16. Bijlage I Gebiedsverkenning Nieuw Boekhorst Quickscan natuur ref 12184022-014.291 7 okt22
Tekst van het document
26 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 4.7 Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van amfibiesoorten in de nabijheid van het plangebied [lit. 4] 1
De biotoopeisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven. Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een betrekkelijk hoge dynamiek, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Maar hij wordt ook op klei- en veengronden aangetroffen. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Een voorwaarde is wel dat het water niet zuurder is dan pH 5. Brak water wordt getolereerd [lit. 11]. Veldbezoek Tijdens de veldbezoeken zijn verschillende waarnemingen gedaan van amfibiesoorten, waaronder een groene kikker en kleine watersalamander (afbeelding 4.8). Het plangebied is geschikt voor een aantal algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker, meerkikker en kleine watersalamander. Tijdens de veldbezoeken zijn rugstreeppadden waargenomen (afbeelding 4.8). Het plangebied en haar directe omgeving biedt geschikt leefgebied aan rugstreeppad. Het plangebied bevat zowel overwinteringsplaatsen als voortplantingswateren voor deze soort. Het voorkomen van deze soort in binnen het plangebied is aangetoond.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
27 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 4.8 Waargenomen kleine watersalamander en rugstreeppad in het plangebied
Tijdens het veldbezoek is tevens extra aandacht besteed aan het inventariseren van geschikte voorplantingswateren en overwinteringsplekken. De vele perceelsloten in het plangebied hebben flauwe oevers en voldoende oevervegetatie om dienst te doen als voorplantingswateren voor rugstreeppad. In het plangebied zijn verschillende ‘rommelige’ plekken aanwezig van opstapelingen van stenen, hout en andere materialen. Dit soort rommelhoekjes zijn uitstekend als overwinteringsplaats voor de rugstreeppad. Ook de ruigere vegetatie aan de zuidoostrand van het plangebied met onder meer ruigtes, hagen en heggen van tuinen en kleine bosschages kunnen dienst doen als overwinteringsplek voor deze soort. Afbeelding 5.9 geeft een overzicht van mogelijke voorplantingswateren en overwinteringsplekken binnen het plangebied.
28 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 4.9 Geschikte overwinteringsplekken en voorplantingswateren in het plangebied
Effecten en conclusie Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende amfibiesoorten van het beschermingsregime ‘Andere soorten’ (Wnb) zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, meerkikker en kleine watersalamander niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt en algemene vrijstelling. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn aldus niet nodig. De aanwezigheid van rugstreeppad binnen de grenzen van het plangebied is aangetoond. Binnen het plangebied zijn zowel geschikte voortplantingswateren als overwinteringsplekken aanwezig. Zodoende kan de rugstreeppad zijn gehele levenscyclus binnen het plangebied voltooien. Het verwonden of doden van individuen van de rugstreeppad is onder de Wnb verboden. Overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is grotendeels te voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen. Het aanwezige landhabitat en voortplantingswater in het plangebied zal echter gecompenseerd moeten worden. Nader soortonderzoek is noodzakelijk om de grootte van de populatie binnen het plangebied vast te stellen. Alle noodzakelijke maatregelen dienen te worden vastgelegd in een Activiteitenplan. Op basis van het Activiteitenplan dient een ontheffing aangevraagd te worden. De maatregelen uit de ontheffing worden vervolgens verwerkt in een ecologisch werkprotocol.
Overzicht van mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen [lit. 12]: - realisatie van nieuw leefgebied van vergelijkbare oppervlakte en van een voor rugstreeppad vergelijkbare of betere kwaliteit als hetgeen dat verloren gaat door de activiteiten; - werken buiten de kwetsbare perioden van rugstreeppad. Dit zijn globaal de voortplantingsperiode (april t/m juli) en de winterrustperiode (half oktober t/m maart). Bij activiteiten die effect hebben op het landgedeelte van het habitat van de rugstreeppad is een meest gunstige periode niet aan te wijzen, omdat de volwassen dieren vrijwel het gehele jaar hier vertoeven; - uitvoeren van de werkzaamheden gefaseerd in ruimte en tijd. Hierdoor is altijd geschikt habitat voor de soort aanwezig;
29 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
-
verbeteren van de kwaliteit van het bestaand leefgebied als voortplantingshabitat en/of overwinteringshabitat voor rugstreeppad voor de start van de werkzaamheden. Van belang is dit tijdig en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden te realiseren.
Voor de aanvang van de werkzaamheden dient het gebied waar de activiteiten plaatsen ten slotte ontoegankelijk gemaakt te worden voor rugstreeppad. Hierbij kan gedacht worden aan: - de aanwezige rugstreeppadden en/of ei-snoeren in het gebied worden weggevangen/geraapt en verplaatst naar geschikt habitat buiten de invloedsfeer van de werken; - het plaatsen van paddenschermen rond de meest kansrijke locaties voor het opduiken van de rugstreeppad (plastic scherm met hoogte van 50 cm boven grond en 10 cm onder grond) om te voorkomen dat rugstreeppadden het projectgebied gaan bevolken; - het plaatsen van emmers aan de binnenzijde van het paddenscherm om eventuele rugstreeppadden die binnen de begrenzing van de werkzaamheden aanwezig zijn op te vangen en te verplaatsen naar de andere kant van het scherm; - het kort houden (maaien) van vegetatie binnen een strook van één m rond het scherm om te voorkomen dat amfibieën via de vegetatie het plangebied binnen komen. Voor de aanvang van de werkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld, waarin maatregelen worden beschreven om verwonding of doding van rugstreeppad te voorkomen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd te worden onder begeleiding van een deskundig ecoloog.
4.2.6
Reptielen
Bureaustudie Op basis van de NDFF-databank [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde reptielsoorten, en deze worden hier ook niet verwacht. Reptielsoorten hebben immers hoge biotoopeisen zoals zandige terreinen en voldoende open, zonnige plekken (zandhagedis, adder), waterrijke gebieden op overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden (ringslang), heide (gladde slang), vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden (hazelworm) en heide en hoogveen (levendbarende hagedis). Veldbezoek Tijdens de veldbezoeken zijn geen reptielsoorten aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van deze soortgroep (zie bureaustudie). Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielsoorten en het ontbreken van bekende waarnemingen, kan worden uitgesloten dat reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
4.2.7
Vissen
Bureaustudie Op basis van de NDFF-databank [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde vissen. Binnen de Habitatrichtlijn zijn alleen de vissoorten houting en steur beschermd. Dit zijn beiden trekvissen van grote wateren (zee, rivieren). Deze soorten migreren doorgaans door diep en open water. Binnen het soortenbeschermingsregime ‘Andere soorten’ zijn alleen de vissoorten beekprik, elsrit, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal en grote modderkruiper beschermd. Dit zijn soorten van zuurstofrijke, schone en stromende wateren (beekprik, elsrits, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal) of verlandende wateren (grote modderkruiper) [lit. 10].
