23. getekend 6. (Aangepast nieuw) Toelichting - Chw bestemmingsplan Nieuw Boekhorst
Tekst van het document
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1
Inleiding
Witteveen en Bos heeft voor het planvoornemen onderzocht of er vanuit het thema luchtkwaliteit knelpunten zijn voor de beoogde ontwikkeling. Dit rapport is als Bijlage 23 toegevoegd. Aanleiding voor het onderzoek is dat aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de grenswaarden vanuit de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners. 5.6.2
Onderzoek
Gezien de verkeersaantrekkende werking, zie paragraaf 3.4 Mobiliteit, van het plan kan niet op voorhand worden gesteld dat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden door het project, of dat er sprake is van een verbetering dan wel gelijkblijvende luchtkwaliteit. Om dit te bepalen is een NIBM-berekening (niet in betrekkende mate berekening) uitgevoerd.
69
Afbeelding NIBM-berekening Uit bovenstaande NIBM-berekening blijkt dat daarmee niet voldaan kan worden aan de NIBM-grens van geen grotere verslechtering dan 1,2 µg/m3. Om aan te tonen dat het plan niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit zijn berekeningen uitgevoerd. In de berekening zijn de N444, NRW, Leidsevaart en de hoofdontsluiting gemodelleerd als emissiepunten voor de concentraties NO 2, PM10 en PM2.5. Vanuit de berekening komende de volgende resultaten:
* Omdat er geen referentiesituatie is berekend, komt de definitie van de projectbijdrage in deze kolom overeen met het effect op de luchtkwaliteit als gevolg van de totale verkeersintensiteiten op de gemodelleerde wegen, en niet de toename van de verkeersintensiteiten tussen de projectsituatie en de referentiesituatie. De daadwerkelijke projectbijdrage op de wegen buiten het plangebied zal daarmee in werkelijkheid kleiner zijn. Ondanks dat het project bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving blijkt op basis van de uitgevoerde berekeningen dat op alle toetspunten voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden vanuit de Wm. Verder volgen er geen beperkingen voor de beoogde gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.6.3
Conclusie
Vanuit luchtkwaliteit zijn er geen knelpunten voor de realisatie van het planvoornemen.
5.7
M.e.r. beoordeling
5.7.1
Inleiding / onderzoek
Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.
70
Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld, zie Bijlage 24. Daaruit volgt dat het plan niet plan m.e.r.-plichtig is. Voor het plan is wel een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld waarbij is getoetst aan de drie selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet het bevoegd gezag in staat stellen te besluiten of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk maakt. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus geen beoordeling van de milieueffecten die in het kader van een bestemmingsplan noodzakelijk is, maar (uitsluitend) een beoordeling van de vraag of een MER noodzakelijk is. Daarvoor wordt in beeld gebracht of 'belangrijke nadelige milieugevolgen' kunnen worden uitgesloten. Als wordt geconcludeerd dat geen MER noodzakelijk is, dan blijft vanzelfsprekend de normale verplichting tot het beschouwen van milieueffecten ten behoeve van het ruimtelijk plan aanwezig. 5.7.2
Conclusie
De uitkomst van de m.e.r.- beoordeling is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en de locatie van het project die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in de directe omgeving. Het bevoegd gezag heeft daarom op 29 augustus 2023, voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. In dat besluit is geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling niet tot belangrijke milieugevolgen zal leiden en dat een milieueffectrapport zoals bedoeld in de Wet milieubeheer daarmee niet nodig is (zie bijlage 25).
5.8
Molenbiotoop
De regels aangaande de molenbiotoop in het bestemmingsplan zijn in overeenstemming gebracht met de omgevingsverordening Zuid-Holland. Aanvullend daarop. Voor het behoud van traditionele windmolens is het van belang dat deze technisch kunnen blijven functioneren. Een zoveel mogelijk onbelemmerde windtoetreding is daarvoor nodig. Bebouwing en begroeiing in de nabijheid van een molen kunnen windbelemmeringen veroorzaken, waardoor rendementsverlies ontstaat. Voor het planvoornemen is er windhinderonderzoek uitgevoerd door Peutz. Zie hiervoor Bijlage 26. Verder is door Witteveen en Bos een windvang analyse uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 27. Uit deze analyse blijkt dat in vergelijking met de situatie uit 2019 (aanwezigheid hoge bomen) dat de windvang aanzienlijk verbeterd is. Deze zijn verwijderd ten behoeve van de herinrichting van de provinciale weg N444. In de onderstaande afbeelding en in Bijlage 27 is de situatie van zowel 2019 als de toekomstige situatie weergegeven. Voor de volledigheid zijn hierin ook de planologisch mogelijk op te richten geluidschermen langs de N444 aangegeven. Daarbij is het wel goed te benoemen dat vooralsnog voor geluid langs de N444 niet gekozen wordt voor deze oplossing, zie hiervoor ook paragraaf 5.2
Afbeelding doorsnedes hoogtes bestaande en toekomstige bebouwing ten opzichte van de bomenrij uit 2019 en ten opzichte van de molenbiotoop
71
Als ten opzichte van de molen de hoogtes van de referentiesituatie (hoge bomenrij 2019) worden vergeleken met de verhoogde ligging van de provinciale N444 en met de planologisch mogelijk aan te leggen geluidschermen langs de N444 en de oprichting van de school, blijkt dat ten opzichte van de referentiesituatie geen hogere bebouwing of andere windvang belemmerende objecten worden gerealiseerd. Zowel de N444 en de beoogde school binnen de molenbiotoop (maximale bouwhoogte 8,65 meter) liggen beduidend lager ten opzichte van de molen dan de bomenrij in 2019. Ten aanzien van oppervlakte van de windvang van de molen blijkt dat de toekomstige situatie een verbetering is. Geconcludeerd dat per saldo sprake is van een verbetering van de windvang van de molen. De beoogde hoogte van het schoolgebouw past echter niet binnen de maximale toegestane hoogtes van de molenbiotoop. Gelet op voorgaande motivering wordt voor het beoogde schoolgebouw gesteld dat een binnenplanse omgevingsvergunning kan worden aangevraagd tezamen met de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen. In de regels voor de molenbiotoop is deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Deze mogelijkheid is ook in lijn met provinciaal beleid, waarbij gebruik gemaakt wordt van artikel 6.25 2 a in de provinciale Omgevingsverordening.
Een afwijking van de hoogtes is mogelijk als een ontwikkeling binnen een molenbiotoop plaatsvindt waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing. Hierbij geldt dat de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt. Uit bovenstaande motivering volgt dat uitgaande van de referentiesituatie met de hoge bomen, huidige situatie (ligging provinciale weg N444), en de beoogde realisatie van het schoolgebouw / sporthal een hogere bouwhoogte mogelijk is dan de molenbiotoop toelaat. Specifiek voor het beoogde schoolgebouw / sporthal wordt deze afwijkende en toegestane bouwhoogte van 8,65 meter direct toegestaan en geregeld in de regeling van de molenbiotoop van voorliggend bestemmingsplan.
