Bijlage 5. Etfal incl. bijlagen
Tekst van het document
ETFAL
Locatie Zeevaartschool
Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................... 2 1.1 Aanleiding .................................................................................... 2 1.2 Ligging projectgebied ...................................................................... 2 1.3 Procedure .................................................................................... 3 1.4 Leeswijzer .................................................................................... 3 Hoofdstuk 2 Beschrijving van het project en zijn omgeving ...................................... 4 2.1 Huidige situatie.............................................................................. 4 2.2 Toekomstige situatie ....................................................................... 4 2.3 Omgevingsplan - mogelijkheden en strijdigheden ...................................... 6 Hoofdstuk 3 Participatie ............................................................................... 8 3.1 Participatie omgeving ...................................................................... 8 Hoofdstuk 4 Beleidskader .............................................................................. 9 4.1 Rijksbeleid ...................................................................................
9 4.2 Waterschapsbeleid .......................................................................... 9 4.3 Provinciaal beleid ..........................................................................10 Hoofdstuk 5 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving .............................................12 5.1 Welstand .....................................................................................12 5.2 M.e.r.-beoordeling .........................................................................12 5.3 Verkeer en parkeren .......................................................................13 5.4 Ecologie: soortenbescherming ...........................................................14 5.5 Ecologie: gebiedsbescherming ...........................................................15 5.6 Luchtkwaliteit ..............................................................................17 5.7 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen ..............................18 5.8 Geluid door activiteiten ...................................................................18 5.9 Geur ..........................................................................................19 5.10 Externe veiligheid ........................................................................20 5.11 Cultureel erfgoed .........................................................................20 5.12 Bodem
......................................................................................21 5.13 Water .......................................................................................22 5.14 Duurzaamheid .............................................................................23 5.15 Gezondheid ................................................................................23 Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid ................................................................24 Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties ..................................25 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Quickscan flora en fauna AERIUS-berekening Quickscan Archeologie Verkennend bodemonderzoek rapport
1
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Wilhelminalaan 1-Schilderend 39 (perceel N1283 en N1284) bevindt zich de voormalige Zeevaartschool, in gebruik als maatschappelijke voorziening. In de huidige situatie wordt het gebouw gebruikt door onder andere een muziekschool en de maatschappelijke organisatie Young Forever. Deze functies worden op termijn verplaatst naar het nieuw te realiseren Thijssehuis, dat momenteel in aanbouw is in Den Burg. Door deze verplaatsing komt de locatie aan de Wilhelminalaan 1-Schilderend 39 beschikbaar voor herontwikkeling. De gemeente Texel heeft deze locatie aangewezen als geschikte inbreidingslocatie voor woningbouw, mede gezien de ligging nabij stedelijke voorzieningen en de behoefte aan woningen voor specifieke doelgroepen, zoals ouderen. Het voornemen is om het terrein gedeeltelijk te herontwikkelen naar wonen, waarbij een deel van de bestaande maatschappelijke functie behouden blijft in het originele karakteristieke gebouw van de Zeevaartschool. Hiermee ontstaat een gemengd programma dat recht doet aan zowel de historie van de plek als de actuele woningbehoefte wat volgt uit de woonvisie. De ontwikkeling past niet volledig binnen de regels van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.
Hoewel in het geldende plan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de functie ‘maatschappelijk’ om te zetten naar wonen, wordt in dit geval niet het gehele perceel omgezet en blijft een deel van de maatschappelijke functie behouden. Ook worden gronden met een verkeersfunctie betrokken bij het woongebruik. Hierdoor is sprake van strijdig gebruik. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt daarom een omgevingsvergunning aangevraagd voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), waarbij het strijdige gebruik wordt toegestaan. Een onderdeel van de aanvraag is een goede motivering voor de fysieke leefomgeving. Uit de motivering moet blijken dat de activiteit in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat de activiteit ook uitvoerbaar is. Hiervoor is deze motivering opgesteld.
