1. iWKp Bollenstreek - Beleidsmodule - v090222_1.pdf.pdf
Tekst van het document
Gemalen dienen van een storingsmelder te zijn voorzien.
Waarneming.
x
transporteren
HWA / DWA
De bedrijfszekerheid van gemalen en andere objecten dient in voldoende mate gewaarborgd te zijn.
Gemalen in een district met overstorten dienen te zijn voorzien van een reservepomp.
Waarneming.
x
Gegevensbeheer
HWA / DWA
Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van duurzame en milieuvriendelijke materialen.
Toepassing van o.a. nationaal pakket Duurzaam Bouwen
Rapportage.
Rijnland
maatstaf
Noordwijk
functionele eis
Teylingen
object
Katwijk
functie
Lisse
BELEIDSMODULE
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 84
BELEIDSMODULE
BIJLAGE C RELEVANTE WETGEVING Beleidsmatige ontwikkelingen De laatste jaren hebben zich een aantal beleidsmatige en vakinhoudelijke ontwikkelingen voorgedaan, die van grote betekenis zijn op de toekomstige status van de riolering. Hieronder wordt op een aantal van deze ontwikkelingen nader ingegaan. Waterbeheer 21ste eeuw In het kader van Waterbeheer 21ste eeuw (WB21) moet de omgang met regenwater veranderen op basis van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’. Dit beleid is gericht op het zoveel mogelijk terugkeren naar de natuurlijke wijze van afvoeren, zoals die was voor de verstedelijking. Dat betekent niet alleen dat regenwater door afkoppelen zoveel mogelijk uit de riolering moet worden gehaald, maar ook bij voorkeur via de bodem wordt afgevoerd in plaats van door een (regenwater)riool. Kaderrichtlijn Water Vanuit Europa dient de Kaderrichtlijn Water (KRW) te worden geïmplementeerd. De uitwerking van de stroomgebied visies om aan dit Europese beleid gestalte te geven verkeert in een vergevorderd stadium. De uitwerking vindt integraal plaats met die voor Waterbeheer 21ste eeuw. De schaalgrootte van de waterlichamen die voor de uitwerking in deze fase zijn gekozen, zijn zodanig dat het aandeel van rioollozingen ten opzichte van andere bronnen (landbouw, verkeer, enz.) meevalt. Op dit moment zijn dan ook nauwelijks maatregelen voor de riolering in KRW-verband te verwachten.
Als het uitwerkingsniveau echter zou worden verfijnd tot waterlichamen die beter corresponderen met de situatie in het stedelijk gebied, dan kunnen daaruit alsnog aanvullende maatregelen naar voren komen. Omgang met regenwater Het regeringsstandpunt ten aanzien van de omgang met hemelwater is uitgewerkt in de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken die per 1 januari 2010 (Wijziging) van kracht is. Het beleid moet leiden tot het grootschalig onttrekken van hemelwater uit de (afval)waterketen. De besluitvorming is overigens in de wet nadrukkelijk toebedeeld aan de gemeenten. Hoogheemraadschappen hebben daarbij slechts een adviserende rol. Lokaal hemelwaterbeleid wordt beïnvloed door een complex van factoren. Risico’s en baten moeten zorgvuldig tegenover elkaar worden afgewogen. Dit roept om lokaal maatwerk om faalkansen te vermijden. Bestuursakkoord Waterketen (BWK-2007) Het bestuursakkoord water is op 31 december 2020 afgesloten. De ministers van Infrastructuur en waterstaat heeft op 26 mei 2021 in een brief aan de Tweede Kamer het resultaat van dit bestuursakkoord Water voorgelegd. De conclusie was dat de doelmatigheidswinst is bereikt. Tevens concludeerde de minister dat daarmee het BAW is afgerond. De minister heeft de verwachting uitgesproken dat de samenwerking in de waterketen door alle partijen wordt voortgezet. resultaten-bestuurs akkoord-water.pdf
Lange termijnvisie op de waterketen Vanuit BWK-verband is een toekomstvisie voor de waterketen in 2050 gepresenteerd, ‘Verbindend Water’ geheten. De ambities richten zich op het realiseren van een hoog duurzaamheidniveau op basis van het principe ‘cradle-to-cradle’ (wieg tot wieg). De nieuwe woningen in 2050 zullen vrijwel CO2-neutraal uitgerust zijn. Afvalwaterhoeveelheden nemen drastisch af en het regenwater wordt zoveel mogelijk benut of via de bodem afgevoerd. Vanzelfsprekend heeft dit een grote impact op de hedendaagse ondergrondse infrastructuur. Afvalwater wordt vooral lokaal gezuiverd nadat hieruit de nuttige grondstoffen zijn onttrokken. De betekenis van deze toekomstvisie is groot. Immers, de rioolbuizen die morgen de grond ingaan, maken deze toekomstverwachting mee.
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 85
BELEIDSMODULE
Ontwikkelingen in wet- en regelgeving Zowel in de afgelopen jaren als in de komende tijd zijn of worden een aantal ontwikkelingen in de wet- en regelgeving doorgevoerd, die in meer of mindere mate van belang zijn voor het rioleringsbeheer. In de volgende paragrafen wordt op de relevante wetgeving ingegaan. Doelen van de wetgeving •
• • • • • • • • • •
•
Bedrijfsafvalwater, regenwater of grondwater hoeft niet in alle gevallen te worden geaccepteerd. In dit geval kan afvalwater dat het functioneren van afvalwaterzuivering of riolering verstoort, worden geweigerd, waarbij kan worden verordonneerd dat de lozer een eigen installatie bouwt om water te kunnen reinigen, alvorens dit water op oppervlaktewater of op de riolering wordt geloosd. Gestimuleerd wordt om de afvalwaterketen los te koppelen van het watersysteem; Voorkomen dient te worden dat schoon water wordt vermengd met afvalwater; Het ontstaan van afval (stedelijk afvalwater) dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Hemelwater dient te worden benut om het grondwaterpeil aan te vullen of als gebiedseigen water in het watersysteem. Bestaande gemengde stelsels worden pas bij vervanging omgezet in gescheiden stelsels. Dit geldt overigens ook voor verbeterd gescheiden stelsels. Daar waar gescheiden afvoer nog niet doelmatig is kan tijdelijk worden gekozen voor een gemengde afvoer. In de Waterwet (artikel 3.4) is de zorgplicht weergegeven om stedelijk afvalwater te zuiveren in een daartoe bestemde inrichting. In dit artikel is weergegeven dat deze zorgplicht bij de hoogheemraadschappen ligt. In artikel 3.5 van de Waterwet wordt de hemelwaterzorgplicht nader uitgewerkt, waarbij de zorg voor doelmatige inzameling en verwerking nader is beschreven.
