CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

16. Bijlage I Gebiedsverkenning Nieuw Boekhorst Quickscan natuur ref 12184022-014.291 7 okt22

Gemeenteraad 1 februari 2024, gemeente TeylingenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Nieuw Boekhorst, Voorhout’17.304 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gebiedsverkenning Nieuw Boekhorst Quickscan natuur

Terra Ontwikkeling C.V. 7 oktober 2022

Project Opdrachtgever

Gebiedsverkenning Nieuw Boekhorst Terra Ontwikkeling C.V.

Referentie

Quickscan natuur Definitief 05 7 oktober 2022 121840/22-014.291

Projectcode

121840

Document Status Datum

Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Doel

5

1.3

Leeswijzer

6

2

PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN

7

2.1

Plangebied

7

2.2

Geplande werkzaamheden

8

3

TOETSINGSKADER

9

3.1

Wet natuurbescherming

9

3.1.1 3.1.2

9 11

3.2

Soortenbescherming Gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

11

3.2.1

12

Gemeentelijk bomenbeleid

4

SOORTENBESCHERMING

13

4.1

Methode

13

4.2

Beschrijving per soortgroep

13

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.2.6 4.2.7 4.2.8

13 15 17 22 26 30 30 31

Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden

5

GEBIEDSBESCHERMING

33

5.1

Natura 2000 (Wnb)

33

5.1.1 5.1.2

33 35

Gegevens Effecten en conclusie

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

36

5.2.1 5.2.2

36 38

Gegevens Effecten en conclusie

6

SAMENVATTING

39

6.1

Soortenbescherming

39

6.2

Gebiedsbescherming

43

7

SPOORBOEKJE/VERVOLGSTAPPEN ECOLOGIE

44

7.1

Soortenbescherming

44

7.1.1 7.1.2 7.1.3

44 47 49

8

Vleermuizen Vogels Rugstreeppad

LITERATUUR

53

Laatste pagina

53

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Instandhoudingsdoelstellingen Kennemerland-zuid

1

II

Instandhoudingsdoelstellingen Coepelduynen

1

III

Instandhoudingsdoelstellingen Meijendel & Berkheide

1

IV

Indicatieve tabel geluidscontouren (kenniscentrum InfoMil)

1

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Nieuw Boekhorst is een nieuw te ontwikkelen woningbouwgebied in Voorhout (gemeente Teylingen). Vijf marktpartijen hebben een grondpositie in bezit, en werken in samenwerking met de gemeente Teylingen aan een ontwikkelingsplan. Doelstelling is om op deze locatie een programma van maximaal 1.300 woningen, alsmede een school, 10.000 m2 sportvoorzieningen en 1.500 m2 commercieel programma te realiseren. In afbeelding 1.1 is de inrichting van de nieuwe woonwijk op hoofdlijnen weergegeven.

Afbeelding 1.1 Themakaart nieuwe woonwijk

Het voorliggende rapport betreft een herziene versie van de quickscan natuur van 2021. Hierbij heeft een extra veldbezoek plaatsgevonden omdat de noordelijke driehoek is toegevoegd aan het plangebied.

1.2

Doel

Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden hebben op: · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen), samengevat in een ‘spoorboekje’.

5 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 beschrijft het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 en 5 betreffen de effectenbeoordeling voor soortenbescherming (hoofdstuk 4) en gebiedsbescherming (hoofdstuk 5). Hierin wordt nagegaan welke beschermde natuurwaarden in en nabij het plangebied aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen hierop zijn. Hoofdstuk 6 geeft een overzichtelijke samenvatting. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de verder uit te voeren onderzoeken, met bijhorende timing. In hoofdstuk 8 is ten slotte de geraadpleegde literatuur weergegeven.

6 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

2 PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN 2.1

Plangebied

Het plangebied voor de nieuwe woonwijk beslaat ongeveer 40 ha, en wordt begrensd door de Noordelijke Randweg (wordt momenteel aangelegd), een spoorweg ten oosten en de Beukenrode en de Boekenburglaan ten zuiden. Het plangebied betreft laaggelegen grasland in polder Boekhorst, een landschap met een rijke cultuurhistorie. De polder is omgeven door boezemwater de Leidsevaart. Het plangebied grenst ten zuidoosten aan de stedelijke woonkern van Voorhout, een plaats in de gemeente Teylingen. Het plangebied wordt ten noorden, zuiden en westen omgeven door open agrarisch gebied. Ten noordwesten zijn tevens twee bosgebieden aanwezig, Landgoed Offem (1 km) en bosgebied Nieuw Leeuwenhorst (1,2 km). In afbeelding 2.1 en 2.2 is het plangebied weergegeven. De ‘noordelijke punt’ is apart aangegeven omdat dit het gebied is dat ingericht wordt als compensatie voor rugstreeppad (dit gebied is ook meegenomen in deze quickscan).

