2. Bestemmingsplan Westerstraat 8A, Sassenheim.pdf
Tekst van het document
Westerstraat 8a, Sassenheim Gemeente Teylingen Vastgesteld
Westerstraat 8a, Sassenheim Gemeente Teylingen Vastgesteld
Rapportnummer:
P02217_1
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1525. BP2020 SAS04011-VA01
Datum:
13 juli 2021
Opdrachtgever:
Protestantse Gemeente Sassenheim
Projectteam BRO:
RF, JvdA
Concept:
oktober 2020, november 2020
Voorontwerp:
februari 2021
Ontwerp:
mei 2021
Vastgesteld
september 2021
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
--
BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Projectgebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 6 7
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
7 8 9
2.2.1 Stedenbouwkundige inpassing
12
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
14 14
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
14 15 15 16
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.3 Regionaal beleid
16 17 18
3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland 3.4 Gemeentelijk beleid
18 19
3.4.1 Structuurvisie 2030 Duurzaam Bloeiend!, 2015 3.4.2 Parkeernota Teylingen 2014 3.4.3 Duurzaamheid
19 20 20
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
22 22
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid
22 22 25 25
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit
25 25 26 26
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek
26 26
Inhoudsopgave
1
4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
27 27
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid
27 28 30 30
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Ecologie
30 31 32 33
4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Bodem
33 34 35 35
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Water
35 35 36 36
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Archeologie en cultuurhistorie
36 36 37 38
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Toetsing Besluit m.e.r.
38 38 39 39
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen
41 41 41 43
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
44 44
6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
44 44 45
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Zienswijzen
Inhoudsopgave
45 45 45 46
2
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 2: Watertoets Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek parkeergarage Bijlage 5: Akoestisch onderzoek stemgeluid Bijlage 6: Stikstofdepositie-onderzoek Bijlage 7: Nota beantwoording vooroverleg Bijlage 8: Nota beantwoording zienswijzen
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Op de locatie aan de Westerstraat 8a te Sassenheim stond een inmiddels gesloopt gymnastieklokaal van de voormalige Kompasschool. De initiatiefnemer van onderhavig plan is voornemens er ter plaatse een multifunctioneel centrum met parkeerkelder te realiseren. Het plangebied is volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Sassenheim- Centrum’ (vastgesteld op 31 oktober 2013) bestemd voor maatschappelijke doeleinden en groen. Het beoogde multifunctionele centrum kan niet gerealiseerd worden binnen deze bestemmingen. Om deze reden is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om het gewenste multifunctionele centrum te realiseren en geeft de nieuwe kaders voor het plangebied aan.
1.2 Projectgebied Het projectgebied is gelegen aan de Westerstraat 8a ten noordwesten van het centrumgebied van Sassenheim. Kadastraal staat het projectgebied bekend als de gemeente Sassenheim, sectie A, perceelnummer 8506. In totaal heeft het projectgebied een oppervlakte van circa 1.082 m2. Luchtfoto’s met de ligging en de globale begrenzing van het projectgebied zijn weergegeven in figuur 1.1.
Hoofdstuk 1
4
CENTRUM SASSENHEIM
DEN HAAG CS
BINNENHOF
Figuur 1.1: Globale ligging in Sassenheim (boven) en globale begrenzing projectgebied (onder)
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor onderhavig projectgebied is het bestemmingsplan ‘Sassenheim- Centrum’ (vastgesteld op 31 oktober 2013) vigerend. In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven. In dit bestemmingsplan heeft het projectgebied de bestemmingen ‘Maatschappelijk’ en ‘Groen’. Naast de enkelbestemming heeft het projectgebied tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met de bijbehorende functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 1'. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan staat de ontwikkeling van het beoogde multifunctionele centrum niet rechtstreeks toe, aangezien de locatie deels bestemd is voor groen en het beoogde gebouw niet kan voldoen aan de bouwregels die van toepassing zijn op het perceel. In het bestemmingsplan is ter plaatse van het betreffende perceel de gebiedsaanduiding ‘wro-zonewijzigingsgebied 2’ opgenomen die het mogelijk maakt de ter plaatse geldende bestemming te wijzigingen in de bestemmingen ‘maatschappelijk’, ‘tuin’, ‘wonen-3’ en ‘verkeer- en verblijfsgebied’. Er kan echter geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid, omdat er niet voldaan wordt aan de opgestelde wijzigingsregels. Conform de wijzigingsregels is alleen een maatschappelijke functie op de begane grond toegestaan. Het plan voldoet daar niet aan. Om deze redenen is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.
Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om het gewenste multifunctionele centrum te realiseren en geeft de nieuwe kaders aan het plangebied.
Figuur 1.2: uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding van het projectgebied.
Hoofdstuk 1
6
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is conform het geldende bestemmingsplan in de huidige situatie bestemd voor maatschappelijke en groenfuncties. Ter plaatse van de maatschappelijke bestemming stond voorheen een gymnastieklokaal van naastgelegen school (nog zichtbaar in figuur 2.1). Dit lokaal is inmiddels gesloopt. Ter plaatse van de groenbestemming staan diverse bomen en struiken. Op 12 februari 2020 is een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van deze houtopstanden onder nummer Z-20112446.