In artikel 3.6 van de Waterwet is de grondwaterzorgplicht nader uitgewerkt, waarbij vooral structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand zoveel mogelijk dient te worden voorkomen of beperkt. De gemeentelijke zorgplicht geldt alleen voor het openbaar terrein. De grens wordt dan ook getrokken bij het particuliere perceel. Eigenaren van deze terreinen dienen zelf te voorzien in het uitvoeren van deze verschillende watertaken. Pas als de gemeente dit redelijkerwijze niet van de perceeleigenaar kan vragen heeft de gemeente de taak om het afvloeiende hemelwater af te voeren vanaf de grens van het particuliere terrein. Overigens is in de het Burgerlijk Wetboek een artikel opgenomen over het ontvangen van hemelwater op lagergelegen percelen. Lagergelegen percelen dienen het hemelwater op te vangen van hoger gelegen percelen. De particulier dient zelf maatregelen te nemen om het water vanaf de hoger gelegen percelen op te kunnen vangen, zonder overlast te veroorzaken op het eigen terrein.
Wet Milieubeheer De wettelijke planverplichting uit de Wet Milieubeheer, art. 4.22 e.v. voor het opstellen van een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) blijft van toepassing. De inhoud van het plan moet worden verbreed van één naar drie zorgplichten. Het zogenaamde verbrede GRP moet vóór 1 januari 2013 zijn vastgesteld. Een en ander heeft invloed op het begrippenkader voor de wet (art. 1.1). Verder heeft de Minister van Verkeer & Waterstaat de bevoegdheid om een prestatievergelijking van de gemeentelijke rioleringstaken verplichten (art. 4.22, vierde lid). In de wet is ook een voorkeursvolgorde opgenomen over de omgang met afvalwater, die milieuvervuiling door afvalwater moet tegengaan (art. 10.29a). De gemeenteraad kan bij verordening regels en termijnen vastleggen voor de omgang met afvloeiend hemelwater en grondwater op particulier terrein (art. 10.32a). Artikel 10.33 geeft de gemeente de mogelijkheid om het afvalwater, behalve door een openbaar vuilwaterriool (of gemengd riool) naar een zuiveringsinrichting te leiden, ook door andere gelijkwaardige systemen te verwerken. Dat betekent dus dat bijvoorbeeld IBA’s onder de zorgplicht kunnen komen te vallen. Waterwet De nieuwe Waterwet integreert negen bestaande wetten, waaronder de Wet verontreiniging oppervlaktewater (WVO), tot één integrale wet.
Ook bij deze wet worden de bestaande vergunningen gebundeld tot één nieuwe vergunning: de watervergunning. Ook de WVO-lozingsvergunning voor het lozen van afvalstoffen op oppervlaktewater wordt vervangen door algemene regels in het Besluit lozen buiten inrichtingen (in voorbereiding). Op grond van dit besluit moet de gemeente in het GRP een overzicht opnemen, waarop alle overstortvoorzieningen en nooduitlaten voorkomen. In de praktijk zal het INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 86
BELEIDSMODULE erop neerkomen dat het hoogheemraadschap de gemeente alleen kan aanspreken op grond van geconstateerde waterkwaliteitsproblemen als de riolering daarvan een belangrijke veroorzaker is. Ook de WVO-vergunning behoort tot het verleden. Deze wordt op grote schaal vervangen door het vaststellen van afvalwaterakkoorden tussen gemeente en hoogheemraadschap, of kunnen ook planmatig worden opgevat conform artikel 3.8 van de wet. Besluit Lozing Afvalwater Huishoudens Het besluit lozing afvalwater huishoudens (BLAH) is per 1 januari 2008 in werking getreden. Het bevat algemene regels voor het lozen van afvalwater door particulieren. In het verleden was de regelgeving op dit gebied nogal onoverzichtelijk. De algemene regels die voor deze lozingen golden, waren verspreid over drie verschillende besluiten. Daarnaast was voor verschillende lozingen een vergunning of ontheffing van het hoogheemraadschap of de gemeente vereist. Met het nieuwe besluit zijn alle regels voor afvalwaterlozingen door huishoudens samengebracht in één besluit. Voor de lozingen geldt alleen een meldingsplicht. Er is geen vergunning of ontheffing meer vereist. Wel kan een waterkwaliteitsbeheerder maatwerkvoorschriften opleggen, als het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt. Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit is sinds 1 januari 2008 van kracht.
Dit besluit geeft regels voor activiteiten in of vanuit een inrichting, bijvoorbeeld bedrijven. Het Activiteitenbesluit is in het leven geroepen om de administratieve lasten van de burgers te verlichten. Het Activiteitenbesluit gaat uit van de een– loketgedachte. Dit houdt in dat contact opgenomen kan worden met één bevoegd gezag en deze coördineert de melding met andere bevoegde gezagen. Besluit Lozen Buiten Inrichtingen Het besluit lozen buiten inrichtingen (BLBI) is in 2011 in werking getreden. Dit besluit regelt alle lozingen die niet vanuit een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer of een particulier huishouden plaatsvinden. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen uit gemeentelijke rioolstelsels, lozingen van grondwater bij ontwatering van gronden (zoals bronneringswater bij bouwactiviteiten), lozingen van afstromend regenwater van wegen en andere openbare ruimten en lozingen bij gevelreiniging. De lozingen vinden zowel door bedrijven als overheden plaats. In navolging van het Activiteitenbesluit en het Besluit lozing afvalwater huishoudens wordt dit een integraal besluit, waarin alle lozingsroutes (bodem, oppervlaktewater, rioolstelsels) worden geregeld, gebaseerd op de Wet Milieubeheer, Wet bodembescherming en de Waterwet. Dit besluit geeft het bevoegde gezag voor verschillende onderwerpen de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
(Dit geldt ook voor het BLAH en Activiteitenbesluit). Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zorgt ervoor, dat het aantal vergunningen dat nodig is om te mogen bouwen of aanleggen beperkt wordt tot maar één vergunning: de omgevingsvergunning. Uitgangspunt voor de wet is de een-loket-gedachte. De gemeente is voor de uitvoering van de wet het bevoegde gezag, maar heeft een afstemmingsplicht met andere instanties, waaronder het hoogheemraadschap. Indirecte lozingen op de riolering vallen ook onder deze wet, zodat de WVO-aansluitvergunning, wat het domein van de hoogheemraadschappen was, komt te vervallen. Wet Informatie-uitwisseling Bovengrondse en Ondergrondse Netten (WIBON) Per 1 januari 2019 is de Wet Informatie-Uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) opgevolgd door de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Deze wet regelt de informatie-uitwisseling voor bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid, alsmede wijziging van de Telecommunicatiewet ter bevordering van medegebruik van fysieke infrastructuur en van de gecoördineerde aanleg van civiele werken.
