omgevingsplan. Akoestisch onderzoek Ondanks dat aan de richtafstanden vanuit milieuzonering voldaan wordt, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege de bezoekers van de supermarkt, horeca en parkeren op bestaande en geplande woningen aan het Hortusplein te Sassenheim. M+P heeft dit onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2, M+P.MEES.23.07.0, d.d. 19 december 2023) . Het onderzoek is als bijlage toegevoegd, de resultaten zijn hieronder weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 31
Uit het onderzoek is gebleken dat op een aantal punten niet kan worden voldaan aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden uit stap 3 van de VNG voor een rustige woonwijk. Dit is met name het geval voor de geprojecteerde woningen. Hierdoor zijn bouwkundige (gevel)maatregelen opgenomen om het geluidsniveau binnen de geprojecteerde woningen afdoende te reduceren en die ook kosteneffectief zijn. Implementatie van deze maatregelen zal zorgdragen dat aan grenswaarden voor het langtijdgemiddelde en het maximaal optredende geluidsniveau binnen de woningen zal worden voldaan. Er is echter nog steeds maatwerk nodig om de berekende geluidbelasting op de gevels van betreffende woningen toe te staan. De uiteindelijke beoordeling is aan het bevoegd gezag. Bij de bestaande woningen aan de Westerstraat (rekenpunten T4 t/m T6) kan niet aan de richtwaarden van stap 3 uit de VNG worden voldaan als gevolg van voertuigbewegingen op het parkeerterrein. M+P vindt de geluidsbelasting echter acceptabel aangezien er geen doelmatige maatregelen mogelijk zijn, en er na implementatie van het voorgenomen plan sprake zal zijn van een gemengd gebied, waarvoor onder stap 3 uit de VNG een hogere richtwaarde van Letmaal = 55 dB(A) geldt die met slechts 1 dB wordt overschreden. De uiteindelijke beoordeling is aan het bevoegd gezag.
Er is (in een latere fase) wel akoestisch onderzoek nodig om te zekeren dat de akoestische gevelisolatie van de betreffende bestaande woningen aan de Westerstraat voldoende is om aan de grenswaarden, voor het langtijdgemiddelde en het maximaal optredende geluidsniveau binnen de woning, te voldoen. Aan de richtwaarde voor de verkeersaantrekkende werking onder stap 3 uit de VNG kan op één rekenpunt (T27) niet worden voldaan. De berekende overschrijding is echter klein en vergunbaar en ver onder de grenswaarde van 65 dB(A). Als gevolg van de keuze voor klinkerverharding voor de bestrating op het parkeerterrein is het geluidsniveau ten gevolge van het rijden met winkelwagens hoog te noemen. Middels toepassing van stille winkelwagens kan de geluidbelasting ten gevolge van de winkelwagens gereduceerd worden waardoor een beter leefklimaat ontstaat. Met inachtneming van de maatregelen kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woonen leefklimaat gerealiseerd worden voor de nieuwe en bestaande woningen.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEZONNING Algemeen Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel een aspect om rekening mee te houden.
Relatie tot ontwikkeling In het kader van de herontwikkeling zijn door Groosman architecten bezonningsschema’s gemaakt om te beoordelen wat de effecten zijn van de herontwikkeling (zie bijlage 3: Bezonningsschema’s, Groosman Architecten, 6 december 2023). Op basis van de bezonningsschema’s die in de periode maart, juni en september zijn opgesteld, kan geconcludeerd worden dat, mede vanwege de draaiing van de zon, de meeste schaduw door toedoen van de ontwikkeling over het nieuwe parkeerterrein valt en op enkele momenten over het trappenhuis behorende bij het gebouw (winkels en woningen op de verdieping) op de hoek van de Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 32
Hortuslaan en Hortusplein. Gesteld kan worden dat de realisatie van het herontwikkelingsproject niet leidt tot een significante verslechtering van de bezonningssituatie van de omliggende bestaande woningen.
Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van het Hortusplein.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau IDDS. De rapportage is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing (zie bijlage 4, bodemonderzoek IDDS, 31 oktober 2023). De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van het terrein en bijbehorende aanvraag van een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen). De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De grond bestaat vanaf het maaiveld tot de geboorde dieptes van 3,0 m-mv uit zand; In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en metselpuin).
In de grond zijn geen bodemvreemde geuren en/of kleuren waargenomen; De bovengrond is niet tot licht verontreinigd met kwik, zink en/of lood; De ondergrond is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters; Het grondwater is niet verontreinigd met alle onderzochte parameters; In de grond is zintuiglijk en analytisch (op indicatieve basis) geen asbest aangetoond. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarden, dient de hypothese ‘verdacht’ formeel te worden gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen ten aanzien van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein en bijbehorende aanvraag van een omgevingsvergunningaanvraag worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 33
DUURZAAMHEID Algemeen Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC).
Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC. MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 juli 2021 geldt een maximale totale schaduwprijs van 0,8€ / m² bvo.
Gemeentelijk beleid Raadsprogramma 2022-2026 Samen maken we Teylingen In het raadsprogramma heeft de gemeente Teylingen aangegeven voor de opgave te staan om in 2050 klimaatbestendig en klimaatneutraal te zijn en dat de opgave tot verduurzaming een opgave voor iedereen in de gemeente is. Plan duurzame ontwikkeling Teylingen 2020 - 2024 De afgelopen jaren is er in de gemeente Teylingen gewerkt aan de hand van het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheidsagenda 2016-2018. Het nieuwe Plan duurzame ontwikkeling 2020-2024 borduurt hierop voort. In dit plan wordt het Kader Duurzame gebiedsontwikkeling aangehaald. Integrale en duurzame gebiedsontwikkeling gericht op een schone, veilige, groene en duurzame leefomgeving voor iedereen. De gemeente geeft via dit kader uitvoering aan de Structuurvisie Teylingen 2030, de op te stellen Omgevingsvisie Teylingen en de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport. In dit kader worden voor alle projecten concrete duurzaamheidsafspraken gemaakt zodat deze niet voor ieder project ad hoc worden bepaald. Voor nieuwbouwwoningen zijn er gebouweisen en eisen voor de inrichting van de openbare ruimte opgesteld.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 34
De gemeente Teylingen vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is bouwen met zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk. Teylingen streeft ernaar bij elk bouwplan de schade aan het milieu en de mens op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen zullen daar aan bij moeten dragen. Dit betekent dat per project een zo hoog mogelijk haalbaar niveau na te streven, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ambities van de gemeente. Toekomstige ontwikkelingen groot en kleine moeten het liefst energie neutraal of zelfs energie leverend zijn. Dit gaat verder dan de wettelijke BENG eisen. De gemeente Teylingen ambieert tevens ook een hoge GPR-score voor nieuwbouw ontwikkelingen. Voor de borging en het inzichtelijk maken van duurzaamheid in nieuwbouwplannen heet de gemeente het instrument De Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Gebouw (GPR-Gebouw) beschikbaar. Het doel van dit instrument is om duurzaam en energiezuinig bouwen meetbaar te maken. Er wordt aan de gemeente geadviseerd om de initiatiefnemer bij ontwikkelingen een GPR gebouw berekening te laten uitvoeren.
Hiermee is meteen aan de wettelijke eis van de Milieuprestatie Gebouw (MPG)-berekening voldaan (vanaf 1 januari 2018 ook gekwantificeerd).Duurzaamheidsbeleid komt vaak al terug in de beleidsparagrafen, soms als onderdeel van woonvisies of structuurvisies, soms separaat. In deze paragraaf kunnen de beleidsstukken voor de volledigheid benoemd worden en dient verder aangetoond te worden op welke wijze het duurzaamheidsaspect in de ontwikkeling is geïntegreerd. Kan samenhang hebben met geluid, natuur, water. Er kan ook voor worden gekozen het duurzaamheidsaspect al bij de betreffende paragrafen te behandelen. De nagestreefde GPR scores, versie 4.1 zijn: DuurzaamheidsPrestatie Gebouwen (DPG, combinatie van milieu en energie) minimaal een 8; Energie afzonderlijk een 8,5; Gezondheid en gebruikskwaliteit minimaal een 8; Toekomstwaarde minimaal een 7.