1.2 Ligging projectgebied Het projectgebied is gelegen aan de rand van de kern Den Burg, aan de Wilhelminalaan 1-Schilderend 39. De locatie kenmerkt zich door een overgang tussen woongebied en maatschappelijke voorzieningen, nabijheid van centrumvoorzieningen van Den Burg en een bestaande stedenbouwkundige structuur met lintbebouwing en kleinschalige woonclusters. Ook zijn hier nog diverse bedrijfspanden aanwezig. De voormalige Zeevaartschool vormt een herkenbaar en cultuurhistorisch waardevol gebouw binnen deze omgeving.
2
De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1.
1.3 Procedure De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met een BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Deze kan worden verleend indien er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en wordt voldaan aan de relevante instructieregels van het Rijk (Bkl), de provincie Noord-Holland en het waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Advies gemeenteraad De gemeenteraad van de gemeente Texel heeft in zijn besluit d.d. 13-07-2022 activiteiten aangewezen waarin voor BOPA'S verplicht advies van de raad nodig is. In dit geval valt het project onder één van de aangewezen activiteiten waarvoor bindend advies nodig is. Op de aanvraag omgevingsvergunning is in beginsel de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Er is bij deze ontwikkeling in ieder geval geen sprake van een uitgebreide voorbereidingsprocedure als gevolg van mer-plichtig besluit of op basis van artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van het bestaande gebruik en aanwezige bebouwing in het projectgebied. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor het projectgebied, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen bij het ontwerp van de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt de ontwikkeling getoetst aan het relevante beleid. In hoofdstuk 5 wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 7 wordt er beoordeeld of er bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3
Hoofdstuk 2 Beschrijving van het project en zijn omgeving 2.1 Huidige situatie Situatie projectgebied De locatie aan de Wilhelminalaan/Schilderend wordt momenteel gebruikt als maatschappelijke voorziening, met als belangrijkste element de voormalige Zeevaartschool. Kenmerken zijn het hoofdgebouw, de Zeevaartschool en de aangebouwde gebouwen. Binnen het huidige omgevingsplan met de functie maatschappelijk gelden onder andere: • maximale bouwhoogte: 10 meter; • maximale goothoogte: 7 meter; • dakhelling: 30° – 60°; • aanduiding plan • dubbelbestemming: archeologie. De huidige planologische mogelijkheden staan een grotere bouwmassa toe dan feitelijk aanwezig is. Omgeving projectgebied Het projectgebied ligt in een bestaande woonomgeving binnen de kern Den Burg. De directe omgeving wordt gekenmerkt door een overwegend woonkarakter, met voornamelijk grondgebonden woningen in één a twee bouwlagenkap. De bebouwing is relatief kleinschalig en vertoont een duidelijke samenhang in rooilijnen, kapvormen en korrelgrootte, wat bijdraagt aan het dorpse karakter van de wijk. Naast wonen zijn er in de omgeving ook enkele maatschappelijke functies aanwezig, waaronder de huidige invulling van het projectgebied zelf. Deze functies geven het gebied een gemengd, maar rustig karakter, waarbij wonen duidelijk de dominante functie vormt.
De verplaatsing van de muziekschool en de activiteiten van Young Forever naar het Thijssehuis zorgt ervoor dat de maatschappelijke functies in de kern efficiënter worden gebundeld, terwijl de Wilhelminalaan/Schilderend zich verder ontwikkelt als woongebied. De ligging van het projectgebied is gunstig ten opzichte van de voorzieningen op korte afstand van het centrum van Den Burg. Dit zijn diverse dagelijkse voorzieningen waardoor de locatie bijzonder geschikt is voor doelgroepen zoals doorstromende ouderen. Ook de ontsluiting van het gebied is passend voor een woonomgeving met een inrichting die afgestemd is op lokaal verkeer. De overgang tussen het projectgebied en de omliggende percelen is helder en worden gekenmerkt door groenstructuren en inrichting van de openbare ruimte, met als middelpunt de Zeevaartschool. Dit alles versterkt het woonkarakter van de omgeving.