Omgevingswet De Omgevingswet bundelt de wetgeving en regels omtrent ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het beheer en ontwikkeling van de leefomgeving. Met de Omgevingswet wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien, gebaseerd op de principes uit het Europese recht. Verwacht wordt dat de wet (gedeeltelijk) in 2023 van kracht wordt. INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 87
BELEIDSMODULE
Tabel C1 - Bestaande wetten die worden vervangen door de Omgevingswet Belemmeringenwet Waterstaatswet 1900 Privaatrecht
Wet herverdeling wegenbeheer
Crisis- en herstelwet
Waterwet
Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden
Interimwet stadenmilieubenadering
Wegenwet
Wet inzake de luchtverontreiniging
Wet algemene bepalingen Ontgrondingenwet omgevingsrecht (Wabo)
Wet natuurbescherming
Planwet Verkeer en Wet beheer Wet Milieubeheer Vervoer rijkswaterstaatswerken Spoedwet wegverbreding
Wet bodembescherming
Wet ruimtelijke ordening
Tracéwet
Wet geluidhinder
Wrakkenwet
De Europese Unie heeft voor diverse aspecten van de fysieke leefomgeving richtlijnen vastgesteld, zoals voor milieu, natuur en water. Europese richtlijnen moeten in Nederlands recht omgezet worden. Voorbeelden zijn de Richtlijn industriële emissies (geïmplementeerd in onder andere de Wet Milieubeheer), de Habitatrichtlijn (geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998) en de Kaderrichtlijn water (geïmplementeerd in de Waterwet). De EU maakt echter geen integraal omgevingsbeleid. Het Europese recht is een belangrijk uitgangspunt voor de Omgevingswet, maar er is daarnaast ook ruimte voor nationaal beleid. Vanwege de Europese invloed op het omgevingsrecht heeft het ministerie bekeken welke ordening uit het Europese recht gedestilleerd kan worden. De Europese richtlijnen over de fysieke leefomgeving hebben in grote lijnen een beleidscyclus gemeenschappelijk, die is gericht op het actief bereiken van bepaalde doelen. Deze beleidscyclus (weergegeven in Figuur C1 - beleidscyclus fysieke leefomgeving) is als uitgangspunt voor de Omgevingswet gehanteerd
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 88
BELEIDSMODULE
Figuur C1 - beleidscyclus fysieke leefomgeving
Door in de Omgevingswet uit te gaan van deze beleidscyclus, is het gemakkelijker om de verplichtingen uit Europese richtlijnen in het Nederlandse recht te implementeren. Uitgangspunt daarbij is dat Nederland niets anders of méér regelt dan dat wat de EU-richtlijnen voorschrijven, tenzij daarvoor na afweging van alle belangen aanleiding is. Een tweede uitgangspunt is dat het niveau van bescherming van gezondheid en veiligheid gelijkwaardig blijft aan het huidige niveau. Dat betekent echter niet dat er niets verandert; het bestaande beschermingsniveau kan op een andere wijze dan nu worden vormgegeven. Zo zal de Omgevingswet meer dan nu het geval is de nadruk leggen op een actieve aanpak om doelstellingen of normen te bereiken, maar ook meer mogelijkheden bieden voor flexibiliteit en lokaal maatwerk. Dit vraagt om een geheel andere werk- en denkwijze van overheden, burgers en bedrijven. Open, samenhangend, flexibel, uitnodigend en innovatief zijn hierbij de kernwoorden. De doelstelling van de Omgevingswet is opgenomen in artikel 1.3 van de wet: het, met het oog op duurzame ontwikkeling en in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. op een doelmatige wijze beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
Naast de maatschappelijke doelen van de wet, zijn er ook enkele algemene verbeterdoelen voor de gehele stelselherziening. Deze verbeterdoelen zijn gericht op vereenvoudiging en verbetering van het omgevingsrecht en moeten leiden tot vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven en de bestuurlijke lasten voor overheden. De vier verbeterdoelen voor de vernieuwing van het omgevingsrecht zijn: a. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; b. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; c. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de leefomgeving; d. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de leefomgeving. De verbeterdoelen staan soms op gespannen voet met elkaar en met de doelstellingen van de wet. Zo kan het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte juist leiden tot vermindering van de voorspelbaarheid van het omgevingsrecht. Als lokale overheden meer ruimte hebben om een eigen afweging te maken, wordt de uitkomst van die afweging immers minder goed voorspelbaar.
Deels zijn hierover in het wetsvoorstel al keuzes gemaakt, maar ook bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 89
BELEIDSMODULE in de uitvoeringsregelgeving zullen (politieke) keuzes gemaakt moeten worden over de verhouding tussen de verbeterdoelen. De Omgevingswet biedt overheden zes kerninstrumenten, waarmee de zorg voor de fysieke leefomgeving wordt vormgegeven.5 Dit zijn: omgevingsvisies, programma’s, decentrale regelgeving, algemene rijksregels, omgevingsvergunningen en projectbesluiten. Omgevingsvisies Een omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie van een overheidsorgaan op de fysieke leefomgeving die hij beheert. De omgevingsvisie vervangt onder meer de huidige milieubeleidsplannen, structuurvisies op grond van de Wet ruimtelijke ordening, het provinciale waterplan en verkeers- en vervoersplannen. De ene omgevingsvisie maakt het mogelijk om daadwerkelijk integraal beleid te voeren op alle aspecten van de fysieke leefomgeving: milieu, water, natuur, bodem, infrastructuur, monumenten, etc. Het Rijk en de provincies zijn verplicht een omgevingsvisie vast te stellen. Voor gemeenten is het vaststellen van een omgevingsvisie facultatief. Waterschappen stellen geen omgevingsvisie op. Het waterbeleid is onderdeel van de provinciale omgevingsvisie, waterschappen maken geen integraal beleid. Een omgevingsvisie is niet bindend voor anderen dan de overheid die de omgevingsvisie vaststelt.
