CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing Dr. de Visserlaan 2-8 Sassenheim.pdf

Gemeenteraad 21 mei 2026, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen Dr. de Visserlaan 2-8, Sassenheim16.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ruimtelijke onderbouwing

Dr. de Visserlaan 2-8, Sassenheim Teylingen

DATUM IMRO IDN

30-12-2025 NL.IMRO.1525.OMGVDrdeVisserln28-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Dr. de Visserlaan 2-8 ir. R.A. Sips

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Stadsvast B.V. 20250106

AUTEUR STATUS

ing. T. Hartemink definitief

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging projectgebied

6

1.3

Geldend planologisch kader

7

1.4

Leeswijzer

8

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

9

2.1

Bestaande situatie

9

2.2

Toekomstige ontwikkeling

10

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

13

3.1

Inleiding

13

3.2

Rijksbeleid

13

3.3

Provinciaal beleid

14

3.4

Gemeentelijk beleid

16

Onderzoek milieuaspecten

19

4.1

Inleiding

19

4.2

Milieueffectrapportage

19

4.3

Verkeer en infrastructuur

19

4.4

Geluid

21

4.5

Bodem

22

4.6

Luchtkwaliteit

22

4.7

Externe veiligheid

24

4.8

Kabels en leidingen

24

4.9

Bedrijven en milieuzonering

25

4.10

Ecologie

26

4.11

Water

30

4.12

Archeologie en cultuurhistorie

33

Uitvoerbaarheid

35

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35

5.2

Economische uitvoerbaarheid

35

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

3/259

Bijlagen

37

Bijlage 1

Nieuwe situatie t.o.v. bestemmingsplan

39

Bijlage 2

Berekening parkeerbehoefte

41

Bijlage 3

Parkeeronderzoek

43

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

81

Bijlage 5

Rapportage stikstofberekening

143

Bijlage 6

Quickscan Wet natuurbescherming

183

Bijlage 7

Nader ecologisch onderzoek

211

Bijlage 8

Beschaduwingsanalyse

229

Bijlage 9

Zichtlijnen bouwplan

251

Bijlage 10

Participatieverslag

257

4/259

Ruimtelijke onderbouwing

5/259

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Stadsvast B.V. heeft het voornemen om vier verouderde seniorenwoningen aan de Dr. de Visserlaan 2-8 in Sassenheim te slopen en te vervangen door acht moderne appartementen voor senioren. De beoogde herontwikkeling is niet mogelijk op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Sassenheim-Centrum'. Om de realisatie mogelijk te maken is ervoor gekozen om af te wijken van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Hiervoor dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld waarin wordt getoetst aan een goede ruimtelijke ordening, door te kijken naar de beleidskaders, de omgevingsaspecten en de uitvoeringsaspecten. Dit document bevat deze onderbouwing.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied bevindt zich aan de Dr. de Visserlaan 2-8, aan de zuidelijke rand van het centrum van Sassenheim, dat deel uitmaakt van de gemeente Teylingen. De ligging van het projectgebied staat in figuur 1.1 weergegeven.

Figuur 1.1 Ligging projectgebied (bron: kadastralekaart.com)

6/259

1.3

Geldend planologisch kader

Het planologisch regime ligt vast in het bestemmingsplan Sassenheim-Centrum van de gemeente Teylingen, zoals vastgesteld op 31 oktober 2013. Ook het paraplubestemmingsplan parkeren Teylingen (28-06-2018) is ter plaatse van toepassing. Bestemmingsplan Sassenheim-Centrum Ter plaatse van het projectgebied gelden de bestemmingen 'Tuin', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Wonen - 2' (zie figuur 1.2). Ook geldt binnen het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', met functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3'.

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Sassenheim-Centrum' ter plaatse van projectgebied (rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De beoogde ontwikkeling voldoet niet geheel aan de ter plaatse geldende bestemmingen 'Wonen - 2' en 'Tuin'. De beoogde ontwikkeling kent de volgende strijdigheden: de beoogde woningen bevindt zich niet geheel binnen het bouwvlak in de bestemming 'Wonen - 2'; de beoogde woningen bevinden zich niet geheel binnen de bestemming 'Wonen - 2'; de beoogde bouw- en goothoogte van respectievelijk 10,75 m en 7,4 m overschrijden de toegestane maximale bouw- en goothoogtes; gestapelde woningen (appartementen) zijn niet mogelijk binnen de bestemming 'Wonen - 2'. In bijlage 1 zijn de overschrijdingen van de nieuwe bebouwingscontour ten opzichte van het geldende bestemmingsplan weergegeven. Paraplubestemmingsplan parkeren Teylingen In dit paraplubestemmingsplan zijn regels ten aanzien van parkeren bij nieuwe ontwikkelingen opgenomen. Hier wordt in paragraaf 4.3 nader aan getoetst.

