CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Loosterweg 16 Voorhout_vastgesteld_.pdf - Loosterweg 16 Voorhout_vastgesteld_

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente TeylingenBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Loosterweg 16 Voorhout [HAMERSTUK]21.352 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

LOOSTERWEG 16, VOORHOUT Teylingen bestemmingsplan februari 2026

1/2

DATUM KENMERK

17 februari 2026 NL.IMRO.1525.BP2022TEY01073-VA02

PROJECT PROJECTLEIDER

Loosterweg 16, Voorhout

OPDRACHTGEVER Gemeente Teylingen PROJECTNUMMER 20251318 AUTEUR STATUS

2/2

Rho Adviseurs Ter vaststelling (herstelbesluit)

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave

Vaststellingsbesluit Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Huidige planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

11

Projectbeschrijving

12

2.1

Huidige situatie

12

2.2

Beoogde ontwikkeling

13

2.3

Gewenste planologische situatie

13

Ruimtelijk beleidskader

14

3.1

Rijksbeleid

14

3.2

Provinciaal beleid

15

3.3

Gemeentelijk beleid

19

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

27

4.1

Archeologie

27

4.2

Cultuurhistorie

28

4.3

Bodemkwaliteit

28

4.4

Ecologie

29

4.5

Bedrijven en milieuzonering

31

4.6

Externe veiligheid

32

4.7

Kabels en leidingen

33

4.8

Luchtkwaliteit

33

4.9

Verkeer en parkeren

34

4.10

Water

35

4.11

Luchthavenindelingsbeleid Schiphol

38

4.12

Wegverkeerslawaai

41

4.13

m.e.r.-beoordeling

43

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

45

5.1

Algemeen

45

5.2

Toelichting regels

45

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

47

6.1

Economische uitvoerbaarheid

47

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Archeologisch onderzoek

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek Tauw

Bijlage 3

Evaluatie sanering

Bijlage 4

Beschikking instemming evaluatierapport

Bijlage 5

Quickscan Wet natuurbescherming IDDS

Bijlage 6

Notitie broedvogelinventarisatie

Bijlage 7

Quickscan Wet natuurbescherming Adverbo

Bijlage 8

Advies driftreductie

Bijlage 9

Onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 10

Tussenuitspraak Raad van State

2/105

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

71

Artikel 1

Begrippen

71

Artikel 2

Wijze van meten

82

Bestemmingsregels

84

Artikel 3

Agrarisch - Bollenteelt - bollenzone 1

84

Artikel 4

Tuin - 1

88

Artikel 5

Wonen - 1

90

Artikel 6

Water

94

Hoofdstuk 3

Algemene regels

95

Artikel 7

Antidubbeltelregel

95

Artikel 8

Algemene bouwregels

96

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

97

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

98

Artikel 11

Overige regels

99

Overgangs- en slotregels

100

Artikel 12

Overgangsrecht

100

Artikel 13

Slotregel

101

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

Bijlagen regels Bijlage 1

3/105

Windhaag

VASTSTELLING

TOELICHTING

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens de bestemming te wijzigen van de percelen aan de Loosterweg 16 in Voorhout en Loosterweg Zuid (ong) in Lisse. In het vigerende plan geldt de bestemming 'Bedrijf'. De initiatiefnemer wil de vigerende bedrijfsbestemming omzetten in een meer passende agrarische bestemming ten behoeve van bollenteelt. Daarnaast zal de bedrijfswoning aan de voorzijde van het perceel in Voorhout omgezet worden naar een burgerwoning met een aangepast kavel. Het perceel ligt op de grens van de gemeente Teylingen en Lisse. Dat betekent dat de bestemming voor beide gemeentes gewijzigd moet worden. Het ingediende principeverzoek van de initiatiefnemer bij beide gemeentes werd positief ontvangen. Om de wijziging van de bestemmingen mogelijk te maken wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld voor het plangebied. Omdat het bestemmingsplan gelegen is in twee gemeentes wordt de toelichting zo algemeen mogelijk opgesteld. De regels worden afgesteld op de bestemmingen die aanwezig zijn binnen het grondgebied van de betreffende gemeente met inachtneming van het gemeentelijk beleid dat van toepassing is. Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht Op 17 september 2025 heeft de Raad van State een tussenuitspraak gedaan naar aanleiding van beroep tegen het op 1 juni 2023 vastgestelde bestemmingsplan. Deze uitspraak is opgenomen in Bijlage 10.