30 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Veldbezoek Tijdens de veldbezoeken zijn geen vissen aangetroffen. Binnen het plangebied worden deze ook niet verwacht wegens het ontbreken van geschikt biotoop voor deze soorten. De aanwezige watergangen betreffen immers voedselrijke afwateringssloten en drukbevaren watergangen (Leidsevaart en Haarlemmertrekvaart). Binnen het plangebied ontbreekt het aan zuurstofrijk, schoon stromend water of verlandend water. Effecten en conclusie Bij gebrek aan geschikt biotoop en bekende waarnemingen is het voorkomen van onder de Wnb beschermde vissoorten binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op deze soortgroep als gevolg van het voornemen zijn daarmee tevens uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
4.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 4] zijn in de omgeving van het plangebied in de afgelopen vijf jaar waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde vlindersoort grote vos (beschermingsregime ‘Andere soorten’). Onder de Wnb beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde komen vooral in leefgebieden voor waar hun biotoop nog grotendeels intact is. Dit betreffen veelal zeer specifieke soorten habitats waar de betreffende soort zijn levenscyclus volledig kan doorlopen. De leefgebieden van onder de Wnb beschermde ongewervelden liggen dan ook vooral binnen en rondom natuurgebieden. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde ongewervelden lokaal kunnen voorkomen zijn droge en schrale kalkgraslanden, vochtige bossen in het oosten van het land en Zuid-Limburg, in blauwgraslanden, kruidenrijke heidevelden, vochtige duinvalleien en duingraslanden, kapvlakten in droog en oud eikenbos, wilgenbroekbos in beekdalen, voedselarme tot matig voedselrijke verlandende wateren met een dichte krabbenscheervegetatie (petgaten), hoogveentjes omgeven door bos en gebufferde vennen, langs zuurstofrijke bovenlopen van beken, en langs stromingsluwe oevers langs rivieren waar fijn sediment en organisch materiaal voorhanden is. Een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen van dagvlinders is het voorkomen van waardplanten [lit. 11].
Gezien de vele watergangen kan de soort platte schijfhoren aanwezig zijn in het plangebied. Deze soort ontbreekt echter waar afvalwater wordt geloosd of water wordt ingelaten uit vervuilde riviertjes, kanalen, vaarten of boezems, evenals in akkerbouwgebied met overmatig gebruik van kunstmeststoffen en chemische gewasbeschermingsmiddelen [lit. 19]. Gezien het huidig landgebruik van het plangebied (polder met akker- en weilanden waarvan een deel intensief bewerkt wordt voor de tuinbouw en bollenteelt) is het voorkomen van platte schijfhoren echter niet aannemelijk. Platte schijfhoren wordt verder niet besproken in deze rapportage.
31 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 4.10 Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van onder de Wnb beschermde ongewervelde in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1
De biotoopeisen van de waargenomen soort worden in onderstaand kader beschreven. Grote vos De grote vos vliegt op warme, zonnige plekken in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplanten zijn vooral de iepen maar ook wilgen en soms ook fruitbomen (zoete kers) of meidoorn [lit. 10]. Veldbezoek Tijdens de veldbezoeken zijn geen vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Het onderzoeksgebied biedt geen geschikt leefgebied aan grote vos. Het ontbreekt immers aan warme, zonnige plekken in vochtige, open bossen of grote vrijstaande bomen. Het onderzoeksgebied voldoet tevens niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van overige beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden (zie bureaustudie). Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelden binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
32 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1
Natura 2000 (Wnb)
5.1.1
Gegevens
Op een afstand van 3 km ten noordwesten van het plangebied, bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid‘ (afbeelding 4.1). Dit gebied werd in 2013 definitief aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR) van het Natura 2000-netwerk [lit. 1]. Hier bevinden zich ook de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen (rood gearceerd). Deze habitattypen hebben in de huidige situatie reeds te kampen met een overbelasting door stikstof (overschrijding van de kritische depositiewaarde, ofwel KDW). Op een aftand van 3 km ten westen van het plangebied, bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Coepelduynen’. Dit gebied werd in 2013 definitief aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR) van het Natura 2000-netwerk [lit. 1]. Op een iets grotere afstand, 5,8 km ten zuidwesten van het plangebied, bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Dit gebied werd in 2013 definitief aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR) van het Natura 2000-netwerk [lit. 1]. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op een afstand van meer dan 10 km vanaf het plangebied. Door de afstand en de tussenliggende barrières (uitgestrekte agrarische gebieden, grote autowegen, stedelijk gebied, et cetera) zijn negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van de werkzaamheden bij voorbaat uit te sluiten.
In onderliggende paragrafen wordt daarom enkel ingegaan op de effecten van het voornemen op het Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide.
33 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 5.1 Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied [lit. 2]
Hieronder worden voor de naburige (< 10 km) Natura 2000-gebieden een korte beschrijving gegeven van het gebied en van relevante aandachtspunten met betrekking tot het gebied. Kennemerland-Zuid Kennemerland-Zuid is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. Het is een reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Vegetaties van vochtige en natte duinvalleien komen met name voor ten zuiden van Zandvoort, waarvan het Houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. Het areaal kalkrijk duingrasland is vooral rondom Zandvoort groot. Hier komen over voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen van het zuidoostelijk gedeelte herbergen goed ontwikkeld kalkarm duingrasland. Ook zijn er in het zuidelijke puntje en ter hoogte van Zandvoort paraboolduincomplexen aanwezig. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is.
Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig. Hier zijn een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora. Voor dit Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (IHD) geformuleerd voor 17 habitattypen en vier habitatsoorten. Een volledig overzicht van deze typen en soorten en de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen is opgenomen in bijlage I. Coepelduynen De Coepelduynen omvatten de smalle strook kustduinen tussen Katwijk en Noordwijk. Het relatief kleine gebied heeft een gevarieerd duinlandschap dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het gebied behoort tot de kalkrijke jonge duinen. Er is geen duidelijke binnenduinrand aanwezig, waardoor de overgang naar het polderlandschap vrij abrupt is. Delen zijn in het verleden door de mens beïnvloed en gebruikt voor
34 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
het drogen van netten, het weiden van vee en als duinakkers. Hierdoor is een specifiek open duinlandschap ontstaan met een afwisseling van duingraslanden, struwelen en bos waarin waardevolle flora en fauna voorkomt. Zo zijn er twee duinvalleien, Guytendel en Spijkerdel. Van 1890 tot 1965 werden deze duinpannen gebruikt als aardappelveld. Recent zijn hier natuurherstelmaatregelen getroffen door de valleien uit te graven tot op het grondwaterniveau. Er komen op grote schaal goed ontwikkelde, kalkrijke duingraslanden voor die kenmerkend zijn voor het zeedorpenlandschap, met daarin veel zeldzame plantensoorten. Voor dit Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (IHD) geformuleerd voor zeven habitattypen. Er zijn geen habitatsoorten aangewezen. Een volledig overzicht van deze typen en soorten en de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen is opgenomen in bijlage II. Meijendel & Berkheide Meijendel en Berkheide bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het zuidelijke deelgebied Meijendel is een relatief laag gelegen gebied met grote 'uitgestorven duinvlakten', dat in het zuidelijk deel minder reliëfrijk is. In het noordelijke deelgebied Berkheide liep het zand vast in de oorspronkelijk natte stroombedding van de oude Rijn.
