CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. het-casco-omgevingsplan-jan-2020.pdf

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen uitgangspunten Omgevingsplan17.304 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2.

Wees selectief Er zal steeds een afweging nodig zijn om te bepalen of het zinvol is om de aanwijzing hier in dit hoofdstuk afzonderlijk te regelen, of om dat te integreren bij de regels waarvoor het van belang is. Bijvoorbeeld bij de activiteiten in het volgende hoofdstuk. Dat laatste zal doorgaans het geval zijn. Een vuistregel kan zijn, dat als een aanwijzing maar voor een artikel van belang is (in dit omgevingsplan) of als het uitsluitend de werkingssfeer van een bepaalde regel betreft, het in dat artikel op te nemen; en als het voor meerdere onderdelen van belang is (in het omgevingsplan of), het in dit hoofdstuk op te nemen. Het opnemen van aanwijzingen dient ondersteunend te zijn aan de andere in het omgevingsplan op te nemen regels.

3.

Aanwijzen is geen functietoekenning De aanwijzing in dit hoofdstuk is niet hetzelfde als de toedeling van functies aan locaties conform het bepaalde in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Het gaat in dit hoofdstuk alleen om helder te maken wat bepaalde onderdelen van de fysieke leefomgeving zijn. Het gaat om onderdelen die, zonder die aanwijzing, niet als zodanig bestaan. De aanwijzing is constitutief voor de status: een moderniseringslocatie is alleen een moderniseringslocatie in de zin van de Omgevingswet als die als zodanig is aangewezen in het omgevingsplan. Op dezelfde wijze vergt de status van monument, dat iets is aangewezen als monument. Vergelijk de aanwijzing van rijkswateren in het Omgevingsbesluit. De aanwijzingen kunnen naast het gemeentelijk beleid ook voortvloeien uit de AMvB’s en, de provinciale verordening. Dit deel van het omgevingsplan doet daarmee iets anders dan hoofdstuk 5.

4.

Geen nadere besluiten Het is de bedoeling van de wetgever om alle regels over de fysieke leefomgeving te bundelen in één omgevingsplan met het oog op de verbeterdoelen inzichtelijkheid en een gewenste samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het is niet de bedoeling dat er buiten het Omgevingsplan om aanwijzingsbesluiten ontstaan. Zo worden gemeentelijke monumenten anders dan voorheen in het omgevingsplan en niet op grond van individuele beschikkingen aangewezen. Gemeenten zijn op grond van de Erfgoedwet verplicht om een register bij te houden voor onder andere het in het omgevingsplan aangewezen gemeentelijk erfgoed.

5.

Voorbeeldregel bebouwde kommen Aandachtspunt is dat de huidige bouwverordening (model VNG) bebouwde kom aangeeft. Dit is niet noodzakelijkerwijs dezelfde bebouwde kom als die van de (nog niet in de Omgevingswet geïntegreerde) Wegenwet. Mogelijk zijn er nog andere bebouwde kommen van belang. Die kunnen dan hier worden geregeld, voor zover dat onder de Omgevingswet mogelijk is.

6.

Voorbeeldregel gebiedsontwikkeling Deze artikelen zijn geschikt voor de aanwijzing van gebieden waar regels die vergelijkbaar zijn met huidige bestemmingsplannen voor gebieden waar sprake is van transformatie of herstructurering gaan gelden. De regels van deze Afdeling betreffen naar verwachting dus slechts delen van het gemeentelijke grondgebied. De regels zelf worden opgenomen in hoofdstuk 5.

7.

Voorbeeldregelgemeentelijke monumenten De aanwijzing van gemeentelijke monumenten vergt een duidelijke grondslag. De verwijzing naar

26

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

de rijks- en eventuele provinciale monumenten is noodzakelijk om te vermijden dat een gemeente, met betrekking tot een monument, regels gaat stapelen door rijksmonumenten ook als gemeentelijke monument aan te wijzen. Aandachtspunt voor de regeling van gemeentelijke monumenten, is dat de procedures etc. opgenomen worden in een afzonderlijk hoofdstuk procedures. Het gaat om aanwijzing ambtshalve of op aanvraag.

8.

Monumentale bomen Het gaat bij monumentale bomen niet om de context van de Erfgoedwet, maar om wat thans is geregeld in de gemeentelijke kapverordeningen of vergelijkbare regelingen. Het is natuurlijk ook mogelijk om alle beschermingswaardige bomen aan te wijzen.

9.

Stille gebieden Zie voor het onderwerp stille gebieden artikel 4.23, tweede lid, van het Bkl, wat uitgaat van bij omgevingsplan aangewezen stille gebieden.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

27

Hoofdstuk 5 Afdeling 5.1 Artikel 5.1

Activiteiten Inleidende bepalingen (toepassingsbereik) Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 5.2

(normadressaat) 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op <evt. afbakenen uitvoeren onderhoud of instandhouding door of vanwege de gemeente [overeenkomstig een beheerplan] en gericht op het belang dat de regel beoogd te dienen>.

Artikel 5.3

(algemene beoordelingsregel) 1. Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, bedoeld in hoofdstuk 5, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels van hoofdstuk 5 kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: [beoordelingscriteria en aanduiding van het bredere doel ( art. 2.2) wat ondanks de genoemde strijd met hoofdstuk 5 toch tot een vergunning kan leiden, bijv. a. er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de doelen, bedoeld in artikel 2.1; c. de voor een of meer omgevingswaarden, bedoeld in artikel <<specificeer>>, of omgevingsdoelen bedoeld in artikel <<specificeer>> nadelige gevolgen van de activiteit mogen niet leiden tot [een  overkoepelend belang] of tot een onevenwichtige toedeling van functies aan locaties; of d. het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het oogmerk van de activiteit.] 2.

Bij de toepassing van het eerste lid, weegt het college van burgemeester en wethouders de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingswaarden of omgevingsdoelen, bedoeld in artikel <specificeer>, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit. 3. PM: geen strijd mogelijk met instructieregels Bkl of omgevingsverordening. 4. Uitgezonderd zijn de activiteiten, bedoeld in <<artikel 5.#>>.

Artikel 5.4

(algemene aanvraagvereisten omgevingsvergunning) [gereserveerd] (voorbescherming) In afwijking van het bepaalde in …. kunnen geen omgevingsvergunningen voor het bouwen worden afgegeven in het gebied dat in het geografisch informatieobject [x] is opgenomen.

Artikel 5.5

1.

Activiteiten en functies Artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat bij omgevingsplan met het oog op de doelen van de wet regels kunnen worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan bevat conform artikel 4.2 van de wet in ieder geval regels voor het gehele grondgebied van de gemeente die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (een van de doelen van artikel 2.1 van deze structuur). Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo’n goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies kan als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan. Om tot een locatiegerichte ordening van de regels te komen, kan ervoor gekozen worden om in het

28

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

omgevingsplan te werken met regels waarmee functie-aanduidingen met coördinaten worden gekoppeld aan locaties. Hierdoor kunnen locaties worden ‘geëtiketteerd’, zoals bijvoorbeeld een woongebied, of bedrijventerrein. Functietoekenning is een hulpmiddel om regels over activiteiten in te delen en om de regels te verbeelden. Het toedelen van functie-aanduidingen aan een locatie heeft dan ook geen zelfstandig rechtsgevolg. Het enkel werken met functie-aanduidingen leidt niet tot een evenwichtige situatie. Het rechtsgevolg en daarmee het evenwicht ontstaat uitsluitend door regels te stellen over activiteiten. De voorgestelde structuur biedt de ruimte om te werken met en zonder functie-aanduidingen.