Afbeelding 2.1 Globale ligging van het plangebied

7 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

Afbeelding 2.2 Detail van het plangebied

2.2

Geplande werkzaamheden

De geplande werkzaamheden betreffen het nodige om een nieuwe woonwijk en alle bijhorende faciliteiten te realiseren. De exacte werkzaamheden zijn nog niet bekend, aldus wordt uit gegaan van een worst-case scenario waarbij er wordt geheid, sloten worden gedempt, panden en kassen worden gesloopt, grasland wordt vergraven en het huidige aanwezige opgaand groen wordt verwijderd. Enkel de in afbeelding 1.1 weergegeven bebouwing binnen het plangebied die niet in de inrichtingskaart is opgenomen (en waarvan het satellietbeeld dus zichtbaar is) wordt behouden. De overige bebouwing binnen het plangebied wordt gesloopt. Er is dus sprake van een groot effectbereik van de werkzaamheden. Voor de gebruiksfase van de woonwijk wordt een lichtplan opgesteld, hierbij geldt als uitgangspunt dat verstoring van licht vanuit de woonwijk op aangrenzende gebieden/ percelen/ wateren wordt uitgesloten.

8 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

3 TOETSINGSKADER In de hiernavolgende paragrafen zijn de relevante delen van het wettelijk kader in relatie tot natuurbescherming opgenomen.

3.1

Wet natuurbescherming

3.1.1

Soortenbescherming

Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken.

Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil);

9 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

2 3 4

nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil).

Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern. Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. ‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden.

Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.

10 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

3.1.2

Gebiedsbescherming

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘Passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q.

de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen met bijhorende habitattypische soorten als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het plangebied ligt in de provincie Zuid-Holland. Het Provinciale NNN-beleid is uitgezet in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) en de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019). In de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019) is de nadere regelgeving omtrent de NNN opgesteld. Hierin wordt verder verwezen naar het Natuurbeheerplan en de Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013 (hierna Beleidsregel Compensatie), waarin bepalingen met betrekking tot het beheer en de compensatie bij aantasting van de NNN zijn opgenomen. Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019 In de provincie Zuid-Holland kent de bescherming van het NNN geen externe werking. In artikel 6.24 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019 is wel vastgesteld dat geen bestemmingen in gebieden aangeduid als NNN of als strategische reservering natuur mogelijk zijn als deze de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit en/of samenhang.

Indien dat wel gebeurt, moet er compensatie plaatsvinden, waaraan de volgende voorwaarden zijn verbonden: 1 de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; 2 de compensatie vindt plaats: 1 aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; 2 door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is; of

11 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

3

op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige aarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is.

In artikel 6.24 zijn tevens de ontheffingsbepalingen gegeven, waarin als voorwaarden aan een ontheffing bij bestemmingen in NNN-gebied of in gebieden aangewezen als Belangrijk weidevogelgebied dat, er geen reële alternatieve mogelijk zijn en dat de aangetaste waarden gecompenseerd worden. Nee, tenzij-regime Het Nee, tenzij-regime is van toepassing op ingrepen in de NNN ‘op het land’, in de Belangrijke weidevogelgebieden, in de recreatiegebieden in de Zuidvleugel en in de gebieden in de strategische reservering natuur. Dat wil zeggen dat er in deze gebieden geen nieuwe (ruimtelijke en niet-ruimtelijke) ontwikkelingen zijn toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant aantasten, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële andere mogelijkheden voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resteren schade gecompenseerd worden. In principe zijn alle plannen of projecten die ertoe leiden dat delen van de NNN, Belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden in de Zuidvleugel en gebieden in de strategische reservering natuur een andere bestemming moeten krijgen, en daardoor in oppervlakte afnemen, als significant aan te merken.

3.2.1

Gemeentelijk bomenbeleid

Naast het Wnb beleid betreffend de bescherming van houtopstanden buiten de bebouwde kom Boswet zijn zowel binnen als buiten de bebouwde kom Boswet de regels ten aanzien van het kappen van bomen uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente van kracht. Voor een houtopstand waarop de Wnb van toepassing is hoeft geen vergunning bij de gemeente aangevraagd te worden. Uitzondering hierop zijn houtopstanden die behoren tot een boomstructuur zoals aangegeven in het gemeentelijk bomenstructuurplan (waardevolle bomen aangeduid door de gemeente). Deze bomen zijn altijd vergunningsplichtig. Verder stellen bepaalde gemeenten ook bijkomende voorwaarden aan het kappen van bomen buiten de bebouwde kom. Zo dient in bepaalde gevallen een kapbeslissing te worden aangevraagd bij de gemeente.