Het is gevormd door overstuiving van oude duinen, waardoor het een relatief hooggelegen duinmassief is. Hier is de kweldruk dan ook groter dan in Meijendel. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. Dit zijn duinakkers die nu vooral uit bos bestaan; het gebied kent dan ook een aantal goed ontwikkelde bostypen. Plaatselijk, zoals in de Libellenvallei, komen soortenrijke duinvalleibegroeiingen voor. Na grootschalig herstel van een aantal valleien bij de Wassenaarse Slag breiden deze begroeiingen zich uit. In Berkheide is, met name in de buurt van Katwijk, een groot areaal goed ontwikkeld kalkrijk duingrasland aanwezig, ontstaan door het eeuwenlange menselijke gebruik van het zogenaamde zeedorpenlandschap. Voor dit Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (IHD) geformuleerd voor 14 habitattypen en vier habitatsoorten. Een volledig overzicht van deze typen en soorten en de bijhorende instandhoudingsdoelstellingen is opgenomen in bijlage III.
5.1.2
Effecten en conclusie
Fysieke effecten Het plangebied ligt op een afstand van respectievelijk 3 km en 5,8 km van de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide. Als gevolg van deze afstand en tussenliggende obstakels, zoals bebouwing, kan worden uitgesloten dat directe effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring optreden binnen de Natura 2000-gebieden. Habitatrichtlijnsoorten kunnen zich echter ook buiten de contouren van een Natura 2000-gebied bevinden (externe werking). De aangewezen habitatrichtlijnsoorten nauwe korfslak, kleine modderkruiper, groenknolorchis en kamsalamander zijn niet waargenomen in de omgeving (< 2.500 m) van het plangebied (zie hoofdstuk 5). De dichtstbijzijnde waarneming van meervleermuis bevindt zich op een afstand van 2,9 km van het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek voor de Noordelijke Randweg in 2015 is wel een vliegroute van meervleermuis vastgesteld [lit. 8]. Verstoring van foeragerende en migrerende dieren ter plaatse van vliegroute boven de Leidse Vaart/ Haarlemmertrekvaart tijdens de aanlegfase is echter niet aan de orde aangezien als gevolg van bovengenoemde werkwijze (4.2) lichtverstoring wordt uitgesloten. Verstrooiing van licht ter plaatse van het wateroppervlak van het kanaal treedt daardoor niet op.
Ook gedurende de gebruiksfase is van lichtverstoring van foeragerende of migrerende meervleermuizen geen sprake aangezien ook gedurende de gebruiksfase verstrooiing van licht wordt voorkomen doordat met deze beschermde waarden rekening wordt gehouden in het lichtplan. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grote afstand (> 10 km) van het plangebied. Tussen het plangebied en deze Natura 2000-gebieden strekt zich tevens een groot stedelijk en agrarisch gebied doorsneden met verschillende (snel)wegen en spoorwegen. Als gevolg van de afstand (> 10 km) en deze tussenliggende barrières kan worden uitgesloten dat fysieke effecten als gevolg van het voornemen zoals
35 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring optreden tot binnen de betreffende Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie De werkzaamheden voor de nieuwe woonwijk en de woonwijk zelf resulteren in emissies van met name stikstofoxiden (NO2). Deze komen vrij uit de verbrandingsmotoren van vrachtverkeer en mobiele werktuigen. Deze emissies kunnen resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen beschermde Natura 2000-gebieden (stikstofdeposities kunnen ver reiken; > 3 km en soms zelfs > 10 km). Op 1 juli 2021 zijn de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Besluit natuurbescherming (Bnb) op onderdelen gewijzigd. Eén van deze onderdelen is de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningsplicht op grond van artikel 2.9a Wnb, welke geldt voor de volgende activiteiten (artikel 2.5 Bnb): - het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; - het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De realisatie van de woonwijk valt onder deze vrijstelling en de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden zijn daardoor niet vergunningsplichtig.
Deze gevolgen hoeven om deze reden ook niet verder onderzocht te worden. De vrijstelling geldt echter niet voor de gebruiksfase van de woonwijk. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie in gebruiksfase van de woonwijk zijn daarom met een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat significante gevolgen op instandhoudings-doelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten. Overige (indirecte) effecten Overige indirecte negatieve effecten zoals vernatting, verdroging en verontreiniging op Natura 2000-gebieden worden bij voorbaat uitgesloten vanwege voldoende grote afstand tot de betreffende gebieden. Conclusie Het plangebied is gelegen op 3 km en 5,8 km van de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide. Directe effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring optreden binnen de Natura 2000-gebieden worden daarom op voorhand uitgesloten. Ook van externe werking is geen sprake. Verder wordt ten aanzien van stikstof, in het kader van de Wnb, aanbevolen vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een depositieberekening en beoordeling voor de gebruiksfase van het voornemen (met behulp van AERIUS).
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
5.2.1
Gegevens
De Leidsevaart betreft een ecologische verbinding van het NNN-netwerk van de provincie Zuid-Holland. De Leidsevaart is gelegen ten noorden van het plangebied, achter de Noordelijke Randweg (momenteel in uitvoeringsfase). Aan weerszijde van deze ecologische verbinding bevindt zich tevens een perceel bijhorend tot het NNN, zie afbeelding 4.2. De wezenlijke kenmerken van dit perceel behoren tot het beheertype N00.01, nog te vormen natuur (niet opgenomen in afbeelding 4.3). De ecologische verbinding en de percelen ‘nog te vormen natuur’ vallen buiten het plangebied voor de woonwijk. Wel bevindt een deel van de noordelijke punt, waar compensatie voor rugstreeppad gepland is, zich voor een deel binnen het NNN. Verder bevindt zich een perceel bijhorend tot het NNN zich op een afstand van 225 m ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft een perceel met beheertype N13.01 vochtig weidevogelgebied. Op een grotere
36 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
afstand bevinden zich tevens percelen met onder andere beheertype N12.02 (kruiden- en faunarijk grasland) N14.2 (hoog- en laagveenbos) en N15.01 (duinbos) [lit. 3].