5.9
Natuur en ecologie
5.9.1
Inleiding
Witteveen en Bos heeft voor het planvoornemen de aspecten natuur en de ecologie onderzocht. De oplegnotitie van de uitgevoerde onderzoeken is opgenomen in de Bijlage 28. Alle volledige onderzoeksrapporten zijn opgenomen als bijlage bundel in Bijlage 29. Het gaat hierom de volgende onderzoeken: Gebiedsverkenning Nieuw Boekhorst quickscan natuur, Witteveen en Bos, referentie 121840-22-014.291, d.d. 7 oktober 2022 Rugstreeppad onderzoek, Witteveen en Bos, referentie 121840-21-016.514, d.d. 4 november 2021 Oplegnotitie vleermuisonderzoeken, Witteveen en Bos, referentie 121840-22-014.913, d.d. 25 oktober 2022 1. Nader Vleermuisonderzoek Wet Natuurbescherming Meidoornrode 39 - Voorhout, Witteveen en Bos, referentie 19051981/RSL/rap1 d.d. 28 november 2019 2. Nader Vleermuisonderzoek Wet Natuurbescherming Boekenburglaan 57/57a Voorhout, Witteveen en Bos, referentie 19051981/RSL/rap1 d.d. 28 november 2019 3. Nader vleermuisonderzoek Boekenburglaan 57/57a - Voorhout (actualisatie 2021), Witteveen en Bos, referentie 121840/22-012.755, d.d. 7 september 2022 Onderzoek Platte Schijfhoren, Breur, referentie N22046v04, d.d. 22 september 2022 Onderzoek jaarrond beschermde nesten, Witteveen en Bos, referentie 121840-22-018.306, d.d. 15 december 2022 Controle jaarrond beschermde nesten en potenties voor vleermuizen, Witteveen en Bos, referentie 121840/22-015.232, d.d.
25 oktober 2022 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt er onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortbescherming. 5.9.2
Onderzoek
In de oplegnotitie, zie Bijlage 28 Oplegnotitie Flora en Fauna, wordt een samenvatting gegeven van de belangrijkste conclusies van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot natuur en ecologie ter plaatse van Nieuw Boekhorst Quickscan natuur Er is een quickscan natuur uitgevoerd (ref. 121840/22-014.291, dd. 7 oktober 2022) waarbij twee veldbezoeken hebben plaatsgevonden. Bij de quickscan is er getoetst op mogelijke
72
effecten op beschermde gebieden (natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)) en beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt op 3 km en 5,8 km van de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide. Directe effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring optreden binnen de Natura 2000-gebieden worden daarom op voorhand uitgesloten. Ook van externe werking is geen sprake. Voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase van de ontwikkeling. Hieruit blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt ten gevolge van de aanlegfase en de gecombineerde aanleg- en gebruiksfase. Zie paragraaf 5.9.3. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied voor de woonwijk ligt niet in NNN gebied en bevat geen ecologische verbindingen. Van ruimtebeslag als gevolg van de realisatie van de woonwijk is geen sprake. De noordelijke punt ligt wel deels binnen het NNN. Hier wordt echter het NNN juist versterkt en voor een deel geschikt gemaakt voor rugstreeppad waarbij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN dus niet worden aangetast. De provincie Zuid-Holland heeft verder geen externe werking als toetsingscriterium.
Een nadere procedure in de vorm van een ‘Nee, tenzij-toets’ is niet noodzakelijk waardoor belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid niet aan de orde zijn. Verder ligt het plangebied niet in overige provinciaal beschermde gebied zoals gebied voor de weidevogels en strategische reservering natuur. En zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Zie voor de verdere onderbouwing m.b.t. het landschap paragraaf 4.3.1 Landschap.
Soortenbescherming Op basis van de quickscan natuur zijn negatieve effecten als gevolg van de realisatie van de nieuwe woonwijk op onder de Wnb beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, reptielen, vissen en vlinders, libellen en ongewervelden uitgesloten. Wel vinden er mogelijk negatieve effecten plaats op vleermuizen, algemene broedvogels, vogels met jaarrond beschermde nesten en rugstreeppad plaats. Daarom zijn voor deze soortgroepen soortgerichte onderzoeken uitgevoerd. Daarnaast is het plangebied voor de zekerheid ook onderzocht op de aanwezigheid van platte schijfhoren. De resultaten van deze onderzoeken worden hierna beschreven. Onderzoek rugstreeppad In 2021 is er door Witteveen+Bos een soortgericht onderzoek naar rugstreeppad uitgevoerd. Op basis van het onderzoek is er habitat voor rugstreeppad binnen het plangebied vastgesteld. Het betreft een leefgebied van circa 9 hectare dat binnen het plangebied aanwezig is en stapsgewijs wordt vernietigd. Daarbij kunnen de werkzaamheden voor het realiseren van de nieuwe woonwijk leiden tot het doden van rugstreeppadden, tot het (opzettelijk) verstoren van rugstreeppadden en tot het beschadigen en vernielen van voortplantings- en overwinteringsbiotoop.
Dit leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden van dieren), lid 2 (opzettelijk verstoren van dieren), lid 3 (ei-snoeren opzettelijk vernielen) en lid 4 (rust- en verblijfplaatsen vernietigen) van de Wet natuurbescherming. Daarom is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd en worden mitigerende en compenserende maatregelen uitgevoerd om aantasting van de lokale staat van instandhouding van rugstreeppad te voorkomen. In het activiteitenplan dat bij de ontheffingsaanvraag is ingediend is dit nader uitgewerkt (ref. 121840/22-014.300, dd. 7 oktober 2022, Bijlage 30). De ontheffing Wet natuurbescherming is verleend en toegevoegd als Bijlage 32. Vleermuisonderzoeken De algemene conclusie van de uitgevoerde vleermuisonderzoeken is dat de Leidsevaart en Haarlemmertrekvaart en de Molentocht gebruikt worden als mogelijk essentiële vliegroute door gewone dwergvleermuis, watervleermuis en meervleermuis. Daarnaast is er een verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis aanwezig bij de Meidoornrode 39. De woning aan de Meidoornrode 39 wordt ingepast in het plan en niet gesloopt. Bij Boekenburglaan 57/57a is geen verblijfplaats van vleermuizen aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te kappen bomen wordt op voorhand uitgesloten, omdat er geen holtes,
73
scheuren en/of loszittend schors aanwezig zijn die hiervoor gebruikt kunnen worden. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen zijn niet nodig indien werkzaamheden overdag worden uitgevoerd, gebruik gemaakt wordt van vleermuisvriendelijk lichtbeheer. Waarbij de watergangen niet verlicht mogen worden en ervoor gezorgd wordt dat bij de buitenste rij nieuwe bebouwing langs de bestaande woningen van de aangrenzende woonwijk zonder sterke trillingen wordt gewerkt. Onderzoek platte schijfhoren Het onderzoek heeft geen aanwezigheid van de platte schijfhoren aangetoond in het plangebied. Op een aantal uitzonderingen na was het grootste deel van de sloten niet, of slechts zeer marginaal geschikt voor deze soort. Op basis van het nu uitgevoerde onderzoeken zijn er geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor platte schijfhoren. Onderzoek jaarrond beschermde nesten Op basis van de uitgevoerde onderzoeken zijn er geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor jaarrond beschermde nesten. Verstoring van broedende algemene broedvogels dient voorkomen te worden door werkzaamheden voor het broedseizoen in te zetten en continu door te werken of het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedvogels.
Verstoring van mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten in de eerstelijns bebouwing buiten het plangebied wordt voorkomen door bij de buitenste rij nieuwe bebouwing langs de bestaande woningen van de aangrenzende woonwijk zonder sterke trillingen te werken. Coördinatieregeling De gemeenteraad van Teylingen heeft besloten op 3 november 2022 om de coördinatieregeling toe te passen in verband met de ontwikkeling van "Nieuw Boekhorst" voor de ruimtelijke procedure van het bestemmingsplan en de te verlenen ontheffing op grond van artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming. De coördinatieregeling zorgt voor een versnelde gecoördineerde behandeling van de procedures en schept tegelijkertijd transparantie over het proces. 5.9.3
Stikstof
Voor de ontwikkeling is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd om de stikstofemissies en -deposities als gevolg van de bouw en de ingebruikname van Nieuw Boekhorst in beeld te brengen. Daarnaast is dit onderzoek uitgevoerd om te analyseren of toename van stikstofdepositie op voorhand kan worden uitgesloten wanneer de bestaande landbouwgronden ingezet worden voor intern salderen. Uit de berekeningen (zie Bijlage 31) blijkt dat de ontwikkelingen die met het bestemmingsplan Nieuw Boekhorst mogelijk worden gemaakt, niet leiden tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie in de aanlegfase, gecombineerde aanleg- en gebruiksfase en de permanente gebruiksfase. Er is daarbij gebruik gemaakt van het instrument intern salderen (zie onderstaand) waarbij is beoordeeld of het toekomstige gebruik, ten opzichte van het huidige agrarische grondgebruik een toename geeft in de depositie. Intern salderen Wanneer de beoogde activiteit stikstofdepositie veroorzaakt, kan er mogelijk intern worden gesaldeerd. In dat geval wordt de emissie van een reeds bestaande activiteit dusdanig verlaagd dat de nieuw te veroorzaken depositie binnen hetzelfde project of van dezelfde locatie daar tegen gesaldeerd (‘weggestreept’) wordt.