12 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

4 SOORTENBESCHERMING 4.1

Methode

Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestond uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 4]. Hierbij werd een zoekgebied van 2,5 km gehanteerd, waarbij de waarnemingen van de afgelopen vijf jaar werden gebruikt. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor was, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 8 september 2020 door een ecoloog van Witteveen+Bos. Vervolgens heeft op 15 april 2022 een extra veldbezoek plaatsgevonden omdat de noordelijke driehoek is toegevoegd aan het plangebied. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Tijdens het veldbezoek werd tevens extra aandacht gegeven aan de aanwezigheid van (leefgebied van) rugstreeppad. Geschikte voorplantingswateren en overwinteringsplekken voor deze soort zijn in kaart gebracht.

Inventarisaties gedurende de avondschermer ten behoeve van het in kaart brengen van rugstreeppadden zijn geen onderdeel van deze quickscan. Mocht dit wel nodig zijn, dan vormt de ecologische quickscan een goed uitgangspunt voor nader soortgericht onderzoek. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.

4.2

Beschrijving per soortgroep

4.2.1

Flora

Bureaustudie Uit de database van de NDFF [lit. 4] blijkt dat in de afgelopen vijf jaar binnen 2,5 km van het plangebied de beschermde florasoorten akkerboterbloem en schubvaren zijn waargenomen. De onder de voormalige floraen faunawet licht beschermde soorten gewone dotterbloem en zwanenbloem zijn tevens waargenomen in en nabij het plangebied, maar hebben onder de Wnb geen beschermde status meer. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden,

13 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren [lit. 5].

Afbeelding 4.1 Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van onder de Wnb beschermde flora in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1

De biotoopeisen van deze soorten staan beschreven in onderstaand kader. Akkerboterbloem Akkerboterbloem is te vinden op zonnige, open plekken op matig voedselrijke, vrij droge tot vochtige, kalkrijke, leemrijke grond. Ze groeit in wintergraanakkers, zelden op omgewerkte grond en ruderale plaatsen. Akkerboterbloem is zeer zeldzaam in Zuid-Limburg en bijna verdwenen in het rivierengebied [lit. 5]. Schubvaren De plant is zeer zeldzaam verspreid door het land, voornamelijk in stedelijk gebied. Het bodemtype betreft zonnige tot halfbeschaduwde plaatsen op droge, kalkrijke, niet te voedselarme tot niet te voedselrijke muren en rotsen (vooral kalksteen). Groeiplaatsen zijn oude muren, rotsen, spleten van stenen constructies en kalkstenen muurtjes langs begraafplaatsen en wegen [lit. 5]. Veldbezoek Tijdens de veldbezoeken zijn geen beschermde flora waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop aan schubvaren. Het ontbreekt immers aan oude muren, rotsen, spleten van stenen constructies en kalkstenen muurtjes (schubvaren). Het plangebied is tevens niet geschikt voor akkerboterbloem. De polder bestaat uit voedselrijke akker- en weilanden, waarvan een gedeelte intensief bewerkt wordt ten behoeve van 1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

14 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

tuinbouw en bollenteelt. Het voorkomen van akkerboterbloem en schubvaren in het plangebied is uitgesloten.

Afbeelding 4.2 Landgebruik in het plangebied

Effecten en conclusie Gezien de afstand tot bekende waarnemingen en het ontbreken van geschikt biotoop kan het voorkomen van onder de Wnb beschermde florasoorten akkerboterbloem en schubvaren, alsook andere beschermde florasoorten, binnen het plangebied worden uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soorten niet aan de orde.

4.2.2

Grondgebonden zoogdieren

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het onderzoeksgebied waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten. Het betreft soorten als bunzing, egel, haas, konijn, ree, vos, wezel en verschillende

15 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

algemeen voorkomende muizensoorten. Voor het verstoren van deze ‘Andere soorten’ van de Wnb geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling bij ruimtelijk ingrepen. Wat betreft niet-vrijgestelde soorten en/of soorten waarvoor geen vrijstelling geldt zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het onderzoeksgebied waarnemingen bekend van de zoogdiersoorten boommarter en damhert van het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb (afbeelding 5.3). Er zijn geen waarnemingen binnen het plangebied. De dichtstbijzijnde waarneming betreft een waarneming van bunzing op 700 m ten westen van het plangebied. Het betreft een waarneming van een dood exemplaar (verkeersslachtoffer).