Afbeelding 5.2 Dichtstbijzijnde NNN-gebieden en verbindingszone [lit. 3]
37 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 5.3 Beheertype van de aanwezige NNN percelen [lit. 3]
5.2.2
Effecten en conclusie
Het plangebied voor de woonwijk is niet gelegen in NNN gebied en bevat geen ecologische verbindingen. Van ruimtebeslag als gevolg van de realisatie van de woonwijk is geen sprake. De noordelijke punt ligt wel deels binnen het NNN. Hier wordt echter het NNN juist versterkt en voor een deel geschikt gemaakt voor rugstreeppad waarbij de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN dus niet worden aangetast. De provincie Zuid-Holland heeft verder geen externe werking als toetsingscriterium. Een nadere procedure in de vorm van een ‘Nee, tenzij-toets’ is niet noodzakelijk waardoor belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid niet aan de orde zijn.
38 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
6 SAMENVATTING 6.1
Soortenbescherming
In tabel 6.1 zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
39 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Tabel 6.1 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep
Kans op overtreding Wnb?
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing aanvragen?
Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
flora
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
grondgebonden zoogdieren
nee, vrijstelling voor algemeen voorkomende zoogdieren binnen de provincie Zuid-Holland
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vleermuizen
ja, -
ja, door: werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer geen kap- en sloopwerkzaamheden trillingvrij werken
ja, indien bomen worden gekapt is een holtencheck en mogelijk vervolgonderzoek (vleermuisprotocol 2021) nodig niet trillingvrij kan worden gewerkt is een vleermuisonderzoek (conform protocol) nodig1
ja, enkel indien bomen worden gekapt en uit het onderzoek volgt dat hierdoor een verblijfplaats wordt vernietigd niet trillingvrij kan worden gewerkt en uit onderzoek volgt dat hierdoor een verblijfplaats (indirect) wordt aangetast
ja, verstoring van broedvogels voorkomen door twee mogelijkheden: werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
-
vogels (algemene broedvogels)
1
indien foeragerende/overvliegende vleermuizen worden verstoord indien verblijfplaatsen worden vernietigd indien verblijfplaatsen (indirect) worden aangetast
ja, indien (algemeen voorkomende) broedvogels worden verstoord
Het onderzoeksgebied van het nader soortenonderzoek is afhankelijk van de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Wanneer wordt geheid moet rekening worden gehouden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 1.500 m rondom de werkzaamheden. Wanneer funderingspalen worden getrild in plaats van geheid, dient rekening gehouden te worden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 300 m rondom de werkzaamheden. De exacte verstoringscontour van de werkzaamheden kan vastgelegd worden via een geluidberekening.
40 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Soortgroep
vogels (jaarrond beschermde nesten)
Kans op overtreding Wnb?
ja, -
indien jaarrond beschermde nesten van boombroedende soorten worden vernietigd indien jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied (indirect) worden aangetast door geluid en trillingen
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing aanvragen?
Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
ja, door: pulsgeluid en trilling veroorzakende werkzaamheden buiten de broedperiode trillingvrij werken
ja, -
-
indien bomen worden gekapt is een check op jaarrond beschermde nesten nodig. Bij vastgestelde aanwezigheid van een nest is mogelijk nader soortgericht onderzoek nodig (t.a.v. gebruik nest) indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamheden (heien of trillen) plaatsvinden is nader soortgericht onderzoek nodig naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de
ja, -
-
enkel indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode maart - augustus en uit soortgericht onderzoek volgt dat hierdoor nesten van (indirect) worden aangetast enkel indien bomen worden gekapt en uit het onderzoek blijkt dat hierdoor jaarrond beschermde nesten worden vernietigd
verstoringscontour1. Dit in ieder geval voor huismus en als in broedperiode wordt getrild ook voor de overige soorten
amfibieën
nee, geen geschikte nestgelegenheid voor grote gele kwikstaart of ooievaar binnen het onderzoeksgebied1
geen, wel zorgplicht
nee
nee, vrijstelling algemeen voorkomende soorten binnen
geen, wel zorgplicht
nee
nee
nee
provincie Zuid-Holland
1
Het onderzoeksgebied van het nader soortenonderzoek is afhankelijk van de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Wanneer wordt geheid moet rekening worden gehouden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 1.500 m rondom de werkzaamheden. Wanneer funderingspalen worden getrild in plaats van geheid, dient rekening gehouden te worden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 300 m rondom de werkzaamheden. De exacte verstoringscontour van de werkzaamheden kan vastgelegd worden via een geluidberekening.
41 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Soortgroep
Kans op overtreding Wnb?
ja, aanwezigheid van rugstreeppad in het plangebied
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing aanvragen?
Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
ja, -
ja, nader soortenonderzoek naar aanwezige populatie in het
-
-
werken buiten de kwetsbare periode werken uitvoeren gefaseerd in ruimte en tijd verbeteren kwaliteit bestaand leefgebied aanwezige rugstreeppadden en/of ei-snoeren verplaatsen plaatsing van een amfibieënscherm zodat de soort het plangebied niet opnieuw kan bereiken plaatsen van emmers aan binnenzijde van het paddenscherm het kort houden van vegetatie binnen een strook van één m rond het scherm
ja
plangebied
reptielen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vissen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vlinder, libellen & ongewervelden
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
42 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
6.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het plangebied is gelegen op 3 km en 5,8 km van de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide. Directe effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring optreden binnen de Natura 2000-gebieden worden daarom op voorhand uitgesloten. Ook van externe werking is geen sprake. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet gelegen in NNN-gebied van de provincie Zuid-Holland. Ruimtebeslag is uitgesloten. Echter zijn er grenzend aan en in de nabije omgeving van het plangebied percelen bijhorend tot het NNN aanwezig. De provincie Zuid-Holland heeft echter geen externe werking als toetsingscriterium. Een nadere procedure in de vorm van een ‘Nee, tenzij-toets’ is daarom niet noodzakelijk waardoor belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid niet aan de orde zijn.