Dit is vergelijkbaar met de juridische status van de huidige milieubeleidsplannen, waterplannen en structuurvisies. Programma’s Programma’s zijn bedoeld om de beleidsdoelen van omgevingsvisies te operationaliseren. In een programma worden de maatregelen opgenomen voor de ontwikkeling of de bescherming van de fysieke leefomgeving. Het huidige gemeentelijke rioleringsplan wordt – in ieder geval voor wat betreft de uitvoeringsgerichte aspecten – een rioleringsprogramma. Bepaalde programma’s, die een Europese basis hebben, zijn in de Omgevingswet verplicht gesteld. Zo is het Rijk verplicht om stroomgebiedbeheerplannen vast te stellen op grond van de Kaderrichtlijn water. Decentrale regelgeving De Omgevingswet gaat er van uit dat provincies, gemeenten en waterschappen hun regelgeving over de leefomgeving in één centrale regeling onderbrengen. Voor gemeenten is dit het omgevingsplan, voor provincies de omgevingsverordening en voor waterschappen de waterverordening. De huidige keur van de waterschappen bevat in principe al alle regels die waterschappen over de leefomgeving vaststellen. Gemeenten zullen echter verschillende bestaande regelingen moeten integreren in het omgevingsplan: bestemmingsplannen, kapverordeningen, monumentenverordeningen en de delen van de Algemene plaatselijke verordening die over de fysieke leefomgeving gaan.
Het ligt voor de hand dat ook de hemelwater- en grondwaterverordening (op grond van het huidige artikel 10.32a Wet Milieubeheer) in het omgevingsplan zal worden geïntegreerd. Het doel van deze integratie is met name dat burgers en bedrijven alle regels van de gemeente die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in één document kunnen vinden. De VNG heeft met het ministerie afgesproken dat de overstap van bestemmingsplan naar omgevingsplan via een “dynamisch ingroeimodel” zal geschieden. De VNG en ministerie delen het eindbeeld dat één omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente zal worden gemaakt, met daarbinnen de mogelijkheid tot gebied specifieke uitwerkingen. In de Omgevingswet zal voorlopig echter de mogelijkheid gecreëerd worden dat er één of meerdere omgevingsplannen worden vastgesteld. Algemene rijksregels De Omgevingswet maakt de definitieve omslag van regulering via vergunningen naar regulering via algemene regels. Als het Rijk nationaal voorwaarden wil stellen aan activiteiten van burgers of bedrijven, dan doet het dat in principe in de vorm van algemene regels: rechtstreeks werkende regels die aangeven wat wel en niet is toegestaan. Burgers en bedrijven kunnen zo zonder individuele toestemming van de overheid activiteiten ontplooien. Voorbeelden van bestaande algemene rijksregels zijn het Bouwbesluit 2012 en het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Als het nodig is dat de overheid van te voren op de hoogte is van activiteiten, dan kan het Rijk in de algemene regels een meldplicht of mededelingsplicht opnemen. Het nadeel van algemene rijksregels – het gebrek aan afstemming met lokale omstandigheden – wordt ondervangen door het bevoegd gezag 5 Naast de zes kerninstrumenten bevat de Omgevingswet verschillende andere instrumenten, zoals
peilbesluiten, leggers, gedoogplichten, leges, grondexploitatie, etc. INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 90
BELEIDSMODULE waar nodig de mogelijkheid te bieden om de algemene regels bij te stellen in de vorm van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregels. Omgevingsvergunningen Als een beoordeling van het bevoegd gezag gewenst is voordat burgers of bedrijven activiteiten in de leefomgeving starten, dan is de omgevingsvergunning daar het instrument voor. De huidige omgevingsvergunning (op grond van de Wabo) wordt uitgebreid met onder andere de vergunningen op grond van de Ontgrondingenwet, de Spoorwegwet en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Verder blijft de systematiek in grote lijnen hetzelfde. Er zijn twee voorbereidingsprocedures voor de omgevingsvergunning: de reguliere (met een beslistermijn van in principe acht weken) en de uitgebreide procedure (die tot zes maanden kan duren). Bij de reguliere procedure geldt dat de vergunning van rechtswege wordt verleend als de overheid de aanvraag niet binnen de beslistermijn afhandelt. Het ministerie wil dat de uitgebreide procedure in vergelijking met de huidige situatie minder vaak van toepassing zal zijn. Projectbesluiten Het projectbesluit biedt tot slot een uniforme procedure voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving door de overheid, zoals de aanleg van wegen of een dijkverlegging. Het projectbesluit is gebaseerd op de eerder genoemde ‘sneller en beter’-aanpak.
Dat betekent onder andere dat vooraf een verkenning van alternatieven plaatsvindt en dat burgers en belangenorganisaties vroegtijdig worden betrokken. Het projectbesluit vervangt onder meer het inpassingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening en het projectplan op grond van de Waterwet, met de bijbehorende coördinatieprocedures. Het projectbesluit kan het omgevingsplan van de gemeente wijzigen en kan in principe de omgevingsvergunning en andere besluiten vervangen die nodig zijn om het project te realiseren. De overheid heeft met het projectbesluit dus een krachtig instrument om ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving tot stand te brengen.
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 91
BELEIDSMODULE
BIJLAGE D INVLOEDSFACTOREN Algemeen Bij de 1e aanleg van riolering in de eerste helft van de vorige eeuw heeft men gekozen voor een gemengde afvoer van afvalwater en hemelwater door één rioolstelsel, het gemengde rioolstelsel. Van Rijkswege wordt thans aangedrongen om het hemelwater gescheiden van het afvalwater tot afvoer te brengen. De veronderstelde voordelen van dit nieuwe Rijksbeleid luiden: • • • •
Tegengaan van risico’s voor volks- en diergezondheid ten gevolge van vuiltuitworp van de gemengde riolering via overstorten. Vermijden van milieuschade in oppervlakte- en grondwater. Verbeteren van de doelmatigheid van AWZI en riolering. Voorkomen van wateroverlast ten gevolge van de klimaatontwikkeling.