Figuur 2.1: Zicht op het perceel vanuit noorden (boven) en noordwesten (onder) met het inmiddels gesloopte klaslokaal (Bron: Google Maps)
Hoofdstuk 2
8
2.2 Toekomstige situatie In de nieuwe situatie wordt op het perceel een multifunctioneel centrum met een parkeerkelder gerealiseerd. In het pand zullen drie zalen gerealiseerd worden, waarin diverse activiteiten georganiseerd zullen worden. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de beoogde zalen: Ruimte
Vloeroppervlak
Beoogde activiteiten
Grote zaal
110 m2
Ontmoetingslocatie na kerkdienst op zondag, recepties, lezingen, vergaderingen, begrafenissen, filmvertoningen (ca. 5x per jaar), yoga lessen e.d.
Middelgrote zaal
45 m2
Voor iets grotere vergaderingen zoals kerkenraad.
Kleine vergaderzaal
27 m2
Spreekkamer predikanten
Kinderopvang
19 m2
Deze ruimte zal ’s zondags gebruikt worden voor de opvang van kinderen van 0 tot zeg 3 jaar tijdens de kerkdienst en incidenteel als vergaderruimte.
Jeugdruimte
35 m2
Deze ruimte wordt ’s zondags en enkele avonden gebruikt door jongeren.
Kerkelijk bureau
11 m2
Deze ruimte wordt 1 à 2 ochtenden per week gebruikt voor de administratie van de kerk.
Kantoor koster
11 m2
Kantoor van de koster
Drukkerij
25 m2
Het drukwerk wordt hier gedaan. Daarvoor staat een groot kopieerapparaat. Verder opslag van pater e.d.
Het gebouw bestaat uit twee bakstenen volumes die worden gescheiden door een lager gelegen transparanter volume. Onderliggende parkeergarage biedt ruimte aan 25 autoparkeerplaatsen en aan 50 fietsparkeerplaatsen. Op het trotoir voor het gebouw is plaats voor nog eens 50 fietsparkeerplaatsen. De ontwikkeling voorziet in een in-/ uitrit van de parkeergarage die gesitueerd is ter hoogte van de bestaande bushalte op de Westerstraat. De bushalte wordt –conform de gemaakte afspraken in de anterieure overeenkomst- verplaatst (zie figuur 2.5). De ontsluiting wordt dusdanig vormgegeven, zodat de parkeergarage op een verkeersveilige en overzichtelijke wijze wordt ontsloten. Onderstaande figuren schetsen de beoogde situatie.
Hoofdstuk 2
9
Figuur 2.2: Nieuwe situatie, met aan de noordwest zijde de Westerstraat
Figuur 2.3: Gevelaanzicht vanaf Westerstraat
Hoofdstuk 2
10
Figuur 2.4: Plattegrond parkeergarage
Figuur 2.5: Locatie beoogde in-/ en uitrit en de te verplaatsen bushalte, zoals opgenomen in bijlage 3 van de anterieure overeenkomst
Hoofdstuk 2
11
2.2.1 Stedenbouwkundige inpassing In het hart van Sassenheim ligt de karakteristieke Dorpskerk van de Protestantse Gemeente Sassenheim (PGS) met daarachter de groene begraafplaats. De Dorpskerk heeft daarmee een bijzondere positie in het centrum. De geplande herstructurering zal dit deel van het oude centrum voorzien van een nieuwe impuls. Binnen dit plan wenst de PGS een nieuw multifunctioneel centrum in de nabijheid van de Dorpskerk. Aan de achterzijde van de begraafplaats is er ruimte voor nieuwbouw, zodat de twee gebouwen van de PGS samenkomen op één plek. De PGS wenst een sober en transparant gebouw dat flexibel wordt ingericht, met het oog op mogelijke toekomstige veranderingen. De prachtige locatie in het centrum, aan de rand van de begraafplaats, met uitzicht op groen en de ranke torenspits van de Dorpskerk is het belangrijkste uitgangspunt om enerzijds het nieuwe multifunctioneel centrum te verbinden met deze historische plek en anderzijds een modern, fris en functioneel ontwerp te maken voor de gemeenschap. De nieuwbouw is ontworpen in samenhang met de omliggende bebouwing, bezien vanuit het openbaar toegankelijk gebied. Zowel qua rooilijnen als noklijnen is het gebouw evenwichtig en afgestemd op de naastgelegen bebouwing (zie figuur 2.6). Het gebouw bestaat uit twee bakstenen volumes die worden gescheiden door een lager gelegen transparanter volume.