43 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
7 SPOORBOEKJE/VERVOLGSTAPPEN ECOLOGIE 7.1
Soortenbescherming
Ten aanzien van soortenbescherming zijn volgende bijkomende onderzoeken mogelijk noodzakelijk: 1 vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 ten aanzien van het mogelijk vernietigen van verblijfplaatsen binnen het plangebied; 2 vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 ten aanzien van het mogelijk (indirect) verstoren van verblijfplaatsen en vliegroute binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden. De verstoringscontour van de werkzaamheden dient eerst via een geluidberekening vastgesteld te worden; 3 nader soortenonderzoek ten aanzien van het mogelijk vernietigen van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied; 4 nader soortenonderzoek huismus en gierzwaluw ten aanzien van het mogelijk verstoren van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden. De verstoringscontour van de werkzaamheden dient eerst via een geluidberekening vastgesteld te worden; 5 nader soortenonderzoek rugstreeppad om de grootte van de populatie binnen het plangebied vast te stellen. Onderstaande paragrafen verduidelijken de benodigde onderzoeken en welke mogelijke vervolgstappen hier aan verbonden zijn.
7.1.1
Vleermuizen
Vleermuisonderzoek Het voorkomen van verblijfplaatsen in de woningen en bomen binnen het plangebied is niet uit te sluiten. Indien deze woningen worden gesloopt en/of bomen worden gekapt is een vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 nodig om vast te stellen of er verblijfplaatsen aanwezig zijn in deze gebouwen en/of bomen. De timing en het aantal bezoeken hangt af van de functie van de omgeving (winter- of zomerverblijfplaats, vliegroute, kraamverblijfplaats, foerageergebied, …) en de te onderzoeken soorten. Globaal komt dit neer op drie bezoeken in de periode 15 mei - 15 juli en twee bezoeken in de periode 15 augustus - 1 oktober. Het onderzoek bestaat uit zowel avond- als ochtendbezoeken. Dit onderzoek kan dus ten vroegste in mei 2021 aangevangen worden en duurt tot oktober 2021. Indien er geheid moet worden (wat zoals toegelicht in de voorgaande hoofdstukken hoogstwaarschijnlijk niet het geval is) kan er verstoring van verblijfplaatsen nabij het plangebied plaatsvinden. De verstoringscontour bij heien kan tot 1.500 m van de trillings- en geluidveroorzakende bron reiken. Zodoende worden mogelijk verblijfplaatsen in de wijde omgeving van het plangebied verstoord indien er niet trillingvrij gewerkt kan worden. In woongebied zullen trillingen en geluid minder ver reiken.
Een bijkomende geluidberekening zal dan dus nodig zijn om de exacte verstoringscontour van de werkzaamheden vast te stellen. Ook is indien niet trillingvrij gewerkt kan worden een nader vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 noodzakelijk om vast te stellen of er verblijfplaatsen aanwezig zijn binnen de verstoringscontour en of deze verstoord worden door het voornemen.
44 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Mitigerende maatregelen In de omgeving foeragerende en overvliegende vleermuizen kunnen worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor geluid, licht of trillingen in het onderzoeksgebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang).Waar verlichting nodig is wordt aanbevolen gebruik te maken van efficiënt lichtbeheer. Verlichting dient te worden beperkt door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied en de vliegroute (Haarlemmertrektvaart en Leidsevaart) schijnt; - gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant en weg van het foerageergebied op richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties.
Indien het niet mogelijk is om buiten de actieve periode voor vleermuizen te werken kunnen eventuele vleermuisverblijfplaatsen in (de omgeving van) het plangebied indirect worden aangetast als de vleermuizen aanwezig in de verblijfplaats toch worden verstoord. Indien uit het vleermuizenonderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring van vleermuizen, is voor de uitvoering van de trilling- en geluidveroorzakende werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Onderdeel van deze ontheffing is het nemen van tijdelijke mitigatie in de vorm van het ophangen van vleermuiskasten buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden. De algemene regel luidt dat het aantal op te hangen kasten 4 keer het aantal aangetroffen verblijfplaatsen bedraagt. Compenserende maatregelen Het voorkomen van vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen en gebouwen binnen het plangebied is niet uitgesloten. Er is mogelijk sprake van vernietiging van vaste verblijfplaatsen in de te kappen bomen en te slopen bebouwing. Indien uit het vleermuisonderzoek blijkt dat verblijfplaatsen vernietigd worden door het voornemen, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Een ontheffing wordt aangevraagd op basis van een Activiteitenplan. Alle noodzakelijke maatregelen dienen te worden vastgelegd in een Activiteitenplan.
De maatregelen uit de ontheffing worden vervolgens verwerkt in een ecologisch werkprotocol. Onderstaande maatregelen zijn noodzakelijk ter compensatie: Voor de start van de werkzaamheden dienen de te vernietigen verblijfplaatsen (tijdelijk) gecompenseerd te worden. Dit kan door middel van het ophangen van vleermuiskasten buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden. De algemene regel luidt dat het aantal op te hangen kasten vier keer het aantal aangetroffen verblijfplaatsen bedraagt. Na de werkzaamheden moeten de voorheen aanwezige vleermuizen de kans krijgen om terug te kregen naar het plangebied. Het aantrekken van vleermuizen naar een woonwijk is enkel mogelijk wanneer er geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. Dit is tijdens de bouwfase makkelijk te verwezenlijken door het inbouwen van verschillende typen verblijfplaatsen waar vleermuizen bijna jaarrond in kunnen verblijven. Het inbouwen van deze kasten en de daaropvolgende aanwezigheid van vleermuizen zorgt vrijwel nooit voor overlast voor de bewoners van het huis. Integendeel, vleermuizen kunnen 300 tot 3.000 insecten, waaronder muggen, per nacht eten en zo aanzienlijk overlast door insecten verminderen [lit. 7]. De kasten kunnen in de spouwmuur ingebouwd worden en nemen geen extra ruimte in. De tijdelijke compensatie wordt zo omgezet in een permanente compensatie.
45 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 7.1 Gevels met ingebouwde vleermuiskasten [lit. 15]
Onderstaand stroomschema geeft een overzicht van alle vervolgstappen en hun timing.
Voor aanvang werkzaamheden
-
vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021 binnen plangebied; geluidberekening om verstoringscontour werkzaamheden vast te stellen; vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021 binnen verstoringscontour werkzaamheden; zo nodig: activiteitenplan, ontheffingsaanvraag, ecologisch werkprotocol; ophangen vleermuiskasten buiten verstoringscontour.
Tijdens werkzaamheden
-
-
46 | 53
werkzaamheden buiten de actieve periode van vleermuizen (overdag) uitvoeren; efficiënt lichtbeheer; werken gefaseerd in ruimte en tijd; permanente verblijfplaatsen voorzien in de woonwijk.
Na afloop werkzaamheden monitoring nieuwe permanente verblijfplaatsen.