Naar aanleiding van deze tussenuitspraak is dit plan gewijzigd. De aanpassingen betreffen: - de verbeelding: de bestemmingsvlakken Tuin en Wonen zijn aangepast en het bestemmingsvlak Wonen is voorzien van de aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - landschappelijke inpassing' en 'specifieke bouwaanduiding gebouwen uitgesluiten' - de regels in artikel 5 en Bijlage 1 bij de regels. - toevoeging van de motivering van de omvang van de bestemmingsvlakken Tuin en Wonen in de toelichting in paragraaf 2.2 en 3.3. - de juridische planbeschrijving inparagraaf 5.2

6/105

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Loosterweg 16 in Voorhout en Loosterweg Zuid (ong) in Lisse in het landelijk gebied op de grens van de gemeente Lisse en gemeente Teylingen. Onder andere Voorhout en Lisse worden gerekend tot de agrarisch bollendorpen die gezamenlijk met een aantal andere dorpen de Bollenstreek vormen. Het plangebied is gelegen in een lint in het buitengebied van de gemeente Lisse en Teylingen waarin woningen, bedrijven en agrarische bollengronden zich afwisselen. Rondom het plangebied bevinden zich gronden die bestemd zijn voor bollenteelt. Aan weerszijde van het plangebied en aan de overzijde van de weg bevinden zich woningen en aan de zuid- en oostzijde grenst het plangebied aan een watergang.

Figuur 1.1 - Ligging plangebied (oranje contour) en gemeentegrens tussen Lisse en Teylingen (blauwe stippellijn) (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

7/105

Figuur 1.2 - Ligging plangebied (oranje cirkel) ten opzichte van omgeving (Bron: Google Maps)

1.3

Huidige planologische regeling

Het plangebied is door de ligging op een gemeentegrens opgedeeld in twee delen. Hierdoor is de geldende planologische regeling binnen het plangebied ook vastgelegd in twee bestemmingsplannen; één van de gemeente Lisse en één van de gemeente Teylingen. 1. Gemeente Teylingen: Buitengebied Teylingen (vastgesteld d.d. 30 april 2015) 2. Gemeente Lisse: Landelijk gebied (vastgesteld d.d. 12 september 2013) Beide bestemmingsplannen zijn sindsdien herzien. In bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen, 1e herziening' is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' aangepast naar 'Waarde - Archeologie 7'. In de volgende figuren is de vigerende planologische situatie ter plaatse van het plangebied weergegeven.

8/105

Figuur 1.3 - Ligging plangebied (oranje contour) en planologische situatie in de gemeente Teylingen volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Figuur 1.4 - Ligging plangebied (oranje contour) en planologische situatie in de gemeente Lisse volgens het bestemmingsplan 'Landelijk gebied' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

9/105

Planologische situatie bestemmingsplan 'Buitengebied Teylingen' (figuur 1.3) Binnen dit gedeelte van het plangebied is alleen de enkelbestemming 'Bedrijf - Agrarisch handels- en exportbedrijf' van kracht. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor: a. aan bollencomplex verwante handels- en exportbedrijven; b. de teelt van bollen bij wijze van neventak; c. bij die bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen; en d. de volgende nevenfuncties: 1. de verwerking en verkoop aan huis van hoofdzakelijk ter plaatse geproduceerde agrarische producten; 2. stalling van caravans, kampeerauto's en daarmee gelijk te stellen vervoermiddelen voor recreatief gebruik in bestaande bebouwing (niet in kassen en geen stalling van voertuigen zoals oldtimers die regelmatig en frequent uit de stalling worden gehaald); 3. kleinschalige dagrecreatieve activiteiten in de vorm van het inrichten en gebruiken van ruimten voor doeleinden op het gebied van dagrecreatie, zoals voorlichtingsruimten, verkoopruimten. Daarnaast geldt binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 7' en is het plangebied voorzien van een bouwvlak.

Planologische situatie bestemmingsplan 'Landelijk gebied' (figuur 1.4) Binnen dit gedeelte van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Bedrijf - Handels- en exportbedrijf' en 'Agrarisch Bollenteelt - Bollenzone 1'. De bestemming 'Bedrijf - Handels- en exportbedrijf' is nagenoeg gelijk aan de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch handels- en exportbedrijf', alleen zijn hier geen nevenfuncties toegestaan als hiervoor benoemd onder d. Binnen de bestemming 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1' zijn de gronden bestemd voor: a. de uitoefening van een bollenteeltbedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.10 onder b; b. behoud en versterking en herstel van de voorkomende natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden, in de vorm van: 1. bollenvelden; 2. grootschalige openheid; 3. kenmerkende landschapsstructuur; 4. natuur- en landschapselementen in de vorm van houtwallen en -singels, geriefhoutbosjes en overige groenvoorzieningen; c. de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, waterhuishoudkundige en waterstaatkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen;

10/105

met daaraan ondergeschikt: d. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; e. de volgende nevenfuncties met bijbehorend een maximaal aantal m² aan bebouwing en gronden: 1. verkoop-aan-huis van eigen/agrarische producten (eventueel be- of verwerkt) 2. opslag en stalling van agrarische producten 3. agrarisch natuur- en landschapsbeheer 4. bed & breakfast in de woning. Daarnaast geldt een archeologische dubbelbestemming, mogen op dit gedeelte van het plangebied geen wooneenheden gebouwd worden en geldt een maximum bebouwingspercentage van 60%.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende deel van het plan waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn vastgesteld. De toelichting vormt de onderbouwing van het plan. Hierin komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan bod:  hoofdstuk 2 geeft een omschrijving van het plan;  hoofdstuk 3 onderbouwt dat het plan voldoet aan het ruimtelijk, relevante beleid;  hoofdstuk 4 beschrijft de onderzoeksresultaten naar de diverse omgevingsaspecten;  hoofdstuk 5 licht toe hoe het plan juridisch is vastgelegd in de regels en op de verbeelding;  hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan.