Afbeelding 4.3

Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van niet vrijgestelde onder de Wnb beschermde zoogdieren in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]

De biotoopeisen van de niet-vrijgestelde soorten worden in onderstaand kader beschreven. Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Bij de boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in Moerasbossen in Overijssel en Utrecht [lit. 6]. Damhert Het damhert heeft een voorkeur voor lichte loofbossen en gemengde bossen. In uitgestrekte naaldbossen wordt de soort minder vaak waargenomen. De voorkeur gaat specifieker uit naar oude bossen met een dichte onderbegroeiing waar het belangrijk is dat er voldoende gras aanwezig is. Ook komt de soort voor in randzones bij open plekken, akkerranden en graslanden en in parkachtige bosgebieden. In Nederland zijn er enkele grote populaties damherten in het Kennemerland, de Amsterdamse waterleidingduinen, de Kop van

16 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

Schouwen en de Veluwe. Verder zwerven er door het land hier en daar kleine groepjes damherten gevormd door ontsnapte dieren [lit. 6]. Veldbezoek Tijdens de veldbezoeken zijn geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het plangebied biedt wel geschikt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende soorten van het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb als bunzing, egel, konijn, haas, ree, vos, wezel en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Exemplaren van boommarter en damhert of sporen van deze bosgebonden soorten zijn niet waargenomen tijdens de veldbezoeken. Wel zijn in de wijde omgeving van het plangebied een aantal bosrijke zones aanwezig die geschikt leefgebied bieden aan deze soorten. Zo zijn de bosgebieden 1 km en 1,4 km ten westen van het plangebied, Landgoed Offem en bosgebied Nieuw Leeuwenhorst, geschikt als leefgebied voor boommarter en damhert. Binnen het plangebied zelf ontbreekt het aan een geschikt biotoop voor deze soorten. De bosrijke tuinen of de kleine bosschage aan de noordrand van het plangebied zijn te klein en te geïsoleerd om dienst te doen als leefgebied voor damhert of boommarter. Tevens wordt het plangebied ten noordwesten en zuidwesten omgeven door de Leidsevaart en het Haarlemmertrekvaart en ten oosten door een spoorweg (barrièrewerking).

Conclusie Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (‘Andere soorten’ Wnb) binnen het plangebied, zoals bunzing, egel, haas, konijn, ree, vos, wezel en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van aanwezige biotopen en ligging niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied aan damhert of boommarter. Het voorkomen van deze soort tot binnen het plangebied is uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn daarom niet nodig.

4.2.3

Vleermuizen

Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland bescherm onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR). Volgens de NDFF-database [lit. 4] komen er minstens zes soorten vleermuizen voor in de omgeving (< 2,5 km) van het plangebied. Het betreft waarnemingen van overvliegende en/of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. De waarnemingen zijn zowel in stedelijke omgeving als in natuurgebied gedaan. De waarnemingen in en nabij het plangebied concentreren zich rond de waterlopen Leidsevaart en Haarlemmertrekvaart en nabij enkele woningen aan de zuidoostelijke rand van het plangebied. In het kader van de aanleg van de Noordelijke Randweg is in 2015 door VanderHelm Milieubeheer B.V. reeds onderzoek uitgevoerd naar een mogelijke vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen [lit. 8]. Uit dit onderzoek volgt dat er sprake is van een vliegroute van gewone dwergvleermuis, meervleermuis en watervleermuis en dat er foerageergebied aanwezig is voor gewone dwergvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Het plangebied van bovenstaand onderzoek grenst aan de noordwestelijke rand van het plangebied beschouwd in deze quickscan.

17 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

Afbeelding 4.4 Waarnemingen in de afgelopen vijf jaar van vleermuizen in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1

De biotoopeisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuizen jagen in de beschutting van opgaande elementen in groene bebouwde omgeving, langs kanalen, vaarten, in tuinen en parken met vijvers, in lanen, tussen boomkruinen, boven open plekken in bos, langs de bosrand (vooral oude voedselrijke loofbossen), straatlantaarns, in en langs lanen, bomenrijen, singels, houtwallen en holle wegen. Waterpartijen en beschutte oevers zijn favoriet als jachtgebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 7]. Gewone grootoorvleermuis Gewone grootoorvleermuizen jagen op beschutte plekken in bos en kleinschalig parkachtig landschap, boven bospaden, in lanen en open plekken, langs bosranden en laag boven (bloeiende) kruidenvegetaties of langs en door de kroon van (bloeiende) bomen.

Als wendbare vlieger jagen ze ook veel in gebouwen, bijvoorbeeld op zolders, in schuren en in stallen met vee. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland een zeldzaamheid. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Ze verhuizen vaak. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. [lit. 7]. 1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

18 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

Laatvlieger De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Hij vliegt vaak op 5-10 m hoogte, maar soms ook wel hoger tussen de boomtoppen. Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten. [lit. 7]. Meervleermuis De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Ook worden regelmatig meervleermuizen waargenomen boven vochtige weilanden en bosranden, binnen een straal van 500 meter van water. De meervleermuis is een soort die zich in de zomer vooral thuis voelt in waterrijke gebieden met moerassen, weiden en bossen.

Kolonies van meervleermuizen bevinden zich vrijwel altijd in gebouwen zoals op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Ook worden regelmatig meervleermuizen waargenomen boven vochtige weilanden en bosranden, binnen een straal van 500 meter van water [lit. 7]. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In MiddenEuropa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek. Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 7]. Ruige dwergvleermuis Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral half open bosrijk landschap. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren.