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
7.1.2
Vogels
Nader soortenonderzoek Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten van huismus (gebouwen) en boomvalk, buizerd, havik en sperwer (bomen) binnen het plangebied is niet uit te sluiten. Indien woningen worden gesloopt is voor de start van de werkzaamheden een soortgericht onderzoek nodig om vast te stellen of er jaarrond beschermde nesten aanwezig en in gebruik zijn in deze gebouwen. Indien bomen binnen het plangebied worden gekapt dient een erkend ecoloog in de bladloze periode te checken of er jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Zo niet, dan kan er overgegaan worden tot de kap van de bomen. Indien er geheid moet worden (wat zoals toegelicht in voorgaande hoofdstukken hoogstwaarschijnlijk niet het geval is) kan er verstoring van verblijfplaatsen nabij het plangebied plaatsvinden. De verstoringscontour bij heien kan tot 1.500 m van de trillings- en geluidveroorzakende bron reiken. Mogelijk worden jaarrond beschermde nesten in de wijde omgeving van het plangebied verstoord. De effectieve verstoringscontour van de werkzaamheden moet worden vastgesteld via een geluidberekening indien er niet trillingvrij gewerkt kan worden. Een nader onderzoek naar huismus in de woningen binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden is voor de start van de werkzaamheden noodzakelijk.
Soorten zoals boomvalk, buizerd, havik, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, ooievaar, slechtvalk en sperwer gebruiken hun nest enkel tijdens de broedperiode. Indien tijdens de broedperiode gewerkt wordt, is een nestencheck binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden noodzakelijk voor deze soorten. Mitigerende maatregelen Jaarrond beschermde nesten Binnen de maximale verstoringscontour van de werkzaamheden kunnen jaarrond beschermde nesten voorkomen. Deze nesten kunnen (indirect) aangetast worden wanneer de werkzaamheden zorgen voor een verstoring door geluid en/of trilling tot bij het nest. Individuen van boomvalk, buizerd, havik, ooievaar, grote gele kwikstaart, gierzwaluw torenvalk, slechtvalk en sperwer maken enkel in de broedperiode gebruik van de nestplek als nestplaats. Door de trilling veroorzakende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (zie ook advies ten aanzien van broedvogels in het algemeen hieronder) kan worden uitgesloten dat op het nest aanwezige individuen van deze soorten worden verstoord. Indien toch in de broedperiode gewerkt wordt zijn de volgende mitigerende maatregelen aangewezen: - verbeteren habitat in bestaand leefgebied. Dit dient voor de start van de werkzaamheden te worden en buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden; - uitvoeren van de werkzaamheden gefaseerd in ruimte en tijd.
Hierdoor zijn altijd voldoende functionerende verblijfplaatsen en geschikt leefgebied voor de soort aanwezig; - aanpassen werkzaamheden of werkwijze rond nestboom. Voor buizerd geldt een verstoringsafstand van minimaal 75 m [lit. 18]. Een soort als huismus kan echter jaarrond gebruik maken van het nest, het nest kan dan ook jaarrond worden aangetast bij het optreden van verstoring (de meest kwetsbare periode hierbinnen is echter ook de broedperiode, globaal maart tot augustus). Indien uit het nader soortgericht onderzoek blijkt dat er jaarrond beschermde nesten van huismus aanwezig zijn binnen de verstoringscontour is een ontheffing noodzakelijk. Onderdeel van deze ontheffing is het nemen van (tijdelijke) mitigatie in de vorm van het aanbieden van vervangende nestplaatsen buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden [lit. 16]. De vervangende nestplaatsen moeten voor minimaal eenzelfde aantal huismussen dezelfde functie kunnen vervullen als de oorspronkelijke plaats die verstoord wordt. De algemene regel luidt dat het aantal vervangende nestkasten minimaal twee keer het aantal aangetroffen nestplaatsen bedraagt.
Deze vervangende nestkasten dienen aan onderstaande voorwaarden te voldoen: - aantal = twee keer het aantal getroffen nestplaatsen; - minimaal drie maanden voor de start van de werkzaamheden plaatsen; - meerdere nestplekken bij elkaar aanbieden waarvan de opening minimaal 50 cm uit elkaar liggen; - zo dicht mogelijk bij locatie oorspronkelijk nes (binnen 200 m); - minimaal 3 m hoogte; - minimale broedruimte van 15 x 8 cm;
47 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
-
noord of oost expositie of in schaduw van dakgoot e.d.; onmiddellijke omgeving voldoende dekking (opgaand groen) en voedsel aanwezig; nestkasten opgebouwd uit duurzaam materiaal dat niet chemisch behandeld is.
Algemene broedvogels Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn echter gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Compenserende maatregelen Indien blijkt uit het nader soortgericht onderzoek dat er jaarrond beschermde nesten van boomvalk, buizerd, havik, slechtvalk of sperwer worden vernietigd door kapwerkzaamheden of dat er jaarrond beschermde nesten van huismus of gierzwaluw worden vernietigd door de sloop van bebouwing, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing wordt aangevraagd op basis van een Activiteitenplan. Alle noodzakelijke maatregelen dienen te worden vastgelegd in een Activiteitenplan.
De maatregelen uit de ontheffing worden vervolgens verwerkt in een ecologisch werkprotocol. Voor de start van de werkzaamheden dienen de te vernietigen jaarrond beschermde nesten van huismus(tijdelijk) gecompenseerd te worden. Dit kan door middel van het ophangen van alternatieve nestplaatsen buiten de verstoringscontour van de werkzaamheden. De alternatieve nestplaatsen moeten voor minimaal eenzelfde aantal huismussen/gierzwaluwen dezelfde functie kunnen vervullen als de oorspronkelijke plaats die verdwijnt. De algemene regel luidt dat het aantal alternatieve nestkasten minimaal 2x het aantal aangetroffen nestplaatsen dat verwijderd wordt bedraagt. Enkele voorbeelden van alternatieve nestplaatsen zijn: - vogeldakpannen, nestkasten, neststenen, mussenpotten, dakvoetsystemen of vergelijkbare voorzieningen; - het maken van toegang in gebouwen tussen dakbedekking en isolatielaag; - het verwijderen van aanwezig vogelschroot. Na de werkzaamheden moeten de voorheen aanwezige soorten met een jaarrond beschermd nest de kans krijgen om terug te kregen naar het plangebied. Het aantrekken van huismus naar een woonwijk is enkel mogelijk wanneer er geschikte nestgelegenheden aanwezig zijn. Dit is tijdens de bouwfase makkelijk te verwezenlijken door het inbouwen van verschillende typen nestlocaties waar huismussen (jaarrond) in kunnen verblijven, zoals hierboven beschreven.
De tijdelijke compensatie wordt zo omgezet in een permanente compensatie. Onderstaand stroomschema geeft een overzicht van alle vervolgstappen en hun timing.