11/105

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied omvat drie kadastrale percelen gelegen in Voorhout en Lisse. Het betreft de kadastrale percelen in Voorhout Sectie B nummer 4966 en 5733 en Sectie A nummer 1231 in Lisse. Een aantal jaar geleden is dit plangebied aangekocht door de initiatiefnemer om het gebied te ontwikkelen. De huidige locatie bestaat uit een braakliggend stuk grond met aan de westzijde een bedrijfswoning die aan de weg gelegen is. De noordzijde van het perceel is zoals te zien in figuur 2.1 al bestemd en in gebruik als bollengrond. De zuidzijde betreft het braakliggende terrein waarop planologisch een bedrijfsbestemming gelegen is. De huidige bedrijfswoning is gelegen binnen de gemeente Teylingen.

Figuur 2.1 - Huidige situatie (Bron: Google Earth)

12/105

2.2

Beoogde ontwikkeling

Op deze locatie was in het verleden één agrarisch handels- en exportbedrijf gevestigd, de bedrijfsopstallen zijn verwoest door een brand. De Greenportontwikkelingsmaatschappij (hierna: GOM) heeft met de initiatiefnemer en tevens eigenaar van de gronden een overeenkomst gesloten voor het nagenoeg volledig omzetten van de aanwezige bedrijfsbestemming in een bollenteeltbestemming en het terugbrengen van deze gronden als 1e klasse bollengrond. De bedrijfsbestemming van ruim 10.000 m2 verdwijnt, inclusief een bouwvlak van ca 5.000 m2. Daarvoor wordt de aanwezige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning met de daarbij behorende woon- en tuinbestemming. De woonbestemming wordt aan de noord- en zuidzijde landschappelijk ingepast. Aan de zijde van de watergang mogen vlonders onderdeel zijn van de landschappelijke inpassing. Om de toekomstige woonbestemming voldoende bescherming te bieden tegen gewasbeschermingsmiddelen die gebruikt worden voor de bollenteelt, zal tussen de toekomstige bestemmingen een landschappelijke inpassing gerealiseerd worden die voldoende bescherming biedt.

2.3

Gewenste planologische situatie

In de toekomstige situatie worden de volgende bestemmingen beoogd binnen het plangebied:  Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1  Wonen - 1  Tuin - 1  Water De bestemming Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1 bevindt zich zowel binnen het plangebied van de gemeente Lisse als van de gemeente Teylingen. De overige bestemmingen (Wonen, Tuin en Water) bevinden zich alleen binnen het plangebied van de gemeente Teylingen. Aan de achterzijde van dit perceel is in de huidige situatie een klein gedeelte van de watergang bestemd als bedrijf. Met dit bestemmingsplan wordt dit gedeelte bestemd conform de feitelijke situatie, zijnde water.

13/105

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

In dit hoofdstuk wordt een overzicht geboden van de ruimtelijk relevante beleidskaders voor het plangebied. Achtereenvolgens wordt ingezoomd op het geldende rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Samen vormen deze de beleidskaders waar binnen de beoogde ontwikkeling plaats dient te vinden.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (2020) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (barro, 2020)

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende jaren een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het Bkl is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Toetsing en conclusie Het NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid.

14/105

3.1.2

Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling

Iedere ruimtelijke onderbouwing die een nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument met het doel efficiënt ruimtegebruik te bevorderen. Voor stedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Indien het ruimtelijke besluit de ontwikkelingen mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Wel of geen stedelijke ontwikkeling De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 12 woningen of een functiewijziging van meer dan 500 m2 bvo wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling wordt een bedrijfsbestemming omgezet naar grond voor bollenteelt en een bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. De omzetting van een deel van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming wordt niet aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject omdat ter plaatse al een woning aanwezig is.

Bij de omzetting van bedrijf naar agrarisch is eveneens geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Conclusie De ontwikkeling wordt niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid voor het plangebied bestaat uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland (25 oktober 2022) en de Omgevingsverordening Zuid-Holland (25 oktober 2022). Relevante zaken uit dit beleid worden getoetst aan de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (vastgesteld d.d. 25 oktober 2022)

De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. In 2021 is een herziening opgesteld die betrekking heeft op een aantal onderwerpen uit de Omgevingsvisie. Voor de niet herziene onderwerpen geldt nog steeds de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Beide documenten zijn in samenhang geraadpleegd bij de toetsing aan het provinciale beleid. Hieronder worden de relevante thema's uit de Omgevingsvisie achtereenvolgens behandeld. Landschap De provincie wil de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van de verschillende Zuid-Hollandse landschappen behouden en versterken.