2.

Activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving Het gaat in dit hoofdstuk steeds om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.2, derde lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ieder geval aangemerkt worden, de gevolgen die kunnen voortvloeien uit: a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan, b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, d. het nalaten van activiteiten. Het vierde lid voegt daaraan toe dat als gevolgen voor de fysieke leefomgeving ook worden aangemerkt, de gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. Onder activiteiten worden dus veel verschillende zaken verstaan. Het heeft een ruime reikwijdte, Voorbeelden van activiteiten zijn: bouwen van een woning, slopen van een bouwwerk, kappen van een boom, exploiteren van een bedrijf, houden van een evenement, het aanleggen van een terras en het realiseren van een in/uitrit etc.

3.

Beperkingen Welke regels vanuit dit oogmerk voor activiteiten worden gesteld, staat in eerste instantie ter beoordeling van het gemeentebestuur. Toch is een aantal zaken van belang waarmee het gemeentebestuur rekening dient te houden. Bijvoorbeeld met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Wat daarin is geregeld, kan niet meer in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij er in deze uitvoeringsregels maatwerkregels mogelijk zijn gemaakt. Welke regels van het omgevingsplan vervolgens maatwerkregels zijn, wordt in het omgevingsplan overigens niet afzonderlijk geïdentificeerd. Het is wel verstandig om de maatwerkregels te noemen en te onderbouwen in de Toelichting bij het omgevingsplan. Het stellen van maatregels moet immers, net als de overige regels van het plan, deugdelijk worden gemotiveerd. Bovendien kan het bij de vaststelling en de uitvoering van het omgevingsplan handig zijn om te weten of er sprake is van een maatwerkregel. Ook instructieregels zijn van belang voor het stellen van regels over activiteiten. De instructieregels van het Bkl zijn vooral gegeven voor regels met het oog op de evenwichtige toedeling van locaties. Deze instructieregels hebben verschillende intensiteit van doorwerking, afhankelijk van de gekozen formulering.

Drie veel voorkomende formuleringen voor de door de instructieregels te beschermen belangen in het Bkl zijn: Betrekken bij – wat wil zeggen dat ze in de afweging moeten worden betrokken Rekening houden met – wat wil zeggen dat er gemotiveerd van kan worden afgeweken als wel rekening wordt gehouden met de belangen van de instructieregels In acht nemen – wat wil zeggen dat de instructieregels dwingend zijn voorgeschreven zonder beoordelingsruimte of ruimte om daarvan af te wijken.

4.

Belangenafweging: oogmerk en bij de activiteit betrokken belangen Daarnaast zijn er ook een aantal gevallen waarin simpelweg wordt voorgeschreven dat bepaalde activiteiten niet mogen plaatsvinden. Zo normeert Hoofdstuk 5 van het Bkl de afwegingen die met

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

29

het omgevingsplan gemaakt mogen worden voor relevante activiteit, bijvoorbeeld (niet limitatief) tussen: Kwetsbare gebouwen en locaties & activiteiten met gevaarlijke stoffen (afstand in acht nemen) Weginfrastructuur (gebruikers) & gevolgen van Seveso-inrichting (betrekken) Primaire waterkeringen & belemmerende activiteiten (niet) Kustfundament & bouwactiviteiten (niet toelaten, tenzij) Rivierbed grote rivieren & veilig en doelmatig gebruik, afvoercapacitiet, bergend vermogen (waarborgen) IJsselmeergebied & landaanwinning en bouwactiviteiten (niet toelaten, tenzij) Luchtkwaliteit & aanleg wegen Geluidgevoelig gebouw & geluid van activiteit, anders dan het wonen (en niet gezoneerde industrieterreinen of doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen) (rekening houden met) Reserveringsgebieden & bouwactiviteiten (niet) Etc. De bepalingen (regels) over activiteiten in dit hoofdstuk berusten steeds op vergelijkbare afwegingen, waar de gemeente dat van algemeen belang oordeelt. Van belang is dus dat er steeds een activiteit is, die bezien wordt vanuit een bepaald te dienen algemeen belang, wat vervolgens het oogmerk vormt voor de regels over die activiteit.

5.

Instrumentkeuze Als de activiteiten (dus het inhoudelijke toepassingsbereik) en het oogmerk (dus de met de regel te dienen belangen) voor het stellen van regels over die activiteiten vaststaat, dan komt de keuze aan de orde hoe de activiteit te regelen. Dat wil zeggen de vraag welk soort regel het meest geschikt is als instrument om de activiteit te reguleren in het licht van het oogmerk. Binnen het omgevingsplan zijn verschillende soorten regels voor activiteiten denkbaar: globale regels, gedetailleerde regels, specifieke zorgplichten, maatwerkregels, meldingsplichten, maatwerkvoorschriften, omgevingsvergunningen, gelijkwaardigheidsregels verboden, etc. Het is aan gemeenten om na te gaan welke regels het meest passend voor een activiteit zijn. Een handige manier om tot een keuze te komen, is door gebruik te maken van de verschillende onderdelen van het evenredigheidsbeginsel.

In dit kader kunnen de volgende vragen worden gesteld: Is de regel geschikt om het doel (oogmerk) te bereiken? (Niet alleen theoretisch voor de individuele regel, maar is bij de keuze ook sprake van een logische en systematische aanpak van dat doel in dit omgevingsplan)? Is deze regel noodzakelijk om dat doel te bereiken of is er een minder ingrijpend alternatief? (Kan bijvoorbeeld volstaan worden met een melding in plaats van een omgevingsvergunning, of met alleen een algemene regel in plaats van een meldingsplicht?) Is de regel proportioneel in verhouding tot het dienen doel, of is het eigenlijk onredelijk? Zijn de eventuele voor- of nadelen van een regel evenwichtig verdeeld of zijn bepaalde groepen of onderdelen van de fysieke leefomgeving onevenredig zwaar belast en zijn daarvoor compenserende mechanismen nodig? Dat laatste punt speelt in het omgevingsplan in het bijzonder (maar niet uitsluitend) in relatie tot het soort afwegingen waarover in het Bkl instructieregels heeft gesteld. Een regel die activiteiten toestaat met gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen (bijv.

een vergunningplicht), kan een legitiem doel hebben, geschikt zijn voor dat doel, noodzakelijk en ook proportioneel gelet op de afweging vooraf die nodig is omdat het anders te laat is, maar zou tot een onevenwichtige situatie leiden als er geen afstand in acht wordt genomen tot kwetsbare gebouwen of locaties. Het Bkl dwingt daarom tot het in acht nemen van een afstand tussen activiteiten, zodat het nodig zal zijn de locatiekeuze van initiatiefnemers van deze activiteiten te beïnvloeden.

30

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

6.