Relatie tot ontwikkeling Het streven is om te voldoen aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Teylingen. De gemeente wil de energieprestatie van zowel bestaande bouw als nieuwbouw verbeteren en hierbij samenwerken met maatschappelijke partijen. Bij het voorgenomen plan worden er diverse maatregelen op het gebied van duurzaamheid getroffen, waarbij voor wat betreft de nieuwe woningen voldaan zal worden aan de geldende BENG-eisen. De openbare ruimte wordt aangelegd conform de LIOR van de gemeente Teylingen waarin is voorzien in de benodigde duurzaamheidsmaatregelen. Er worden pv-panelen geplaatst, meer dan nodig is. Verder krijgt het grote woongebouw een daktuin. Onder de daktuin is een wateropvang ten behoeve van regenwater-retentie en het bewateren van de daktuin. Het groene dak gaat hittestress tegen in dit centrumgebied en zorgt voor verkoeling. Daarnaast draagt dit bij aan de biodiversiteit in het projectgebied. Bij Hortusplein wordt er dus op verschillende aspecten op duurzaamheid ingezet:
Sociale duurzaamheid: duurzaam winkelcentrum o Compact centrum o Hoogvliet zichtbaar o Kerkplein met kwaliteit voor de openbare ruimte o Toevoeging horecaplein o Veilige parkeergelegenheid o Autoluw winkelcentrum
Materiaalgebruik
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 35
o o o
Houtcomposiet gevelbekleding bij de appartementen (biobased, 100% recyclebaar en gaat lang mee/ blijft mooi doordat het onderhoudsvrij is) Houten aankleding in het interieur Hergebruik van bestaande materialen
Hittestress vermindering/ waterbuffering/ biodiversiteit verhogen: o Groene binnentuin o Vergroening Westerstraat (stedenbouwkundige schaal) o Toevoeging gevelgroen op meerdere locaties o Vleermuiskasten in gevels
Energie o PV panelen op alle daken
Conclusie Met voorliggend plan wordt voldoende aandacht besteed aan de diverse duurzaamheidsaspecten.
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.
Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.
Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 36
Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Daarnaast worden er met de woningen en supermarkt ook geen Bevi-inrichtingen gerealiseerd die zouden kunnen leiden tot een verhoging van het groepsrisico in de omgeving. Figuur 15. Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving).
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 37
kinderdagverblijven.
Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.
Relatie tot ontwikkeling Woningen zijn geluidsgevoelige objecten en moeten getoetst worden aan de Wet geluidhinder. In dit kader heeft M+P een geluidsonderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (zie bijlage 5, M+P.MEES.23.07.1, d.d. 26 september 2023) De resultaten van dit onderzoek worden in deze paragraaf beschreven. In paragraaf 4.4 is het geluidsaspect in het kader van milieuzonering al beschreven. Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat vanuit de geluidsactiviteiten ten gevolge van de supermarkt er geen belemmering geldt voor de nieuw te realiseren woningen. Alle wegen rondom de planlocatie zijn niet gezoneerde 30 km/u wegen. In het kader van de Wet geluidhinder behoeven deze wegen niet getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de akoestische situatie van het wegverkeer wel beoordeeld. De geluidsbelasting op het appartementencomplex bedraagt maximaal Lden = 59 dB na aftrek op de westelijke gevel. Deze geluidsbelasting wordt nagenoeg volledig veroorzaakt door de Westerstraat. Voor de rijwoningen treedt hetzelfde beeld op, namelijk een maximale geluidsbelasting van Lden = 59 dB na aftrek op de westelijke gevel, met een maatgevende bijdrage vanwege de Westerstraat. Gezien de hoogte van de geluidsbelasting wordt geadviseerd om de geluidswering van de gevel van de woningen daarop af te stemmen.