7/259

1.4

Leeswijzer

De ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2: Huidige situatie en projectbeschrijving Hoofdstuk 3: Ruimtelijk beleidskader; Hoofdstuk 4: Onderzoek milieuaspecten; Hoofdstuk 5: Uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven en wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 is de gewenste ontwikkeling getoetst aan het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 is de toetsing van de gewenste ontwikkeling aan de relevante sectorale milieuaspecten beschreven. Ten slotte gaat hoofdstuk 5 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

8/259

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Bestaande situatie

Omgeving Het projectgebied bevindt zich in het dorp Sassenheim, dat deel uitmaakt van de gemeente Teylingen. Sassenheim staat bekend om zijn diversiteit in woningtypen. De gemeente zet zich in voor een aantrekkelijk aanbod van woningen dat aansluit bij de behoeften van verschillende doelgroepen. De beoogde ontwikkeling is gelegen aan de Dr. de Visserlaan. Een kleinschalige straat die aan de oostzijde ontsloten wordt door de Menneweg en aan de westzijde door de Sint Antoniuslaan. De straat kenmerkt zich door witte rijwoningen uit de jaren '50.

Figuur 2.1 Luchtfoto projectgebied vanaf noordzijde (bron: Cyclomedia) Projectgebied Het projectgebied bestaat uit een groenzone met daarachter vier rijwoningen. De rijwoningen zijn rond 1955 gebouwd en vormen samen met de andere rijwoningen in de omgeving een woonhofje aan de rand van het centrum. De rijwoningen bestaan uit 2 lagen en een kap in langsrichting. De woningen kenmerken zich door zijn

9/259

sobere uitstraling en compacte bouwvorm. De entree van de woningen bevindt zich aan de straatzijde. Opvallend is dat de rooilijn van de woonstraat verspringt ter hoogte van het projectgebied. De woningen binnen het projectgebied hebben daardoor een bredere groenzone tussen de voorgevel en de Dr. de Visserlaan.

2.2

Toekomstige ontwikkeling

Ten grondslag van de beoogde ontwikkeling is een stedenbouwkundige studie opgezet, welke is vertaald in een ingepast ontwerp voor acht seniorenappartementen binnen het projectgebied. In deze studie zijn op basis van een analyse randvoorwaarden voor de ontwikkeling geformuleerd. Deze hebben zich vertaald in de volgende uitgangspunten: Verspringende rooilijn Bij de nieuwe ontwikkeling wordt de verspringende rooilijn van woonblokken gehandhaafd. Door de seniorenwoningen wat verder naar achteren te leggen, blijft de brede groenstrook behouden en kan deze ingezet worden als collectieve tuin. Op advies van Welstand zijn de bestaande bergingen aan de zijde van de St. Antoniuslaan opgenomen in het bouwplan. Door deze bergingen te integreren in het hoofdgebouw ontstaat een eenduidig ontwerp.

Figuur 2.2 Situatietekening toekomstige situatie

10/259

Kaprichting, kapvorm en oriëntatie De kaprichting en de oriëntatie van de nieuwe bebouwing sluit aan op het andere woonblok aan de Dr. de Visserlaan. Het woonblok staat op een logische plek om een architectonisch accent aan te brengen in de wijk. Zo is de derde verdieping deels verwerkt in de kap, maar kan het toch functioneren als een volwaardige verdieping. De architectonische stijl die is toegepast zorgt voor verfraaiing in de wijk. De drie bouwlagen die zijn toegepast zijn passend op deze plek. Er ontstaat een samenhangend geheel met de omliggende bebouwing. De voorgenomen herontwikkeling kan het startsein zijn voor meer herontwikkelingen in de wijk. Bij het nieuwe woonblok zit een gemeenschappelijke tuin aan de voorzijde. Aan de achterzijde zijn geen tuinen waardoor er het nieuwe woonblok wordt opgenomen in het achtergelegen groene gebied. Aan de voor- en achterzijde van het gebouw liggen bij de woningen behorende terrassen. Deze zijn omsloten door een groenstrook. De moderne seniorenwoningen passen in het beeld van eigentijdse woningen. De grote raampartijen aan alle zijden zorgen voor verbinding met het omliggende gebied. Door de balkons is het uitnodigend voor bewoners om naar buiten te gaan waardoor er een sociale cohesie ontstaat. Er is sprake van het verbeteren van het woongenot.