Het beleid moet leiden tot grootschalige afkoppeling van hemelwater. wel is in de Wet gemeentelijke watertaken vastgelegd dat de gemeente autonoom is in haar besluitvorming hoe er lokaal met hemelwater wordt omgegaan. Die verantwoordelijkheid vraagt om een weloverwogen keuze, want tegenover de bovengenoemde voordelen van afkoppelen staan ook mogelijke nadelen. Het afstromende hemelwater kan door lokale omstandigheden verontreinigd zijn en een nadelig effect hebben op de waterkwaliteit ten gevolge van grote hoeveelheden geloosd hemelwater. In de afbeelding is het gehele complex van invloedfactoren schematisch weergegeven. Onderscheid wordt gemaakt in een viertal factoren van buitenaf die het hemelwaterbeleid beïnvloeden en vijf lokale factoren die door het hemelwaterbeleid worden beïnvloed. Op elk van deze factoren wordt kort ingegaan.
Figuur D1 - factoren van belang voor de hemelwatervisie
De Wet gemeentelijke watertaken geeft de gemeente de nodige ruimte om hierin een actief beleid te kunnen voeren. Omdat er lokaal maatwerk geleverd moet worden, berust de besluitvorming dan ook bij het lokale bestuur.
Voorkeursvolgorde De voorkeursvolgorde beschrijft een algemene voorkeur voor het omgaan met hemelwater en ander afvalwater aan de bron. Bij hemelwater geldt, dat lokale lozing van hemelwater in het milieu (al dan niet via een gemeentelijk hemelwatersysteem) de voorkeur geniet boven lozing op een gemengd stelsel. Lozing op oppervlaktewater is gelijkwaardig aan lozing op de bodem. De voorkeursvolgorde heeft betrekking op gemeentelijke bevoegdheden en geeft richting aan de gemeentelijke afwegingen, maar is niet verplicht. De voorkeursvolgorde is: 16. Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt. 17. Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt. 18. Afvalwaterstromen worden zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 19. Huishoudelijk afvalwater en daarmee vergelijkbaar afvalwater (zoals bedrijfsafvalwater) wordt ingezameld en naar een AWZI getransporteerd. 20. Ingezameld hemelwater wordt zoveel mogelijk hergebruikt of anders lokaal teruggebracht in het oppervlaktewatersysteem of in de bodem (zo nodig na zuivering bij de bron). Pas als beiden niet INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 92
BELEIDSMODULE mogelijk blijken vindt afvoer naar een AWZI plaats. Uitgangspunt is dat afstromend hemelwater meestal schoon genoeg is om zonder zuivering in het milieu te worden teruggebracht.
Duurzaamheid Scheiding van afvalwater en hemelwater biedt mogelijkheden om nuttige grondstoffen en energie uit het afvalwater terug te winnen en hemelwater voor nuttige doeleinden lokaal in te zetten. Het realiseren van een gescheiden inzameling en verwerking van hemelwater is, bij bestaande bebouwing, tot op heden uitgevoerd in het kader van het afkoppelen van hemelwater ten behoeve van het reduceren van de vuilemissie via overstorten. Met het vervallen van de Basisinspanning ontbreken vergunningscriteria voor het verder afkoppelen van aangesloten verhard oppervlak. De waterpartners dienen in samenwerking het rijksbeleid op kringniveau invulling te geven.
Ruimtelijke ontwikkeling Het spreekt voor zich dat kansen om de duurzaamheid te verbeteren zich eerder aandienen bij locatieontwikkeling dan in de bestaande woonomgeving. Op dit moment loopt een aantal landelijke experimenten met een toenemende schaalgrootte waarvan de resultaten bemoedigend zijn. Wateroverlast en klimaat Onder wateroverlast wordt in het algemeen water-op-straat verstaan: het al of niet met huishoudelijk afvalwater vermengde hemelwater komt uit de riolering op straat te staan. Of het grote overschot aan hemelwater kan bijvoorbeeld door de reeds gevulde riolen niet worden afgevoerd. Het is niet mogelijk om riolering en hemelwatervoorzieningen aan te leggen die alle mogelijke extreme regenbuien kunnen verwerken. Een landelijk geaccepteerde maatstaf is dat een bui, die gemiddeld eens in de twee jaar voorkomt, verwerkt moet kunnen worden door het rioolstelsel. Het watersysteem wordt getoetst op een situatie van eens per 100 jaar. Tijdens de hydraulische toetsing van het stelsel zal, gezien de verwachte klimaatsverandering, ook gecontroleerd moeten worden of het hemelwater tijdelijk op het maaiveld of de straat kan worden geborgen. Kwantitatieve effecten Bij directe afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater neemt het geloosde volume op jaarbasis sterk toe.
Dit draagt bij aan het behoud van gebied eigen water, maar wordt helaas nog niet in het grondwater aangevuld. Bij de maatgevende piekgebeurtenissen vallen de verschillen overigens wel mee, zodat de gevolgen voor de stedelijke wateropgave (benodigd retentievolume en dergelijke) beperkt blijven. Kwalitatieve effecten Bij een directe afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater kunnen, samen met de geloosde volumen, de emissies van oppervlakkige vervuilingen, zoals hondenpoep toenemen. De aanwezigheid van foutaansluitingen op het hemelwaterriool is ook een belangrijk risico. Wat het effect is van beide verschijnselen op de waterkwaliteit, is sterk afhankelijk van lokale factoren. Bij infiltratie of bodempassage van hemelwater zijn de negatieve effecten veel minder, maar vraagt de beheersing van grondwaterstanden extra aandacht. Een groot voordeel is de verversing van oppervlaktewater met relatief schoon hemelwater. Dit zorgt voor doorspoeling van de haarvaten van het systeem. Ook wordt de inlaat van realatief vuil boezemwater voorkomen. Dit alles draagt per saldo bij aan een betere waterkwaliteit van het stadswater. Interacties in de (afval)waterketen Het onttrekken van hemelwater uit de afvoerstroom naar de AWZI heeft een gunstig effect op het zuiveringsrendement. Ook het energieverbruik neemt af.
Soms kan een uitbreiding van een AWZI daardoor worden uitgesteld of achterwege blijven. Extra zuiveringstrappen (bijvoorbeeld zandfilters) op bestaande AWZI’s werken alleen bij een continue belasting. Ondanks deze voordelen blijven directe financiële voordelen uit, omdat de huidige kapitaallasten voor langere tijd vastliggen. Financiële gevolgen De ombouw van een bestaand gemengde rioolstelsel naar een gescheiden stelsel op het moment van vervanging op grond van levensduur vraagt een circa 40% hogere investering (dit naast de kosten op eigen terrein). Daartegenover staat dat de onderhoudskosten 10 tot 20% lager liggen. INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 93
BELEIDSMODULE Beheerorganisatie Gescheiden rioolstelsels zijn complexer dan gemengde rioolstelsels en vragen om een aanscherping van het beheer, waardoor het risico van falen groter is. Foutaansluitingen zijn met name een aandachtspunt. Dat impliceert dat er meer menskracht nodig is zowel voor het toezicht bij de aanleg als voor het beheer.