Nagenoeg alle appartementen en rijwoningen beschikken over een geluidsluwe gevel conform het gemeentelijk geluidbeleid, al is dat in onderhavige situatie geen bindende voorwaarde (verlenen van hogere waarden is niet van toepassing bij 30 km wegen). Hiermee wordt wel een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd, tezamen met de eisen vanuit het Bouwbesluit.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 38
Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen:
buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.
Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla.
Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband op wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval.1 De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.2 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.
1
Meer en gedetailleerde informatie over de uitgevoerde onderzoeken en over de conclusies die daaraan worden verbonden, vindt u op de website van het
Kennisplatform Elektromagnetisch Velden (www.kennisplatform.nl ) onder ‘Onderwerpen’>’Hoogspanningslijnen en elektriciteitsvoorziening’. Het Kennisplatform helpt burgers en werknemers wetenschappelijk onderzoek over de relatie tussen magneetvelden en gezondheid te begrijpen en op waarde te schatten en verenigt de kennis van organisaties zoals TNO, DNV GL (voormalig KEMA), GGD en RIVM 222
AbvRS, 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 39
Relatie tot ontwikkeling De dichtstbijzijnde hoogspanningskabel is gelegen op circa 322 meter afstand. Dit betreft de 50 kV Sassenheim-Katwijkkabel met een bedrijfsspanning van 50 kV. Door de ruime afstand van de projectlocatie tot de hoogspanningskabel kan worden geconcludeerd dat deze leiding geen belemmering vormt voor de boogde ontwikkeling. Figuur 16. Uitsnede HoogspaningsNetNetkaart (bron: HoogspanningsNetNetkaart)
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt vanuit planologisch oogpunt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
LUCHTHAVENINDELINGSBESLUIT SCHIPHOL (LIB) Algemeen Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit (LIB, geconsolideerd januari 2018) waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik nam. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen. In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Het luchthavengebied betreft de gronden behorende tot de luchthaven. Het beperkingengebied omvat een zone daaromheen, waarbinnen verschillende regimes gelden voor de gebieden die hierbinnen liggen. Hoe groter de afstand tot de start- en landingsbanen en de vliegroutes, hoe minder beperkingen er gelden. Binnen het beperkingengebied dient te worden getoetst aan de maatgevende toetshoogtes.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 40
Naast de maatgevende toetshoogtes binnen het beperkingengebied zijn deelgebieden (zones) te onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen voor bebouwing, beperkingen voor vogelaantrekkende werking en beperkingen voor windturbines en lasers. De beperkingengebieden LIB 1 t/m 5 beogen het aantal personen dat geluidhinder van de luchtvaart ondervindt, of het aantal slachtoffers op de grond ten gevolge van een luchtvaartverkeersongeluk (externe veiligheid), gering te houden, door beperkingen te stellen aan de gebruiksfuncties van het gebied rond Schiphol. De beperkingen voor de gronden binnen de zones LIB 1 t/m 5 zijn daarom gericht op de gebruiksfunctie van het plan/object.
Relatie tot ontwikkeling Middels een door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ontwikkelde webapplicatie kan worden beoordeeld of een plan binnen een relevant gebied in het kader van het LIB gelegen is en of een gepland object de aldaar geldende maatgevende toetshoogten overschrijdt. De projectlocatie is gelegen binnen het beperkingengebied bebouwing; LIB 5. Artikel 2.2.1d van het LIB geeft daarbij aan dat op de gronden die aangewezen zijn met zone 5 geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied en het gaat hier om het vervangen van 48 woningen en toevoegen van 11 rijwoningen en supermarkt. Het geldende bestemmingsplan maakt op deze locatie al centrumvoorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en woningbouw mogelijk. Een verklaring van geen bezwaar is daarmee niet vereist. Daarnaast moet op grond van artikel 2.2.1d van het LIB gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Het risico van een vliegtuigongeval neemt toe naarmate de intensiteit van het ruimtegebruik toeneemt. Bij het voorgenomen plan neemt de intensiteit van het ruimtegebruik nauwelijks toe. Van belang hierbij is ook de aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare objecten op de grond, waardoor vervolgschade kan ontstaan.