Figuur 2.3 Gevelaanzichten beoogde ontwikkeling Programma Met de beoogde ontwikkeling worden acht appartemeten in de vorm van seniorenwoningen mogelijk gemaakt. De verdeling van de woningen binnen het gebouw is opgenomen in figuur 2.4. De woningen zijn verdeeld binnen verschillende marktsegmenten. In onderstaand overzicht staan de woningen met de bijbehorende marktsegmenten en gebruiksoppervlaktes weergegeven:

11/259

W1: sociale huur (±65 m²) W2: betaalbare koopwoningen (±65 m²) W3: vrije sector verkoop (±65 m²) W4: betaalbare koopwoningen (±45 m²) W5: betaalbare koopwoningen (±65 m²) W6: vrije sector verkoop (±60 m²) W7: betaalbare koopwoningen (±45 m²) W8: betaalbare koopwoningen (±50 m²) In de centrale hal van de ontwikkeling bevinden zich de bergingen en de (portiek)ontsluiting. De gebruiksoppervlakte van deze ruimte is ± 50 m²

Figuur 2.4 Langsdoorsnede inclusief genummerde woningen

12/259

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling aan het geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Toetsing De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI en het Barro, gekenmerkt door een hoog abstractie en schaalniveau. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Per 1 juli 2017 is een aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke 'treden' en het vervangen van het begrip 'actuele regionale behoefte' door 'behoefte'. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke

13/259

ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Toetsing Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en jurisprudentie blijkt dat een toevoeging vanaf 12 woningen of een functiewijziging vanaf 500 m² bvo wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de ontwikkeling worden 8 nieuwe woningen gebouwd, ter vervanging van 4 verouderde woningen. Met de toevoeging van vier woningen is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouw- corporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Daarnaast zijn nieuwe woningen gasloos of energieneutraal of leveren zelfs energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (extreme regenval, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Toetsing De ontwikkeling betreft de realisatie van 8 seniorenwoningen. Deze uitbreiding vindt plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied.

De woningen bevinden zich in sociale huursegment, betaalbare koopsegment en vrije koopsegment. Verder is het de ambitie om in te zetten op duurzaamheid. Hier gaat paragraaf 3.4.1 verder op in. De ontwikkeling sluit aan bij de provinciale omgevingsvisie. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (april 2023) In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen in Zuid-Holland moeten voldoen. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de verordening regelmatig aangepast. De meest recente versie is de geconsolideerde versie van 1 april 2023.

14/259

Voor dit project is het volgende van belang: Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft de voorkeur aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en de bijbehorende bepalingen in de Omgevingsverordening. Toetsing Het projectgebied is op de kaart 'Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën' niet aangemerkt als bijzondere beschermingscategorie. Het toevoegen van woningen en stedelijke voorzieningen binnen de stad, wordt beschouwd als 'inpassen'. De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande stedelijke omgeving en is zorgvuldig ingepast op de locatie. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen De verordening schrijft voor dat stedelijke ontwikkelingen primair plaatsvinden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Alleen als binnen bestaand stads- en dorpsgebied geen ruimte is voor een specifieke stedelijke ontwikkeling kan een nieuw uitleglocatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied in gebruik worden genomen. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is hierbij van toepassing.

De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen, die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. Toetsing Zoals in paragraaf 3.2.2 benoemd voorziet de beoogde ontwikkeling niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Tevens is het gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Toetsing Op het aspect verkeer is in paragraaf 4.3 ingegaan. Hierin wordt geconcludeerd dat dit aspect voldoende is gewaarborgd in de beoogde ontwikkeling. Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

15/259

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie 2030: Duurzaam bloeiend In de Structuurvisie Teylingen 2030 'Duurzaam bloeiend' heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid tot 2030 op hoofdlijnen vastgelegd. De kern van de visie is dat Teylingen duurzaam bloeit in een krachtige regio, met de ruimtelijk hoogwaardige en sociaaleconomisch sterke kernen Voorhout, Sassenheim en Warmond, een vitale Greenport en een aantrekkelijk plassengebied. De structuurvisie is op 25 juni 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. De structuurvisie biedt een integraal ontwikkelingskader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Teylingen. In de structuurvisie staan vijf leidende principes centraal: Teylingen kiest voor een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Teylingen versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de drie kernen en het buitengebied Teylingen verbetert de sociaaleconomische vitaliteit in de drie kernen en het buitengebied. Teylingen zet zich in voor een vitale Greenport Duin- en Bollenstreek. Onze ambities en keuzes stemmen wij steeds zo goed mogelijk af in regionaal verband, zodat het beleid elkaar versterkt. Wonen in de structuurvisie Op het gebied van wonen kijkt de structuurvisie vooral naar de ruimtelijke randvoorwaarden voor de gewenste woningbouwontwikkelingen op de lange termijn.