Vele solitaire mannetjes of kleine groepen zijn gevonden in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors en in kasten. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend [lit. 7]. Watervleermuis De watervleermuis is een boombewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland, en de bossen op de hogere zandgronden en het krijtlandschap in het oosten en zuiden van Nederland. Desondanks komt de soort ook voor in het laagland op plaatsen waar oudere bossen of parken aanwezig zijn. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden [lit. 7]. Veldbezoek De combinatie van uitgestrekte open akker- en weidelandschap met (rechtlijnige) waterpartijen en verspreide stedelijke gebieden, bosgebieden en bosschages in de wijde omgeving van het plangebied maken de zuidelijke rand van het plangebied en de wijde omgeving van het plangebied geschikt als foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten. De open (kale) grasvelden van het plangebied zijn niet of slechts matig geschikt als foerageergebied.

De Haarlemmertrekvaart, een rechtlijnige waterpartij die aan het plangebied grenst, en de Leidsevaart, ook een rechtlijnige waterpartij gelegen op circa. 60 m ten noorden van het plangebied, zijn beide rechtlijnige elementen in het landschap die waarschijnlijk een essentiële vliegroute vormen voor vleermuizen.

19 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

Tevens is tijdens het veldbezoek naar de mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen gekeken. Mogelijk zijn in de dichtstbijzijnde woningen langs de Boekenburglaan en Beukenrode aan de zuidoostelijke rand van het plangebied verblijfplaatsen aanwezig voor gebouw bewonende vleermuizen, in de vorm van gaten en spleten in de dakstructuur of loszittende dakpannen. Tevens zijn meerdere vleermuiskasten aanwezig aan de kopgevel van de woning aan de Boekenbruglaan 57 (afbeelding 4.5). Het voorkomen van verblijfplaatsen voor gebouw bewonende vleermuizen kan, gezien de bekende waarnemingen, ligging en geschikt foerageergebied, niet op voorhand worden uitgesloten. Tevens is niet te sluiten dat er ook verblijfplaatsen voor boom bewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. In de tuinen langs de zuidoostelijke rand van het plangebied zijn verschillende bomen en bosschages aanwezig (afbeelding 4.5). Tijdens het veldbezoek was het niet mogelijk om elke boom te controleren op geschikte verblijfplaatsen zoals holten of loszittende schors. Het voorkomen van verblijfplaatsen voor boom bewonende soorten binnen het plangebied kan daarmee niet uit te sluiten. Het voorkomen van potentiële verblijfplaatsen in zowel gebouwen (eerste lijn bebouwing rond het plangebied) als bomen is tevens mogelijk in de omgeving van het plangebied.

Afbeelding 4.5

Vleermuiskasten bij woning aan de Boekenburglaan 57 in het plangebied (links) en bosschage en tuinen aan de zuidoostelijke rand van het plangebied (rechts)

Effecten en conclusie In de wijde omgeving van het plangebied zijn verschillende waarnemingen bekend van vleermuizen. Het betreft waarnemingen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Foerageergebied en vliegroute De uitgestrekte landbouwgebieden met bomenrijen en bosschages en bosgebieden bieden een geschikt foerageergebied aan vleermuizen. Het plangebied en haar nabije omgeving maakt echter deel uit van een groter complex van open akkers afgewisseld met bomenrijen en bosschages. In de (wijdere) omgeving van het plangebied zijn dan ook ruimschoots voldoende uitwijkingsmogelijkheden aanwezig voor foeragerende vleermuizen. Van vernietiging van essentieel foerageergebied voor vleermuizen is binnen het plangebied dan ook geen sprake.

20 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

De Haarlemmertrektvaart en de Leidsevaart zijn (essentiële) vliegroutes voor vleermuizen. De werkzaamheden laten deze watergangen echter ongemoeid. Van vernietiging van een essentiële vliegroute is geen sprake. Uitgangspunt bij het uitvoeren van de werkzaamheden (aanlegfase) is dat verstoring van vleermuizen wordt voorkomen. Waar verlichting nodig is wordt aanbevolen gebruik te maken van efficiënt lichtbeheer. Verlichting dient te worden beperkt door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied en de vliegroute (Haarlemmertrektvaart en Leidsevaart) schijnt; - gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant en weg van het foerageergebied op richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties.