Vanaf de Westerstraat gezien is het linker gebouwdeel qua hoogte afgestemd op de geplande nieuwbouw. Het rechter gebouwdeel sluit qua hoogte aan op het naastgelegen monumentale schoolgebouw. De voorgevel van het gebouw is georiënteerd op de Westerstraat en voegt zich naar de stedenbouwkundige situatie door de rooilijn in de Westerstraat te volgen. Hierdoor ontstaat een samenhangend beeld met rechte rooilijnen die evenwijdig lopen aan de straat (zie figuur 2.6). In de voorgevel bieden zorgvuldig geplaatste raamopeningen zicht op de activiteiten in het gebouw en zorgen deze voor transparantie richting de Westerstraat. Door het materiaalgebruik en de eenvoudige en verzorgde detaillering sluit het gebouw aan bij de omringende, overwegend sobere baksteenarchitectuur. Het gebouw heeft door zijn bijzondere functie en locatie een meerzijdige oriëntatie en neemt een vrije positie in ten opzichte van de aangrenzende bebouwing zonder de verbinding met de omgeving te verliezen. Het gebouw sluit qua positie aan op de rooilijn van het aan de noordzijde gelegen pand. Door hier de inrit van het parkeergedeelte te situeren komt het gebouw op natuurlijke wijze vrij te staan van het monumentale schoolgebouw. Door het hoofdvolume op te tillen boven het maaiveld vormt het gebouw de gewenste verbinding tussen de hoger gelegen begraafplaats en de lager gelegen entree aan de Westerstraat.
Dit biedt tevens de mogelijkheid om de volledig parkeervraag onder het hoofdvolume op te lossen zonder veel te hoeven verdiepen of de aansluiting met het maaiveld aan een van beide zijden te verliezen (zie figuur 2.6). De plint die hierdoor ontstaat in de voorgevel wordt in de zijgevels doorgezet om het vrijstaande karakter van het gebouw te benadrukken. Gezien vanaf de Westerstraat loopt de begroeide plint door in de bestaande keerwand die het hoogteverschil tussen de begraafplaats en de Westerstraat overbrugt. De zichtlijn die wordt gevormd door de middenas van de begraafplaats wordt doorgezet in het gebouw. De ruimte die op deze manier ontstaat tussen de bakstenen volumes vormt de centrale hal. Deze ruimte vormt de verbinding tussen de zalen aan de ene kant en de ondersteunende functies aan de andere kant. De ruimte tussen de bakstenen volumes neemt toe richting de Westerstraat waardoor
Hoofdstuk 2
12
er een ruime en transparante entree ontstaat in de voorgevel. Dit deel van het gebouw ligt lager dan de bakstenen volumes waardoor de zichtlijn richting de kerk ook vanaf het kruispunt van de Westerstraat en de Slotlaan kan worden ervaren (zie figuur 2.6). De representatieve ruimten, zoals de grote zaal en de vergaderruimten, zijn georiënteerd op de begraafplaats. De grote gevelopeningen geven ruim zicht op de oude bomen, hagen en de Dorpskerk en bieden toegang tot de aangrenzende buitenruimte. Deze gevel wordt voorzien van een luifel waardoor de zomerzon wordt geweerd en de winterzon wordt verwelkomd. In het ontwerp van het gebouw wordt het groen van de begraafplaats doorgezet. In de parkeerplaats komt ruimte voor een aantal bomen die doorsteken boven de terrassen. Op het dak worden zonnepanelen geïnstalleerd.
Figuur 2.6: Stedenbouwkundige inpassing pand
Hoofdstuk 2
13
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.
Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen.
Hoofdstuk 3
14
Doorwerking projectgebied Onderhavig initiatief kan niet gezien worden als een ontwikkeling waarbij nationale belangen gemoeid zijn. De Nationale Omgevingsvisie heeft dan ook geen invloed op dit plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de Nationale Omgevingsvisie die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking projectgebied Onderhavig initiatief kan niet gezien worden als een ontwikkeling waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zee-haventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking projectgebied Hoewel hier sprake is van een functiewijziging, gedeeltelijk vervanging van bestaande bebouwing en uitbreiding van bebouwing is hier geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
Bovendien is voorliggend plan niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte, gezien het een verplaatsing van functies betreft die reeds binnen Sassenheim aanwezig zijn. De projectlocatie is tevens binnen het stedelijk gebied gelegen, waardoor de locatiekeuze niet nader gemotiveerd hoeft te worden. Voor het project is daarom het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 3
15
3.2 Provinciaal beleid Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven.
In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: Naar een klimaatbestendige delta. Naar een nieuwe economie: the next level. Naar een levendige meerkernige metropool. Energievernieuwing. Best bereikbare provincie. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Doorwerking projectgebied Het plangebied is in de Omgevingsvisie Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stads- en dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied.
Dit kan worden bereikt door de geplande opgave met behulp van regionale visies voor wonen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel met de andere gemeenten in de regio af te stemmen. Hierbij zijn in het Programma Ruimte vastgestelde totalen als behoefteraming per gebied opgenomen. Wanneer de regionale visies voldoen aan de behoefteramingen (eerste trede op de ladder voor duurzame verstedelijking), locatiekeuzes (tweede
Hoofdstuk 3
16
trede) en kwalitatieve (derde trede) uitgangspunten, worden die visies door Gedeputeerde Staten formeel aanvaard. Hierdoor beoordeelt de provincie niet langer de individuele bestemmingsplannen. In paragraaf 2.1.3 is reeds uiteengezet dat voor onderhavig initiatief de Ladder van Duurzame Verstedelijking niet van toepassing is. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 20 februari 2019 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 april 2019 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap.
Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
Hoofdstuk 3
17
3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Doorwerking projectgebied De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaande stedelijk gebied van Sassenheim, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herontwikkeling van het plangebied draagt hieraan bij door gebruik te maken van een deels voorheen reeds bebouwd perceel in het centrumgebied van Sassenheim. Bovendien wordt het pand zorgvuldig ingepast en past het qua schaal en aard in de omgeving (zie paragraaf 2.2.1). Gelet op vorenstaande is hier sprake van een inpassing als bedoeld in artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland en is geen sprake van wijziging op structuurniveau.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Regio Holland Rijnland is gelegen in de Randstad en bestaat uit de gemeenten Hillegom, Kaag en Braasem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. Gezamenlijk geven zij hun ruimtelijke visie op de regio. In deze visie wordt gestreefd naar een regio waar het prettig wonen, werken en recreëren is en die kansen benut en bedreigingen tegengaat. De vijftien aangesloten gemeenten werken samen aan hun ambities en opgaven. Met als doel: een goede balans realiseren tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter. In de structuurvisie zijn zeven kernbeslissingen opgenomen waarin de gemeenten hun belangrijkste keuzes weergeven. De zeven kernbeslissingen zijn: 1. Holland Rijnland is een topwoonregio; 2. Leiden vervult een centrumfunctie; 3. concentratie stedelijke ontwikkeling; 4. groene-blauwe kwaliteit staat centraal; 5. het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open, 6. twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; 7. verbetering van de regionale bereikbaarheid. Doorwerking projectgebied Het voorgenomen plan draagt bij aan kernbeslissingen 3, omdat het bestaand stedelijk gebied wordt benut voor verstedelijking.
Hoofdstuk 3
18
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie 2030 Duurzaam Bloeiend!, 2015 De Structuurvisie 2030 Duurzaam Bloeiend! werd op 25 juni 2015 door de gemeenteraad van Teylingen vastgesteld en is in belangrijke mate een vertaling van de Toekomstvisie ‘Vitaal en vernieuwend' uit 2008 en de Strategische visie 2040. De structuurvisie heeft als doel om een samenhangend ontwikkelingskader te bieden voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op hoofdlijnen tot 2030 vanuit een duidelijke stip op de horizon: Teylingen gaat duurzaam bloeien. Het ruimtelijk beleid voor Sassenheim is vooral gericht op versterking van het centrum, herstructurering c.q. kwaliteitsverbetering van enkele verouderde woon- en winkelgebieden, delen van bedrijventerrein Jagtlust, intensivering van sportpark Roodemolenpolder en behoud en versterking van groene, blauwe en cultuurhistorische kwaliteiten. In de visie is ervoor gekozen met kracht de voorgenomen ontwikkeling van binnenstedelijke herstructureringsprojecten voort te zetten. Deze zijn tevens van groot belang voor de voortgang van verbetering van de gehele woonomgeving, het woonklimaat en versterking van de identiteit van de kernen. Het ruimtelijk beleid voor Sassenheim is vooral gericht op versterking van het centrum met behoud en waar mogelijk ontwikkeling van het cultureel erfgoed, herstructurering c.q.
kwaliteitsverbetering van enkele verouderde woon- en winkelgebied en behoud en versterking van groene, blauwe en cultuurhistorische kwaliteiten. Doorwerking projectgebied De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het centrumgebied van Sassenheim. Op de structuurkaart ligt het plangebied in een gebied dat is aangebied als ‘winkelcentrumgebied, behoud en versterking’. De herontwikkeling van het perceel geeft een kwaliteitsimpuls aan het straatbeeld in de Westerstraat. Bovendien wordt het pand zorgvuldig ingepast en past het qua schaal en aard in de omgeving (zie paragraaf 2.2.1). Het rechter gebouwdeel sluit qua hoogte aan op het naastgelegen monumentale schoolgebouw en doet daarmee geen afbreuk aan de cultuurhistorische kwaliteit van dit gebouw. Gesteld kan worden dat het plan in lijn is met de structuurvisie.
Figuur 3.1: Uitsnede structuurvisiekaart met het plangebied aangegeven door middel van een rode cirkel
Hoofdstuk 3
19
3.4.2 Parkeernota Teylingen 2014 Op 2 december 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders de Parkeernota Teylingen 2014 vastgesteld. In deze nota zijn parkeernormen opgenomen voor diverse functies. Door een wetswijziging is eind 2014 ook de wettelijke grondslag van stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening vervallen. Dit betekent dat in nieuwe bestemmingsplannen een eigen regeling in het plan moet worden opgenomen voor onder andere parkeren. Op 28 juni 2018 is om deze reden het paraplubestemmingsplan Parkeren Teylingen vastgesteld. De parkeerbepaling in dit paraplubestemmingsplan wordt overgenomen in dit bestemmingsplan. Een en ander leidt niet tot een inhoudelijke wijziging van de beoogde toetsing. Aan het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de werking van de bouwverordening mogelijk was. Toetsing van de beoogde ontwikkeling aan het aspect parkeren vindt plaats in paragraaf 4.3. 3.4.3 Duurzaamheid Regionaal Energieakkoord 2017 Binnen de regio Holland Rijnland hebben gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom klimaat/energie uitgesproken.