In en nabij het plangebied ontbreken deze objecten. De kans op een vliegtuigongeval nabij het plangebied is zeer klein. Deze kans is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de zone 3 van het beperkingengebied. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar is dusdanig gering dat het risico aanvaardbaar wordt geacht. Om de risico's bij een vliegtuigongeval zo laag mogelijk te houden kunnen maatregelen ten behoeve van de bestrijdbaarheid van de gevolgen, zoals het verbeteren van vlucht- en toegangswegen voor hulpdiensten, en de zelfredzaamheid van personen, zoals voorlichting, rampenbestrijdingsplannen en oefeningen, getroffen worden. Het plangebied is goed te ontvluchten en goed bereikbaar voor hulpdiensten. Het uitgangspunt voor de beoogde woningen is dat bewoners zichzelf en anderen goed kunnen redden. Er worden geen functies mogelijk gemaakt voor personen met een minder fysieke gesteldheid, die daardoor een beperkte zelfredzaamheid hebben. Verder is het advies aan personen om bij een vliegtuigongeval niet te gaan kijken, afstand te houden bij brand vanwege hitte, giftige rook en mogelijk vrijkomende gevaarlijke stoffen en 112 te bellen.
In vergelijking met de bestaande situatie draagt de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet bij aan een significante toename van het aantal potentiële slachtoffers op de grond in geval van een vliegtuigongeluk. Gelet op de geringe ongevalskans en de (zeer) beperkte omvang van de ontwikkeling, is het bovendien zeer onwaarschijnlijk dat precies hier een vliegtuig zal neerstorten. Er is daarom geen reden om vanwege de mogelijkheid van een vliegtuigongeval van de beoogde ontwikkeling af te zien.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 41
Figuur 17. Uitsnede LIB (bron; webapplicatie lib-schiphol).
Conclusie Het luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 42
woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.
Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de herontwikkeling van het Hortusplein in Sassenheim. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende extra verkeersgeneratie (weekdaggemiddelde, zie paragraaf 4.16) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 18. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 8 april 2024).
In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via Atlas Leefomgeving op 31 juli 2023) met bijbehorende grenswaarden.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 43
Tabel 1. Jaar
Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Totale concentratie NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2020
14,0
16,3
8,4
Grenswaarden
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.
Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 44
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Tauw een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. Er zijn twee onderzoeken uitgevoerd: een naar de renovatie en sloop van 6 complexen (waar de te slopen woningbouw van het Hortusplein toe behoort) en een naar de sloop van de opstallen aan Hortusplein 14 (kringloop). De rapportages zijn bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Woningen Hortusplein De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten, namelijk vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nesten (huismus en gierzwaluw) en algemene broedvogels. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op algemene broedvogels worden voorkomen. Nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet nodig. Voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde soortspecifieke protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. In tabel onderstaande figuur is per complex aangegeven welke soorten kunnen voorkomen. In en nabij alle complexen kunnen algemene broedvogels voorkomen.
Onderstaande figuur geeft een samenvatting van de toetsing van de mogelijke effecten op beschermde soorten. Figuur 19. De 6 complexen opgedeeld per plaats met de bijbehorende adressen. Per complex is aangegeven welke soorten aanwezig kunnen zijn (bron: Tauw)
Opstallen kringloop De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Wnb beschermde soorten, namelijk vleermuizen. Voor vleermuizen is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 45
protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. In onderstaande figuur is een samenvatting opgenomen van de toetsing van de mogelijke effecten op beschermde soorten. Figuur 20. Samenvatting van de resultaten van de toetsing van effecten op beschermde soorten (bron: Tauw)
Nader onderzoek Zowel te behoeve van de woningen als de kringloop is nader onderzoek vereist. Voor de woningen dient onderzoek te worden gedaan naar vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde nesten (huismus en gierzwaluw) en algemene broedvogels. Voor de kringloop dient onderzoek te worden gedaan naar vleermuizen. Op 13 oktober 2023 is door Tauw soortgericht onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder kort weergegeven. Vleermuizen zijn uitgesloten in de complexen 5022 en 5059 te Sassenheim en P069 te Noordwijk. Van deze soortgroep zijn geen verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes aanwezig in de betreffende plangebieden. Het voorkomen van huismus en gierzwaluw is uitgesloten in de complexen 4271 te Warmond, 5009, 5022 en 5059 te Sassenheim, 2031 te Voorhout en P069 te Noordwijk. In (de directe omgeving van) het plangebied van deze complexen ontbreekt het aan nestplaatsen en essentieel leefgebied van huismus en gierzwaluw. Negatieve effecten en vervolgstappen zoals het treffen van mitigerende/compenserende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing voor genoemde soorten in de betreffende complexen zijn niet nodig.