Functietoedeling voor locatiekeuzes De locatiekeuzes van initiatiefnemers kunnen worden gestuurd door het toekennen van functies aan locaties: bijvoorbeeld door locaties aan te wijzen voor wonen of voor verkeer. Het gebruik overeenkomstig de functie, noemt deze structuur van het omgevingsplan benutting en is geregeld in Afdeling 5.2. Functietoedeling zal in verreweg de meeste gevallen leiden tot het kiezen van locaties voor allerlei vormen van benutting van de fysieke leefomgeving.

7.

Geen regels voor activiteiten Indien er geen regels (ook geen zorgplichten) over een activiteit worden gesteld, dan kan deze activiteit zonder meer worden uitgevoerd en zijn er geen beperkingen voor die activiteit door het omgevingsplan.

8.

Omgevingsplanactiviteit De Omgevingswet kent het begrip omgevingsplanactiviteit. Hieronder wordt een activiteit verstaan waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. Het bijzondere aan dit begrip is echter dat de Omgevingswet hieronder ook een activiteit verstaat waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en die in strijd is met het omgevingsplan, alsmede andere activiteiten in strijd met het omgevingsplan. Hoewel de omgevingsplanactiviteit een belangrijk begrip is voor de Omgevingswet, is het niet nodig deze term op te nemen in de regels van het omgevingsplan zelf. Volstaan kan worden met concrete activiteiten en het begrip omgevingsvergunning. Voor het omgevingsplan zelf is de term “omgevingsplanactiviteit” immers te abstract en niet onderscheidend genoeg om op een zinvolle manier activiteiten mee aan te duiden.

9.

Beoordelingsregels Hoofdstuk 5 bevat algemene regels voor concrete activiteiten en – waar die regels een omgevingsvergunning vereisen – ook beoordelingsregels waaraan aanvragen worden getoetst door het bevoegd gezag. Artikel 5.1.3 van het deze structuur voor het omgevingsplan bevat een beoordelingsregel op een hoger (politiek-bestuurlijk) afwegingsniveau voor gevallen die niet aan de beoordelingsregels voldoen.

10.

Keuzes waar een onderwerp te regelen Regelmatig zal de vraag opkomen of een bepaald activiteit in dit hoofdstuk moet worden geregeld door aan te knopen bij de ene activiteit (bijvoorbeeld een voor de externe veiligheid risicovolle activiteit), of bij de andere activiteit (bijvoorbeeld kwetsbaar gebouw). Dus of bij het ene, of bij het andere betrokken belang. Dat hangt af van de keuzes van de gemeente en van de concrete omstandigheden van het geval (wat is er al, wat is wenselijk, etc.). In deze structuur is een voorstel opgenomen waarin veel voorkomende activiteiten zijn te groeperen. Het is goed mogelijk dat gemeenten daarin eigen keuzes maakt voor wat zij het geschikte aanknopingspunt vinden. Zo zullen er voor bijvoorbeeld windparken meerdere mogelijkheden zijn, waaronder de mogelijkheid om de activiteit in verschillende afdelingen te regelen. Ook is het mogelijk om voor dergelijke activiteiten afzonderlijke regels op te stellen en deze in een afzonderlijke Afdeling te plaatsen.

11.

Algemeen regelen/per gebied regelen Het is belangrijk om in het omgevingsplan niet te snel uit te gaan van gebieden, zonder dat duidelijk is met welk oogmerk dat wordt gedaan en zonder na te gaan of dat voor het bereiken van dat oogmerk noodzakelijk is. Dit geldt ook voor de activiteiten waarvoor het Bkl ruimtelijke maatregelen zoals afstanden geeft. Gelet op het brede spectrum aan activiteiten dat in het omgevingsplan kan en moet worden geregeld, is het niet vanzelfsprekend dat een gebiedsverdeling die bijvoorbeeld voor bouwactiviteiten relevant is, ook relevant is voor milieubelastende activiteiten, etc. Daarom

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

31

staan in dit voorstel niet de verschillende gebieden voorop, maar de activiteiten en de oogmerken om die te regelen. Deze benadering sluit aan bij die van de Omgevingswet die activiteiten centraal stelt. Denken vanuit activiteiten leidt automatisch tot minder aan gebieden gerelateerde regels.

12.

Verschillen per gebied of locatie Dat neemt niet weg dat normen kunnen verschillen per gebied of per locatie. Dat geldt bijvoorbeeld voor bouwnormen over hoogte van bebouwing op verschillende plaatsen. Daarvoor gelden verschillende hoogten op verschillende plaatsen. Het zou dan onoverzichtelijk worden om per locatie een bouwregel op te nemen. Het ligt veel meer voor de hand om een algemene bouwregel op te nemen die per werkingsgebied inhoud krijgt door de digitalisering. Indien het toch gewenst is regels te koppelen aan delen van de gemeente of wellicht aan gerichte percelen, dan biedt de opzet hiertoe de mogelijkheid. Binnen de afdelingen van dit hoofdstuk komen dan verbijzonderingen of opsplitsingen naar deelgebieden. Net als bij de functie-aanwijzingen kunnen gebieden handig zijn om de regels in te richten. Zoals onder 11 is aangegeven, is het echter wel gewenst om niet te snel regels per gebied te maken, maar te streven naar regels die voor het hele grondgebied of meerdere deelgebieden gelden.

13.

Aanpak en volgorde De volgorde van het hieronder gegeven stramien van de afdelingen is ook bruikbaar in het proces waarmee gemeenten dit hoofdstuk “vullen”. Eerst zullen immers de activiteiten moeten worden geïdentificeerd waarvan het gemeentebestuur het nodig acht om ze in het omgevingsplan te reguleren in verband met de daarmee te dienen doelen en belangen. Dat is nooit een “kale” blik op wat burgers en bedrijven doen, maar een perspectief op bepaalde activiteiten in het licht van de doelen. Activiteiten en doelen bepalen dus samen de aard en de vorm van de regels (zie opmerking 7 over instrumentkeuze). Het is ook in die combinatie van activiteit en doel, dat onderzocht kan worden of er al sprake is van regulering op centraal niveau of provinciaal niveau (in welk geval alleen ruimte voor regulering in het omgevingsplan – de “maatwerkregels” – overblijft als dat uitdrukkelijk mogelijk is gemaakt in die hogere regeling) Pas daarna is de keuze van de regel aan de orde: volstaan met een specifieke zorgplicht en eventuele maatwerkvoorschriften, of is een meldingsstelsel of een omgevingsvergunningplicht aan de orde. Of kan worden volstaan met inhoudelijke regels of is er sprake van een combinatie? Niet elke Afdeling zal zo uiteindelijk aan elk onderdeel van het voorgestelde stramien behoefte hebben, maar het kan best voorkomen dat dat wel zo is.

14.

Opbouw Na een inleidende bepaling met enkele algemene bepalingen volgen qua stramien identiek opgebouwde afdelingen voor verschillende groepen activiteiten, steeds bezien vanuit een voor die Afdeling definiërende oogmerk. Het kan dus zijn dat een activiteit met meerdere afdelingen tegelijk te maken krijgt. Als dat voor een bepaalde groep activiteiten zo voor de hand ligt, kan dat een reden zijn om die activiteiten in een eigen Afdeling vorm te geven, waarin dan verschillende oogmerken worden gecombineerd ten behoeve van een integrale regeling van die activiteit. Hiervoor is in deze opzet Afdeling 5.8 opgenomen, maar het is aan gemeenten om daarvoor een geschikte plaats te vinden.