Tijdens de gebruiksfase zijn negatieve effecten op foeragerende en migrerende vleermuizen boven de aangrenzende vaarten/kanalen uitgesloten doordat het voorkomen van lichtverstoring een belangrijk uitgangspunt is in het lichtplan van de woonwijk. Verblijfplaatsen Het voorkomen van vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen binnen het plangebied is niet uitgesloten. Het voorkomen van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de gebouwen in (de directe omgeving van) het plangebied is niet op voorhand uit te sluiten. Er is mogelijk sprake van vernietiging van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen in de te slopen woningen en te kappen bomen is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat verblijfplaatsen vernietigd worden door het voornemen, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Verder kunnen eventuele vleermuisverblijfplaatsen in (de omgeving van) het plangebied (zowel in woningen als in bomen, inclusief deze in de wijde omgeving van het plangebied) indirect worden aangetast als de vleermuizen aanwezig in de verblijfplaats worden verstoord. In de huidige situatie is reeds sprake van verstoring als gevolg van drukke verkeerswegen en de nabijgelegen woonwijk Voorhout. Bij een dergelijke, regelmatige en met een zekere frequentie optredende verstoring treedt vaak gewenning op [lit. 13].

Van soorten die zich, ondanks deze sterke verstoring, hebben gevestigd in het plangebied kan dan ook worden aangenomen dat deze tot op zekere hoogte gewend zijn aan verstoring door geluid en trillingen en zich hier mogelijk op hebben aangepast. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van een beperkte (en tevens tijdelijke) bijkomende geluidverstoring bij de realisatie van de woonwijk zijn uit te sluiten. Deze redenering gaat echter niet op voor werkzaamheden die (plotse) sterke trillingen veroorzaken, bij het heien of intrillen van funderingspalen. Als gevolg van heiwerkzaamheden kan tot op een afstand van 1.500 m verstoring optreden door geluid. De (geluid)verstoringsafstand bij trillen is over het algemeen kleiner, en heeft in vergelijkbare situaties geleid tot een (geluids)verstoringscontour van 300 m rondom de trillingsbron. De omvang van de verstoringscontour is echter in hoge mate afhankelijk van het vermogen van het ingezette materieel, de bodemgesteldheid en het omliggende landschap. Een geluidsonderzoek is nodig om deze contouren nauwkeuriger te bepalen. Het verstoren van (in de verblijfplaats aanwezige) vleermuizen vormt een overtreding van de Wnb. Om verstoring uit te kunnen sluiten wordt daarom geadviseerd trillingvrij te werken (door bijvoorbeeld te boren in plaats van heien).

Er is dan geen vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 nodig voor verstoring van vleermuizen in de woningen (eerste lijn bebouwing) en bomen rond het plangebied.

21 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

4.2.4

Vogels

Bureaustudie Volgens de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende algemeen voorkomende vogelsoorten en categorie 5 vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest waargenomen zoals blauwe reiger, ekster, grutto, ijsvogel en kauw. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied ook verschillende waarnemingen bekend van soorten met een jaarrond bescherm nest die wijzen op de aanwezigheid van een nest, namelijk van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, slechtvalk en sperwer. In het kader van de Noordelijke Randweg is in 2017 reeds een soortgericht onderzoek naar jaarrond beschermde nesten uitgevoerd [lit. 14]. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen jaarrond beschermde nesten van sperwer en ransuil aanwezig zijn in de Polder Boekhorst in 2017, maar dat deze wel verwacht worden in de toekomst. Andere jaarrond beschermde nesten zijn tevens niet waargenomen tijdens dit onderzoek. Op basis hiervan kan weliswaar worden veronderstelt dat ter hoogte van het plangebied weinig geschikte nestplaatsen zijn, maar het valt tevens niet uit te sluiten dat een jaarrond beschermd nest in de tussentijd in de polder is ontstaan. De soorten ekster, grutto en ijsvogel zijn volgens de NDFF [lit. 4] veelvuldig waargenomen in en nabij het plangebied.

Deze soorten worden onder de huidige Wet natuurbescherming als categorie 5 jaarrond beschermd nest beschouwd. Een categorie 5 jaarrond beschermd nest is een nest van vogels die weliswaar vaak terugkeert naar de plaats waar zij het jaar daarvoor heeft gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die over een voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen. Gezien het uitgestrekte polderlandschap in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn er voldoende uitwijkingsmogelijkheden aanwezig voor vogels met een jaarrond beschermd nest categorie 5. Deze soorten worden niet verder behandeld in deze quickscan. De zorgplicht blijft echter wel gelden.

22 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

Afbeelding 4.6

Nest-indicerende waarnemingen van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn in de afgelopen vijf jaar in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1

De biotoopeisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Boomvalk Broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen; bijna overal waar kraaien en eksters broeden. Dus ook regelmatig in populierensingels, op erven en in hoogspanningsmasten en in stadsparken. Concentraties boomvalken vaak waar veel libellen zijn [lit. 9]. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 9]. Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn [lit. 9]. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Bij voorkeur zijn die snelstromend, maar hij broedt ook aan zwak of zelfs nauwelijks stromend water, zoals in Nederland.