Daarbij wordt vastgehouden aan de visie en strategie tot 2030: het behouden en versterken van een aantrekkelijke woonomgeving in complete kernen met een eigen identiteit met voldoende geschikte woningen om te voorzien in de eigen behoefte en met de ruimtelijke mogelijkheden om een beperkte opvangfunctie te vervullen voor een bredere regio. Conform de principes van de ladder van duurzame verstedelijking zullen eerst de locaties binnen en direct aansluitend aan de dorpsgrenzen van de kernen worden bebouwd. Duurzaamheid De gemeente Teylingen heeft zichzelf als doel gesteld om als gemeentelijke organisatie in 2030 volledig duurzaam te zijn. Deze doelstelling kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden-)bouw, alsook voor het klimaat en energiebesparing. Toetsing Wonen De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van acht seniorenwoningen in bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied is in de structuurvisie aangewezen als 'Sassenheim, behoud en vernieuwing woongebied'. Daarnaast wordt in het centrum ingezet op herstructurering en kwaliteitsimpulsen van panden en locaties in het centrum. Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave en de vernieuwing van het woongebied in het centrum van Sassenheim.

Met de ontwikkeling worden vier woningen ten opzichte van de huidige situatie toegevoegd. Met dit aantal is verdere toetsing aan de gemeentelijke afwegingskader voor woningbouw niet noodzakelijk. Dit geldt namelijk pas vanaf een toevoeging van vijf woningen.

16/259

Duurzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in diverse maatregelen ten aanzien van duurzaamheid. Hierin kan onderscheid worden gemaakt in de volgende (sub)thema's, welke hieronder worden behandeld: Energie. Klimaat. Biodiversiteit. In figuur 3.1 is een overzicht van de verschillende duurzaamheidsmaatregelen opgenomen.

Figuur 3.1 Dwarsdoorsnede duurzaamheidsmaatregelen Energie De verouderde woningen met een slechte energiezuinigheid worden gesloopt en vervangen door nieuwbouwappartementen. De nieuwe appartementen worden voorzien van diverse maatregelen ten behoeve van energiezuinigheid, zoals zonnepanelen, duurzame installaties zoals warmtepompen in combinatie met WTW ventilatie unit, douches met WTW en verwarming met lage temperatuur vloerverwarming. Daarnaast wordt het gebouw voorzien van hoogwaardige isolatie en van zonnepanelen op het dak. Klimaat De gemeentelijke klimaatopgave richt zich met name op het tegengaan van hittestress en het verbeteren van de waterberging en -retentie. De ontwikkeling bevindt zich in een groene woonomgeving. Ten aanzien van hittestress scoort de locatie goed ten opzichte van overige locaties in een stedelijk gebied (bron: Atlas Leefomgeving). De ontwikkeling wordt zorgvuldig in de bestaande omgeving ingepast. De groene omgeving rondom het projectgebied blijft behouden. Ook ten aanzien van waterberging en -retentie is het relevant dat de

17/259

ontwikkeling zorgvuldig is ingepast. Door de nieuwbouw grotendeels op de footprint van de bestaande woningen te realiseren neemt het verhard oppervlak nauwelijks toe. As aanvullende maatregel wordt hemelwater opgevangen via infiltratiekratten onder het maaiveld voor infiltratie en vertraagde afvoer. Hierdoor is het projectgebied en de directe omgeving in de toekomst weerbaarder tegen hevige piekbuien. Biodiversiteit Ten behoeve van de biodiversiteit in de omgeving wordt de nieuwbouw voorzien van verschillende maatregelen. Het dak wordt voorzien van vogelnestpannen. Daarnaast worden in de gevel vogelneststenen en/of vleermuiskasten geïntegreerd. Tot slot blijft de groene invulling rondom de nieuw te bouwen woningen behouden.