15/105

De provincie zet in op een betere, gebiedsgerichte verweving van de verschillende ‘klassieke’ functies in de groene ruimte (landbouw, natuur, recreatie, water, cultuurhistorie) en een betere relatie tussen stad en land. Daarmee wil de provincie gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van de verschillende ZuidHollandse landschappen behouden en versterken. De klimaat- en energie-efficiënte samenleving stelt nieuwe eisen aan de groene ruimte. Deze worden zo veel mogelijk ingepast met behoud of zelfs verbetering van bestaande functies. De provincie wil samen met haar partners een kwaliteitsslag maken in de groene ruimte binnen en buiten de stad, zodanig dat er een gezonde leefomgeving ontstaat, de intrinsieke waarden, (waaronder natuurwaarden) worden beschermd en versterkt, en dat de groene ruimte aansluit bij de vraag van de gebruikers en bewoners, toekomstbestendig is en bijdraagt aan de identiteit en ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Hiertoe zijn beschermingscategorieën opgesteld en gebieden aangewezen die daar aan moeten voldoen. In die gebieden gelden strengere richtlijnen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast zet de provincie in op het bieden van handreikingen.

Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). In de visie wordt hiervoor verwezen naar de kwaliteitskaart. 1. Laag van de ondergrond De ontwikkeling is gelegen op de ondergrond van het 'Kustcomplex - Zeezandafzetting'. Hiervoor gelden de volgende richtpunten:  Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever).  Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen “hoog en droog” en “laag en nat” en bouwen voort op de parallelle kuststructuur.  Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter. 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De ontwikkeling is gelegen in het Bollenlandschap en in het lint van de Loosterweg in Voorhout en de Loosterweg Zuid in Lisse. De provincie heeft hiervoor de volgende richtpunten opgesteld: Linten  Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.

 Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.  Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.  Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

16/105

Bollenlandschap  Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen.  Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones.  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap. 3. Laag van de stedelijke occupatie Deze laag is niet van toepassing voor het plangebied. 4. Laag van de beleving Deze laag is niet van toepassing voor het plangebied. Stikstof De provincie wil een ambitie daling realiseren van de stikstofdepositie tot een niveau waarbij de instandhoudingsdoelen in de Natura 2000-gebieden gehaald kunnen worden. De daling van de depositie wordt deels gerealiseerd vanuit andere beleidsdoelen, zoals bodemdaling, transitie van de landbouw (kringlooplandbouw) en energietransitie. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft het wegbestemmen van de bedrijfsbestemming, het realiseren van bollengrond en het vervangen van de bestaande bedrijfswoning door een burgerwoning. Het plangebied bevindt zich in de Duin- en Bollenstreek waardoor het met de nieuwe bestemming aansluit bij de regio waarin het plangebied gelegen is. De visie op dit landschap is beschreven in de Intergemeentelijke structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek. Hieraan wordt getoetst in paragraaf 3.3.1.

Doordat de bestaande bedrijfswoning op de locatie vervangen wordt, blijft er een woning aanwezig op de locatie waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het lint van de Loosterweg (Zuid) niet veranderd. Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan het oprichten van een bedrijf op deze locatie onmogelijk gemaakt. Gelet op de omgeving en de ambitie van de provincie om een daling van de stikstofdepositie te realiseren, sluit dit aan bij het beleid van de provincie. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland (vastgesteld d.d. 25 oktober 2022)

In de Omgevingsverordening heeft de provincie regels gesteld om de provinciale hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland juridisch te borgen. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen deze regels in acht nemen. De Omgevingsverordening is daarmee een kaderstellend instrument van de provincie voor gemeenten. Uit de Omgevingsverordening zijn voor het voorliggende bestemmingsplan alleen artikel 6.9 en 6.17 relevant. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan beide artikelen getoetst.

17/105

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 8. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

Toetsing Met de beoogde ontwikkeling van het plangebied - het toekennen van een agrarische bestemming voor bollengrond in plaats van een bedrijfsbestemming en het vervangen van een woning - wordt aangesloten bij de regio waarbinnen het plangebied gelegen is. De mogelijkheid om een bedrijf op te richten in het buitengebied wordt onmogelijk gemaakt waardoor de openheid en structuur van het landschap gewaarborgd wordt. In het lint van de Loosterweg (Zuid) komen woon-, bedrijfs- en agrarische bestemmingen afwisselend voor. De toekomstige bestemmingslegging past dan ook in het lint van de Loosterweg (Zuid). Het groene karakter, het type functies en de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis komt aan bod in de volgende paragraaf waarin de intergemeentelijke structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek en het Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek behandeld wordt. Artikel 6.17 Bollenteeltgebied 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II , laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. 2. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan voorzien in kassen: a.

bij een volwaardig bollenteeltbedrijf tot ten hoogste 3.000 m2 per bedrijf; b. bij een bestaand volwaardig gemengd bollenteelt- en glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf; c. bij een bestaand volwaardig stekbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf. 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, kan het bestemmingsplan voorzien in kassen tot meer dan 3.000 m2 bij een volwaardig bollenteeltbedrijf, mits: a. tegenover de uitbreiding van de bestaande kassen in gelijke mate de duurzame sanering staat van kassen elders binnen het bollenteeltgebied; b. de ruimtelijke kwaliteit binnen het bollenteeltgebied per saldo wordt verbeterd; en c. de te saneren kassen zijn opgericht voor 1 januari 2014.