Indien door interne saldering per saldo geen toename van effecten optreedt, zijn significante gevolgen op voorhand uitgesloten en is voor de voorgenomen activiteit geen natuurvergunning benodigd. Dit is geval voor ontwikkeling van de Nieuw Boekhorst, bij de vergelijking van de referentiesituatie (aanwezigheid landbouwgronden) qua stikstofdepositie met de aanleg- en permanente gebruikssituatie voor de ontwikkeling van Nieuw Boekhorst. Conclusie Op basis van de gehanteerde uitgangspunten voor de aanleg- en gebruiksfase (in de periode 2024-2031 en vanaf 2032) blijkt dat de ontwikkeling van Nieuw Boekhorst niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten gevolge van het planeffect. Er kan op voorhand worden geconcludeerd dat significante negatieve effecten op de natuurwaarden in Natura-2000 gebieden als gevolg van stikstofdepositie niet optreden. Er vindt zowel tijdens de aanleg- als gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie plaats ten opzichte van de referentiesituatie
74
die bestaan uit het gebruik agrarische landbouwgronden. De beoogde ontwikkelingen kunnen daarmee worden opgenomen in het bestemmingsplan Nieuw Boekhorst. Er is voor het bestemmingsplan geen noodzaak tot het opstellen van een voortoets en Passende Beoordeling.
5.9.4
Conclusie
Het planvoornemen kan gezien vanuit ecologie gerealiseerd worden door het treffen van maatregelen. Er dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen voor vleermuizen zoals het gebruik maken van vleermuisvriendelijk verlichting en ervoor zorgen dat bij de buitenste rij nieuwe bebouwing langs de bestaande woningen van de aangrenzende woonwijk zonder sterke trillingen wordt gewerkt. Verder is een beschikking ontheffing Flora en Fauna door de omgevingsdienst Haaglanden afgegeven. Deze ontheffing is nodig voor de rugstreeppad omdat de werkzaamheden voor het realiseren van de nieuwe woonwijk kunnen leiden tot negatieve gevolgen voor rugstreeppadden. Ook zijn voor het beschermen van de rugstreeppad specifieke regels opgenomen in dit bestemmingsplan. De beschikking is toegevoegd als Bijlage 32. Daarnaast leidt, door gebruik te maken van intern salderen, de ontwikkeling van Nieuw Boekhorst niet tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie in de aanlegfase, gecombineerde aanleg- en gebruiksfase en de permanente gebruiksfase.
5.10 Ontplofbare Oorlogsresten 5.10.1
Inleiding
T&A Survey B.V. heeft voor het planvoornemen de eventueel aanwezige Ontplofbare Oorlogsresten onderzocht. Aanleiding voor dit onderzoek is dat grondroerende werkzaamheden uitgevoerd worden en de eventueel aanwezige Ontplofbare Oorlogsresten (verder “explosieven” en “OO”) een risico vormen voor de uit te voeren werkzaamheden. De onderzoeken naar de ontplofbare oorlogsresten zijn als Bijlage 33, Bijlage 34 en Bijlage 35 toegevoegd. 5.10.2
Onderzoek
Vooronderzoek Uit het vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (zie Bijlage 33) blijkt dat er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van explosieven binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is daarmee (deels) verdacht gebied. Aan hand van de resultaten wordt het volgende aanbevolen om de veiligheid tijdens het uitvoeren van de geplande werkzaamheden te waarborgen: Er zijn grondroerende werkzaamheden gepland in verdacht gebied (rode en/of oranje gebieden, zie onderstaande afbeelding), waardoor aanvullende veiligheidsmaatregelen aanbevolen worden: 1. Opsporingsonderzoek laten uitvoeren. Zie kop nader onderzoek. Indien er werkzaamheden zijn gepland waarbij grote trillingen worden veroorzaakt, namelijk het heien/intrillen van palen en/of damwanden worden aanvullende veiligheidsmaatregelen aanbevolen. Voor elke paal of damwand die geheid wordt binnen verdachte deelgebied 1, of binnen een straal van 10 meter van deze verdachte deelgebieden, dient rekening gehouden te worden met de risico's van trillingen. De volgende aanvullende veiligheidsmaatregelen worden aanbevolen: 1. Opsporingsonderzoek laten uitvoeren. Zie kopje nader onderzoek
75
Afbeelding uitkomsten vooronderzoek Nader onderzoek Het plangebied dat rood is gearceerd in bovenstaande kaart is nader onderzocht. Dit betreft een deel van het nieuwbouwgebied, de Driehoek en bestaande percelen. Nader onderzoek woongebied en bestaande percelen Uit dit opsporingsonderzoek (zie Bijlage 34) naar de ontplofbare oorlogsresten is een proces-verbaal van oplevering opgesteld. In de onderstaande kaart zijn de resultaten van het uitgevoerde explosievenonderzoek weergegeven.
76
Afbeelding kaart uitkomsten nader onderzoek Uit bovenstaande kaart blijkt dat het detectie onderzoek 22 verdachte object(en) heeft opgeleverd (oranje gearceerd) waarvan niet kan uitgesloten worden dat het een explosief betreft. Indien ter plaatse van een verdachte object grondroerende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd, wordt geadviseerd nader onderzoek uit te laten voeren. Verder is een deel van het gebied (blauw gearceerd) niet ingemeten gebied door de aanwezigheid van: Struikgewas/bosschages/bomen Niet toegankelijk terrein i.v.m. afdekmateriaal, hoge begroeiing Overige objecten, zoals schommelstoel, auto’s Steil talud langs waterwegen Depots/bergen grond Het onderzoek heeft geresulteerd in vrijgegeven gebied, met uitzondering van de verdachte objecten binnen vrijgegeven gebied, tot de diepte zoals aangegeven in de bovenstaande kaart. De (beperkte) vrijgave is gebaseerd op de uitgevoerde opsporingswerkzaamheden in combinatie met bekende informatie over naoorlogse grondroering. Het onderzoek heeft geresulteerd in 3.934 m2 verstoord gebied. De geconstateerde verstorende factoren zijn: Bovengrondse obstakels (zoals hekwerken, kassen,) Ondergronds aanwezige verstorende objecten (zoals puin houdend materiaal, ijzerhoudende objecten) Advies
77
Indien grondroerende werkzaamheden plaatsvinden binnen niet vrijgegeven gebied, wordt geadviseerd nader onderzoek uit te laten voeren. Eveneens is nader onderzoek nodig bij gebieden die niet ingemeten zijn, verstoorde gebieden en de plekken waar verdachte objecten aanwezig zijn. Werkzaamheden binnen het vrijgegeven gebied kunnen regulier worden uitgevoerd. Nader onderzoek de Driehoek
Afbeelding kaart uitkomsten nader onderzoek Uit bovenstaande kaart blijkt dat het detectie onderzoek 23 verdachte object(en) heeft opgeleverd (oranje gearceerd) waarvan niet kan worden uitgesloten dat het een explosief betreft. Indien ter plaatse van een verdachte object grondroerende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd, wordt geadviseerd nader onderzoek uit te laten voeren. Verder is een deel van het gebied (blauw gearceerd) niet ingemeten gebied door de aanwezigheid van: Zeer drassige bodem Vegetatie (oeverbegroeiing, struikgewas, distels) Het opsporingsonderzoek (zie bijlage 35) heeft geresulteerd in vrijgegeven gebied en boorlocaties, met uitzondering van de verdachte objecten binnen vrijgegeven gebied, tot de diepte zoals aangegeven in de bovenstaande kaart. Op basis van de detectiewerkzaamheden en op basis van vastgestelde naoorlogse grondroering kunnen de onderzoekwerkzaamheden op deze locaties veilig worden uitgevoerd. Het onderzoek heeft geresulteerd in 254 m2 verstoord gebied. De geconstateerde verstorende factoren zijn:
78
Bovengrondse obstakels (zoals hekwerken, infrastructuur) Ondergronds aanwezige verstorende objecten (zoals puin houdend materiaal, ijzerhoudende objecten). Advies De geplande werkzaamheden binnen het vrijgegeven gebied kunnen regulier worden uitgevoerd. Het rode (vanaf maaiveld tot 4,3 m-mv) en oranje (vanaf 2,0 m-mv) deel van de ontwikkelingslocatie is verdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Daar waar, binnen het verdachte gebied, grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd of waar grote trillingen kunnen ontstaan dient een nader onderzoek en/of opsporingsonderzoek uitgevoerd te worden. Verder is er ook nader onderzoek nodig bij gebieden die niet zijn ingemeten, verstoord zijn en de plekken waar verdachte objecten aanwezig zijn. 5.10.3
Conclusie
Uit het vooronderzoek voor woongebied Nieuw Boekhorst en de nadere onderzoeken voor een deel van het plangebied volgt dat nog niet het gehele plangebied vrijgegeven kan worden. Derhalve is een borging nodig in de planregels (artikel 13.2.6 in de planregels) dat nader onderzoek moet plaatsvinden indien daar bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen. Omdat nog niet alle verdachte locaties zijn onderzocht kunnen er wel (financiële) belemmeringen zijn voor de ontwikkeling. Voor het bestemmingsplan is aangetoond dat het gehele plan uitvoerbaar is. Zie ook paragraaf 7.1 Economische uitvoerbaarheid.