18/259

Hoofdstuk 4 4.1

Onderzoek milieuaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor de beoogde ontwikkeling relevante milieuaspecten beschreven.

4.2

Milieueffectrapportage

Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, maar waarbij wel sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Hierbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Dit hoeft alleen voor projecten die aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject.

Onderzoek en conclusie Met de ontwikkeling is sprake van het realiseren van acht appartementen, na sloop van vier eengezinswoningen in binnenstedelijk woongebied. Er worden dus vier extra woningen gerealiseerd. Op basis van jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat het realiseren van vier extra woningen in stedelijk gebied te kleinschalig is om te beschouwen als een stedelijke ontwikkelingen zoals bedoeld onder D11.2 van onderdeel D uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Omdat de ontwikkeling niet wordt gezien als stedelijk ontwikkelingsproject is in dit geval het Besluit m.e.r. niet van toepassing. Verdere toetsing is niet noodzakelijk.

4.3

Verkeer en infrastructuur

Ontsluiting Het projectgebied wordt via de Dr. de Visserlaan, de Menneweg en de J.P. Gouverneurlaan richting de Parklaan ontsloten. De Parklaan is een gebiedsontsluitingsweg. Via de Parklaan kan de N208 worden bereikt. De N208 vormt de verbindingsweg naar andere plaatsen in de omgeving.

19/259

Verkeersgeneratie en afwikkeling De ontwikkeling bestaat uit acht nieuwe woningen, ter vervanging van vier bestaande woningen. Bij het vaststellen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW (publicatie 744). Voor de ligging is er uitgegaan van 'centrum'. Tabel 4.1 Berekening verkeersgeneratie Verkeersgeneratie Aantal Huidige situatie Wonen (koop, huis, tussen/hoek) 4 woningen Totaal huidig Toekomstige situatie Wonen (huur, appartement, sociaal) 1 woning Wonen (koop, appartement <75 m² 6 woningen bvo) Wonen (koop, appartement 75-100 1 woning m² bvo) Totaal toekomstig Totaal toename

Kencijfer CROW

mvt/etmaal weekdag

mvt/etmaal werkdag

6,8 per woning

27,2 28

30,2 31

2,4 4,3

2,4 25,8

2,7 28,6

5

5,1

5,7

34 6

37 6

In de toekomstige situatie is de verkeersgeneratie circa 37 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Dit is een toename van circa 6 mvt/etmaal ten opzichte van de huidige situatie. Gezien de beperkte toename heeft de verkeersgeneratie geen negatieve gevolgen op de omliggende ontsluitingswegen. Parkeren Bij het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernormen uit de Nota parkeernormen 2023 van de gemeente Teylingen. Er is een separate berekening naar de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling uitgevoerd. Hierin is gekeken naar zowel de huidige als de toekomstige behoefte. De berekening is opgenomen in bijlage 2. De parkeerberekening concludeert dat er 3,1 extra parkeerplaatsen benodigd zijn ten opzichte van de huidige situatie. Met de ontwikkeling worden geen nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Om te onderzoeken of er voldoende restcapaciteit is op de parkeerplaatsen binnen een straal van 100 meter zijn is hier een parkeeronderzoek voor uitgevoerd, zie bijlage 3. Het onderzoek concludeert dat op het maatgevende moment, het moment dat de meeste parkeerplaatsen in gebruik zijn, een restcapaciteit van 16 parkeerplaatsen aanwezig is. Deze restcapaciteit is voldoende om in de toename van de parkeerbehoefte te voorzien. Conclusie De bereikbaarheid van het projectgebied is goed.

De beperkte toename aan verkeersgeneratie heeft geen negatieve gevolgen op de omliggende wegen. Daarnaast kan de toename in parkeerbehoefte op de bestaande parkeerplaatsen in de directe omgeving worden opgelost.