18/105

4. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in greenportwoningen en ‘ruimte voor ruimte’ woningen als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek. 5. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in uitbreiding van bestaande handels- en exportbedrijven op locaties binnen het bollenteeltgebied, mits: a. dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering; b. verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële mogelijkheid is; en c. de ruimtelijke kwaliteit niet significant wordt aangetast. 6. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. 7. In afwijking van het eerste lid, kan het bestemmingsplan bestaande bebouwing of functies toelaten, anders dan bedrijven als bedoeld in het eerste lid, alsmede beperkte uitbreiding daarvan of wijziging naar een andere functie, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. 8.

Een bestemmingsplan voor het bollenteeltgebied als bedoeld in het eerste lid, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat op gronden die in het voorgaande bestemmingsplan zijn bestemd voor bollenteelt, voorziet in compensatie van bollenteeltgebied door middel van een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. 9. Voor zover ten behoeve van de compensatie van bollenteeltgebied als bedoeld in het vorige lid graslanden worden gebruikt, dan worden daarvoor de graslanden gebruikt waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in Bollenteeltgebied. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient te worden aangetoond dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. In de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning waardoor geen sprake is van een het planologisch mogelijk maken van een nieuwe woning. Daarnaast wordt een bedrijfsbestemming omgezet naar bollenteeltgrond waarmee wordt aangesloten bij het beleid van de provincie voor dit gebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het beleid uit de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

3.3

Gemeentelijk beleid

Door de ligging van het plangebied op een gemeentegrens geldt ter plaatse het gemeentelijk beleid van zowel de gemeente Lisse als de gemeente Teylingen. Om deze reden wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan het beleid van beide gemeentes. In de gemeente Lisse geldt de Omgevingsvisie Lisse 2040 (vastgesteld d.d. 25 november 2021). 3.3.1 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 (vastgesteld d.d. 23 juni 2016) en Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport DBS (vastgesteld d.d. 16 december 2025)

19/105

Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 De Intergemeentelijke structuurvisie Greenport (ISG) is in december 2009 vastgesteld door de zes greenportgemeenten die samen de Greenport Duin- en Bollenstreek vormen. De ISG is onderdeel van de regionale structuurvisie. Het biedt een kader waar binnen de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) kan opereren en heeft een zelfbindend karakter. Het doel van de ISG van de Duin- en Bollenstreek is daarmee drieledig:  Het gedetailleerder dan in de Regionale StructuurVisie (hierna: RSV) vastleggen van het ruimtelijke ontwikkelingskader voor de vitalisering van de Duin- en Bollenstreek tot en met 2030;  Het, in tegenstelling tot de RSV, wettelijk verankeren van het ontwikkelingskader als zelfbindend ontwikkelingskader voor de Greenportgemeenten;  Het verschaffen van een planologisch juridische basis voor het verevenen van plankosten op basis van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) 2008. De ISG kent een integraal karakter en gaat met name in op de toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkeling van het buitengebied. Het plangebied is binnen de ISG onderdeel van het gebied dat is aangeduid als 'herstructurering naar vitale Greenport met landschapsverbetering en integratie wateropgaven, sanering, schaalvergroting en intensivering van het bollencomplex'.

Naast de economische ontwikkelingen in het bollencluster staan de noodzakelijke verbetering van de waterkwaliteit, het behoud van de natuur en de kwaliteit van de bodem centraal. Een vitaal en duurzaam landschap heeft prioriteit in de ontwikkelingen van het bollencluster. Centraal beleidsuitgangspunt met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van het ISG-gebied is kwaliteitsverbetering. De voorliggende Intergemeentelijke Structuurvisie richt zich op het herstructureren van het buitengebied en het tot stand brengen van een “vitaal landschap”. Enerzijds wordt in dit verband gestreefd naar het behouden van het bollenteeltcomplex, meer in het bijzonder het handhaven van ten minste 2.625 ha 1e klas bollengrond. Anderzijds wordt met deze structuurvisie nagestreefd: (i) het herstel van een open landschapsbeeld, onder meer en met name door het “opruimen van incourante en ongewenste bebouwing en onderliggende bestemmingen” en (ii) de herinrichting van het buitengebied tot een landschappelijk en recreatief aantrekkelijk geheel en een toekomstbestendig bollenteeltgebied. Belangrijk voor de Duin- en Bollenstreek is handhaving van het huidige areaal 1e klas bollengrond, groot 2.625 ha. In de praktijk blijkt dat niet alle voor bollengrond bestemde gronden ook daadwerkelijk voor open grondteelt (hieronder ook begrepen periodieke bollenteelt) worden benut.

Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek (LGDG) Het Programma LGDG is een nieuw ruimtelijk en beleidsmatig kader voor het landelijke gebied van de Duin- en Bollenstreek. Het vervangt de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG) en geldt voor de periode 2026 tot 2040, met een doorkijk naar 2050. Het programma is opgesteld door de vijf gemeenten in de streek (Hillegom, Lisse, Teylingen, Noordwijk en Katwijk) in samenwerking met waterschappen, provincie, agrariërs, maatschappelijke organisaties en inwoners. Het Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport DBS is op 16 december 2025 door de gemeente Teylingen (het college) vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt in januari 2026 bekendgemaakt, waarbij tegelijkertijd het besluit tot het intrekken van de Intergemeentelijke Greenport Duin- en Bollenstreek wordt bekendgemaakt.