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 94
BELEIDSMODULE
BIJLAGE E TAKEN EN BEVOEGDHEDEN De in deze bijlage opgenomen teksten zijn integraal overgenomen uit het vGRP van de gemeente Leiden
Provincie De provincies houden toezicht op de hoogheemraadschappen en gemeenten. Dit gebeurt onder andere via de Wet Milieubeheer. In artikel 4.24 staat dat Gedeputeerde Staten (GS) gemeenten een aanwijzing kunnen geven over het GRP. GS toetsen de (verbrede) GRP’s financieel en kunnen hun WMaanwijsbevoegdheid inzetten. Op grond van onder meer hoofdstuk 3 van de Waterwet houdt de provincie ook toezicht op hoe hoogheemraadschappen hun watersysteemtaken uitvoeren. In de Waterwet staan hiervoor ook aanwijzingsbevoegdheden. De provincies stimuleren de gezamenlijke aanpak van taken en verantwoordelijkheden tussen gemeente en hoogheemraadschap, wat kan leiden tot afvalwaterakkoorden. Waar nodig bemiddelen de provincies bij afstemming tussen hoogheemraadschap en gemeenten (conform het BWK). De provincies hebben verder geen sturingsmogelijkheden op deze bestuurlijke waterafspraken tussen gemeente en hoogheemraadschap. Het Rijk werkt aan een wetsvoorstel Revitalisering Generiek Toezicht (RGT). Dit wetsvoorstel beoogt het toezicht tussen overheden onderling (interbestuurlijk toezicht) te vereenvoudigen en te verminderen. Op veel beleidsterreinen zal specifiek toezicht vervallen en daarvoor in de plaats komt algemeen (generiek) toezicht. Een voorbeeld hiervan is het verdwijnen van het financieel toezicht van de provincie op het GRP van de gemeente.
De provincie is bevoegd gezag voor specifieke grondwateronttrekkingen en infiltraties. Dan gaat het om grote industriële onttrekkingen en onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening en bodemenergiesystemen. Deze bevoegdheid heeft raakvlakken met de gemeentelijke grondwaterzorgplicht. De provincie kan haar grondwateractiviteiten financieren uit de grondwaterheffing. De Wet Milieubeheer stelt expliciet dat de GS de bevoegdheid heeft om aan de gemeente ontheffing te verlenen van de zorgplicht voor inzameling en transport voor stedelijk afvalwater. Met de komst van de Omgevingswet komt dit te vervallen
Gemeente De vernieuwde wetgeving bevat drie gemeentelijke zorgplichten, die onderstaand zijn uitgewerkt: De zorgplicht voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater (art. 10.33 Wet Milieubeheer). De gemeente is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van vuilwaterriolen (of gelijkwaardige voorzieningen) binnen de bebouwde kom en transport van het afvalwater naar een zuiveringstechnisch werk (AWZI). Ook buiten de bebouwde kom (het buitengebied) geldt de gemeentelijke zorgplicht. Maar als aanleg van een vuilwaterriool niet doelmatig is, kan de gemeente ontheffing aanvragen in die gevallen is het doelmatiger als de particulier zelf conform algemene regels het afvalwater behandelt. Bij het beoordelen van doelmatigheid spelen de milieubeschermingsbelangen ook een rol. De provincie toetst de afweging van de belangen en kan een ontheffing van de zorgplicht verlenen. Als de gemeente een ontheffing heeft, hebben burger en bedrijf een eigen verantwoordelijkheid als afvalwater lozer. Dit houdt in dat zij zelf voor een zuiveringsvoorziening voor het afvalwater moeten zorgen. Maar de gemeente kan er ook voor kiezen om geen ontheffing te vragen en burger en/of bedrijf in het buitengebied te ontzorgen. Dat kan door in plaats van een vuilwaterriool een gelijkwaardige oplossing te bieden (brede zorgplicht), zoals kleine zuiveringen die de gemeente of het hoogheemraadschap beheert.
De gelijkwaardigheid moet blijkenuit het vGRP. De zorgplicht voor afvloeiend hemelwater (art. 3.5 Waterwet). De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen waarvan de eigenaren niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. Als de gemeente hemelwater inzamelt, is ze ook verantwoordelijk voor de verdere verwerking, inclusief de lozing in oppervlaktewater of bodem. Zij kan het zowel gescheiden van als gemengd met afvalwater inzamelen. INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 95
BELEIDSMODULE De gekozen route bepaalt de betrokkenheid van de waterbeheerder. Het hoogheemraadschap kan betrokken zijn als beheerder van de ontvangende zuivering of van het ontvangende oppervlaktewater, soms van beide. De zorgplicht voor grondwatermaatregelen (art. 3.6 Waterwet). Gemeenten hebben grondwaterzorgplicht, een coördinerende taak om structurele nadelige gevolgen van hoge of lage grondwaterstanden te voorkomen. Het is een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting. Als wettelijke basis geldt in dit geval de BLBI en de wet gemeentelijke watertaken (zie hiervoor paragraaf 2.3.4). Ook gelden hiervoor dezelfde verantwoordelijkheden, waarbij elke eigenaar zorgdraagt voor verwerking of handhaving op eigen grondgebied en de gemeente verantwoordelijk is voor het handhaven van het grondwater in openbaar gebied. Alleen als ‘de houder’ er zich niet van kan ontdoen en er structureel nadelige gevolgen worden voorkomen dan moet de gemeente op openbaar terrein maatregelen nemen. Drainagewater wordt op regie van de gemeente verwerkt. Streven is om – waar mogelijk – de belasting van relatief schoon water op de zuivering zo laag mogelijk en dit water rechtstreeks af te voeren naar de hemelwaterriolering of rechtstreeks naar oppervlaktewater Gemeenten leggen hun grondwaterbeleid en een beleidsuitwerking van de zorgplichten vast in het afvoerstructuurplan.