20/259

4.4

Geluid

Beleid en normstelling Langs alle wegen (met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven) bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones. Voor geluidsgevoelige functies die binnen deze geluidszones mogelijk worden gemaakt dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Binnen de wettelijke geluidszone van een spoorlijn geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan. Voor de beoogde binnenstedelijke ontwikkeling geldt een maximale ontheffingswaarde van 63 dB (wegverkeerslawaai). De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van een spoorweg bedraagt 68 dB. De geluidswaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller worden. Onderzoek en conclusie Wegverkeerslawaai Het plan ligt op circa 80 meter van de Parklaan en daarmee binnen de 200 meter wettelijke geluidzone van die weg. Formeel is toetsing aan de Wet geluidhinder aan de orde. Uit een indicatieve geluidberekening uitgevoerd door de Omgevingsdienst volgt echter dat de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Het vaststellen van een hogere waarde voor wegverkeerslawaai is niet nodig. Akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai van de Parklaan kan achterwege blijven. In de directe omgeving van het plan zijn diverse wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u gelegen. In de meest recente versie van de Regionale Verkeers- en Milieukaart ontbreken verkeersgegevens van deze wegen. De wegen zijn voornamelijk bestemd voor bestemmingsverkeer. Naar verwachting zijn de verkeersintensiteiten niet dusdanig hoog, dat sprake zou kunnen zijn van strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening. Nader akoestisch onderzoek naar de 30 km/u wegen kan achterwege blijven. Wegverkeerslawaai vormt geen

21/259

belemmering voor de realisatie van het plan. Luchtvaartgeluid Het plan ligt in LIB 5-contour van Schiphol. Uitgaande van 2018 Lden contouren ligt het plan in de 50-51 dB contour. Deze geluidbelasting wordt acceptabel geacht. Indien de rekenregel voor cumulatie wordt toegepast, dan bedraagt het geluidniveau van (alleen) luchtvaartgeluid 57 dB. Ook deze geluidbelasting wordt acceptabel geacht.

4.5

Bodem

Beleid en normstelling Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek en conclusie Door middel van een verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied in kaart gebracht. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. In het onderzoeksresultaten blijkt het volgende: De top- en onderlaag van de bodem ter plaatse van de voorziene nieuwbouwlocatie licht verontreinigd is met één of meerdere zware metalen. De onderlaag is licht verontreinigd met PCB. Dergelijke verontreinigden worden vaker vastgesteld in van oudsher bewoonde gebieden en kunnen gezien worden als verhoogd achtergrondgehalte. De grond (toplaag) ter plaatse is licht verontreinigd met PCB. Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met som xylenen en som dichlooretheen.

Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er, gezien de geringe mate aan verontreiniging, milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige nieuwbouw van woningen.

4.6

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.

22/259

Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op acht nieuwe woningen.

Dit valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de Parklaan (als maatgevende weg nabij het projectgebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Conclusie Ter plaatse van het hele projectgebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

23/259

4.7

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Onderzoek en conclusie Overeenkomstig de Atlas Leefomgeving waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Daarnaast bevindt het projectgebied bevindt zich niet nabij risicovolle inrichtingen.

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Kabels en leidingen

Beleid en normstelling

24/259

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek en conclusie In de directe omgeving van het projectgebied liggen voornamelijk woonfuncties en maatschappelijke functies. Deze functies passen bij het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Met de ontwikkeling worden milieugevoelige functies, namelijk woningen, mogelijk gemaakt.

De gronden ten noordwesten van het projectgebied, aan de St. Antoniuslaan, zijn in het vigerende bestemmingsplan 'Sassenheim-Centrum' bestemd als 'Maatschappelijk'. Op deze locatie is op dit moment een kindcentrum gevestigd, bestaande uit een kinderdagverblijf, peuteropvang en buitenschoolse opvang. Een dergelijke functie is aangemerkt als milieu categorie 2. De richtafstand bedraagt 30 meter tot een milieugevoelige functie, vanwege geluid. De afstand vanaf de beoogde ontwikkeling tot de bestemmingsgrens van het kinderdagverblijf bedraagt 25 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand. Met de realisatie van het plan wordt het kindcentrum niet extra belemmerd. In de huidige situatie liggen andere woningen dichterbij het kindcentrum. Nader onderzoek naar de invloed van het kindcentrum ter plaatse van het plan is niet noodzakelijk. De werkelijke afstand van de buitenste gevel van de beoogde woningen tot het dichtstbijzijnde punt van het kindcentrum, namelijk het schoolplein richting de St. Antoniuslaan, bedraagt circa 30 meter. In figuur 4.1 staat de

25/259

afstand op een luchtfoto weergegeven.

Figuur 4.1 Luchtfoto afstand beoogde woningen tot erfgrens kindcentrum (bron: Cyclomedia) Gelet op bovenstaande vormt het aspect bedrijf-/milieuzonering geen belemmering voor het project.