48 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Voor aanvang werkzaamheden Tijdens werkzaamheden
-
nader soortonderzoek binnen plangebied voor huismus; werkenbomenkap: gefaseerd in ruimtecoloog en tijd; voert in bladloze periode nestencheck uit indien erkend verstoringscontour rond nestboom hanteren;verstoringscontour van de werkzaamheden; uitvoeren geluidberekening voor vaststellen permanente nestplaatsen voorzien in de woonwijk.huismus, gierzwaluw, boomvalk, buizerd, havik, grote nader soortonderzoek binnen verstoringscontour
-
gele kwikstaart, ooievaar, slechtvalk en sperwer; zo nodig: activiteitenplan, ontheffingsaanvraag, ecologisch werkprotocol; verbeteren bestaand leefgebied; vervangende nestplaatsen voorzien voor huismus en gierzwaluw; plangebied gefaseerd ongeschikt maken voor broedvogels.
Na afloop werkzaamheden
-
7.1.3
monitoring permanente nestplaatsen; monitoring nestboom.
Rugstreeppad
Nader soortenonderzoek Rugstreeppad is waargenomen in het plangebied. Er zijn zowel voorplantingswateren als overwinteringsplaatsen aanwezig in het plangebied. Voor de start van de werkzaamheden is nader soortenonderzoek is noodzakelijk om de grootte van de populatie rugstreeppadden binnen het plangebied vast te stellen. Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van voorplantingsplaatsen, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (routes of foerageergebieden) van rugstreeppad bevinden [lit. 12]. Aanbevolen wordt gebruik te maken van de aanwezigheidsprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Wijze van inventarisatie Het inventariseren van rugstreeppadden betreft een combinatie van twee methoden: 1 aantonen van voorplanting: luisteren kooractiviteiten (minimaal twee avonden) + zoeken ei-snoeren of larven in voorplantingswateren; 2 inventarisatie van exemplaren: zoeken aanwezigheid in landhabitats (minimaal vijf bezoeken). Periode van inventariseren Onderstaande afbeelding toont de geschiktheid van de perioden voor inventarisatie.
49 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Afbeelding 7.2 De geschiktheid van perioden van inventariseren voor verschillende wijzen van inventariseren [lit. 11]
Bepalen omvang populatie Er zijn meerdere mogelijkheden om de populatie van rugstreeppad in beeld te brengen, door een rugstreeppaddeskundige. De verspreiding, de omvang en kwaliteit van het leefgebied kan een indicatie geven van de populatiegrootte. In de voorplantingstijd kan een indicatie van de aantallen aanwezige exemplaren worden verkregen door een inschatting van de hoeveelheid exemplaren die aan kooractiviteit meedoen. Ook de hoeveelheid ei-snoeren en larven geven een indicatie. Het bepalen van de grootte van de populatie kan het beste op basis van de oppervlakte geschikt leefgebied en de mate van algemeenheid van de soort binnen dit beoordeelde gebied. Bij ingrijpende projecten kan het nodig zijn uitgebreid populatieonderzoek te verrichten door de verspreiding van en het aantal rugstreeppadden in de diverse leeftijdsklassen in het betreffende gebied in beeld te brengen. De verdeling van de grootteklassen geeft een indicatie hoe het met de populatie gesteld is en of er regelmatig voorplantingssucces aanwezig is. Mitigerende maatregelen Het verwonden of doden van individuen van de rugstreeppad is onder de Wnb verboden. Overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is grotendeels te voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen.
Door het opvolgen van mitigerende maatregelen worden de negatieve effecten van het voornemen op rugstreeppad zo minimaal mogelijk gehouden. Mogelijke mitigerende maatregelen zijn: - werken buiten de kwetsbare perioden van rugstreeppad. Dit zijn globaal de voortplantingsperiode (april t/m juli) en de winterrustperiode (half oktober tot en met maart). Bij activiteiten die effect hebben op het landgedeelte van het habitat van de rugstreeppad is een meest gunstige periode niet aan te wijzen, omdat de volwassen dieren vrijwel het gehele jaar hier vertoeven; - uitvoeren van de werkzaamheden gefaseerd in ruimte en tijd. Hierdoor is altijd geschikt habitat voor de soort aanwezig en is de compensatieplicht makkelijk opvolgbaar (zie compensatie hieronder); - verbeteren van de kwaliteit van het bestaand leefgebied als voortplantingshabitat en/of overwinteringshabitat voor rugstreeppad voor de start van de werkzaamheden. Van belang is dit tijdig (voor start van de werkzaamheden) en buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden te realiseren. Voor de start van de werkzaamheden dient het gebied waar de activiteiten plaatsen ten slotte ontoegankelijk gemaakt te worden voor rugstreeppad. Hierbij kan gedacht worden aan: - de aanwezige rugstreeppadden en/of ei-snoeren in het gebied worden weggevangen/geraapt en verplaatst naar geschikt habitat buiten de invloedsfeer van de werken; en
50 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
-
-
-
het plaatsen van paddenschermen rond de meest kansrijke locaties voor het opduiken van de rugstreeppad (plastic scherm met hoogte van 50 cm boven grond en 10 cm onder grond) om te voorkomen dat rugstreeppadden het projectgebied gaan bevolken; en het plaatsen van emmers aan de binnenzijde van het paddenscherm om eventuele rugstreeppadden die binnen de begrenzing van de werkzaamheden aanwezig zijn op te vangen en te verplaatsen naar de andere kant van het scherm; en het kort houden (maaien) van vegetatie binnen een strook van één m rond het scherm om te voorkomen dat amfibieën via de vegetatie het plangebied binnen komen.
Voor de aanvang van de werkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld, waarin maatregelen worden beschreven om verwonding of doding van rugstreeppad te voorkomen. Deze maatregelen dienen uitgevoerd te worden onder begeleiding van een deskundig ecoloog. Compensatie Ter compensatie van het vernietigen van leefgebied van rugstreeppad dient voor de start van de werkzaamheden nieuw leefgebied gerealiseerd te worden. Er kan nieuw leefgebied voor rugstreeppadden worden gerealiseerd dat gelijkwaardig in geschiktheid is als het leefgebied dat wordt verwijderd. Nieuw leefgebied moet bij voorkeur aangrenzend aan leefgebied van bestaande populaties worden gerealiseerd. Nieuw voortplantingswater kan worden gerealiseerd door het maken van nieuw, voor voortplanting geschikt water voor een vergelijkbaar aantal rugstreeppadden. Een ondiepe betonnen bak met water kan al voldoende zijn. Het nieuwe leefgebied moet ook nieuw landhabitat bevatten. Nieuw gebied en nieuwe wateren kunnen dan zeer snel, soms al na enkele dagen of weken, worden geaccepteerd. Braakliggende terreinen bieden veel kansen voor een groot voortplantingssucces en voor geschikt landhabitat. Het is van belang dat het nieuwe leefgebied voldoende omvang en kwaliteit heeft om de populatie in stand te houden.