20/105

Doelen en thema’s van het programma Het LGDG richt zich op een breed pakket aan maatschappelijke opgaven en thema’s: 1. Behouden van het unieke landschap Het erkennen van het bijzondere cultuurhistorische landschap van de Duin- en Bollenstreek en het beschermen daarvan. 2. Sterke en duurzame Greenport Behoud en versterking van de bollenteelt, inclusief een ambitie om vanaf 2030 emissieloos te telen. 3. Vitale leefomgeving Balans tussen ruimte voor landbouw, natuur, waterbeheer, biodiversiteit én voorzieningen voor de bevolking. 4. Ruimte voor wonen en voorzieningen Er is aandacht voor woningbouw, vooral aan de randen van dorpen en stadjes, met oog voor betaalbaarheid. 5. Duurzame energie en klimaatadaptatie Ruimte voor klimaatopgave, duurzame energieproductie en waterbeheer. 6. Goede samenwerking en participatieHet programma is tot stand gekomen met actieve betrokkenheid van inwoners, jongeren, ondernemers en agrariërs, en bevat participatiemomenten en inspraakprocessen Leidende principes De kernboodschap van het LGDG is vitaal landschap als drager voor een Duurzame Greenport Duin – en Bollenstreek. Om dit vitale landschap te realiseren zijn drie leidende principes uitgewerkt: 1. bodem en water sturend 2. Openhouden (cultuur)landschap 3. Fijnmazige groenblauwe dooradering van het landschap Op de landschapsstrategiekaart zijn de doelen per principe uitgewerkt.

De planlocatie bevindt zich in het gebied dat is aangewezen voor groenblauwe landschapskamers. Toetsing Het programma Landelijk gebied zet in grote lijnen het beleid van het ISG voort. Door functiewijziging van bedrijfs- naar burgerwoning wordt het landschapsbeeld verbetert. Wel wordt de mogelijkheid voor een bedrijf in het bollenteeltgebied weggenomen en wordt daarvoor in de plaats 1e klas bollengrond gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan het principe van het openhouden (cultuur) landschap om verrommeling van het landschap tegen te gaan en om het landschappelijk karakter van de bollenstreek te herstellen en te behouden.

21/105

Met het verwijderen van het bestemmings- en bouwvlak voor een bedrijf op de locatie wordt bijgedragen aan het weer meer open maken van het landschap. Voor het bepalen van de omvang van het resterende woonperceel wordt het principe van een bestemmingsvlak van 1.000 m2 gehanteerd. De exacte omvang is maatwerk waarbij het resterende woonperceel passend moet zijn op basis van de doelen van het ISG en na vaststelling van het Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek de leidende principes van het programma. Verder zijn voor maatwerk de afstanden ten opzichte van omliggende functies van belang, de woonfunctie mag de omliggende functies niet belemmeren. Om te bepalen op welke wijze het woonperceel passend is en welke voorwaarden er zijn voor landschappelijk inpassing is worden de volgende maatwerk afwegingen gemaakt voor het bepalen van de omvang en vormgeving van het woonperceel:  de mogelijkheid van een niet stedelijke functie in de vorm van een bedrijf van 10.000 m2 met bouwvlak wordt verwijderd . Hiermee ontstaat een substantiële kwaliteitsverbetering voor het landschap in de vorm van meer (beleving van) de openheid van het bollenlandschap.  het perceel is aan de zuidzijde gelegen naast een watergang. Deze watergang is van belang voor de groenblauwe dooradering van het gebied.

Om de groenblauwe dooradering te versterken wordt een zone van 3 meter langs de watergang ingericht ten behoeve van landschappelijke inpassing , waarbij vlonders zijn toegestaan.  Met het verwijderen van de bedrijfsbestemming kan een 'raam' (zicht vanaf de weg) naar de open bollengronden worden vrij gehouden. Hiermee wordt de beleving van de openheid beschermd tegen afscherming met bebouwing.  Aan de noordzijde wordt de groen-blauwe dooradering versterkt door de reservering van een strook van 1 meter voor landschappelijke inpassing.  De diepte van het woonperceel dient passend te zijn in het landschappelijke beeld van de bebouwing langs de Loosterweg. Bovenstaande afwegende wordt een perceel van 1.400 m2 passend geacht op basis van doelen en principes van het ISG en de opvolger het Programma Landelijk gebied. Conclusie De Intergemeentelijke structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek en het Programma Landelijk Gebied Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

22/105

3.3.2

Omgevingsvisie Lisse 2040 (vastgesteld d.d. 25 november 2021)