Negatieve effecten op vleermuizen kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten in de complexen 4271 te Warmond, 5009 en 5013 te Sassenheim en 2031 te Voorhout. Voor het complex 5013 te Sassenheim geldt tevens dat negatieve effecten op huismus en gierzwaluw niet zijn uitgesloten. Effecten leiden tot het overtreden van artikel 3.1, lid 1 en 2 en artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, huismus en gierzwaluw zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig en moet een ontheffing aangevraagd worden.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 46
Voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, huismus en gierzwaluw zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Te denken valt aan het werken buiten kwetsbare periodes, het plaatsen van tijdelijke en permanente alternatieve nest- en verblijfplaatsen en ecologische begeleiding. De benodigde maatregelen ten behoeve van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, huismus, gierzwaluw en ‘algemene’ broedvogels zijn terug te vinden in hoofdstuk 6. De resultaten van het soortgericht onderzoek in het plangebied zijn samengevat in figuur 17. In figuur 18 zijn uitsluitend de soorten per complex gegeven met daarbij of een ontheffing nodig is. Figuur 21. Resultaten van het soortgericht onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw in Warmond, Sassenheim, Voorhout en Noordwijk (bron: Tauw).
Figuur 22. De soorten per complex in Warmond, Sassenheim, Voorhout en Noordwijk met daarbij of een ontheffing nodig is (bron: Tauw).
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 47
Voor de beoogde ontwikkeling is enkel complex 5009, bestande uit Hortuslaan 18 en Hortuslaan 16-18, van belang. In figuur 18 is aangegeven dat voor dit complex een ontheffing noodzakelijk is ten behoeve van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Onderstaande figuur geeft een beeld van de beschermde functies van de vleermuizen in complex 5009. Figuur 23. Beschermde functies van vleermuizen in (de omgeving van) complex 5009. Een ontheffing is uitsluitend nodig voor de beschermde functies in het plangebied (bron: Tauw).
Wnb ontheffing Ten behoeve van de aangetroffen verblijfplaatsen van diverse soorten is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Deze ontheffing is inmiddels door Tauw op d.d. 22 februari 2024 aangevraagd bij de provincie Zuid-Holland (in behandeling bij Omgevingsdienst Haaglanden, verzoeknummer 20240222 00289 000). Gebiedsbescherming Op 30 oktober 2023 is door IDDS een stikstofdepositieberekening uitgevoerd ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing (zie bijlage 9: stikstofberekening, IDDS kenmerk A4424-07/VMI/rap1, 30 oktober 2023). Hieronder worden de resultaten kort weergegeven. Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS Calculator. Hierbij is een berekening gemaakt voor de uitstoot van de bouwmachines en het verkeer in de sloop-, aanleg-, bouwfase en het verkeer in de gebruiksfase. De conclusie luidt dat geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt daarom geen toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 48
Omdat het projecteffect niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr, geldt er geen vergunningsplicht volgens de Wet stikstofreductie en natuurbescherming. Een nader onderzoek naar stikstofdepositie is daarom niet nodig.
Conclusie Ten behoeve van het aspect natuur is een ontheffing aangevraagd bij de provincie Zuid-Holland ten behoeve van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Stikstof vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn. In de Nederlandse bodem zitten nog veel conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Bij het opsporen en ruimen van conventionele explosieven (CE’s) is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt. De burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet belast met de handhaving daarvan. De beslissing om in een concrete situatie al dan niet over te gaan tot het opsporen en ruimen van een CE is dus de bevoegdheid van de burgemeester. In een CE-verdacht gebied is grondroerende partij verplicht een explosieven onderzoek uit te voeren in het kader van 'veilige werkomgeving en veiligheid voor derden en de omgeving'. Er geldt geen verplichting om over te gaan tot opsporing en ruiming.