De regionale ambitie is om in 2050 een energie neutrale regio te zijn en daarmee bij te dragen aan de nationale en internationale doelstellingen op het gebied van klimaat en energie. Het streven is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw. Tevens is afgesproken nieuwbouw niet meer aan te sluiten op het gas, aangezien het aardgas eindig is. Ook wordt energie neutrale bouw gestimuleerd. In navolging van deze ambitie is het advies aan gemeenten en initiatiefnemers daarom om nieuwbouwprojecten die gepland staan zonder gasaansluiting te realiseren. Aardgasloos Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de gasaansluitplicht voor nieuwbouw vervalt. Inmiddels is de energietransitie in volle gang en wordt er hard gewerkt aan een lokale warmtevisie. Hierin wordt opgesteld waar gestart wordt met duurzame alternatieven, in plaats van aardgas, voor de huidige verwarming de verschillende bestaande wijken Dit kan ook gevolgen hebben voor de nieuw te ontwikkelen locaties. Ambitie Teylingen Gemeente Teylingen vindt duurzaam bouwen belangrijk.
Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Teylingen streeft er naar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. In het gemeentelijk beleid 'Samen voor verduurzaming - Gemeente Teylingen' staat betreffende de duurzaamheidsambities genoemd dat Teylingen in 2030 100% duurzaam moet zijn. Alle woningen en gebouwen (oud en nieuw) zullen een bijdrage moeten leveren aan deze doelstelling door energie te besparen en/of duurzaam op te wekken. Immers wat nu al voldoet, hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030.
Hoofdstuk 3
20
Het advies is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw. Raadsprogramma In het Raadsprogramma 2018-2022 Vitaal Teylingen: Samen maken we de toekomst, wordt aangegeven dan Teylingen als lokale overheid in 2030 volledig duurzaam wil functioneren. Hiervoor wordt verantwoord omgegaan met mensen, grondstoffen, energie en geld. Er is aandacht besteedt aan de energie transitie en het Regionale Energieakkoord Holland Rijnland (2017-2025). Ook wordt aangegeven dat de gemeente zich inzet op de circulaire economie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Doorwerking projectgebied Ten aanzien van duurzaamheid en energie zal voldaan moeten worden aan de wettelijke eisen van het bouwbesluit (artikel 5) en een bijdrage geleverd dienen te worden aan de duurzaamheidseisen van de gemeente. Om duurzaamheid in (nieuw)bouwplannen te borgen en inzichtelijk te maken vraagt de gemeente initiatiefnemers een GPR berekening bij plannen in te dienen. Dit is een instrument met als doel duurzaam en energiezuinig bouwen meetbaar te maken. Bij het ontwikkelen van Het beoogde multifunctionele centrum is op diverse manieren aandacht besteed aan duurzaamheidsaspecten, zowel op stedenbouwkundig als op gebouwniveau.
Stedenbouwkundig niveau Het plan wordt in harmonie ontworpen met zijn natuurlijke omgeving, door aan te sluiten op de bestaande schaal in de staat, groen, water, structuur, karakter en architectuur (zie paragraaf 2.2.1). De oriëntatie van het pan is gunstig gesitueerd ten opzichte van actieve en passieve zonne-energie. Op het dak worden zonnepanelen geïnstalleerd. Binnen het plangebied is weinig ruimte voor hemelwaterverwerking inpasbaar. Voorts kan onder de verharding aan de zuidzijde van het gebouw aanvullend hemelwater geborgen worden om piekbelastingen vast te houden. Hiermee wordt het plan klimaatadaptief vormgegeven. Enkele centimeters waterberging kunnen een piek reeds afvlakken. De overloop zal bij gebrek aan andere mogelijkheden op het gemeentelijk stelsel aangesloten worden. Bij toekomstige scheiding van dit stelsel kan het plangebied dan eenvoudig hierop aangesloten worden.
Hoofdstuk 3
21
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Parkeren De gemeenteraad van Teylingen heeft op 2 december 2014 de 'Parkeernota Teylingen 2014' vastgesteld. In deze nota zijn de parkeernormen opgenomen die dienen te worden aangehouden in het geval van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de parkeernota is geen norm opgenomen voor een multifunctioneel kerkelijk centrum. De gemeente heeft op basis van een eerder uitgevoerd verkeer- en parkeeronderzoek van Goudappel1 aangegeven dat 3 parkeerplaatsen per 100 m2 voor deze functie een realistische norm is. Er is in de parkeernota Teylingen geen parkeernorm voor een multifunctioneel kerkelijk gebouw opgenomen. Er is daarom gekozen om aansluiting te zoeken bij de meest overeenkomende functie zoals een religiegebouw. Hierbij wordt een fietsnorm gehanteerd van 48 fietsparkeerplaatsen per 100 zitplaatsen. Verkeer Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met nieuwbouw, dienen de kengetallen uit de ASVV 2012 van het CROW te worden geraadpleegd. Het plangebied is gelegen in de centrumschil en te typeren als matig stedelijk. 4.1.2 Onderzoek Autoparkeren De gemeente geeft aan dat voor een kerkelijk centrum een parkeernorm van 3,0 parkeerplaatsen/ 100 m2 bvo reëel is.