2.2 Toekomstige situatie 2.2.1 Ontwikkeling De beoogde ontwikkeling in het projectgebied voorziet in een gedeeltelijke functiewijziging van maatschappelijk naar wonen. Een deel van de bestaande bebouwing, de voormalige Zeevaartschool, blijft behouden en houdt een maatschappelijke functie. Deze zal ingevuld worden met een passende maatschappelijke invulling. De maatschappelijke functie is flexibel en kan zo nodig in de toekomst worden gewijzigd naar wonen, conform beleids- en planologische mogelijkheden. Hiermee blijft het plan toekomstbestendig en kan het inspelen op veranderende behoeftes binnen de kern. Naast het behouden van dit gebouw worden in het projectgebied in totaal 8 woningen gerealiseerd, bestaande uitgrondgebonden eengezinswoningen. De woningen zijn met name gericht op ouderen welke kunnen doorstromen vanuit de woningen waar ze veelal al langere tijd wonen, welke mogelijk meer geschikt zijn voor starters 4
Figuur 2.2: Ontwerp van het nieuwe plangebied 2.2.2 Ruimtelijke inpassing De ruimtelijke inrichting sluit aan bij de dorpse schaal en uitstraling van de omgeving. De nieuwbouw volgt de bestaande rooilijnen en kent voor de grondgebonden woningen een maximale bouwhoogte van 7 meter en een goothoogte van 3,5 meter. De ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd door het behoud van groene zones en tuinen, waardoor het terrein open en overzichtelijk blijft. Het historische gebouw blijft herkenbaar en vormt een verbindend element in de nieuwe inrichting. Daarnaast vormt het cultuurhistorische gebouw een ruimtelijk middelpunt tussen de lager gelegen nieuwbouw, waarmee het zowel visueel als functioneel een centrale positie inneemt binnen het plan. De nieuwe bouwmogelijkheden zijn beduidend beperkter dan wat er momenteel op deze locatie is toegestaan. In de huidige situatie is het gehele terrein als bouwvlak bestemd; in de nieuwe situatie worden de bouwvlakken afgestemd op de contouren van de woningen. Tevens kan binnen de huidige maatschappelijke bestemming overal worden gebouwd met een goothoogte van 7 meter en een nokhoogte van 10 meter. Deze mogelijkheden worden in de nieuwe woonbestemming teruggebracht.
Het cultuurhistorische gebouw van de voormalige Zeevaartschool zal worden gerenoveerd en in ere hersteld, zodat de historische waarde behouden blijft en het gebouw als herkenbaar en centraal element binnen de nieuwe ontwikkeling blijft functioneren. 2.2.3 Verkeer en parkeren Het projectgebied wordt momenteel voor een deel gebruikt door Artex, waar ongeveer 1.500 cursisten actief zijn. Dit gebruik genereert een aanzienlijke verkeersstroom, vooral tijdens piekmomenten zoals avondlessen, voorstellingen en open dagen, wanneer het aantal bezoekers nog hoger kan zijn. Deze situatie veroorzaakt regelmatig drukte op de Wilhelminalaan/Schilderend en omliggende straten. Met de nieuwe invulling verandert de verkeersdynamiek aanzienlijk. Het plan voorziet in acht woningen en een gebouw met een maatschappelijke functie. De verkeersbewegingen die hiermee gepaard gaan zijn 5
structureel veel lager dan het huidige gebruik, waardoor de verkeersdruk op de omliggende straten afneemt. Dit draagt bij aan een veiligere en rustigere omgeving voor zowel bewoners als bezoekers. Voor de parkeerbehoefte zijn 17 parkeerplaatsen binnen het plangebied beschikbaar. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen en blijft het gebied overzichtelijk en toegankelijk. Door de beperkte verkeersstromen en een gestructureerde parkeeroplossing wordt het verkeer in en rondom het plangebied beter gereguleerd. Kortom, de nieuwe invulling resulteert in een duidelijke vermindering van verkeersbewegingen, minder piekmomenten en een betere aansluiting bij de woonomgeving, terwijl de parkeerbehoefte op een goede wijze wordt ingevuld.