15.

Algemene beoordelingsregel (artikel 5.1.3) Dit artikel beoogt een voorbeeld te geven voor het toekennen van een algemene afwegingsruimte aan het college voor een activiteit welke niet conform de regels kan worden vergund, of worden uitgevoerd. Het artikel maakt het mogelijk om toch medewerking te verlenen als voldaan wordt aan

32

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

nader te benoemen voorwaarden die met name gerelateerd zijn aan de gemeentelijke doelen of omgevingswaarden. Als een activiteit een bijdrage levert aan het bereiken hiervan en verder geen nadelige invloed heeft op de fysieke leefomgeving kan alsnog medewerking worden verleend. Met dit artikel kan worden ingespeeld op niet voorziene activiteiten en ontwikkelingen die niet strijdig is met een goede fysieke leefomgeving en past in het gemeentelijk beleid. Het is een keuzemogelijkheid om dit artikel niet in hoofdstuk 5 maar in hoofdstuk 2 te plaatsen, zodat het uitdrukkelijk onderdeel wordt van de discussie over doelen, de onderlinge verhoudingen daartussen, en de wijze waarop die worden bereikt. Zie voor de afwegingsruimte waarvan het omgevingsplan als geheel het resultaat is, ook de toelichting bij artikel 2.2 van dit omgevingsplan.

16.

Voorbescherming (artikel 5.1.5) Artikel 5.1.5 biedt plaats voor voorbereidingsbesluiten als bedoeld in art. 4.14 Omgevingswet en voor regels over voorbescherming na aanwijzingsbesluit gemeentelijk monument (vgl. Erfgoedverordeningen). En mogelijk zijn er nog andere vormen van voorbescherming die hier een plaats kunnen krijgen. Zie ook de naar zijn aard vergelijkbare regel van artikel 4.18 van de wet waarbij niet verwezenlijkte modernisering of vervanging leidt tot gebruik anders dan overeenkomstig de toegedeelde functie.

Afdeling 5.2 Artikel 5.6

Benutten van de fysieke leefomgeving (activiteiten) 1. Deze Afdeling gaat over <specificeren categorieën van activiteiten> 2. <evt. afbakening met amvb’s, provinciale verordening en Omgevingswet of andere wettelijke voorschriften>

Artikel 5.7

(oogmerken) De regels in deze Afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties <evt. specificeren: uitbreiding, uitwerking of beperking van de relevante doelen van art. 2.1 van dit omgevingsplan die met deze Afdeling worden gediend>; b. <evt. andere doelen specificeren: uitbreiding, uitwerking of beperking van de relevante doelen van art. 2.1 van dit omgevingsplan die met deze Afdeling worden gediend> [etc.]

Artikel 5.8

(toedeling van functies centrumgebied) 1. [Bouwwerken EN/OF gronden] in het in het geografisch informatieobject centrumgebied opgenomen gebied hebben als functie: a. detailhandel, b. dienstverlening, c. wonen, d. bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. 2. [etc.]

Artikel 5.9

(toedeling van functies industrie) [Bouwwerken EN/OF gronden] in het in het geografisch informatieobject bedrijventerreinen opgenomen gebied hebben als functie: a. milieubelastende industrie, b. [etc.]

1.

Benutten Deze Afdeling is gereserveerd voor regels over activiteiten die gebruik maken van de bestaande fysieke leefomgeving (bouwwerken, maar ook terreinen en infrastructuur, etc.). Het gaat hier met name om hetgeen voorheen onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gezien werd als gebruik in enge zin”, en – afhankelijk van welke functies beschreven

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

33

worden – ook om (niet-ruimtelijke) vormen van gebruik overeenkomstig de functie. Omdat de reikwijdte van activiteiten in het omgevingsplan ruimer is dan uitsluitend bouwwerken en grond, en bijvoorbeeld ook met betrekking tot infrastructuur en water sprake is van (gewoon of bijzonder) gebruik, is in het opschrift van deze Afdeling niet gekozen voor de term “gebruik” maar voor “benutten” van de fysieke leefomgeving. De Afdeling biedt ook ruimte aan regels over specifieke vormen van gebruik, zoals niet op de openbare weg gelegen terrassen, het houden van evenementen en het innemen van ligplaatsen. Behalve de eigen regels en afwegingen van de gemeente, zullen ook in deze Afdeling de instructieregels van het Bkl (en de maatwerkregels die Bal en Bbl mogelijk maken) – en de omgevingsverordening van de provincie – hier een rol kunnen spelen. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruiken van locaties of het stellen van regels voor (beperkt of zeer) kwetsbare gebouwen (art. 5.15 Bkl), van brandvoorschriftengebieden, geluidgevoelige woningen of locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking (art. 5.157 Bkl) om enkele voorbeelden te noemen

34

2.

Afbakening naar activiteit Bij het stellen van deze regels is aandacht nodig voor afbakening. Niet elke vorm van benutting van elk onderdeel van de fysieke leefomgeving kan hier als zodanig worden geregeld. Zo is de regeling van het verkeer over de weg niet een kwestie van omgevingsrecht, maar van het wegenverkeersrecht (de gemeente kan verkeersbesluiten nemen op basis van de Wegenverkeerswet 1994)’. Iets vergelijkbaars geldt voor het scheepvaartverkeer over het water en de Scheepvaartverkeerswet, en is het omgevingsplan niet het instrument voor de regulering van het aanbieden van zorg in een zorginstelling of het leveren van elektriciteit over het elektriciteitsnet. Steeds zal dus duidelijk moeten zijn waarom het nodig is regels te stellen over activiteiten die bestaan uit het benutten van de fysieke leefomgeving, in het belang van de doelstellingen van artikel 2.1 van dit omgevingsplan, met het oog op artikel 1.3 van de Omgevingswet.

3.

Concreet oogmerk De techniek om elke Afdeling een artikel op te nemen met het concrete oogmerk van waaruit de regels voor de activiteiten in die Afdeling worden gesteld, sluit aan bij de wijze waarop activiteiten zijn geregeld in het Bal (en ook in het Bkl zijn de oogmerken steeds uitdrukkelijk vermeld). De oogmerken waar het in deze bepalingen om gaat duidt op het meest concrete niveau aan in welk belang de concrete activiteiten hier worden onderworpen aan het instrumentarium van het omgevingsplan en de wet. Daarvoor zal in bepaalde gevallen dezelfde formulering volstaan als al in artikel 2.1 is opgenomen. Ook een verwijzing is mogelijk. In andere gevallen is het van belang om beter af te bakenen of meer te specificeren. In alle gevallen wordt het oogmerk echter vermeld.

Artikel 5.10

(specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 5.2.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor het hebben van gebouwen die leeg staan in het centrumgebied houdt dit in ieder geval in dat het gebouw geschikt en beschikbaar is voor benutting overeenkomstig de functie van artikel 5.2.3. 3 [etc.]

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

1.