Er is een nauwkeurige berekening gemaakt van alle gebruiksruimten voor personeel en bezoekers, inclusief de buitenruimte en de transitieruimten op straatniveau van het lift- en trappenhuis (zie onderstaande tabel). Het bruto vloeroppervlak van het gebouw bedraagt 765,4 m2.
1
Verkeerskundige toets Ontwikkeling Hortusplein Sassenheim, Goudapppel Coffeng, 19 november 2017
Hoofdstuk 4
22
Omgerekend betekent dit dat het multifunctionele kerkelijke centrum een parkeerbehoefte heeft van 22,9 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in 25 parkeerplaatsen. Door de realisatie van in totaal 25 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeernorm uit de gemeentelijke parkeernota. Parkeerproblemen worden derhalve niet verwacht. Fietsparkeren Door het ontbreken van een fietsparkeernorm voor een multifunctioneel kerkelijk gebouw in de parkeernota Teylingen, is uitgegaan van de fietsparkeernorm die geldt voor religiegebouwen. Hiervoor
Hoofdstuk 4
23
geldt een fietsparkeernorm van 48 fietsparkeerplaatsen per 100 zitplaatsen. Voor het berekenen van het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen zijn de zitplaatsen in de grote zaal en overige ruimten meegenomen, aangezien het om een gecombineerde functie gaat. In totaal zal het gaan om ongeveer 158 zitplaatsen. Dit betekent dat er een fietsparkeerbehoefte is van 75,8 parkeerplaatsen. Zoals blijkt uit hoofdstuk 2 worden er in de parkeerkelder 50 fietsparkeerplaatsen en op het trottoir voor het gebouw nog eens 50 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Verkeersgeneratie Voor berekening van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd met de functiewijziging wordt gebruik gemaakt van kencijfers verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer die van en naar het projectgebied rijdt. Voor het bepalen van de kencijfers wordt gebruikt gemaakt van publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van het CROW (kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte). Bij het bepalen van de kencijfers is rekening gehouden met de bereikbaarheid van de locatie, specifieke kenmerken van de functie en mobiliteitskenmerken van de gebruikers/bezoekers. Er zijn geen kengetallen van de verkeersgeneratie van religiegebouwen.
Ervan uitgaande dat tweemaal per dag het pand gebruikt zal worden door bezoekers (bijvoorbeeld éénmaal in de ochtend/middag en éénmaal in de avond) is de verkeersgeneratie op basis van het dubbele van de parkeerbehoefte (dus één verkeersbeweging voor het aankomen en één voor het wegrijden) berekend. De verkeersgeneratie is dan: Aantal parkeerplaatsen * 2 mvt per bezoeker * aantal ‘shifts per dag’ Dit betekent dat het centrum er in een worst-case scenario (25 * 2 * 2 =) 100 motorvoertuigen per etmaal zal genereren. Het is echter onwaarschijnlijk dat een kerkelijk multifunctioneel centrum op werkdagen intensief wordt gebruikt. De Parkeernota Teylingen 2014 bevat aanwezigheidspercentages voor sociale voorzieningen. Als deze worden toegepast en uitgegaan wordt van 100% aanwezigheid tijdens de kerkdienst op zondagochtend, dan resulteert dit in de volgende verkeersintensiteit per moment van de dag:
Aanwezig sociale voorzieningen Verkeersgeneratie in mvt
Werkdag ochtend 10%
Werkdag middag 40%
Werkdag avond 100%
Koopavond 100%
Werkdag nacht 0%
Zaterdag middag 60%
Zaterdag avond 90%
Zondag ochtend 100%
5
20
50
50
0
30
45
50
Er kan vanuit gegaan worden dat de huidige infrastructuur de beperkte toename aan verkeersbewegingen goed kan verwerken. De Westerstraat is een weg waar de snelheid maximaal 30 km/uur bedraagt. Dit verandert met het plan niet. Een nieuwbouwplan in deze omvang past goed binnen dit verkeersregime. De ontwikkeling voorziet in een in-/ uitrit die gesitueerd is ter hoogte van de bestaande bushalte op de Westerstraat. De bushalte wordt –conform de gemaakte afspraken in de anterieure overeenkomst- verplaatst. De ontsluiting wordt dusdanig vormgegeven, zodat de parkeergarage op een verkeersveilige en overzichtelijke wijze wordt ontsloten. Het onderdeel ‘verkeer’ zorgt dan ook niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
24
4.1.3 Conclusie Ten aanzien van verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor het initiatief.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader De Wet geluidhinder, en het hierop gebaseerde Besluit geluidhinder, bevatten normen en regels ter voorkoming of beperking van geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai afkomstig van een gezoneerd industrieterrein. Aangegeven wordt welke objecten bescherming genieten tegen geluid. Naast woningen gaat het onder meer om scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verpleeghuizen en psychiatrische ziekenhuizen. Wegen, spoorwegen en zoneringsplichtige industrieterreinen kennen geluidzones. Dit zijn afgebakende gebieden waarbinnen de normen en grenswaarden van de Wet geluidhinder en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn. De omvang van de geluidzones is vastgelegd in de wet. Voor wegverkeer is de zone afhankelijk van het aantal rijstroken. Bij railverkeer wordt de zonebreedte bepaald door het type spoor. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden.
Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. 4.2.2 Onderzoek Het beoogde multifunctionele centrum wordt niet aangemerkt als geluidgevoelige functie. De wet geluidhinder stelt geen eisen aan deze functies. Bovendien ligt het plangebied niet binnen de geluidszone van een gezoneerde weg. De kinderopvanglocatie welke incidenteel op zondagochtend gebruikt wordt voor de opvang van kinderen van 0 tot 3 jaar tijdens de kerkdienst is gesitueerd aan de achterzijde van het pand, vanaf de Westerstraat gezien. Het verkeer op de Westerstraat zal op dit moment in de week dan ook niet voor belemmeringen zorgen. Een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Verder wordt er geen onderlinge overlast tussen het kinderdagverblijf en de overige functies verwacht, gezien de kinderopvang enkel op zondagochtend in gebruik zal zijn, wanneer de ouders in de Dorpskerk bij de kerkdienst aanwezig zijn. Elders in het pand zullen er dan zelden tot nooit activiteiten plaatsvinden.
In paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op het akoestisch effect van het multifunctionele centrum op omliggende geluidsgevoelige bestemmingen.
Hoofdstuk 4
25
4.2.3 Conclusie Hiermee vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Onderhavig bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een multifunctioneel centrum mogelijk. In paragraaf 4.1 is reeds uiteengezet welke effecten dit heeft op het aantal verkeersbewegingen van- en naar het plangebied. Op basis van de NIBM-rekentool kan beoordeeld worden wat de invloed van het plan is op de luchtkwaliteit en of deze als “Niet In Betekenende Mate” is te kwalificeren (zie onderstaande figuur). Het plan is NIBM en er worden geen grenswaarden overschreden. In het kader van de Wet milieubeheer en in het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen om op deze een multifunctioneel centrum te bouwen.
Hoofdstuk 4
26
Figuur 4.1: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van onderhavig plan op de luchtkwaliteit
Andersom dient ook de luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt te worden. De dichtst bijgelegen weg die in de NSL-monitoringstool van het ministerie van I&W is opgenomen, is de Parklaan. Volgens deze NSL-monitoringstool zijn de concentraties stikstofdioxide en fijn stof (PM10) in 2020 langs deze weg 22,9 μg/m3 en 19,2 μg/m3. De geldende grenswaarde voor beide stoffen is 40 μg/m3. Ter hoogte van de planlocatie zijn de concentraties lager. Als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, wordt de grenswaarde voor PM2,5 (25 μg/m3) ook niet overschreden. 4.3.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Milieuzonering is: het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten we bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering gebruiken we de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ . In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien
Hoofdstuk 4
27
bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Het plangebied kan in de bestaande situatie worden getypeerd als gemengd gebied.
In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse bestemmingen, zowel maatschappelijk als wonen. In de nieuwe situatie (waarbij de huidige school tot appartementen is omgebouwd) zou de omgeving eerder het karakter van een ’rustige woonwijk’ kunnen krijgen. Een buurtcentrum (meest vergelijkbaar met het beoogde multifunctionele centrum) kan volgens de VNG bijlage gecategoriseerd worden als milieucategorie 2 met richtafstand van 30 meter (SBI-2008: 94991.A: Buurt- en clubhuizen). Het maatgevende milieuaspect hierbij is geluid. Om de planlocatie liggen verschillende woonbestemmingen op korte afstand: Westerstraat 11: 20 meter Westerstraat 10 en 12: 6 meter Appartementen in de voormalige school: 6 meter Er wordt hiermee niet voldaan aan de richtafstanden. Met behulp van een akoestisch onderzoek naar de parkeergarage en een separaat akoestisch onderzoek naar stemgeluid is bepaald of er ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden behouden. Deze onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen van dit bestemmingsplan. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit deze onderzoeken. Akoestisch onderzoek parkeergarage In het akoestisch onderzoek is de geluiduitstraling bepaald aan de hand van berekende immissieniveaus op de gevels van woningen nabij de nieuwbouw.
Het betreft zowel het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT als de maximale niveaus LAmax als de indirecte hinder. Langtijdgemiddelde geluidbelasting Ter plaatse van waarneempunt 3 zijn in de avondperiode gevelbelastingen bepaald hoger dan de grenswaarde van het Activiteitenbesluit, te weten maximaal 47 dB(A) in de avondperiode. De etmaalwaarde bedraagt maximaal 52 dB. Er vindt een overschrijding plaats van 2 dB(A) ten opzichte van de eisen van het Activiteitenbesluit. Er zijn maatregelen onderzocht voor het verlagen van de
Hoofdstuk 4
28
piekgeluiden, zoals een scherm tussen de inrit en het betreffende waarneempunt te plaatsen. Deze maatregel heeft uiteindelijk nog niet het gewenste effect om de piekgeluiden terug te brengen tot de grenswaarde van het Activiteitenbesluit. Bij de overige waarneempunten wordt voldaan aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit ten aanzien van de langtijdgemiddelde geluidbelastingen. Maximale piekbelasting Ter plaatse van waarneempunt 3 en 4 ontstaan in de dagperiode piekgeluiden van maximaal 71 dB(A) en in de avondperiode piekgeluiden van maximaal 68 dB(A). Deze waarde overschrijdt de grenswaarde van het Activiteitenbesluit voor de dagperiode met 1 dB(A) en voor de avondperiode met 3 dB(A). Er zijn maatregelen onderzocht voor het verlagen van de piekgeluiden, zoals een scherm tussen de inrit en het betreffende waarneempunt te plaatsen. Deze maatregel heeft uiteindelijk nog niet het gewenste effect om de piekgeluiden terug te brengen tot de grenswaarde van het Activiteitenbesluit. Bij de overige waarneempunten wordt voldaan aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit ten aanzien van de piekbelastingen. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek waarin gekeken is wat de invloed van een scherm tussen de oprit en waarneempunt 3 is voor de langtijdgemiddelde belasting en piekbelastingen.