5.11 Trillingen 5.11.1
Inleiding
Witteveen en Bos heeft voor het planvoornemen de trillinghinder ten gevolge van railverkeer bepaald. Dit rapport is als Bijlage 36 toegevoegd. Aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen woningen in het plangebied op relatief korte afstand van de spoorlijn te realiseren. Het onderzoek is uitgevoerd voor een tweetal nieuw te bouwen gebouwen, zijnde het appartementengebouw in het uiterste noordoosten van het nieuwbouwplan en voor de grondgebonden woningen. Deze woningen worden gerealiseerd op de kortste afstand tot het spoor. 5.11.2
Onderzoek
Uit het onderzoek blijkt dat voor het appartementengebouw de verwachte trillingssnelheden op vloerniveau de streefwaarde van A1 overschrijden, maar onder de grenswaarde A2 liggen met lage periodieke trillingsniveaus en daarmee dus voldoen. De voorspelde trillingsniveaus zijn gebaseerd op de metingen ter plaatse. Aangezien de locatie van het appartementengebouw ten opzichten van het spoor nog niet vast staat, is een korte analyse gedaan wat de afstand van het gebouw tot het spoor minimaal moet zijn om hinder te voorkomen. Voor de afstanden tussen de 20 meter en 45 meter zijn de voorspelde trillingen onder de grenswaarde A2 voor hinder en dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het periodieke trillingsniveau. In de afstand minder dan 20m wordt niet voldaan aan de streefwaarde en kunnen de appartementen niet geplaatst worden. In de afstand 45 meter of meer wordt voldaan aan de grenswaarden en kan het appartementengebouw geplaatst worden zonder nader onderzoek. Voor de grondgebonden woningen is de aanpak gebaseerd op meetpunten dicht bij het spoor en op de toekomstige locatie van het appartementengebouw. Hierbij is een conservatieve aanpak gehanteerd omdat trillingsmetingen een bijzonder trillingsbeeld op de locatie laten zien waarbij horizontale trillingsniveaus relatief hoog zijn en niet afnemen met afstand vanaf het spoor.
Met de gehanteerde conservatieve aanpak wordt de grenswaarde A2 in de nacht éénmaal met 5 % overschreden door onderhoudsmaterieel, wanneer geen reductie wordt toegepast voor de grotere afstand van de grondgebonden woningen tot het spoor. De eerstvolgende maatgevende passage is een goederentrein die exact aan de grenswaarde voldoet. Uit het onderzoek volgt ook de grondgebonden woningen voldoen aan de grenswaarde A2 van SBR-B. Aangezien de locatie van de grondgebonden woningen ten opzichte van het spoor nog niet vaststaat, is een korte analyse verricht wat de afstand van het gebouw tot het spoor minimaal moet zijn om hinder te voorkomen. Wanneer de afstand van het spoor tot de grondgebonden woningen groter wordt dan 62 meter, wordt er voldaan aan de grenswaarde en kunnen de grondgebonden woningen gebouwd worden zonder
79
uitvoering nader onderzoek. Wanneer de grondgebonden woningen tussen de 30 meter en 62 meter gebouwd worden is er nader onderzoek nodig naar het periodieke trillingsniveau. In de afstand minder dan 30 meter wordt niet voldaan aan de grenswaarde en kunnen de grondgebonden woningen niet geplaatst worden. 5.11.3
Conclusie
Trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Binnen een afstand van 20 meter worden geen woningen gerealiseerd. Echter dient er wel nader onderzoek uitgevoerd te worden indien het appartementengebouw tussen 20 meter en 45 meter wordt geplaatst en indien de grondgebonden woningen tussen 30 meter en 62 meter wordt geplaatst. Dit is opgenomen in twee voorwaardelijke verplichtingen: "specifieke vorm van woongebied - voorwaardelijke verplichting trillingshinder 1"en "specifieke vorm van woongebied - voorwaardelijke verplichting trillingshinder - 2".
5.12 Waterhuishouding 5.12.1
Inleiding
Witteveen en Bos heeft voor het planvoornemen de watertoets opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 37 toegevoegd. Als onderdeel van het bestemmingsplan dient er een watertoets opgesteld te worden. Het opgestelde rapport dient als watertoets voor de ontwikkeling van Nieuw Boekhorst. Alle gemaakte afspraken en ontwerpkeuzes voor het toekomstig watersysteem worden hierin uiteengezet. De ontwikkeling Nieuw Boekhorst ligt gedeeltelijk in de polder Boekhorst en gedeeltelijk in de boezem van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR). In aanloop naar het bestemmingsplan, is het ontwerp voor het nieuwe watersysteem in nauwe afstemming tussen het Hoogheemraadschap Rijnlijn, Witteveen+Bos (namens de marktpartijen) en de gemeente tot stand gekomen. Op het verzoek van het HHR wordt het plangebied op boezempeil ontwikkeld. Het bepalen van de nieuwe begrenzing van het polderland versus boezemland is een belangrijke ontwerpopgave voor alle betrokkenen. Aanvullende ontwerpkeuzes die ook aan bod zijn gekomen hebben betrekking op alle aspecten van de waterhuishouding, zoals voldoende waterberging, drooglegging, de waterbalans en klimaatadaptatie. Verder is er getoetst aan het meest recente beleid van het Hoogheemraadschap, wat bestaat uit onder andere Waterbeheerprogramma 6 (WBP6). 5.12.2
Onderzoek
In de nieuwe situatie vinden de volgende grote wijzigingen plaats in het watersysteem: toename van verhardoppervlak en het wateroppervlak; het waterpeil (polder) van (het grotendeel) van het plangebied wordt verhoogd naar boezempeil; de waterkering en peilscheiding wordt met de wijziging van het waterpeil verplaatst. Voor een volledige beschrijving van deze gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie wordt verwezen naar Bijlage 37. De wijziging van de waterkering is toegelicht in subparagraaf 5.12.3. Voor het onderdeel watercompensatie zijn de belangrijkste conclusies: In de nieuwe situatie in het plangebied verandert de oppervlakteverdeling ten opzichte van de huidige situatie. Voor het dempen van watergangen, en per toename verharding moet watercompensatie worden gerealiseerd. De wateropgave bestaat uit de volgende componenten: in het plangebied wordt het merendeel van het aanwezige oppervlaktewater gedempt. Hiervoor moet in de nieuwe situatie in ieder geval al het oppervlaktewater in de referentiesituatie 1-op-1 gecompenseerd worden; de toename verharding van het nieuwe plangebied ten opzichte van de referentiesituatie dient gecompenseerd te worden met wateroppervlakte: 15 % extra wateroppervlak per toename verharding.