Afhankelijk van de situatie zal bekeken moeten worden of er een vergelijkbare of grotere lengte of oppervlakte aan leefgebied gerealiseerd moet worden of dat er met minder volstaan kan worden. De nieuw aan te leggen gebieden moeten bij voorkeur passend zijn bij de structuur en kenmerken van het omliggende landschap. Het bevoegd gezag kan aanvullende eisen stellen aan het duurzaam bestendigen van beheer en onderhoud van het nieuwe leefgebied. Monitoring van de effectiviteit van de genomen maatregelen kan aan de orde zijn. Het aanleggen van een compensatiegebied moet gebeuren voor de start van de werkzaamheden. Door het gefaseerd werken in ruimte en tijd hoeft niet meteen het gehele plangebied gecompenseerd te worden in één keer. Het bijhouden van een goede ‘hectare boekhouding’ kan hier ondersteuning bieden. Telkens wanneer er plannen zijn om een nieuw gedeelte van het plangebied in ontwikkeling te nemen, wordt voor dat gedeelte bekeken hoeveel leefgebied er vernietigd wordt en dus hoeveel er eerst gecompenseerd moet worden.
51 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Onderstaand stroomschema geeft een overzicht van alle vervolgstappen en hun timing.
Voor aanvang werkzaamheden
-
nader soortgericht onderzoek rugstreeppad om populatiegrootte te bepalen; zo nodig: activiteitenplan, ontheffingsaanvraag, ecologisch werkprotocol; verbeteren kwaliteit bestaand leefgebied; aanleggen nieuw leefgebied (compensatie voorplantingswater en landhabitat); aanwezigen rugstreeppadden en/of ei-snoeren verwijderen uit plangebied; plangebied ontoegankelijk maken voor rugstreeppadden.
Tijdens werkzaamheden
-
werkzaamheden buiten de kwetsbare periode; werken gefaseerd in ruimte en tijd.
Na afloop werkzaamheden
-
52 | 53
monitoring nieuw leefgebied en populatie rugstreeppad.
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
8 LITERATUUR 1 2
www.natura2000.nl, geraadpleegd op 4 september 2020. European Environment Agency (2018). Natura 2000 End 2018 - shapefile. https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/natura-10/natura-2000-spatial-data/natura-2000shapefile-1, geraadpleegd op 4 september 2020. 3 https://data.overheid.nl/dataset/11120-natuurnetwerk-nederland, geraadpleegd op 4 september 2020. 4 NDFF-ecogrid database, geraadpleegd op 3 september 2020. 5 www.wilde-planten.nl, geraadpleegd op 4 september 2020. 6 www.Zoogdierenvereniging.nl, geraadpleegd op 4 september 2020. 7 www.Vleermuis.net, geraadpleegd op 4 september 2020. 8 Vliegroute onderzoek Leidsevaart en Haarlemmertrekvaart (brug naar de N444) te Voorhout (11 september 2015). VanderHelm Milieubeheer B.V. 9 www.vogelbescherming.nl; geraadpleegd op 4 september 2020. 10 www.ravon.nl, geraadpleegd op 4 september 2020. 11 www.vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 4 september 2020. 12 BIJ12 2017, Kennisdocument Rugstreeppad, versie 1.0. juli 2017. 13 Warren, P.S., M. Katti, M. Ermann, and A. Brazel. 2006. ‘Urban bioacoustics: it’s not just noise.’ Animal Behaviour 71:491-502. 14 Soortgericht onderzoek naar rugstreeppad, weidevogels en vogels met een jaarrond bescherm nest noordelijke randweg Voorhout (17 augustus 2017). VanderHelm Milieubeheer B.V. 15 www.vleermuizenindestad.nl. 16 BIJ12 2017, Kennisdocument Huismus, versie 1.0. juli 2017.
17 BIJ12 2017, Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0. juli 2017. 18 BIJ12 2017, Kennisdocument Buizerd, versie 1.0. juli 2017. 19 https://www.anemoon.org/projecten/natura2000/soortprofielen/platte-schijfhoren, geraadpleegd op 6 januari 2021.
53 | 53
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05
Bijlage(n)
I BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN KENNEMERLAND-ZUID
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Bijlage I | Definitief 05
II BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN COEPELDUYNEN
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Bijlage II | Definitief 05
III BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN MEIJENDEL & BERKHEIDE
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Bijlage III | Definitief 05
IV BIJLAGE: INDICATIEVE TABEL GELUIDSCONTOUREN (KENNISCENTRUM INFOMIL) Activiteit
Bronvermogen LWr
60 dB(A)
65 dB(A)
70 dB(A)
dB(A) ref. 10-12 W
75 dB(A)
80 dB(A)
afstand tot activiteit (m)
heien betonpalen
126
400
250
150
80
50
heien stalen buispalen
140
1200
850
550
350
230
heien damwanden
130
550
350
225
125
75
intrillen betonpalen
121
250
150
80
50
25
intrillen stalen buispalen*
135
850
550
350
230
120
intrillen damwanden
125
350
200
125
75
50
geluidarm aggregaat
93
15
10
<10
<10
<10
pneumatisch beitelen/hameren
119
220
140
75
45
25
ontgraven (dragline)
107
60
30
20
10
<10
6 vrachtwagenbewegingen (dumpers) /uur
106
30
17
10
<10
<10
schip
104
35
15
10
<10
<10
bron: http://www.chri.nl/upload/art%20Bouwlawaai%20Geotechniek%200412.pdf toelichting: bij de berekeningen van de indicatieve contourafstanden is uitgegaan van de volgende aannamen: gemiddelde bronsterkte volgens de tabel op basis van ervaringscijfers; volledig harde bodem; geen afscherming van gebouwen en dergelijke; ontvangerhoogte 5 m boven maaiveld; effectieve bedrijfsduur heien/trillen 6 uur in de dagperiode; effectieve bedrijfsduur graven, beitelen, hameren 8 uur in de dagperiode; effectieve bedrijfsduur aggregaat, pomp 12 uur in de dagperiode; geen meteocorrectie; geen impulstoeslag (5dB(A)). opmerking: als werkzaamheden worden uitgevoerd in de avond- en nachtperiode dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is nu niet het uitgangspunt. * Op basis van expert judgement door een geluidspecialist is regel met dit teken toegevoegd.
Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Bijlage IV | Definitief 05
www.witteveenbos.com