Het broeden in de bebouwing, en met name in dorpen waardoor een beek loopt, komt in de bolwerken (Twente, Achterhoek, Limburg) van de grote gele kwikstaart regelmatig voor. In de laatste decennia zijn grote gele kwikstaarten ook in steden buiten het reguliere 1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

23 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

broedgebied vastgesteld, zoals in Groningen en Breda. Een westelijke buitenpost is Utrecht, waar de grote gele kwikstaart langs de singels in het centrum van de stad heeft gebroed [lit. 9]. Havik Combinatie van bos met geschikte nestbomen met open land om te jagen. Broedt in naald- en loofbossen, ook in moerasbos, soms in parken. Jaagt in het bos, maar ook in tussenliggende weilanden en akkers, in aangrenzende open gebieden (heide en hoogveen, moerassen, boerenland) en steeds vaker ook in de stad. Belangrijk is de aanwezigheid van geschikte prooien. In de winter ook in nog opener terrein te vinden, zoals kwelders [lit. 9]. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft 2 tot 3 legsels per broedseizoen met elk 4-6 eieren. Broedduur: 11-12 dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 9]. Ooievaar Het leefgebied bestaat uit extensief beheerde weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden met een hoge waterstand.

Voor een broedplek maakt de ooievaar gebruik van kunstmatige nestgelegenheden op daken en wagenwielen, maar hij broedt ook in zelfgemaakte nesten in bomen. [lit. 9]. Slechtvalk Broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. Steeds vaker in nestkasten. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels. Buiten de broedtijd meestal in open landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders e.d. Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal [lit. 9]. Sperwer Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels, bosjes en op erven [lit. 9]. Veldbezoek De uitgestrekte akker- en weilanden met bomenrijen en verspreide bosschages en enkele bosgebieden bieden geschikte nestgelegenheid aan verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels in de omgeving van het plangebied gedurende het broedseizoen is dan niet uit te sluiten.

Het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid aan grote gele kwikstaart of ooievaar. In het plangebied ontbreekt het immers aan oevers van beken en rivieren omzoomd door bos of bomen (grote gele kwikstaart) of nestpalen in agrarisch gebied (ooievaar). Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten van deze soorten binnen het plangebied is uitgesloten. Mogelijk vinden deze soorten wel geschikte nestgelegenheid in de omgeving van het plangebied. Tijdens een veldbezoek is een waarneming van torenvalk gedaan binnen het plangebied. In het plangebied zelf was geen nestkast aanwezig voor deze soort. Er zijn verder geen waarnemingen gedaan van andere jaarrond beschermde nesten, of andere soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het was echter niet mogelijk om tijdens het veldbezoek (habitatscan) alle bomen in de tuinen en bosschages langs de zuidoostelijke rand te inspecteren op de aanwezigheid van (jaarrond beschermde) nesten. Het voorkomen van nesten van boomvalk, buizerd, havik, slechtvalk en sperwer in bomen binnen het plangebied kan daarmee niet worden uitgesloten. Tevens is het mogelijk dat deze soorten geschikte nestgelegenheid vinden in de omgeving van het plangebied.

24 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

In en in de omgeving van het plangebied zijn verschillende woningen aanwezig. Deze gebouwen vertoonden geschikte nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw, in de vorm van loszittende dakpannen of gaten in de dakstructuur. Het voorkomen van huismus (tot in het plangebied) en gierzwaluw (in de aangrenzende woonwijk ten zuidwesten van het plangebied) in deze woningen is niet uit te sluiten. Effecten en conclusie Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid aan grote gele kwikstaart en ooievaar. Het voorkomen van nesten van deze soorten binnen het plangebied is uitgesloten. Van vernietiging van jaarrond beschermde nesten van grote gele kwikstaart of ooievaar is geen sprake. Het kan niet uitgesloten worden dat er jaarrond beschermde nesten van boomvalk, buizerd, havik, slechtvalk en sperwer aanwezig zijn in het plangebied. Indien kapwerkzaamheden gaan plaatsvinden in de bosschages aan de zuidoostelijke rand van het plangebied kan een jaarrond beschermd nest van boomvalk, buizerd, havik, slechtvalk en sperwer indien aanwezig, worden vernietigd.

Indien er kapwerkzaamheden plaatsvinden dienen voorafgaand aan de kapwerkzaamheden de bomen dan ook te worden gecontroleerd door een deskundig ecoloog. Wanneer geen nest wordt aangetroffen, kunnen de kapwerkzaamheden zonder meer plaatsvinden. Indien wel een jaarrond beschermd nest wordt vastgesteld is voor de kapwerkzaamheden mogelijk nader soortgericht onderzoek en eventueel een ontheffing Wnb nodig. Ook buiten het plangebied, in de omgeving van het plangebied, kunnen jaarrond beschermde nesten voorkomen. Het gaat dan zowel om nesten van gebouw bewonende soorten (huismus/gierzwaluw) in de woningen en schuren rond het plangebied als om boom- of paalbroeders (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd, havik, ooievaar, grote gele kwikstaart, torenvalk, sperwer en sperwer) in de tuinen en bosschages van het plangebied en erbuiten. De werkzaamheden laten de gebouwen en groenstructuren buiten het plangebied ongemoeid, waardoor een vernietiging van de hierin aanwezige nesten op voorhand is uit te sluiten. Deze nesten kunnen echter wel indirect worden aangetast wanneer de werkzaamheden zorgen voor een verstoring door geluid en/of trillingen tot bij het nest. In de huidige situatie is in de omgeving van het plangebied weliswaar reeds sprake van verstoring als gevolg van bewoning en drukke verkeerswegen.