In de Omgevingsvisie Lisse 2040 beschrijft de gemeente wat voor gemeente zij in de toekomst willen zijn. De visie schetst op hoofdlijnen de gewenste ontwikkeling van Lisse op weg naar 2040. Het gaat om een integrale ontwikkelingsrichting voor de gehele fysieke leefomgeving, waarin de verschillende belangen vanuit landschap en natuur, het dorp, woon- en werkgebieden, de agrarische sector en recreatie en toerisme samenkomen. Per deelgebied heeft de gemeente Lisse een ontwikkelrichting opgesteld. De beoogde ontwikkeling is gelegen binnen het deelgebied 'Bollengebied' (zie figuur 3.1). Het bollengebied is heel belangrijk voor de identiteit van de gemeente Lisse en is als onderdeel van de Greenport Duin- & Bollenstreek van grote economische waarde voor Nederland. Bedrijven uit deze regio verzorgen bijna twee derde van de mondiale handel en export van bloembollen. Behalve de wereldberoemde bollenteelt vindt hier ook teelt en veredeling van bloemen, knollen en vaste planten plaats. Gezien de grote waarde van het bollengebied voor Lisse, zowel in economisch, toeristisch-recreatief, landschappelijk als cultuurhistorisch opzicht wordt veel waarde gehecht aan het behouden van de bestaande bollenvelden.

De beleidsmaatregel uit de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duinen Bollenstreek (zie paragraaf 3.3.1) dat het totale areaal van eersteklas bollenveld niet af mag nemen zal de komende jaren blijven gelden. Het meest karakteristieke landschap van Lisse blijft daarmee behouden.

23/105

Figuur 3.1 - Plankaart uit Omgevingsvisie Lisse 2040 Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in het wegbestemmen van een bedrijfsbestemming en de gronden omzetten naar 1e klas bollengrond. Hiermee wordt aangesloten bij de ambities voor het bollenteeltgebied die beschreven worden in de Omgevingsvisie Lisse 2040.

24/105

Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de ambities die beschreven worden in de Omgevingsvisie Lisse 2040. 3.3.3

Structuurvisie 2030 Gemeente Teylingen, Duurzaam Bloeiend (vastgesteld d.d. 25 juni 2015)

De structuurvisie biedt een integraal ontwikkelingskader voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Teylingen tot en met 2030. In de structuurvisie staan vijf leidende principes centraal:  duurzame ontwikkeling;  versterking buitengebied en kernen;  verbeteren economische vitaliteit in buitengebied en kernen;  inzetten voor een vitale greenport Bollen- en Duinstreek;  ambities en keuzes worden regionaal afgestemd.

Figuur 3.2 - Plankaart uit Structuurvisie 2030 gemeente Teylingen Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen als 'bollenteeltgebied, herstructurering, innovatie, landschapsverbetering'. Ingezet wordt op herstructurering, intensivering en transformatie van bestaande bedrijfslocaties. Toetsing Met de omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt niet of nauwelijks bijgedragen aan de herstructurering, intensivering of transformatie van bestaande bedrijfslocaties. Aan de andere kant vormt de omzetting ook zeker geen belemmering voor dit proces.

25/105

Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de ambities die beschreven worden in de structuurvisie van de gemeente Teylingen.

26/105

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de omgevingsaspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.1

Archeologie

Beleid en normstelling De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek In maart 2020 is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door onderzoeksbureau Archol uitgevoerd. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door middel van verkennende boringen binnen het terrein aan de Loosterweg 16 in Voorhout en Loosterweg Zuid (ong) in Lisse. Deze verwachting is getoetst en aangescherpt met het verkennende booronderzoek.

De initiatiefnemer is voornemens om het terrein gereed te maken voor bollenteelt. Daarbij zal de ondergrond diep worden geploegd tot 2,00 m onder het huidige maaiveld. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 1. Uit het onderzoek dat uitgevoerd is wordt op basis van de lage archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied Loosterweg 16 in Voorhout en Loosterweg Zuid (ong) in Lisse geen vervolgonderzoek geadviseerd. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding online via ARCHIS of het vondstmeldingsformulier). De dubbelbestemming archeologie die opgenomen was in voorgaande bestemmingsplannen is komen te vervallen omdat het perceel voldoende onderzocht is en geen archeologische resten meer worden verwacht. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

27/105

4.2

Cultuurhistorie

Toetsingskader De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op beeldbepalende objecten of te beschermen cultureel erfgoed. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Bodemkwaliteit

Beleid en Normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Onderzoek In 2017 is door onderzoeksbureau Tauw een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd volgens NEN 5740 (zie Bijlage 2). Het onderzoek is uitgevoerd om inzicht te krijgen in de milieuhygienische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt geconcludeerd dat er geen milieuhygienische belemmeringen zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling op de locatie.

Gezien het feit dat de gronden ter plaatse sindsdien niet meer anders gebruikt zijn en er geen bijzonderheden hebben plaatsgevonden, wordt aannemelijk geacht dat er geen milieuhygienische belemmeringen zijn. Er dient wel een nader asbestonderzoek gedaan te worden om het exacte gehalte vast te stellen omdat er plaatselijk daadwerkelijk asbest is aangetoond. Uit het nader asbestonderzoek blijkt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. In opdracht van STEK Wonen is door Milieu adviesbureau Adverbo, in september tot en met november 2021 de (sanering) van asbest en puin houdende grond milieukundig begeleid. Daarnaast is de ondergrondse tank verwijderd en is de met olie verontreinigde grond milieukundig begeleid. Het evaluatierapport is bijgevoegd in Bijlage 3. Op 9 februari heeft de Omgevingsdienst West-Holland ingestemd met het evaluatierapport en de sanering als afgerond beschouwd (zie beschikkingsinstemming in Bijlage 4).