4.10 Ecologie Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie

26/259

voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

27/259

Bij de voorbereiding van de beoogde ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Ook is het projectgebied niet is gelegen in een weidevogelgebied of de strategische reservering natuur. Tevens liggen geen karakteristieke landschapselementen in het projectgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen circa 5,8 km in westelijke richting en betreft het gebied Kennemerland-Zuid. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Om stikstofdepositie van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is voor de aanleg- en de gebruiksfase een onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek zijn de gevolgen van het project op zichzelf onderzocht. De bestaande vergunde situatie (referentiesituatie) is buiten beschouwing gelaten. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5.

In het onderzoek wordt geconcludeerd dat geen depositiebijdragen binnen Natura 2000-gebieden worden berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Soortenbescherming Quickscan De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. In dit kader is een Quickscan Wet natuurbescherming opgesteld. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Het onderzoek concludeert dat het voorkomen van streng beschermde vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw in de daken niet kan worden uitgesloten. Mogelijk zullen bij de geplande sloop vaste verblijfplaatsen en jaarrond beschermde nesten worden vernietigd, wat zou leiden tot een overtreding van de Wnb. Om de aan- dan wel afwezigheid en mogelijke aantallen en typen vaste verblijfplaatsen en nesten aan te kunnen tonen, dient voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw conform de hiervoor opgestelde protocollen.

Nadere conclusie huismus Na de rapportage van de quickscan Wet Natuurbescherming heeft de initiatiefnemer informatie aangeleverd waarmee door Van Dijk Geothechniek en milieu bepaald is dat het voorkomen van huismus alsnog kan worden uitgesloten in verband met de aanwezigheid van een bladrooster in de dakgoot. Dit rooster was reeds aanwezig voorafgaand aan de uitvoering van de quickscan. Met de aanwezigheid van dit bladrooster bestaat er geen toegang voor huismus voor de ruimte onder de dakpannen. Op basis van bovenstaande gegevens en de afwezigheid van andere openingen die huismus toegang kunnen geven tot de ruimte onder de dakpannen, is besloten het nader onderzoek naar huismus achterwege te laten.

28/259

Daarnaast is vastgesteld dat er mogelijk niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes aanwezig zijn, welke gezien de aard van de ingreep niet significant zullen worden aangetast.

29/259

Nader onderzoek vleermuizen en gierzwaluw Naar aanleiding van de uitkomsten uit de quickscan is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de potentiële aanwezigheid van vleermuizen en de gierzwaluw. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. In het onderzoek wordt geconcludeert dat binnen en in de directe nabijheid van de projectlocatie géén vaste verblijfplaatsen van vleermuizen of jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw zijn vastgesteld. Voorts zijn er géén essentiële vliegroutes en/of belangrijke foerageergebieden van vleermuissoorten binnen of nabij de projectlocatie vastgesteld. Bij de geplande sloop van de bestaande bebouwing zal derhalve géén sprake zijn van vernietiging van individuen dan wel vaste verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, waardoor géén sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen zoals die zijn opgenomen in de natuurwetgeving binnen de Omgevingswet (en Wet natuurbescherming). Op basis van de reeds eerder uitgevoerde quickscan en onderhavig nader ecologisch onderzoek geldt echter wel dat voorafgaand en tijdens de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden rekening moet worden gehouden met: vleermuizen (foerageren en vliegroutes); werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (van april/mei tot oktober/november) dienen, i.v.m.

verstoring door kunstlicht, bij daglicht uitgevoerd te worden. Eventueel kunnen werkzaamheden ook bij schemer en in het donker worden uitgevoerd mits de bouwlampen goed worden gericht zodat geen verlichting van de omliggende structuren optreedt, broedvogels in het algemeen; met de start van de werkzaamheden dient bij voorkeur buiten het reguliere broedseizoen (van circa 15 maart tot 15 juli) te worden aangevangen. Benadrukt wordt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Wel dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met vleermuizen (foerageren en vliegroutes), broedvogels in het algemeen en de zorgplicht.