Artikel 5.11 1.

Specifieke zorgplicht De Omgevingswet biedt geen ruimte voor het opnemen van een algemene zorgplicht in het omgevingsplan. De algemene zorgplicht geldt immers al op basis van de wet, ook als achtergrond voor de lokale regels, en kan dus niet worden herhaald in het omgevingsplan. Het is wel mogelijk om te komen tot specifieke zorgplichten voor concretere activiteiten. Dergelijke zorgplichten maar zijn op hun plaats in de bijzondere regels over activiteiten in de afdelingen 5.2 e.v. Het gaat om een specifieke (want toegespitst op alle of een deel van de activiteiten bedoeld in artikel 5.6, en het oogmerk van artikel 5.7) zorgplicht die een kader kan vormen voor eventueel toekennen van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te geven op grond van artikel 5.11. (algemene regels) Algemene regels In een algemeen geldende regel staan concrete voorwaarden waar eenieder die de activiteit uitvoert, aan moet voldoen. Aan een algemene regel kan een gemeente een informatieplicht, een meldplicht en eventueel een maatwerkvoorschrift koppelen. Dit is overigens niet noodzakelijk, de algemene regel kan ook op zichzelf staan. Overweegt de gemeente een informatieplicht, dan moet helder zijn wat er met de informatie gebeurt en of deze informatie al bij de gemeente bekend is.

Artikel 5.12

(meldingsplicht) Voor het verrichten van <<activiteit>> is een melding vereist <<Overige regels over melding, zoals wanneer indienen>>

Artikel 5.13

(maatwerkvoorschriften) 1. [gereserveerd] 2. Een maatwerkvoorschrift [kan niet worden gesteld OF kan worden gesteld] over een onderwerp waarvoor een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

1.

Maatwerkvoorschriften Het eerste lid wordt alleen opgenomen voor zover dat nodig is naast de algemene bepalingen van Afdeling 5.1.

2.

Samenloop maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften Het uitgangspunt van het tweede lid is, om de onderlinge uitsluitbaarheid van maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften (voor hetzelfde onderwerp), als hoofdregel op te nemen. Art. 4.5, derde lid, Omgevingswet laat dit als keuze aan de makers van het omgevingsplan. De gemeente kan dus ook anders kiezen, maar zal daarover steeds duidelijk moeten zijn in een artikel zoals het hierboven gegeven. Gelet op het belang van de rechtszekerheid, ligt het voor de hand om als uitgangspunt te kiezen dat het niet kan worden gecombineerd, en terughoudend om te gaan met uitzonderingen op dat uitgangspunt.

Artikel 5.14

(omgevingsvergunning) 1. Voor het verrichten van <<activiteit>> is een omgevingsvergunning vereist. 2. <<Overige regels over de vergunning, zoals: duur, persoonsgebondenheid ex art. 5.37, derde lid (zoals gewijzigd door Invoeringswet), etc.>>

1.

Omgevingsvergunning. Het gaat steeds om de introductie van een verbod om de betreffende activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Een gevolg daarvan is dat sprake is van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

Artikel 5.15

(gegevens en bescheiden) [gereserveerd]

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

35

36

Artikel 5.16

(beoordelingsregels omgevingsvergunning) 1. De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van de in artikel 5.7 bedoelde belangen. 2. andere <<beoordelingsregels>>]

1.

Beoordelingsregels. Net als in de AMvB’s wordt hier onder beoordelingsregel verstaan, een regel die is gericht op het bevoegd gezag en gaat over het nemen van een besluit (hier: al of niet verlenen van een omgevingsvergunning). Een beoordelingsregel verschilt van wat hier (in navolging van het Bal) “inhoudelijke regels” worden genoemd, omdat die inhoudelijke regels zijn gericht op burgers en bedrijven en rechtstreeks gaan over hun gedragingen.

2.

Maatwerkregels Ook wat in het Bal en het Bbl maatwerkregels worden genoemd, worden geplaatst in deze artikelen.

Afdeling 5.3 Artikel 5.17

Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten (activiteiten) 1. Deze Afdeling gaat over <specificeren categorieën van activiteiten> 2. <evt. afbakening met amvb’s, provinciale verordening en Omgevingswet of andere wettelijke voorschriften>

Artikel 5.18

(oogmerken) De regels in deze Afdeling over bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten en sloopactiviteiten zijn gesteld met het oog op: a. <specificeren: uitbreiding, uitwerking of beperking van de relevante doelen van art. 2.1 van dit omgevingsplan die met deze Afdeling worden gediend>

Artikel 5.19

(toedeling van functies) [gereserveerd]

Artikel 5.20

(specifieke zorgplicht) [gereserveerd]

Artikel 5.21

(algemene regels) [gereserveerd]

Artikel 5.22

(meldingsplicht) [gereserveerd]

Artikel 5.23

(maatwerkvoorschriften) 1. [gereserveerd] 2. Een maatwerkvoorschrift kan niet worden gesteld over een onderwerp waarvoor een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

Artikel 5.24

(omgevingsvergunning) [gereserveerd]

Artikel 5.25

(gegevens en bescheiden) [gereserveerd]

Artikel 5.26

(beoordelingsregels) [gereserveerd]

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

1.

Regels voor bouwactiviteiten Door de Invoeringswet Omgevingswet (Memorie van Toelichting, Afdeling 2.2.1.4) wordt de vergunning voor het bouwen van een bouwwerk opgeknipt in een technisch deel en een niet-technisch deel. Het technische deel van het bouwen vormt de bouwactiviteit waarvoor op centraal niveau regels zijn gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor het niet-technische deel van het bouwen worden in het omgevingsplan regels gegeven. In deze Afdeling worden de gemeentelijk regels opgenomen voor bouwen, slopen en aanleggen.

2.

Inhoudelijke regels Hierbij kan worden gedacht aan de regels op basis van het Bkl, zoals een verbod op bouwactiviteiten in reserveringsgebieden wegen en spoorwegen. Bouwactiviteiten, anders dan voor een bouwwerk dat wordt toegelaten voor een periode van ten hoogste vijf jaar, zijn verboden op locaties die krachtens artikel 5.133 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg. Denk ook aan regels uit de bruidsschat, zoals Algemene regels over het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden (uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil), Algemene regels over het bouwen en in stand houden van bouwwerken Bluswatervoorziening Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen Daarbij zal een afweging nodig zijn over de plaats van regeling, is deze Afdeling het meest geschikt of meer Afdeling 5.4.

3.

Maatwerkregels De inhoudelijke regels omvatten ook eventuele maatwerkregels die op basis van hogere regelgeving mogelijk zijn in het omgevingsplan. Dat geldt steeds voor alle afdelingen. Het feit dat het om maatwerkregels gaat brengt immers niet mee dat ze in een afzonderlijke Afdeling opgenomen hoeven te worden (de maatwerkregels zijn dus uit de tekst niet als zodanig herkenbaar). Het verdient wel aanbeveling in de toelichting op het omgevingsplan op te nemen of een bepaalde regel een maatwerkregel is. Daarnaast vloeien bepaalde regels rechtstreeks voort uit het Bkl, zoals het voorbeeld hierboven.