28/105

Voor het overige gedeelte in de gemeente Teylingen dat de bestemming 'Wonen - 1' en 'Tuin - 1' krijgt is geen onderzoek noodzakelijk. De locatie is onverdacht op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Ecologie

Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Zuid-Holland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn

29/105

opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Omgevingsverordening Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de Omgevingsverordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming - Natura 2000 Het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid ligt op 4,2 kilometer afstand van het plangebied. Het gebruik van de woning wijzigt niet met de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning. Daarnaast is het aannemelijk dat een wijziging van de huidige bedrijfsbestemming naar ‘Agrarisch - Bollenteelt - bollenzone 1’ zal leiden tot een afname van stikstofdepositie op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied. Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk Nederland De afstand van het plangebied tot het Natuurnetwerk Nederland bedraagt 435 meter. Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat aangewezen is als strategische reservering natuur of als belangrijk weidevogel gebied. Daarnaast zijn er geen karakteristieke landschapselementen gelegen binnen het plangebied. Ook het gebruik van de woning wijzigt niet. De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmering voor het initiatief. Soortenbescherming Voor soortenbescherming zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd.

Door onderzoeksbureau IDDS is in juli 2021 een quickscan Wnb (zie Bijlage 5) en broedvogelinventarisatie (zie Bijlage 6) uitgevoerd voor de in het verleden uitgevoerde saneringswerkzaamheden. In maart 2022 is door milieukundig adviesbureau Adverbo de quickscan Wet natuurbescherming van IDDS geactualiseerd. Het adviesrapport van Adverbo is bijgevoegd in Bijlage 7. In het adviesrapport wordt geconcludeerd dat beschermde soorten niet verwacht worden. Derhalve wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering dient het volgende voortkomend uit hoofdstuk 6 van Bijlage 7 Quickscan Wet natuurbescherming Adverbo in acht genomen te worden:  Het wordt aangeraden de werkzaamheden overdag uit te voeren.  Er dient in elk geval in één richting opgewerkt te worden, zodat vluchtroutes voor eender welk dier altijd mogelijk zijn. Hierbij dient niet richting dode hoeken gewerkt te worden, maar richting geschikt alternatief habitat, en geef verstoorde of vluchtende dieren hiertoe de ruimte.

30/105

Als werkzaamheden langere tijd stil komen te liggen, is het noodzakelijk het gebied gedurende de geplande ingrepen vrij te houden van waterplassen. Indien ondiepe oppervlaktewateren voor langere periodes aanwezig zijn, moet voor het herstarten van werkzaamheden het gebied nogmaals geheel worden doorlopen door een erkend en kundig ecoloog, mogelijk hebben beschermde soorten zich intussen gevestigd. Mochten tijdens de werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, zoals bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw, vleermuis of rugstreeppad dienen de werkzaamheden stilgelegd te worden en ecoloog ingeschakeld te worden.

Daarnaast dient voor aanvang van de werkzaamheden altijd te worden vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van aanwezige bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in het planologisch omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Met deze ontwikkeling wordt geen milieugevoelige functie toegevoegd omdat er in de huidige situatie al sprake is van een woning van derden waaraan omliggende bedrijven moeten toetsen. De toekomstige woonbestemming binnen dit bestemmingsplan grenst aan de te realiseren bollengrond waardoor rekening gehouden dient te worden met drift van gewasbeschermingsmiddelen. In april 2022 is een advies voor driftreductie opgesteld door Adverbo. Het volledige advies is bijgevoegd in Bijlage 8. Uit het advies volgt dat om drift te verminderen een wintergroene windhaag geplaatst dient te worden.

Deze haag moet voldoen aan de volgende eisen:  De windhaag dient een minimale hoogte te hebben van het te bespuiten gewas en de hoogste in werking zijnde spuitdop. De windhaag dient een minimale hoogte van 1,5 m te hebben;  De windhaag is aaneengesloten zonder openingen tussen de beplanting;  Het bladoppervlak heeft een dichtheid van minimaal 90%;  Tussen de windhaag en de buitenste gewassen bevindt zich een teeltvrije zone van minimaal 3,25 m. De teeltvrije zone ten opzichte van de aan het perceel grenzende watergangen wordt behandeld in paragraaf 4.10.

31/105

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, onder voorwaarde dat de windhaag overeenkomstig het bovenstaande wordt gerealiseerd in duurzaam in stand wordt gehouden.

4.6

Externe veiligheid

Toetsingskader externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven

32/105

in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek en conclusie Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. In de directe omgeving vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen dat van invloed is op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Vanwege het ontbreken van relevante risicobronnen in de directe omgeving is er geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7

Kabels en leidingen

Toetsingskader kabels & leidingen Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;  defensie brandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie Er zijn geen kabels en leidingen in de nabijheid van het plangebied. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=6f0eb3d7-4bf9-4422-b823-0caba7ce2ab0