Dit betekent dat het te compenseren wateroppervlak 15 % van de toename oppervlak verharding ten opzichte van de huidige situatie bedraagt; maximaal 20 % van de toename van verhard oppervlakte mag worden gerealiseerd in de vorm van alternatieve waterberging zoals wadi’s (55 mm per verhard oppervlak). Uit het onderzoek volgt dat in totaal sprake is van een toename van circa 19,73 ha aan
80
verharding. In de bestaande situatie is er 26,68 ha aanwezig en in de nieuwe situatie wordt 46,5 ha aan oppervlaktewater aangelegd. Er is sprake een toename van circa 1,98 ha wateroppervlak. In dit project wordt 83 % van de toename verharding gecompenseerd in oppervlaktewater, 17 % van de toename verharding in alternatieve waterberging, en wordt de overcompensatie gebruikt van de aangrenzende Noordelijke Randweg om te voldoen aan de benodigde watercompensatie.
Overschot aan waterberging vanuit de aanleg van de Noordelijke Randweg Op 8 april 2021 is door het HHR vergunning verleend voor het dempen en graven van oppervlaktewater en het verleggen van de regionale waterkering voor de aanleg van de Noordelijke Randweg te Voorhout. De vergunning is ingeschreven onder nummer 2021-003945. Uit de vergunning blijkt dat een overcompensatie aanwezig is van 993 m2 in de Polder Boekhorst en een overcompensatie van 3.843 m2 in de Boezem. De overcompensatie bedraagt 4.836 m2. De gemeente Teylingen heeft toestemming gegeven om de overcompensatie over te dragen aan project Nieuw Boekhorst.
Toelichting wateropgave Voor 83 % van de toename verharding (163.810 m2 ) is een wateroppervlak benodigd van 24.572 m2. De toename van het wateroppervlak in het plangebied is 19.813 m2 . Er is dus nog een tekort van 4759 m2 . Echter, mag het overschot aan watercompensatie van de aangrenzende Noordelijke Randweg worden gebruikt van 4.836 m2. Netto is er dus een overcompensatie van +77 m2 in het plan. De wateropgave wordt sluitend gemaakt door 17 % van de toename verharding (33.551 m2 ) te compenseren in alternatieve waterberging van 55 mm. Dit komt neer op een benodigde watercompensatie van 1.845 m³ in alternatieve waterberging. Met het waterschap is afgestemd dat het type waterbergingsvoorzieningen in de nadere uitwerkingsfase ter voorbereiding van de watervergunning worden uitgewerkt. Dit betekent dat het plan voldoet aan de benodigde watercompensatie conform de beleid- en regelgeving van het HHR.
5.12.3
Wijziging waterkering
Ter plaatse van het hoofdplangebied (plangebied exclusief de Driehoek) is het advies van het HHR om het polderpeil naar boezem te brengen. De voornaamste redenen hiervoor zijn, een robuuster, toekomstbestendiger watersysteem met hogere waterkwaliteit dan wanneer het gebied op polderpeil wordt gehanteerd, meer berging in de boezem, de lengte van de waterkering te verkorten, en de bestaande doodlopende sloot langs de Mauritsstraat ter hoogte van de Boekenburglaan te koppelen aan het nieuwe watersysteem van Nieuw Boekhorst. Er heeft nauwe afstemming plaatsgevonden tussen de markpartijen, gemeente en het hoogheemraadschap om tot een voorkeursvariant te komen. In onderstaande afbeelding is het toekomstig waterpeil weergegeven. Er is onderscheid gemaakt in wat nu al boezemgebieden zijn, en wat boezemgebied wordt in de nieuwe situatie. De huidige boezemgebieden zijn weergegeven in het grijs/paars. Dit is de woonwijk ten zuidoosten van het plangebied, en de Haarlemmertrekvaart. Tussen de Haarlemmer Trekvaart en de Noordelijke Randweg is de zone aangegeven die momenteel, in de tussenfase (zoals genoemd door het Hoogheemraadschap) is bestemd als boezem. In de nieuwe situatie wordt alles wat wordt ontwikkeld het polderpeil naar boezempeil gebracht.
Plan Nieuw Boekhorst verhogen naar boezempeil betekent dat de regionale kering aangrenzend aan de Noordelijke Randweg komt te vervallen en verplaats naar de oostelijke plangrens van plan Nieuw Boekhorst. Het watersysteem in Nieuw Boekhorst is zodoende gescheiden van het watersysteem in de naastgelegen polder. Ter plaatse van het plangebied komen de wegen op een straatpeil van minimaal NAP +0,40 m, en het vloerpeil op minimaal NAP +0,60 m. Dit betekent een drooglegging van minimaal 1,0 m in de nieuwe situatie.
81
Afbeelding toekomstig waterpeil hoofdplangebied Nieuw Boekhorst Toekomstig waterpeil Driehoek De ontwikkeling van de Driehoek, wordt meegenomen als onderdeel van de ontwikkeling van Nieuw Boekhorst en er is een keuze gemaakt over het waterpeil in de Driehoek. Het waterpeil in de Driehoek wordt deels verhoogd naar boezempeil met een strook van circa 30 m, en merendeel van het gebied wordt behouden op polderpeil.
82
Afbeelding toekomstig waterpeil Driehoek Resumé waterkeringen De nieuwe kering is ook weergegeven op de het bestemmingsplan, (aangegeven met paarse lijn):
Afbeelding Nieuwe waterkering en peilscheiding zone weergegeven op proefverkaveling De nieuwe waterkeringen met bijbehorende beschermingszone worden opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan.
83
5.12.4
Conclusie
De waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het plangebied veranderd met de realisatie van het plan. In het onderzoek is onderbouwd dat het plan voldoet aan de benodigde watercompensatie conform de beleid- en regelgeving van het HHR. Ook is onderbouwd dat een wijziging van de peilgebieden noodzakelijk is. Daarmee komen ook diverse waterkeringen te vervallen op de huidige situatie, aldaar deze wel op een andere locatie in het plangebied terugkomen. Tot slot is in het onderzoek onderbouwd dat diverse zaken nog uitgewerkt moeten worden maar dat er geen onoverkomelijke belemmeringen zijn op het gebied van water. De belangrijkste conclusie voor het bestemmingsplan is dat deze moet voorzien in voldoende borging van de benodigde watercompensatie met in acht neming van de regels van het Hoogheemraadschap en dat de nieuwe peilscheiding en waterkering met bijbehorende regels opgenomen moeten worden.
5.13 Samenvatting relatie onderzoeken en bestemmingen Op grond van voorgaand hoofdstuk dienen te volgende aspecten geborgd te worden in dit bestemmingsplan: Dubbelbestemming Archeologie met daarbij borging verschillende verwachtingsniveaus. Regeling geluid, toegestane geluidnormen weg- en railverkeer en niet-wonen functies verankeren in regels. Inclusief wijze van meten geluidnormen. Mogelijk maken geluidwerende voorzieningen Regels opnemen ter bescherming windvang molen. Opnemen voorwaardelijke verplichting nader onderzoeken, ontplofbare oorlogsresten. Regels opnemen ter waarborging van uitvoering van de ontheffing flora en fauna en uit te voeren maatregelen en nadere onderzoeken. Voorwaardelijke verplichting nader onderzoek trillingshinder. Regels opnemen voor de benodigde watercompensatie. Regels opnemen voor de nieuwe ligging van de regionale waterkering en peilscheiding. In paragraaf 6.1 De planologische opgave is bovenstaande verder uitgewerkt.