Dit hangt af van het concrete geval en dat wordt vooral beoordeeld in relatie tot het huidige en toekomstige gebruik van het gebied. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.
Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is op 12 september 2023 door IDDS onderzoek uitgevoerd naar ontplofbare oorlogsresten. De resultaten worden hieronder kort weergegeven. IDDS Explosieven B.V. heeft diverse bronnen geraadpleegd om te achterhalen of het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Er zijn te weinig indicaties die duiden op het mogelijk aantreffen van OO in het onderzoeksgebied. De termen verdacht of onverdacht zijn enkel voorbehouden aan een volledig historisch vooronderzoek wat conform het CS-VROO is uitgevoerd. Alle indicaties die wel naar voren zijn gekomen bij deze QuickScan OO wijzen erop dat de werkzaamheden zonder speciale maatregelen of onderzoek kunnen worden uitgevoerd met inachtneming van het Protocol spontaan aantreffen OO.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 49
Figuur 24. Er zijn te weinig indicaties aangetroffen die duiden op het mogelijk aantreffen van OO in het onderzoeksgebied Hortusplein te Sassenheim. Werkzaamheden dienen alhier te worden uitgevoerd met inachtneming van het Protocol spontaan aantreffen OO (bron: IDDS)
IDDS Explosieven B.V. streeft naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek. Een QuickScan Ontplofbare Oorlogsresten is echter gebaseerd op een beknopt bronnenonderzoek en betreft geen compleet historisch vooronderzoek conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO). Het blijft zodoende mogelijk dat relevante informatie niet achterhaald is, welke mogelijkerwijs tot andere uitkomsten en conclusies kan leiden.
Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
Relatie tot ontwikkeling Goudappel heeft in het kader van de herontwikkeling een onderzoek uitgevoerd naar de parkeerbehoefte en verkeersaantrekkende werking (bijlage 11: Goudappel, 16 februari 2024). Hierbij is een vergelijking gemaakt
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 50
met de huidige (planologische) situatie. Dit onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten worden hieronder weergegeven. De ontwikkeling van het Hortusplein in Sassenheim betreft de transformatie van bestaande functies. Het is in de berekeningen van belang hier rekening mee te houden door te salderen. Zo wordt namelijk bepaald of na de transformatie van het gebied voldoende parkeerplaatsen worden teruggebracht om de volledige parkeervraag op te vangen. Wat betreft het functieprogramma is onderscheid gemaakt in de huidige en toekomstige situatie. In figuur 25 is de huidige en toekomstige situatie uiteengezet. Ten opzichte van de huidige situatie wordt de supermarkt uitgebreid met ruim 400 m2 bruto vloeroppervlak (bvo), worden horecavoorzieningen gerealiseerd in de plint van het gebouw en worden 11 grondgebonden woningen bijgebouwd. Daarnaast worden de huidige sociale huurappartementen van woningcorporatie STEK nieuw teruggebracht binnen het bouwplan. Figuur 25. Huidige en toekomstige programma en situatie (bron: Goudappel).
Parkeren Bij het bepalen van de parkeernorm gaan we uit van de Parkeernota van de gemeente Teylingen (2014). De gemeentelijke normen zijn gebaseerd op CROW kencijfers uit publicatie 317. Bij het bepalen van het juiste kencijfer wordt onderscheid gemaakt in stedelijkheid en locatie. Sassenheim is aangemerkt als ‘matig stedelijk’, en het Hortusplein ligt volgens de gemeentelijke parkeernota in een ‘schil/overloopgebied’. In figuur 26 zijn de te hanteren parkeernormen weergegeven. Voor de horecavoorzieningen is uitgegaan van de functie ‘café/bar/cafetaria’. In de parkeernorm voor woningen is een aandeel bezoek opgenomen van 0,3 parkeerplaats per woning. Figuur 26. Parkeernormen conform ‘Parkeernota Teylingen 2014’ (bron: Goudappel).