Bij een dergelijke, regelmatige en met een zekere frequentie optredende verstoring treedt vaak gewenning op [lit. 13]. Van soorten die zich, ondanks deze sterke verstoring, hebben gevestigd in (de omgeving van) het plangebied kan dan ook worden aangenomen dat deze tot op zekere hoogte gewend zijn aan verstoring door geluid en trillingen en zich hier mogelijk op hebben aangepast. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van een beperkte (en tevens tijdelijke) bijkomende geluidsverstoring bij de realisatie van de woonwijk zijn uit te sluiten. Deze redenering gaat echter niet op voor werkzaamheden die (plotse) sterke trillingen veroorzaken, zoals heien of het intrillen van palen. Bij dergelijke vormen van verstoring is er vrijwel nooit sprake van gewenning vanwege de onvoorspelbaarheid [lit. 13]. Pulsgeluiden en trillingen kunnen leiden tot een verminderd voortplantingssucces van de aanwezige vogels. In de directe omgeving van het voornemen is de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten niet uit te sluiten. Trillingsveroorzakende werkzaamheden kunnen deze nesten verstoren. Wanneer er trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd (al dan niet in de broedperiode) zal er dus aanvullend onderzoek gedaan moeten worden naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour (eerste lijn bebouwing) van de werkzaamheden.

Het gaat dan in ieder geval om onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismus en in het geval er in het broedseizoen getrild wordt ook naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de boom- en paalbroeders (zie hierboven). Als gevolg van heiwerkzaamheden kan tot op een afstand van 1.500 m verstoring optreden door geluid. De (geluid)verstoringsafstand bij trillen is over het algemeen kleiner, en heeft in vergelijkbare situaties geleid tot een (geluids)verstoringscontour van 300 m rondom de trillingsbron. De omvang van de verstoringscontour is echter in hoge mate afhankelijk van het vermogen van het ingezette materieel, de bodemgesteldheid en het omliggende landschap. Een geluidsonderzoek is nodig om deze contouren nauwkeuriger te bepalen. Om verstoring uit te kunnen sluiten wordt geadviseerd om trillingvrij te werken

25 | 53

Witteveen+Bos | 121840/22-014.291 | Definitief 05

(bijvoorbeeld boren in plaats van heien). Het verstoren van jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied kan dan op voorhand uitgesloten worden. Het verstoren van jaarrond beschermde nesten vormt een overtreding van de Wnb. Om verstoring uit te kunnen sluiten dient daarom trillingvrij te worden gewerkt (niet of aangepast heien of trillen). Indien dit niet mogelijk is, moet worden onderzocht of er in de woningen (eerste lijn bebouwing) en bomen binnen de verstoringscontour, vanwaar trilling veroorzakende werkzaamheden plaatsvinden, jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Wanneer op basis van het onderzoek wordt vastgesteld dat binnen de verstoringscontour (vastgesteld via de geluidsberekening) van de werkzaamheden één of meerdere jaarrond beschermde nesten aanwezig is en deze als gevolg van de werkzaamheden wordt aangetast, is voor het voornemen een ontheffing Wnb nodig. Overige broedvogels Het plangebied biedt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk. Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid.

Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe twee mogelijkheden: - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.

4.2.5

Amfibieën

Bureaustudie In de NDFF-database [lit. 4] staan waarnemingen in de omgeving van het plangebied van enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, meerkikker en kleine watersalamander. Voor het verstoren van deze soorten van het beschermingsregime ‘Andere soorten’ (artikel 3.10 Wnb) geldt binnen de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling. Wat betreft niet-vrijgestelde onder de Wnb beschermde amfibiesoorten zijn waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoort rugstreeppad (afbeelding 4.7). In het kader van de Noordelijke Randweg is in 2017 reeds een soortgericht onderzoek naar rugstreeppad uitgevoerd [lit. 14]. Uit dit onderzoek blijkt dat er in de Polder Boekhorst voorplantingsplaatsen, zomerhabitat en overwinteringshabitat aanwezig is. De bredere sloten en een groot deel van het grasland in de Polder Boekhorst maken echter geen deel uit van functioneel leefgebied van deze soort, de soort kan hier echter wel aanwezig zijn wanneer deze tussen de verschillende functies (voortplantingsgebied, overwinteringsgebied) binnen het plangebied trekt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=50cec7f6-a949-4524-91e0-a6472759bf65