84
Hoofdstuk 6 6.1
Planopzet
De planologische opgave
Plansystematiek Het is van belang dat de ambities en randvoorwaarden van de ontwikkeling op een adequate manier in het bestemmingsplan worden geregeld. De ambities en randvoorwaarden zijn verwoord in de gebieds- en beeldkwaliteitsvisie 32. Omdat de beoogde kwaliteiten per deel (zie onderstaand) sterk verschillen is het nodig om elk deel van een passende bestemming te voorzien. Voor het bestemmingsplan is het nodig om deze diversiteit aan onderwerpen op een heldere manier te vertalen in regels die handhaafbaar zijn en rechtszekerheid bieden. Derhalve is per deel een passende systematiek bepaald, te weten: Deel 1: Nieuwbouwgebied Nieuw Boekhorst: woongebied en voorzieningen. Om de nodige flexibiliteit te bieden, is voor dit deel in het bestemmingsplan een globale bestemming Woongebied gekozen. Daarmee is een balans bepaald tussen enerzijds voldoende flexibiliteit en anderzijds rechtszekerheid. De voorzieningen, sport, publieke (commercieel en maatschappelijk) en educatie worden ook mogelijk gemaakt binnen de bestemming Woongebied. Deel 2: Groen en waterstructuur. Het groen- en watercasco vormt een belangrijke drager van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit in het plangebied. De hoofdgroenstructuur en de hoofdwatergangen worden daarom specifiek bestemd als Groen en Water. Deel 3: Bestaande percelen: zowel woningen, gemalen als tuinen.
In en langs het plangebied Nieuw Boekhorst zijn diverse percelen aanwezig die opgenomen worden in het bestemmingsplan. Met de realisatie van Nieuw Boekhorst worden ook deze bestaande percelen voorzien van een bestemming waarmee het huidige gebruik (gebruiks- en bouwmogelijkheden) planologisch vastgelegd wordt. Deel 4: Landschapsgebied de Driehoek. Deze locatie wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Hiermee wordt het beoogde gebruik ten behoeve van onder meer de biologische oogsttuin, compensatiegebied rugstreeppad, grasland en ecologische verbindingszone planologisch mogelijk gemaakt. De relatie tussen enerzijds de doelen en uitgangspunten van de planvorming en anderzijds de wijze waarop die in dit bestemmingsplan zijn geregeld is toegelicht in: Hoofdstuk 3 Planbeschrijving (subparagrafen 3.2.6, 3.3.3, 3.5.3 en 3.6.2); 4.6 Conclusie beleidskader; paragraaf 5.13 Samenvatting relatie onderzoeken en bestemmingen. In de navolgende subparagrafen wordt de juridische vertaling toegelicht. Toetsing planregels Voor de toetsing van de regels wordt in de realisatiefase van het totale woningbouwprogramma zoveel mogelijk gestreefd naar plantoetsing per stedenbouwkundig plan. Hierdoor is het o.a. mogelijk om een gezamenlijkheid te zorgen voor het kunnen voldoen aan bepalingen in voorwaardelijke verplichtingen (bijvoorbeeld voor voldoende waterberging).
Dit betekent procedureel dat bijvoorbeeld eerst een integrale toets aan de planregels voor een stedenbouwkundig deelgebied wordt uitgevoerd. Waarbij wordt bepaald hoe de stedenbouwkundige kwaliteit wordt gewaarborgd, welke nadere onderzoeken nodig zijn, welk oppervlakte aan water en groen nodig is en hoeveel woningen er gebouwd kunnen worden. Met deze toets op stedenbouwkundig deelplan niveau vindt zoveel mogelijk integraal plantoetsing plaats.
6.1.1
Relatie gebiedsvisie en opbouw regels
De relatie tussen de vertaling van de gebieds- en beeldkwaliteitsvisie 33 en de opbouw van de regels is als volgt: 1. Openbare ruimte 1a. Water De hoofdwaterstructuur is gedetailleerd bestemd voor Water. Bruggen voor ontsluiting van langzaam verkeer en voor calamiteitenontsluitingen zijn hierbinnen mogelijk. De functie groen is niet toegestaan. Voor de bruggen en duikers is maatvoering opgenomen in Artikel 11 Water:
85
Waterlopen in de woonbuurten zijn geregeld binnen de globale bestemming Woongebied: 1. In Artikel 13 Woongebied is opgenomen dat deze watergangen een minimale waterbreedte van 8 meter hebben. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter waarborging van de aanleg volledige waterbergingsopgave. Daarbij is een verwijzing gemaakt naar het beleid van het Hoogheemraadschap. 1. De verplichting is gekoppeld aan de bouw van de nieuwe woningen. 2. De verplichting geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding wetgevingzone waterberging. De aanduiding geldt voor de bestemmingen Groen, Water, Woongebied. 3. Bij deze verplichting is de voorwaarde opgenomen dat maximaal 20% van de waterberging mag bestaan uit alternatieve waterberging. Daarbij is wel een dynamische verwijzing naar het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland opgenomen. Laatst genoemde betekent dat als het beleid veranderd, aan deze (nieuwe) regels wordt getoetst. Steigers en vlonders zijn toegestaan: 1. In het bestemmingsplan zijn vlonders aangrenzend aan de watergang toegestaan. Er zijn specifieke regels opgenomen ten aanzien van afmetingen en situering van de vlonders. Het aanmeren van boten ter plaatse van vlonders is toegestaan. 2. Steigers (en aanmeerpalen) zijn alleen toegestaan in de openbare ruimte (en dus niet op de privé percelen).
Hiertoe zijn specifieke bouwregels opgenomen voor de toegestane afmetingen van deze steigers. Uitzondering op deze regel betreft de Molentocht, daar zijn geen steigers toegestaan. Derhalve is ter plaatse van de Molentocht ook de aanduiding ''steiger uitgesloten'' opgenomen. 1b. Groen Hoofdgroenstructuur is gedetailleerd bestemd voor Groen. Groenfuncties en daarbij behorende functies (waaronder water) zijn toegestaan. Ook verbindingen ten behoeve van calamiteiten en langzaam verkeer zijn binnen deze bestemming toegestaan. 1. In de regels is geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende groengebieden ten aanzien welke functies of bouwmogelijkheden zijn toegestaan. 2. Functies zoals een voetbalkooi of skatepark zijn overal binnen Groen toegestaan. Mits, indien gelegen binnen 50 meter van de bestemming Woongebied, door middel van een akoestisch onderzoek is aangetoond dat het gebruik van een voetbalkooi, skatepark e.d. niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening en onder voorbehoud dat het past binnen de regels voor bijvoorbeeld bouwen. Dit is geregeld middels een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan. Groenelementen (waaronder wadi's) binnen de woonbuurten zijn geregeld binnen de bestemming Woongebied: 1.
Vanwege de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit wordt een minimaal oppervlak aan groen per woning van 75 m2 (binnen Woongebied en Groen) geborgd in de regels. Er is binnen de bestemming Groen een maatwerkregeling opgenomen voor de bestaande en aanwezige Hooimijt. 1c. Verkeer Zie subparagraaf 6.1.3 Regeling van mobiliteit.