4.11 Water Waterbeheer en watertoets Bij een ruimtelijk plan dient in een vroeg stadium overleg gevoerd te worden met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het

30/259

Hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Verordening Ruimte Provinciale Structuurvisie Waterschapsbeleid Voor de planperiode 2022-2028 zal het Waterbeheerprogramma (WBP6) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar visie is voor de komende planperiode en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De visie van het hoogheemraadschap kan samengevat worden in: water wijst de weg. Het beheergebied van Rijnland en het watersysteem moeten veerkrachtiger en flexibeler worden, er is een noodzaak om water meer leidend te maken in de ruimtelijke inrichting. Belangrijk is om te blijven investeren in waterbeheer. Het werken aan oplossingen om de leefomgeving toekomstbestendig te maken doet het hoogheemraadschap niet alleen, maar in samenwerking met andere partijen zoals het Rijk, provincies en gemeenten. Er zijn vijf maatschappelijke opgaves geformuleerd: 1. bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw 2. tegengaan van bodemdaling 3. versterking van de biodiversiteit 4. energieneutraal werken 5. Nederland circulair in 2050. De thema's voor de strategische doelen bestaan uit waterveiligheid, voldoende water, schoon water, waterketen, Rijnland duurzaam en Rijnland klimaatadaptief.

In het waterbeheerprogramma is beschreven hoe het hoogheemraadschap de gestelde taken wil bereiken en hoe ze denken dat te gaan doen. Het Waterbeheerprogramma (WBP6) 2022-2028 van Rijnland is te vinden op de website: www.bp6rijnland.nl Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Op 13 mei 2020 is de meest recente Keur van Rijnland in werking getreden. De Keur is een juridisch document

31/259

(verordening) waarin Rijnland regelt stelt die nodig zijn om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden. In de Keur zijn verschillende geboden en verboden opgenomen. Hierop kan echter door het waterschap ontheffing worden verleend. Riolering en afkoppelen Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Onderzoek Huidige situatie Algemeen Het projectgebied is in de huidige situatie grotendeels verhard en grotendeels bebouwd. Waterkwantiteit Binnen het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied is niet gelegen binnen een primaire of regionale waterkering. Het projectgebied is ook niet gelegen binnen beschermingszones hiervan. Afvalwater en riolering De bebouwing is aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen De bestaande vier woningen met deels verharde tuinen worden gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een appartementengebouw met acht seniorenwoningen gebouwd. De buitenruimte wordt grotendeels ingevuld als gemeenschappelijke tuin. Tegen het gebouw aan worden enkele verharde terrassen gerealiseerd. Waterkwantiteit Het verhard oppervlak neemt nauwelijks toe. Het appartementengebouw, met een footprint van circa 200 m² wordt namelijk grotendeels op de contouren van de bestaande woningen en de deels verharde tuinen gebouwd. Er wordt verder geen oppervlaktewater gedempt. Watercompensatie is niet aan de orde. Tevens worden

32/259

waterinfiltratiekratten ten behoeve van waterberging en -infiltratie onder het nieuw te realiseren voetpad geplaatst. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering De woningen worden aangesloten op het bestaande stelsel op het perceel. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.12 Archeologie en cultuurhistorie Beleid en normstelling Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het projectgebied. Gemeentelijk archeologie beleid De gemeente Teylingen heeft in samenwerking met de gemeenten Lisse en Noordwijkerhout een archeologische vindplaats- en verwachtingenkaart laten opstellen, die de basis vormt voor het gemeentelijk archeologiebeleid. Inmiddels is de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van Teylingen geactualiseerd. Dit is vastgelegd in de volgende rapporten: Wink, K. e.t. 2014: Toelichting op de archeologische verwachtings(waarden) kaart en beleidskaart

33/259

Gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom, Weesp (Raap-rapport 2852). Brandenburgh, C.R., 2020: graven in archieven. Een niet-gravend verstoringenonderzoek in de bollengemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk en Teylingen. Onderzoek en conclusie Archeologie Het projectgebied is op de archeologische beleidskaart van Teylingen aangeduid als categorie 6. Dit zijn zones met een middelhoge archeologische verwachting. Binnen deze categorie geldt een vrijstellingsgrens voor onderzoek voor ruimtelijke ingrepen die niet dieper reiken dan 30 cm onder maaiveld en/of een oppervlakte behelzen van minder dan 500 m². De ruimtelijke ingrepen voor de beoogde ontwikkelingen hebben een oppervlakte van minder dan 500 m². Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Dit aspect vormt geen belemmering voor dit project.

Figuur 4.1 Uitsnede uit de archeologische beleidskaart van Teylingen (projectgebied in rode cirkel) Cultuurhistorie Binnen het projectgebied bevinden zich geen aangewezen Rijks- of gemeentemonumenten, noch panden die onderdeel zijn van het MonumentenInventarisatieProject (MIP). Ook ligt het projectgebied niet binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, of zones van bijvoorbeeld kasteel-, landgoed-, of molenbiotopen. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor het project.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=bfd5deba-9b69-402f-a5de-bfa8ed0ca0aa