Deze beleidsuitwerking voor grondwater bestaat uit de volgende onderdelen: • • • •
Korte beschrijving van het risico op overlast of onderlast binnen de betreffende gemeente; Doelmatigheid van grondwatermaatregelen; Voorkomen van grondwaterproblemen bij nieuwbouw (voorkomen is beter dan genezen tenslotte) Handelen bij meldingen (niet over het waterloket want dit is algemeen, wel over in welke mate grondwateronderzoek nodig is op welk schaalniveau) • Afstemmen met hoogheemraadschap en controleren voorgenomen peilbesluiten; van belang voor de grondwaterstanden in de directe omgeving van de watergangen. • Anticiperen op gevolgen klimaatverandering (in relatie tot voorgenomen werken + kennis opdoen) • Grondwater bij openbare werken (werkwijze voorkomen problemen door & benutten kansen bij eigen werken) • Wat wordt bij werken van derden ondernomen (handhaving en toezicht)? • Beheer gemeentelijke drainagesystemen • Opdoen en beheren grondwaterkennis (beheer meetnet/model/database) • Actieplan (opsomming acties en kostenraming externe acties) In het Afvoerstructuurplan wordt aangegeven: • Locaties waar drainage wel/niet mag worden aangesloten op de (hemelwater)riolering.
• De te hanteren definitie van overlast en de daarbij te onderscheiden categorieën van overlast • De locaties waar knelpunten optreden plus de voorgenomen maatregelen • Plaatsen waar hemelwater riool zal worden aangelegd om grondwaterknelpunten op te lossen waar/wanneer (particuliere) drainage moet zijn afgekoppeld van de afvalwaterriolering Inspanningen om de grondwaterstand te kunnen beïnvloeden variëren van het aanleggen van drainage of hemelwaterriool waarop drainage mag worden aangesloten tot het adviseren bij peilbesluiten. Ook het verbeteren van de waterdoorlaatbaarheid van de bodem of juist het aanbrengen van hydraulisch compartimenten met kleischermen zijn denkbaar. Nadere informatie is te vinden in de Grondwaternota van Rijnland. Bevoegd Gezag De vernieuwde wetgeving legt ook enkele bevoegdheden bij de gemeente: •
•
De gemeente is bevoegd gezag voor indirecte lozingen en lozingen in de bodem vanuit inrichtingen waarvoor zij op grond van de Wet Milieubeheer bevoegd gezag is. Regels voor die lozingen vormen binnen de Wet Milieubeheer namelijk een onderdeel van de milieuvergunningen en milieu brede algemene regels. Ook is de gemeente bevoegd gezag voor indirecte lozingen en de meeste lozingen in de bodem buiten inrichtingen. Voor lozingen in rioolstelsels waarvoor zij geen bevoegd gezag is, heeft de gemeente een algemene adviesbevoegdheid voor omgevingsvergunningen aan het WM-bevoegde gezag. Dat is vaak de provincie en soms het Rijk.
De gemeentelijke bevoegdheid voor lozingen bestaat uit: • • •
Vergunningverlening; Het stellen van maatwerkvoorschriften binnen algemene regels; Toezicht en handhaving. INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 96
BELEIDSMODULE
Zuiveringsbeheerder Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het door de gemeente ingezamelde stedelijke afvalwater (art. 3.4 Waterwet en art.1 en 2 Waterschapswet), afkomstig uit gemengde stelsels of vuilwaterleidingen van gescheiden stelsels. Het hoogheemraadschap heeft de verantwoordelijkheid, maar kan de feitelijke uitvoering aan een ander opdragen. Als het doelmatiger is dat de gemeente of een derde de zuivering verzorgt, kan de gemeente of die derde de uitvoering op zich nemen. Als de meningen daarover verschillen, beslist de provincie. Het hoogheemraadschap financiert de zorg voor de zuivering van stedelijk afvalwater via de zuiveringsheffing. Bevoegd Gezag directe lozingen in de AWZI Lozingen in de AWZI die niet via de gemeentelijke riolering lopen, zijn vergunning plichtig op grond van de Waterwet of vallen onder algemene regels, zoals het Activiteitenbesluit. Het hoogheemraadschap is als beheerder van de AWZI bevoegd gezag voor deze lozingen. In de Waterwet staat dat de waterbeheerders niet meer verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening en handhaving van de indirecte lozingen (lozingen in de riolering). Het bevoegde gezag in het kader van de Wabo (bij lozingen vanuit inrichtingen) of de Wet Milieubeheer (lozingen buiten inrichtingen) is hiervoor verantwoordelijk.
Het hoogheemraadschap is bevoegd om als zuiveringsbeheerder toezicht houden op de indirecte lozingen. Als daarvoor aanleiding is, kunnen zij het bevoegde gezag verzoeken om te handhaven. Verder kunnen de hoogheemraadschappen het bevoegde gezag adviseren bij de verlening van omgevingsvergunningen voor indirecte lozingen vanuit inrichtingen. In sommige, in de Wabo expliciet bepaalde, gevallen is dit verzoek en advies bindend.
Waterbeheerder De waterbeheerder moet het oppervlaktewater op peil houden (peilbeheer). Hiervoor stellen hoogheemraadschappen en Rijkswaterstaat peilbesluiten vast. Het peilbeheer kan grote invloed hebben op de grondwaterstand in de nabijheid van de watergangen en raakt daarmee direct aan de gemeentelijke grondwaterzorgplicht. Ook in de overige wateren voert zij het beheer uit. Het hoogheemraadschap betrekt gemeenten daarom bij de totstandkoming van peilbesluiten. De waterbeheerder voert in primaire watergangen het beheer en onderhoud uit. De waterbeheerder is niet verantwoordelijk voor het onderhoud van overige wateren, en voor het onderhoud van dammen, bruggen e.d. in primair water. Dat ligt bij de eigenaar. Het hoogheemraadschap kan de watersysteemtaken financieren via de watersysteemheffing. Rijkswaterstaat financiert het systeembeheer van de Rijkswateren uit de algemene middelen. Op grond van de Waterwet is de waterbeheerder bevoegd gezag voor directe lozingen in oppervlaktewater. Ook is hij verantwoordelijk voor de kwantitatieve aspecten van waterlozingen in oppervlaktewater, geregeld in de Waterregeling (Rijkswateren) en de hoogheemraadschapskeur (regionale wateren). Hoogheemraadschappen zijn bevoegd gezag voor de meeste grondwateronttrekkingen en infiltraties. Regels over dergelijke handelingen staan in de keur.