1d. Driehoek De gronden van de Driehoek zijn: 1. deels bestemd voor Agrarisch - Waardevolle graslanden met deels de aanduiding natuur. De gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor de biologische oogsttuin, extensief agrarisch gebruik, en (deels) compensatiegebied rugstreeppad. 2. deels bestemd voor Natuur met de aanduiding ecologische verbindingszone. Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het NNN gebied. Het toegestane gebruiken bouwregels zijn afgestemd hierop. 3. De bestemmingen zijn opgenomen ten behoeve van het de beoogde functies en bebouwingsmogelijkheden binnen dit gebied: a. In de regels is het beoogde gebruik voor extensief agrarisch gebruik, extensieve recreatie, natuur en biologische oogsttuin mogelijk gemaakt. Uitsluitend beperkte bebouwing, onder meer een Hooimijt of vergelijkbaar gebouw, ten behoeve van de biologische oogsttuin is mogelijk ter plaatse van de aangeduide locatie (bebouwingszone). 4. Er is een gebiedsaanduiding opgenomen ter plaatse van de overgang van de
86
biologische oogsttuin naar extensief agrarisch gebruik met mede aanduiding natuur. Deze aanduiding is ook opgenomen ter plaatse van de overgang tussen Natuur en Agrarisch - Waardevolle Graslanden. Ter plaatse van deze aanduiding 'overige zone overgangszone' zijn de gronden, mede bestemd voor het instandhouden en versterken van de geomorfologische, bodemkundige, landschapsvisuele en ecologische overgang. 5. De onder punten 1-4 toegelichte regeling heeft ten doel om het integraal landschappelijk en ecologisch inrichten van deelgebied Driehoek mogelijk te maken. Binnen het plangebied geldt in de vigerende situatie de dubbelbestemming Leiding Hoogspanning. Deze is overeenkomstig het momenteel geldende vigerend kader overgenomen. Binnen het plangebied geldt de dubbelstemming Waterstaat - Waterkering, deze wordt toegelicht in subparagraaf 6.1.5. 2. Wonen en Voorzieningen 2a. Bestemming Woongebied De te ontwikkelen gebieden voor wonen (inclusief bijzondere woonvormen) en voorzieningen zijn bestemd voor de globale bestemming Woongebied. Binnen de bestemming Woongebied zijn woningen in de vorm van gestapeld en grondgebonden toegestaan. 1. Onder gestapelde woningen wordt verstaan woongebouwen vanaf 4 bouwlagen. Er is een maatwerkregeling, die past bij de gewenste bouw- en gebruiksregels, opgenomen per locatie gestapeld, zie onderstaand. 2.
Woningtypes vrijstaand, rijwoningen en tweekapper zijn overal toegestaan in het bestemmingsplangebied. 3. Binnen de gehele bestemming Woongebied zijn ook specifieke grondgebonden woningconcepten zoals boven-midden-benedenwoningen en meergezins wooncomplexen bestaande uit maximaal 3 bouwlagen toegestaan. 2b. Bouwen Woongebied Algemeen Er is geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende woonbuurten, behoudens door een verwijzing naar de gebieds- en beeldkwaliteitsvisie 34 (zie Regeling van beeldkwaliteit voor nadere toelichting) op te nemen. In de verdere uitwerking wordt met in achtneming van deze visie de verschillende woonbuurten uitgewerkt. Zowel platte daken als afdekking met kap is toegestaan. Er wordt geen kapverplichting opgenomen. De gerealiseerde stedenbouwkundige kwaliteit in de toekomst is geborgd (borging rechtszekerheid). Er is onder meer een regel opgenomen met betrekking tot het bevriezen van het silhouet van het gebouw na afgifte omgevingsvergunning. Dit betekent dat de bestaande bouwhoogte en kapvorm en afdekking en oppervlakte hoofdgebouw niet mogen worden gewijzigd, zodra het hoofdgebouw is gerealiseerd op het bouwperceel. Hiervan mag alleen worden afgeweken als sprake is van een herhalingsplan.
Het gaat hierbij om een plan, dat al is gerealiseerd óf waarvoor vergunning is verleend of voor een plan dat nog niet (geheel) is gerealiseerd maar wel voorziet in een vergunning dat identiek is aan reeds vergund bouwplan voor hetzelfde type woning als de betreffende woning. De oevers langs de Buurtvaart zijn het meest zichtbaar vanuit het openbaar gebied, hierbij is een groene en nette uitstraling het meest van belang. Vanwege deze zichtbaarheid is de aanduiding openheid opgenomen langs de buurtvaart. Ter plaatse van de aanduiding mogen geen gebouwen gerealiseerd worden. Langs de watergangen (met een minimale waterbreedte van 8 meter) binnen de woonbuurten wordt de openheid van minimaal 2 meter gewaarborgd waarin aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het zij- en achtererf grenzend aan watergang(en) niet bebouwd mag worden. Zie lid 13.2.16 Watergangen planregels. Ondergrondse bouwwerken zoals parkeergarages, kelders, bergingen, zijn toegestaan onder de in de bestemming Woongebied opgenomen voorwaarden. Hoofdgebouwen (grondgebonden) mogen worden uitgebreid met erkers, overkappingen en veranda's (onder voorbehoud dat dit mogelijk is gezien vanuit spoorweg- en wegverkeer geluid, zie ook 6.1.5) Bouwhoogte Woongebied
87
Er is een generieke bouwhoogte opgenomen voor grondgebonden woningen. 1. Er is een afwijkingsregel opgenomen om tot maximaal 13 meter (maximaal 4 bouwlagen) af te kunnen wijken van deze bouwhoogte. Voor gestapeld is per appartementencomplex de toegestane bouw- en goothoogte en bouwlagen bepaald: 1. Gestapeld is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen specifieke bouwaanduiding - gestapeld 1 tot en met 10. 2. De regels aangaande bouwhoogte en bouwlagen per aanduidingsvlak gelden alleen voor gestapelde woningen. Hierop is een uitzondering. Ter plaatse van de 'overige zone - publieke voorzieningen' is de aangegeven maximale bouwhoogte en het maximaal aantal bouwlagen inclusief de niet wonen functies op de eerste bouwlaag. De hierboven genoemde bouwhoogtes bieden ruimte voor de realisatie van eventuele houtbouw of ander soort alternatieve bouwmaterialen of een bijzonder architectonisch accent. Door het vastleggen van het maximaal aantal lagen is geborgd dat er geen ruimte is om meer woonlagen te realiseren ondanks dat dit binnen de maximale bouwhoogte wel mogelijk is. Bebouwingspercentage Woongebied Ten behoeve van de borging van de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit is een bebouwingspercentage opgenomen voor grondgebonden woningen inclusief bijgebouwen per bouwperceel. Er is een bebouwingspercentage van 40% per aanduidingsvlak gestapeld vastgelegd.
Dit geldt alleen voor bebouwing ten behoeve van appartementen. Uitzondering vormt de Haven, het bebouwingspercentage is inclusief bebouwing voor de plint met publieke voorzieningen (1e laag appartementencomplex). 1. Concreet betekent dit dat binnen het aanduidingsvlak ook nog andere gebouwen, bijvoorbeeld grondgebonden woningen, opgericht kunnen worden. Maar dat het aanduidingsvlak niet volledig bebouwd kan worden met gestapelde woningen. 2. Het bouwperceel voor een gestapeld bouwblok binnen de aangeduide locatie mag wel voor 100% worden bebouwd. Voor de toelichting van de regels voor voorzieningen zie Maatwerkregels voorzieningen in subparagraaf 6.1.2.
2c. Gebruik Woongebied Er is een maatwerkregeling voor het toegestane gebruik ter plaatse van de aanduidingen gestapeld opgenomen. Een regeling die past bij de gewenste gebruiksregels. Ruimtelijke relevante evenementen worden planologisch mogelijk gemaakt door middel van een afwijkingsregeling in het bestemmingsplan. Er is een afwijking opgenomen voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Deze activiteiten moeten passend zijn binnen de woonomgeving en moeten voldoen aan een goed woon- en leefklimaat. Voor de toelichting van de regels voor voorzieningen zie Maatwerkregels voorzieningen in subparagraaf 6.1.2.