2.3 Omgevingsplan - mogelijkheden en strijdigheden In paragraaf 1.1 is reeds kort aangegeven dat er strijdigheid is met de juridisch-planologische mogelijkheden op basis van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan. Vanuit de andere onderdelen van het omgevingsplan zijn geen tegenstrijdigheden. Het tijdelijk omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke regels die nu zijn opgenomen in bestemmingsplannen, beheersverordeningen, inpassingsplannen, exploitatieplannen, voorbereidingsbesluiten, hogere waarde besluiten, vastgestelde veiligheidscontouren, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen. Tevens bestaat het tijdelijk omgevingsplan uit een aantal regels die voorheen geregeld waren op rijksniveau. Deze regels zijn voor een deel afkomstig uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wabo. Dit is de Bruidsschat. Daarnaast bestaat het tijdelijk omgevingsplan onder meer uit een aantal verordeningen die binnen de gemeente gelden: de Erfgoedverordening en Geurverordening. De regels die op grond van het omgevingsplan voor het projectgebied gelden op basis van het bestemmingsplan Den Burg zijn als volgt. Projectgebied huidige muziekschool / Young Forever Het projectgebied heeft momenteel de bestemming ‘Maatschappelijk’, waarin de functies muziekschool en Young Forever zijn toegestaan.
Deze functies zullen in de toekomst worden overgebracht naar het nieuwe Thijssehuis, dat momenteel in aanbouw is. Daarmee wordt het huidige plangebied vrij voor herontwikkeling. Het gebied kent daarnaast de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, wat betekent dat de gronden mede bestemd zijn voor instandhouding en bescherming van de aanwezige archeologische waarden. Bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² of grondwerken die dieper gaan dan 0,50 meter vereisen archeologisch onderzoek. Voor de geplande woningbouw en maatschappelijke functie wordt rekening gehouden met deze eis en eventuele grondwerken beperken zich tot minder dan 0,50 meter diepte waar mogelijk. Strijdigheid en toekomstige mogelijkheden De voorgestelde herontwikkeling van het plangebied naar 8 woningen en een gebouw met maatschappelijke functie wijkt af van de huidige functie. Voor realisatie is daarom een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) procedure toegepast om dit strijdige gebruik formeel toe te staan. De maatschappelijke invulling van het de voormalige Zeevaartschool blijft behouden.
6
Figuur 2.3: Uitsnede planologische regels
7
Hoofdstuk 3 Participatie 3.1 Participatie omgeving In het kader van deze ontwikkeling heeft participatie plaatsgevonden met de directe omgeving. Op 16 april 2026 is een inloopbijeenkomst georganiseerd voor omwonenden en overige belanghebbenden. Tijdens deze bijeenkomst zijn de plannen voor de herontwikkeling gepresenteerd, waaronder een stedenbouwkundige schets van het plangebied. Tevens zijn de planologische mogelijkheden en afwijkingen ten opzichte van het geldende omgevingsplan toegelicht. Tijdens de bijeenkomst is daarnaast ingegaan op de huidige planologische mogelijkheden die op het perceel rusten. Daarbij is toegelicht dat deze mogelijkheden in het geldende omgevingsplan ruimer zijn dan de mogelijkheden die worden voorgesteld in het kader van de herontwikkeling naar (gedeeltelijk) wonen. Dit heeft bijgedragen aan een beter begrip van de ontwikkeling en de gemaakte keuzes. Naar aanleiding van de ontvangen reacties is de eerste opzet van het schetsontwerp aangepast. Dit heeft geleid tot het schetsontwerp dat thans voorligt. De reacties uit de omgeving zijn betrokken bij de verdere uitwerking van het plan. Waar mogelijk is rekening gehouden met aandachtspunten uit de omgeving, zoals de inpassing in de bestaande ruimtelijke structuur en het behoud van de kwaliteit van de leefomgeving, de aanwezige bomen en de parkeerbehoefte.
Afstemming overlegpartners Naast dit formele instrumentarium van de BOPA, is onder de Omgevingswet ook informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor BOPA's en wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd. In het kader van deze ontwikkeling heeft afstemming plaatsgevonden met relevante overlegpartners. Hierbij kan worden gedacht aan onder andere de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN), het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (waterschap) en de Veiligheidsregio. Deze partijen zijn betrokken vanuit hun specifieke deskundigheid en rol ten aanzien van de fysieke leefomgeving, zoals milieu, waterbeheer en externe veiligheid.