Bij salderen is het per functie van belang rekening te houden met maatgevende momenten in de week. Dit wordt gedaan door uit te gaan van de gemeentelijke aanwezigheidspercentages (zie figuur 27). Aanvullend is voor de supermarkt een percentage van 100% toegepast op zondagmiddag. De Hoogvliet is namelijk ook op zondag open. Dit uitgangspunt is volgens de meest recente CROW publicatie.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 51
Figuur 27. Aanwezigheidspercentages (bron: Goudappel).
Bij salderen verminder je de parkeervraag van het ruimtelijke plan met de parkeervraag van de reeds bestaande situatie. De toepassing van deze salderingsregel is weergegeven in figuur 28. De ongewogen parkeerbehoefte, zonder rekening te houden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen, resulteert in een toename van 53 parkeerplaatsen. Het maatgevende moment ligt op de koopavond, met een toename van 43 parkeerplaatsen ten opzichte van de huidige situatie. Figuur 28. Parkeerbehoefte toekomstige vs. huidige situatie (bron: Goudappel).
Parkeeroplossing Ten behoeve van de geplande ontwikkeling wordt de huidige parkeercapaciteit uitgebreid met 46 parkeerplaatsen. Op de maatgevende koopavond zijn 43 parkeerplaatsen benodigd. Met de geplande capaciteitsuitbreiding wordt voorzien in de toename van de parkeerbehoefte. Hiermee wordt een passende parkeeroplossing aangedragen. Voorwaarde hierbij is wel dat de parkeerplaatsen allemaal een openbaar karakter kennen en niet toegewezen worden aan specifieke gebruikers. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van een nieuwe ontwikkeling wordt volgens een vaste werkwijze bepaald. In de berekening worden de CROW kencijfers, passend bij de te ontwikkelen functie, gebruikt als uitgangspunt en vermenigvuldigt met de omvang/aantallen uit het functieprogramma. Vervolgens wordt een vertaalslag gemaakt naar de verkeersgeneratie tijdens een werkdagetmaal, en tijdens de ochtend- en avondspits. De verkeersgeneratie wordt in een kwalitatieve analyse toegevoegd aan tellingen die in 2022 zijn uitgevoerd in opdracht van de gemeente Teylingen (Verkeersonderzoek HLTSamen, gemeente Teylingen). Omdat ook verkeersbewegingen gesaldeerd kunnen worden, is het van belang dat alleen de (huidige) functies worden gesaldeerd die ten tijde van de telling in functie waren. In de betreffende tabel is dit aangegeven welke functies gesaldeerd kunnen worden en welke niet.
Mees Ruimte & Milieu | 23115.RO
Pagina | 52
Binnen de CROW kencijfers is een bandbreedte beschikbaar. In de berekeningen is ervoor gekozen om uit te gaan van het CROW-kencijfer dat aansluit bij de parkeernorm van de gemeente. In figuur 25 zijn de functies gekoppeld aan een CROW-kencijfer. Dit kencijfer geeft de verkeersgeneratie weer tijdens een gemiddeld weekdagetmaal. Voor de functie ‘café/bar/cafetaria’ ontbreekt een kencijfer voor verkeersgeneratie. Om voor de horecafuncties wel tot een inschatting van het aantal verkeersbewegingen te komen is een turn-over per parkeerplaats gehanteerd: 6,0 motorvoertuigbewegingen per parkeerplaats. Dit houdt in dat de parkeerplaatsen bestemd voor de horecafuncties 3x per dag door een uniek extern voertuig wordt gebruikt, uitgaand van één aankomst en één vertrek per uniek bezoek. In de berekeningen is de ongewogen parkeerbehoefte voor de horecafunctie van afgerond 20 parkeerplaatsen gehanteerd als uitgangspunt in de verkeersgeneratieberekening. Figuur 29. Gehanteerde CROW kencijfers (bron: Goudappel).