Afdeling 5.4 Artikel 5.#

Milieubelastende activiteiten (activiteiten)

Artikel 5.#

(oogmerken)

Artikel 5.#

(toedeling van functies)

Artikel 5.#

(specifieke zorgplicht)

Artikel 5.#

(algemene regels)

Artikel 5.#

(meldingsplicht)

Artikel 5.#

(maatwerkvoorschriften)

Artikel 5.#

(omgevingsvergunning)

Artikel 5.#

(gegevens en bescheiden)

Artikel 5.#

(beoordelingsregels)

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

37

1.

Vast stramien Elke Afdeling heeft in beginsel hetzelfde stramien als Afdeling 5.2, voor zover de daarin opgenomen elementen nodig zijn voor het onderwerp.

2.

Begrip milieubelastende activiteiten De term milieubelastende activiteit is in de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Die betekenis heeft het begrip hier dus ook. Welke concrete activiteiten een dergelijke milieubelastende activiteit in die zin vormen, wordt in deze Afdeling van het omgevingsplan bepaald. De activiteiten die in deze Afdeling worden gereguleerd zijn de activiteiten die volgens de gemeente als zodanig moeten kwalificeren. Dat zullen in de regel andere activiteiten zijn dan de activiteiten die al als milieubelastend zijn gereguleerd in het Bal (tenzij het Bal voor die activiteiten maatwerkregels mogelijk maakt in het omgevingsplan). Het omgevingsplan kan ten aanzien van deze activiteiten wel regels bevatten met een ander oogmerk, bijvoorbeeld een goede ruimtelijke en functionele inrichting van de fysieke leefomgeving.

3.

Afbakening Deze Afdeling kan onder meer gaan over activiteiten met gevolgen voor geluid, trilling, geur, autowrakken in tuinen, houden van dieren, roken, ter beschikking stellen en gebruik van vuurwerk, stoken van vuur, verstrooien van as, enz. En activiteiten die in het Bal worden gereguleerd als milieubelastende activiteit, maar waarvoor zoals hiervoor is aangegeven maatwerkregels worden gesteld in het omgevingsplan. Ook kan het zijn dat het omgevingsplan de immissienormen (de lokale fysieke leefomgeving) regelt voor de activiteiten waarvoor het Bal de emissienormen vaststelt.

Afdeling 5.5 Artikel 5.#

Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente (activiteiten)

Artikel 5.#

(oogmerken)

Artikel 5.#

(toedeling van functies)

Artikel 5.#

(specifieke zorgplicht)

Artikel 5.#

(algemene regels)

Artikel 5.#

(meldingsplicht)

Artikel 5.#

(maatwerkvoorschriften)

Artikel 5.#

(omgevingsvergunning)

Artikel 5.#

(gegevens en bescheiden)

Artikel 5.#

(beoordelingsregels)

1.

Inhoudelijke regels Deze Afdeling is gereserveerd voor activiteiten die plaatsvinden op of bij openbare wegen en wateren. Hierbij kan worden gedacht aan de volgende activiteiten: Standplaatsen Uitwegen en andere werken uitvoeren op wegen, veranderen van wegen Plaatsen van voorwerpen op de weg Stallen / parkeren van motorvoertuigen e.d.

38

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Evenementen en vertoningen op de weg (voor zover niet al in 5.2 geregeld) Waarschijnlijk afbakening met kabels en leidingenwerk onder de Telecommunicatiewet Reclame zichtbaar vanaf de weg / voor het publiek Afdeling 5.6 Artikel 5.#

Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed (activiteiten)

Artikel 5.#

(oogmerken)

Artikel 5.#

(toedeling van functies)

Artikel 5.#

(specifieke zorgplicht)

Artikel 5.#

(algemene regels)

Artikel 5.#

(meldingsplicht)

Artikel 5.#

(maatwerkvoorschriften)

Artikel 5.#

(omgevingsvergunning)

Artikel 5.#

(gegevens en bescheiden)

Artikel 5.#

(beoordelingsregels)

Afdeling 5.7 Artikel 5.#

Activiteiten met betrekking tot planten en dieren (activiteiten)

Artikel 5.#

(oogmerken)

Artikel 5.#

(toedeling van functies)

Artikel 5.#

(specifieke zorgplicht)

Artikel 5.#

(algemene regels)

Artikel 5.#

(meldingsplicht)

Artikel 5.#

(maatwerkvoorschriften)

Artikel 5.#

(omgevingsvergunning)

Artikel 5.#

(gegevens en bescheiden)

Artikel 5.#

(beoordelingsregels)

Afdeling 5.8

[Nader te benoemen activiteiten]

Afdeling 5.9

[etc, etc, etc.]

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

39

Hoofdstuk 6

Beheer en onderhoud

Afdeling 6.1 Artikel 6.1

Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen (onderhouds- en instandhoudingsverplichting voor vergunninghouders) Degene die krachtens <<specificeer voor de activiteit relevante art. in hoofdstuk 5>> een werk of voorwerp op de openbare weg plaats houdt dat werk of voorwerp in goede staat en ruimt het onverwijld op zodra de activiteit wordt gestaakt.

Afdeling 6.2 Artikel 6.2

Gedoogplichten (aanvullende gedoogplichten) [gereserveerd]

1.

Gebodsbepalingen Op deze plaats is ruimte voor gebodsbepalingen voor bijvoorbeeld opruimen, onderhoud, etc. voor rechthebbenden of andere beheerders.

2.

Gedoogplichten. Hier is plaats voor het regelen van gedoogplichten die momenteel nog in gemeentelijke verordeningen voorkomen, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van straatnaamborden op gevels, het plaatsen van straatverlichting, etc.

40

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Hoofdstuk 7

Financiële bepalingen

Afdeling 7.1 Artikel 7.1 e.v.

Kostenverhaal (etc., etc., etc.) [gereserveerd]

Afdeling 7.2 Artikel 7.2 e.v.

Nadeelcompensatie (etc., etc., etc.) [gereserveerd]

1.

Kostenverhaal In een omgevingsplan kunnen gebieden worden aangewezen waar sprake is van kostenverhaal. Per gebied wordt aangegeven of gewerkt wordt met exploitatieregels of exploitatievoorschriften. De exploitatieregels worden opgenomen in het omgevingsplan. De voorgestelde structuur biedt in deze Afdeling daarvoor de ruimte.

2.

Nadeelcompensatie De Omgevingswet biedt de mogelijkheid tot het indienen van verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van het omgevingsplan. Afdeling 7.3 biedt de mogelijkheid voor het opnemen van regels over de afhandeling van deze verzoeken. De procedureregels zoals opgenomen in titel 4.5 Awb, de basis van de schaderegeling in de Ow, zijn uitputtend bedoeld. Slechts over enkele onderwerpen is het tot op zekere hoogte mogelijk om aanvullende regels op te nemen. Dat zijn in de eerste plaats bepalingen over het heffen van een recht (leges), zij het met een maximum van 500 euro per aanvraag (zie art. 4:128 Awb). Minder mag dus wel. Daarnaast is het ook mogelijk te voorzien in een regel over (deskundigen)adviezen over ingediende aanvragen en de termijnen die gelden als de gemeente een advies over een aanvraag laat uitbrengen (zie art. 4:130 Awb). In het omgevingsplan kunnen dus geen regels worden gesteld over bijvoorbeeld beslistermijnen die afwijken van de Awb, of de eis dat een aanvraag moet zijn voorzien van een deskundigenadvies. De gemeente dient per aanvraag te bezien of de aanvraag voldoende informatie bevat en eventueel (onderbouwd) meer informatie verzoeken.