3. Bestaande percelen Uitgangspunt voor de planregels is dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden zijn ter plaatse van bestaande woonpercelen. De bestaande situatie voor diverse bestaande woningen is vastgelegd in de planregels (woonperceel met bijgebouwen). De bijbehorende erven zijn van een bestemming voorzien die past bij de feitelijk aanwezige situatie (ten tijden van vaststelling van het bestemmingsplan). Ook de ontsluiting van deze erven is mogelijk binnen de planregels. 1. Voor bestaande bijbehorende bouwwerken die niet passen binnen de (standaard gemeentelijke) regels van de bestemming zijn maatwerkregelingen en aanduidingen bijgebouwen opgenomen. Met deze regeling is geborgd dat de bestaande (grotere) bijgebouwen planologisch zijn toegestaan (en op welke locaties dit is toegestaan). 2. Voor nieuwe bijbehorende bouwwerken bij een woning gelden de generieke regels zoals zijn opgenomen binnen de bestemming Wonen - 1 of Tuin. De bestaande gemalen binnen het bestemmingsplan zijn bestemd voor Bedrijf, waarbij alleen een gemaal is toegestaan ter plaatse van deze locaties. De aanwezige moestuin is bestemd voor Groen. Doormiddel van een maatwerk regeling voor de bebouwing en gebruik is geborgd dat het bestaande gebruik voortgezet kan
88
worden. Het bestaande taxibedrijf aan de Meidoornrode 37 binnen het bestemmingsplan is bestemd voor Bedrijf, waarbij alleen een bedrijf tot maximaal milieucategorie 1 is toegestaan ter plaatse van deze locatie. 6.1.2
Regeling van het programma
Programma In de regels is opgenomen dat maximaal 1.250 woningen gerealiseerd mogen worden binnen de bestemming Woongebied. Hiervan mogen maximaal 520 woningen bestaan uit gestapeld (dit is inclusief de woningen boven de voorzieningen). De minimaal te realiseren percentages voor de woningtypes sociale huur, sociale koop en middeldure huur zijn opgenomen in de bestemming Woongebied: 1. Minimaal 30% sociale huurwoningen 2. Minimaal 24% middeldure woningen (gevormd door sociale koopwoningen tot de NHG grens en middeldure huurwoningen samen) Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee het college van burgemeester en wethouders 50 woningen extra (het maximaal aantal woningen bedraagt dan 1.300 woningen) kan toestaan binnen de gehele bestemming Woongebied: 1. Met deze bevoegdheid kan ook onder voorwaarden worden afgeweken van de toegestane bouwhoogtes voor gestapeld. Dit geldt alleen voor de aangegeven locaties waarvoor de afwijking geldt; 2. Voorwaarden die gekoppeld zijn aan deze bevoegdheid zijn onder meer dat: a. het percentage aan middeldure woningen minimaal 25% van het totaal aantal woningen bedraagt; b. het percentage sociale huurwoningen mag worden verlaagd naar ten minste 29%; c.
voldaan moet worden aan de verder geldende bouw- en gebruiksregels zoals zijn opgenomen in de bestemming Woongebied en dat voldaan moet worden aan de onderzoeksverplichting voor diverse aspecten. Als er wooneenheden ten behoeve van bijzondere woonvormen worden gerealiseerd, dan tellen de onzelfstandige wooneenheden niet mee als woning. Uitsluitend het gebouw waarbinnen de wooneenheden worden gerealiseerd telt als woning. Bijzondere woonvormen Bijzondere woonvormen worden toegestaan binnen het Woongebied onder voorbehoud van een aantal voorwaarden. Dit is geregeld in lid 21.2 Bijzondere woonvormen Door middel van een afwijkingsmogelijkheid is geregeld dat een omgevingsvergunning voor een dergelijke woonvorm kan worden aangevraagd. Met deze vergunning wordt ook (beleidsmatig) de afweging gemaakt of het aangevraagde concept onder de definitie voor een bijzondere woonvorm valt. En of de aanvraag voldoet aan de gestelde voorwaarden. Voorwaarden zijn onder meer dat: er een maximaal percentage aan bijzondere woonvormen per straat is toegestaan per woning zijn maximaal 4 onzelfstandige wooneenheden toegestaan voorwaarden gelden met betrekking tot een goed woon- en leefklimaat. Deze voorwaarde o.a. opgenomen om eventueel exces, onevenredige hinder voor de omgeving, de vergunning in te kunnen trekken. Voor deze bijzondere woonvormen geldt dat de nadruk ligt op de functie wonen.
Ondergeschikt daaraan zijn maatschappelijke functies toegestaan zoals begeleiding van een woongroep. Echter is een woonzorg functie binnen de bijzondere woonvormen niet toegestaan. Bij een dergelijke functie ligt de nadruk op zorg en dus de functie maatschappelijk. Hiervoor gelden separate regels. Zie subparagraaf 3.2.3.2. Zorggerelateerd wonen is wel toegestaan.
Maatwerkregels voorzieningen Binnen de regels is een maatwerkregeling opgenomen voor het toegestane gebruik en toegestane bebouwing ter plaatse van de aanduidingen 'sport', 'maatschappelijk' en 'overige zone - publieke voorzieningen' (haven). Binnen de aanduidingsvlakken zijn ook woningen toegestaan. Met dien verstande dat: De Haven wordt binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - publieke voorzieningen' (artikel 22.4) mogelijk gemaakt, onder de volgende voorwaarden:
89
1. Publieke voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan op de eerste bouwlaag (begane grond). 2. (Uitsluitend) ter plaatse van deze gebiedsaanduiding is de realisatie van, maximaal 1.500m2 programma aan publieke voorzieningen (commercieel en maatschappelijk) mogelijk (artikel 22.4). Met dien verstande dat: a. minimaal 500 2 programma aan publieke voorzieningen gerealiseerd wordt; b. per vestiging (m.u.v. maatschappelijke voorzieningen) het brutovloeroppervlakte maximaal 250 m2 bedraagt; c. het brutovloeroppervlakte voor maatschappelijke voorzieningen (anders dan de educatieve voorzieningen in de vorm van de school en sport, zie onderstaande toelichting) maximaal 1.000 m2 mag bedragen d. het maximaal brutovloeroppervlakte voor ambachtelijke bedrijven gezamenlijk maximaal 100 m2 bedraagt; e. horecabedrijf in categorie 1 (1a, 1b, 1c conform Staat van horeca activiteiten) is toegestaan, met dien verstande dat het brutovloeroppervlakte gezamenlijk maximaal 250 m2 bedraagt; f. het brutovloeroppervlakte van de maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van een woonzorgcomplex, gezamenlijk maximaal 1.000 m2 bedraagt. 3. Op alle bouwlagen is een woonzorgcomplex toegestaan met dien verstande dat het brutovloeroppervlak van een woonzorgcomplex maximaal 7.500 m2 bedraagt. 4.
Ondergeschikte detailhandel (een detailhandelsvoorziening binnen een andere hoofdbestemming of functie dan detailhandel, ten behoeve van en ondergeschikt aan die andere bestemming/functie) en pick-up points zijn onder voorwaarden toegestaan. 5. In afwijking van het bepaalde onder 2 b. en d. kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning een grotere vestiging toestaan tot maximaal 350 m2, mits is aangetoond dat dit niet leidt tot duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in het centrum van Voorhout. 6. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om horecabedrijven in maximaal categorie 2 te kunnen realiseren onder voorwaarden. 7. Terrassen behorende bij een horecabedrijf zijn in afwijking van de bestemmingsplanregels toegestaan. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning moet onder meer worden aangetoond dat het gebruik van de gronden de verkeer- en verblijfsfunctie niet onaanvaardbaar belemmeren; 8. Supermarkt en/of andere vormen van zelfstandige detailhandel zijn expliciet uitgesloten. 9. Andere publieke voorzieningen zoals zorg zijn ook toegestaan. 10. Parkeren wordt toegestaan binnen de gebiedsaanduiding ten behoeve van de hierboven genoemde functies. 11. De bestemming Groen ter plaatse van de buurtvaart mag worden onderbroken voor de realisatie van een waterverbinding tussen de buurtvaart en de gebiedsaanduiding 'overige zone - publieke voorzieningen'.