In de situaties met scherm ligt de langtijdgemiddelde belasting 1 dB lager tegenover de situatie zonder scherm. Het Activiteitenbesluit wordt in de situatie met scherm alsnog overschreden met 1 dB. Ten aanzien van de piekbelastingen nemen de optredende belastingen in de dagperiode voldoende af om te voldoen aan de grenswaarden. In de avondperiode neemt de belasting bij punt 3 niets af tegenover de situatie zonder scherm. Waarneempunt 3 is het waarneempunt naast de inrit. Op basis van de berekeningen kan geconcludeerd worden dat het scherm een gering effect heeft op de optredende geluidbelasting en dat alsnog de grenswaarde van het Activiteitenbesluit wordt overschreden. Omdat de overschrijdingen t.a.v. de grenswaarden minimaal zijn zonder scherm, zorgt het scherm er wel voor dat er iets minder overschrijdingsmomenten zullen zijn dan zonder scherm. In de praktijk zal het verschil echter nauwelijks waarneembaar zijn. De geringe impact van het scherm op de verbetering van de akoestische situatie weegt echter niet op tegen de negatieve impact van het scherm. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt vormt het scherm een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Het scherm zal vanuit het voormalige schoolgebouw belemmerend werken voor het zicht. Daarnaast doet het scherm afbreuk aan het straatbeeld en de uitstraling van de gebouwen van de PGS en het monumentale schoolgebouw.
Gezien de grote stedenbouwkundige impact van het scherm op de omgeving en gezien de geringe feitelijke invloed van het scherm op het verbeteren van het akoestische klimaat, wordt er gekozen om geen geluidsscherm toe te passen. De akoestische voordelen wegen in dit geval niet op tegen de stedenbouwkundige nadelen. De Omgevingsdienst legt maatwerkvoorschriften voor het toestaan van een hogere geluidsbelasting op de gevel van het voormalige schoolgebouw op en stelt eventueel ook voorschriften op ten aanzien van het gebruik van het gebouw om ervoor te zorgen dat het akoestische klimaat aanvaardbaar blijft. Akoestisch onderzoek stemgeluid Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd om inzicht te geven in de geluidemissie van de activiteiten van de zalen in het kader van het Activiteitenbesluit. De optredende gevelbelastingen zijn daarnaast
Hoofdstuk 4
29
getoetst aan de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer op de gevels van de meest nabij gelegen woningen van derden. Op basis van de uitkomsten kan worden gesteld dat de optredende geluidbelastingen ten gevolge van de geluiduitstraling van de zalen voldoet aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit. Er treden geen piekbelastingen op gezien de geluiduitstraling zonder piek is ingevuld. Daarnaast is gekeken naar de geluiduitstraling van de activiteiten op het terras. De optredende belastingen zijn onderzocht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van de uitkomsten van de activiteiten op het terras kan worden gesteld dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting alsmede de maximale belastingen voldoen aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit, zou hieraan getoetst moeten worden. Het stemgeluid van buitenruimte ten hoogte van de grote zaal is verder niet in het akoestisch onderzoek opgenomen gezien mensen hier sporadisch een luchtje gaan scheppen. De ruimte wordt niet wordt ingericht als ‘terras’ zijnde. Het sporadisch praten van personen in deze buitenruimte zal niet voor belemmeringen zorgen ter plaatse van Westerstraat 10/12 en Hortusstraat 27.
Zouden dezelfde bronnen ten aanzien van stemgeluid gehanteerd worden zoals het terras aan de zuidoostzijde van het pand, dan zou er bij de benoemde woningen, op basis van afstand en afscherming sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Gezien er echter af en toe een luchtje wordt geschept kan gesteld worden dat de bronnen hierbij uitgaan van een worst-case. Het stemgeluid van arriverende en vertrekkende gasten ter plaatse van de voorzijde van het pand is verder niet in het akoestisch onderzoek opgenomen gezien mensen hier sporadisch zich zullen ophouden tijdens het arriveren of vertrekken. De buitenruimte voor het pand wordt niet wordt ingericht als verblijfsgebied. Het sporadisch praten van personen in deze buitenruimte zal niet voor belemmeringen zorgen ter plaatse van Westerstraat 10/12 en Hortusstraat 27. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kan worden gesteld dat de langtijdgemiddelde geluidbelasting alsmede de maximale belastingen voldoen aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in de directe omgeving. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden
Hoofdstuk 4
30
blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.