3.

Leges Leges zijn gemeentelijke belastingen op grond van artikel 229 Gemeentewet. De regels daarover zijn regels als bedoeld in artikel 216 Gemeentewet. Op grond van het in de consultatieversie van het Invoeringsbesluit Omgevingsbesluit voorgestelde artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder e, mogen dergelijke regels niet in het omgevingsplan worden opgenomen. Volgens die lijn zou geen Afdeling over leges opgenomen dienen te worden in het omgevingsplan.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

41

Hoofdstuk 8

Procedureregels

Afdeling 8.1 Artikel 8.1 e.v.

Voorbereiding van besluiten (etc., etc., etc.) [gereserveerd]

Afdeling 8.2 Artikel 8.2

Gemeentelijke projecten van publiek belang (gemeentelijk project “x”) [gereserveerd]

Afdeling 8.3 Artikel 8.3

Advies (gemeentelijke adviescommissie) 1. Het bevoegd gezag vraagt advies aan de gemeentelijke adviescommissie over het ontwerp van een omgevingsvergunningen voor het bouwen, bedoeld in artikel [#.#]. 2. [etc.]

Artikel 8.4

(advies Veiligheidsregio) Het bevoegd gezag vraagt advies aan de Veiligheidsregio over het ontwerp van een omgevingsvergunningen voor het bouwen, bedoeld in artikel [#.#]. 2. [etc.]

Afdeling 8.4 Artikel 8.5

Maatschappelijk draagvlak (participatie bij omgevingsvergunningen) 1. Het bevoegd gezag kan over de aanvraag van een omgevingsvergunning voor [<<activiteiten invullen>>] een participatiebijeenkomst organiseren voor overleg met derden, indien de overeenkomstig artikel 16.55, zesde lid, van de Omgevingswet verstrekte gegevens over participatie van en overleg met derden daar aanleiding toe geven. 2. [Etc.]

Afdeling 8.5 Artikel 8.6

Andere bestuursorganen (overleg bij omgevingsvergunningen) [gereserveerd]

1.

Voorbereiding van besluiten Deze Afdeling is relevant voor zover het besluiten betreft waarvoor dat niet al in de Omgevingswet de procedure is bepaald. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan aanwijzingsbesluiten voor gemeentelijke monumenten. Het staat gemeenten vrij om te bepalen op welke wijze en via welke stappen tot een besluit wordt gekomen. Dit kan in het omgevingsplan worden geregeld.

2.

Gemeentelijke projecten van publiek belang Dit artikel is gereserveerd voor regels over de voorbereiding van projecten als bedoeld in art. 5.55 Omgevingswet. Het kan gewenst zijn aanvullende regels te stellen in het proces tot het vaststellen van regels in het omgevingsplan voor projecten van publiek belang.

3.

Gemeentelijke adviescommissie De Omgevingswet geeft in afdeling 17.2 aan de raad de bevoegdheid om gemeentelijke adviesorganen aan te wijzen. De gemeenteraad dient in ieder geval een gemeentelijke adviescommissie in te stellen die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. De rol van adviesorganen kan ook breder zijn, bijvoorbeeld wanneer er adviesorganen zijn die bij het verlenen van een omgevingsvergunning een rol spelen zoals een bredere commissie voor de fysieke leefomgeving. Afdeling 8.3 bevat de mogelijkheid om regels ten aanzien van de adviescommissie op te nemen. De wet schrijft echter niet voor dat dit soort regels in het omgevingsplan

42

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

worden opgenomen. Vanwege de aard en inhoud van de regels – zoals bijvoorbeeld het instellen en benoemen van leden – is het echter ook zeer goed denkbaar hiervoor een afzonderlijke regeling te maken.

4.

Advies In het kader van het behandelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning kan het ook voorkomen dat het voor een zorgvuldige besluitvorming gewenst is om advies te vragen aan een andere partij dan de gemeentelijke adviescommissie. Artikel 8.9 bevat de mogelijkheid om hiervoor regels op te nemen. Dus bijvoorbeeld voor welke activiteiten de veiligheidsregio om advies moet worden gevraagd. Het gaat hier met name om algemene adviesregels. Specifieke adviesvragen kunnen ook in hoofdstuk 5 bij de betreffende activiteiten worden opgenomen. Tenslotte biedt het artikel ook de mogelijkheid om regels te stellen inzake advies bij het wijzigen van het omgevingsplan.

5.

Participatie Het gaat hier over de regels waarop vorm en inhoud moet worden gegeven aan de participatie c.q. de het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak bij activiteiten. De hier op te nemen regels zijn aanvullend op de regels van het Omgevingsbesluit en de op grond van artikel 16.55 van de Omgevingswet in de omgevingsregeling gestelde regels over participatie bij omgevingsvergunningen.

6.

Andere bestuursorganen Een goed en soepel werkende keten is een van de doelen van de Omgevingswet. Het kan gewenst zijn om in het omgevingsplan aan te geven op welke wijze ketenpartners betrokken worden bij de besluitvorming over aanvragen of een wijziging van het omgevingsplan. Regels hierover kunnen in dit artikel worden opgenomen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

43

Hoofdstuk 9

Handhaving

Afdeling 9.1 Artikel 9.1

Strafbepalingen (strafbaarstelling) [gereserveerd]

Afdeling 9.2 Artikel 9.2

Kwaliteitsbevordering en afstemming uitvoering en handhaving (regels over VTH) [gereserveerd]

1.

Strafbaarstelling Er is in deze afdeling geen strafbaarstelling voor overtreding van de regels over in het omgevingsplan opgenomen activiteiten opgenomen. De Omgevingswet laat dat niet toe. Overtredingen van de regels in het omgevingsplan zijn strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. Het Besluit OM-afdoening (o.b.v. de Wet OM-afdoening) bepaalt overigens wel dat voor verschillende activiteiten, waarvoor op dit moment op grond van een gemeentelijke verordening (APV) een vergunning is vereist, een bestuurlijke strafbeschikking kan worden opgelegd (dit besluit wordt geactualiseerd en afgestemd op de Omgevingswet). De strafrechtelijke handhaving is langs die weg geborgd. Ook kan worden gekozen voor een bestuurlijke boete (art. 18.12 Ow)

2.

Aanwijzen toezichthouders Het is niet nodig om in het omgevingsplan toezichthouders aan te wijzen, gelet op artikel 18.6 van de Omgevingswet. Is standaard in verordeningen. Mogelijk is dit een onderwerp om naar het delegatiebesluit te brengen. De aanwijzingsbesluiten van de ambtenaren zelf maken geen onderdeel uit van het omgevingsplan.

3.

Vergunningverlening, toezicht en handhaving Dit onderdeel kan regels bevatten voor het onderwerp (kwaliteit van) vergunningverlening, toezicht en handhaving als bedoeld in artikel 18.20, derde lid, en 18.23, eerste lid, Omgevingswet.