Net als het peilbeheer heeft deze bevoegdheid raakvlakken met de gemeentelijke grondwaterzorgplicht.
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 97
BELEIDSMODULE
BIJLAGE F BEHEER – DOELSTELLING EN INVULLING Algemene doelstelling Onderdeel
Doelstelling
Invulling
De waterpartners stemmen de wijze van planvorming voor operationele activiteiten periodiek met elkaar af, maar stellen deze zelf op, omdat dit maatwerk is en raakvlakken heeft met de overige eigen plannen. Waar mogelijk (vooral bij repetitief en monodisciplinaire werkzaamheden zoals inspecties, Alle objecten worden zodanig reiniging, reparaties en reliningen) beheerd dat deze op objectniveau en wordt uitvoering gezamenlijk Algemene doelstelling (sub)systeemniveau voldoen aan de voorbereid en uitgevoerd. Deze DoFeMaMe op functioneel niveau. Dit schaalvergroting en gebeurt doelmatig en efficiënt. samenwerking vergroot de efficiency en vermindert de kwetsbaarheid. Vervangingen worden per organisatie zelf voorbereid en uitgevoerd vanwege de vele raakvlakken in de lokale openbare ruimte, lokale kennis en maatwerk dat daarvoor nodig is. We gebruiken een gemeenschappelijk uitvoeringsplatvorm. Vrij verval riolering Er wordt risico gestuurd geïnspecteerd, gecombineerd met reiniging. • Falen heeft betrekking op waterdichtheid, constructie en afstroming. • Inspecties worden gelijktijdig met reiniging uitgevoerd en per bemalingsgebied (of aaneengesloten delen daarvan) Er is inzicht in de mate waarin uitgevoerd. objecten, en systemen waar deze • Prioriteit wordt bepaald door de onderdeel van uitmaken, falen. Waar vooraf ingeschatte kans op falen mogelijk is inzicht in maatgevende o.b.v.
leeftijd en/of schademechanismen die tot falen omgevingsfactoren. kunnen leiden. Waar mogelijk is • Delen van het stelsel kunnen inzicht in het moment waar dit eerder worden geïnspecteerd in faalmoment in de toekomst ligt, zodat het kader van voorbereiding van bewust en tijdig herinrichtingen als gevolg van onderhoudsmaatregelen, renovaties het onderbouwen van de of vervangingen ingepland kunnen inschatting om werk met werk te worden. maken. • Inspectiefrequenties, momenten waarop niet geïnspecteerd hoeft te worden en keuzes voor nader onderzoek verschillen per areaal(deel) en eigenaar; •
Inspectie en onderzoek
•
Rioolgemalen en pompputten Inspecties van pompputten kunnen desgewenst 1 of meer
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 98
BELEIDSMODULE Onderdeel
Doelstelling
Invulling
•
jaarlijks worden uitgevoerd, afhankelijk van functionele risico’s en leeftijd; Ook kan geïnspecteerd worden na signalen van afwijkend functioneren o.b.v. meldingen of telemetrie Persleidingen en drukriolering Beheer en onderhoud van persleidingen geschiedt op basis van risico gestuurd beheer. Gekeken wordt naar ligging, leeftijd en materiaal. Dit dient in een onderzoeksmaatregel nader uitgewerkt te worden. Als tweede maatregel dient te worden gekeken naar het voorkomen van H2S vorming door lange verblijftijden in het persleidingsysteem. Bijzondere voorzieningen (berg/retentievoorzieningen, bijzondere putten, IBA’s) Ook voor deze objecten is functioneel en risico gestuurd beheer leidend. Als onderzoeksmaatregel wordt een onderzoek naar risico gestuurd beheer voor deze objecten opgestart. AWZI Het hoogheemraadschap inspecteert volgens standaard en dagelijks beheer Riooltransportgemalen Het hoogheemraadschap inspecteert volgens standaard en dagelijks beheer Riooltransportleidingen Het hoogheemraadschap inspecteert volgens standaard en dagelijks beheer
Reiniging
Hoofddoel Via reiniging wordt de afstroming geborgd en verstoppingen of verstoring van mechanische onderdelen voorkomen. Nevendoelen zijn: Beheersing van de vuilemissie en faciliteren van inspecties.
Reparatie en renovatie
Via reparaties (lokaal) of renovaties • (objectniveau) wordt het functioneren
Er wordt planmatig en per (deel)systeem of bemalingsgebied gereinigd. De frequenties kunnen per (deel)systeem of bemalingsgebied verschillen en zijn naar keuze van de areaaleigenaar.
Noodzaak voor repareren (of renoveren bij grotere omvang
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 99
BELEIDSMODULE
Onderdeel
Doelstelling
Invulling
geborgd tot minimaal het einde van de verwachte levensduur. •
•
•
•
•
•
•
Vervangingen en modificaties
Objecten worden vervangen bij • voorkeur net voor of rondom het ingeschat moment van falen. Modificaties worden uitgevoerd als de functie wordt gewijzigd (op basis van maatregelen die zijn beschreven in het BRP) •
van schades) wordt bepaald op basis van de individuele DoFeMaMe. Reparaties worden uitgevoerd op basis van functiebehoud en de technische of financiële eindlevensduur van het object nog niet is bereikt. Er kan bewust worden gekozen voor een beperkte verlenging van de levensduur via reparatie of renovatie waarbij een geclusterde grootschaliger vervangingsopgave centraal staat; Bij de keuze voor een reparatietechniek of –methode wordt rekening gehouden met een mogelijke toekomstige renovatie of reparatie, waarbij wordt uitgegaan van functiebehoud tijdens de overgebleven levensduur van het object. Reparaties worden zoveel mogelijk geclusterd, waarbij bewust wordt samengewerkt door de waterpartners. Incidentreparaties worden direct uitgevoerd. Hiervoor wordt een incidentencontract afgesloten tussen de waterpartners en een externe aanbieder. Bij beëindiging van de financiële of technische levensduur (vervanging); Als de functie verbeterd of gewijzigd moet worden (modificatie); Een wijziging van functie is onderbouwd in het BRP of BZP en dient te passen in (nog op te stellen) afvoerstructuurplannen (blauwdruk toekomstige stelsels). Dit wordt afgestemd met andere werkzaamheden. Rekening wordt gehouden met de doelstelling voor doelmatige ontvlechting van waterstromen; afkoppelen waar mogelijk/doelmatig/beheersbaar.
INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK 100