44

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Hoofdstuk 10

Monitoring en informatie

Afdeling 10.1 Artikel 10.1

Monitoring (monitoringsverplichtingen) [gereserveerd]

1.

Parameters, methoden en verslaglegging In het omgevingsplan wordt in het geval van het vaststellen van omgevingswaarden, opgenomen hoe de monitoring plaats vindt. Dat moet gebeuren door het regelen van parameters ex art. 20.1 Ow, methoden ex art. 20.2 Ow en verslaglegging ex art. 20.4 Ow, steeds in verband met omgevingswaarden van hoofdstuk 2 van dit omgevingsplan.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

45

Hoofdstuk 11

Overgangsrecht

Afdeling 11.1 Artikel 11.1

Overgangsrecht (overgangsrecht) [gereserveerd]

Afdeling 11.2 Artikel 11.2

Bruidsschat (bruidsschat) Voor alle regels die krachtens artikel 22.2 van de wet deel kunnen uitmaken van dit omgevingsplan is in bijlage 11 aangegeven of, en zo ja, in hoeverre, dat voor dit omgevingsplan nog het geval is.

1.

Overgangsrecht Belangrijk aandachtspunt is dat het omgevingsplan geen vast, centraal voorgeschreven overgangsrecht heeft zoals dat bij bestemmingsplannen het geval is (afgezien van de bijzondere figuur van de bruidsschat – zie onder). Dat betekent dat de regels van het omgevingsplan, als het niets voor het overgangsrecht regelt, onmiddellijke werking hebben. Het geldt onverkort vanaf de inwerkingtreding en er geldt geen specifiek overgangsrecht, anders dan is voorzien in de Invoeringswet en Invoeringsbesluit Omgevingswet. Het is verstandig om wel overgangsrecht op te nemen, om de overgangen die in de gemeentelijke praktijk plaatsvinden en die niet op centraal niveau zijn geregeld, te voorzien. Dat zal waarschijnlijk in belangrijke mate samenhangen met de intrekking van bestaande verordeningen (zie slotbepalingen).

2.

Bruidsschat De bruidsschatregels (omgevingsplanregels van rechtswege) van artikel 22.2 van de Omgevingswet worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Deze regels hebben dan de vorm en strekking die ze in de regeling van de bruidsschat (in de amvb) hebben gekregen. Het is de bedoeling dat deze regels door de gemeenten worden opgenomen in het (definitieve) omgevingsplan. Dat betekent dat de gemeente vrij is de regels te heroverwegen (nut en noodzaak, maar ook instrumentkeuze, formulering, etc.) Uiteindelijk zijn de regels van de bruidsschat derhalve niet meer als zodanig herkenbaar. Deze maken, indien een gemeente deze overneemt, onderdeel uit van het geheel. De vorm waarin de gemeente deze overneemt is vrij. Een gemeente kan zelf invulling geven aan de wijze waarop de bruidsschat wordt opgenomen in het omgevingsplan. De gemeente kan derhalve ook besluiten regels uit de bruidsschat niet over te nemen. Artikel 11.1 beoogt zekerheid te geven over de vraag welke regels al wel en welke nog niet zijn verwerkt in situaties waarin het omgevingsplan niet in een keer de volle denkbare breedte heeft, bijvoorbeeld omdat nog niet alle relevante verordeningen zijn geïntegreerd. Het houdt dus ook rekening met situaties waarin de bruidsschat nog niet in een keer volledig zal zijn verwerkt in het omgevingsplan.

In dat geval is het zinvol om duidelijk te maken in hoeverre dat wel en in hoeverre dat niet het geval is.

46

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Hoofdstuk 12

Slotbepalingen

Afdeling 12.1 Artikel 12.1

Uitvoerbaarheid en evaluatie (evaluatiebepaling omgevingsplan) [gereserveerd]

Afdeling 12.2 Artikel 12.2

Overige bepalingen (intrekking verordeningen) [gereserveerd]

Artikel 12.3

(omhangbepaling nadere regels) [gereserveerd]

Artikel 12.4

(inwerkingtreding) Dit omgevingsplan treedt in werking op [datum overeenkomstig artikel 16.78, eerste lid, van de Omgevingswet OF later tijdstip].

Artikel 12.5

(citeertitel) Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: omgevingsplan gemeente <<naam gemeente>>.

1.

Omhangen nadere regels van verordening Nadere regels op basis van ingetrokken verordeningen moeten deel (gaan) uitmaken van het omgevingsplan; voor zover dat niet al gebeurt, moeten de nadere regels wellicht nog even blijven bestaan, maar dan voortaan gebaseerd zijn op het nieuwe delegatiebesluit. Dat is een volstrekt nieuwe figuur, waarvan het de vraag is of dat tot een omhangbepaling (een regel die ertoe strekt dat een bepaald besluit met nadere regels, voortaan op een specifiek artikel van dit omgevingsplan berust en dus niet meer op een vervallen verordening) in het omgevingsplan moet leiden of tot een bepaling in het delegatiebesluit.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

47

Bijlagen bij het omgevingsplan A.

Nummering van bijlagen Net zoals bij de AMvB’s het geval is, kan ook het omgevingsplan werken met bijlagen. Bijlagen maken een integraal onderdeel uit van het omgevingsplan. Om ook de bijlagen van het omgevingsplan overzichtelijk te houden, zeker nu dat ook door andere bestuursorganen dan de raad gewijzigd kan worden (namelijk door het college voor zover de bevoegdheid aan haar is gedelegeerd, maar ook projectbesluiten wijzigen het omgevingsplan rechtstreeks), zou een goede praktijk zijn dat een bijlage genummerd wordt volgens het artikelnummer waar het bij hoort. Dus bijlage 1.1 hoort bij artikel 1.1, bijlage 3.2 bij artikel 3.2, etc. Op deze wijze kan een nieuwe bijlage altijd in de lopende volgorde worden ingevoegd, zonder dat met a-nummers gewerkt hoeft te worden.

48

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Nawoord

De waarde van de hier voorgestelde structuur van het omgevingsplan zal worden bepaald door het vervolg dat eraan wordt gegeven. Het maken van een goed omgevingsplan is niet alleen afhankelijk van de structuur. De formulering van de regels waarmee de structuur gevuld wordt, is eveneens belangrijk. Dat speelt des te meer omdat het belangrijk is een uniforme stijl van regelgeving te hanteren tussen de verschillende onderdelen van het omgevingsplan. Wij verwachten dat dit in het bijzonder speelt in hoofdstuk 5. Behalve een vast stramien voor de indeling van de verschillende afdelingen van dat hoofdstuk, is het ook belangrijk om de artikelen volgens vaste methodologie te formuleren. Het ligt daarom in de rede om, behalve een structuur en de inhoudelijk vulling daarvan, ook richtlijnen of aanwijzingen te gaan ontwikkelen voor de regelgeving in het omgevingsplan, zodat – ook al bij de vulling door middel van staalkaarten – de regels niet uiteen gaan lopen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

49

50

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

51

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 info@vng.nl november 2019

vng.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=560ab7a8-2116-4b7d-a38c-101ebafd46eb