8
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Het initiatief betreft de herontwikkeling van de locatie van de voormalige Zeevaartschool aan de Wilhelminalaan 1 in Den Burg. De ontwikkeling voorziet in een gedeeltelijke functiewijziging van maatschappelijk naar wonen, waarbij een deel van de bestaande maatschappelijke functie behouden blijft. Omdat deze ontwikkeling niet volledig past binnen het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, wordt deze mogelijk gemaakt middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De ontwikkeling draagt bij aan de realisatie van woningen binnen bestaand stedelijk gebied en sluit daarmee aan bij de NOVI-prioriteit om te komen tot sterke en gezonde steden en regio’s. Door hergebruik van een bestaande locatie en het behoud van het karakteristieke gebouw wordt zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte en wordt bijgedragen aan een duurzame en toekomstbestendige inrichting van de fysieke leefomgeving. Daarnaast sluit het initiatief aan bij de NOVI-uitgangspunten om functies zoveel mogelijk te combineren en bestaande structuren te benutten. De ontwikkeling leidt niet tot extra ruimtebeslag in het landelijk gebied en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in lijn is met de ambities van de NOVI en hier niet mee in strijd is.
4.2 Waterschapsbeleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. 9
Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Provinciaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 De provincie Noord-Holland heeft op 31 januari 2022 het regionale waterprogramma voor de periode 20222027.
In dit programma geeft de provincie aan hoe deze wil werken aan waterkwaliteit, waterkwantiteit en bescherming tegen overstroming. Dit programma is verder uitgewerkt in de volgende onderdelen. • Verbetering en op peil houden van de kwaliteit van het oppervlaktewater conform de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). • Het beschermen van de grondwatervoorraad en kwaliteit van dit water. • Beschermen en beperken van gevolgen tegen mogelijke overstromingen. Planspecifiek Het initiatief betreft de herontwikkeling van de locatie van de voormalige Zeevaartschool aan de Wilhelminalaan 1-Schilderend 39 in Den Burg, waarbij een deel van de maatschappelijke functie wordt omgezet naar wonen. In het kader van deze ontwikkeling is het aspect water zorgvuldig beschouwd. In de huidige situatie is het overgrote deel van het plangebied verhard. Met de voorgenomen herontwikkeling wordt juist ingezet op vergroening van het terrein, waarbij een deel van de verharding wordt verwijderd en wordt vervangen door openbaar groen en tuinen. Hierdoor neemt de mate van verstening af ten opzichte van de bestaande situatie, wat een positief effect heeft op de waterhuishouding en klimaatadaptatie. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en leidt per saldo niet tot een toename van verhard oppervlak.
De inrichting van het plangebied wordt zodanig vormgegeven dat het hemelwater op een passende wijze kan worden verwerkt, conform de uitgangspunten van duurzaam waterbeheer. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande waterstructuur en afvoersystematiek in de omgeving. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de waterkwantiteit en waterkwaliteit. Er worden geen watergangen aangepast en er wordt geen ingreep gedaan in waterstaatswerken of beschermingszones. Ook leidt het plan niet tot extra risico’s op wateroverlast of overstromingen. In het kader van de BOPA-procedure wordt tevens afstemming gezocht met het waterschap, zodat het beheer van het watersysteem gewaarborgd blijft. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het geldende waterbeleid en dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Provinciaal beleid De laatste versie van de Omgevingsverordening NH2022 is op 1 juli 2024 in werking getreden. De regels en wetten die terugkomen in de Omgevingsverordening NH2022 komen grotendeels overeen met de Omgevingsverordening NH2020, maar zijn omgezet conform de nieuwe eisen die de Omgevingswet stelt. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker om te zien welke regels waar gelden. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn gebieden benoemd waar uitgebreid omschreven staat welke activiteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Enkele voorbeelden van deze zogeheten 10
‘werkingsgebieden’ zijn het Landelijk Gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Provinciale Wegen. Deze gebieden en de bijbehorende regels zijn opgenomen in een digitale kaart (Regels op de kaart). Zo is in één oogopslag duidelijk welke regels waar gelden in Noord-Holland. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen: • het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; • het behoud en herstel van de biologische diversiteit; en • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De Omgevingsverordening NH2022 vormt geen belemmering voor het initiatief. Er is geen raakvlak met de omgevingsvisie van de provincie Noord-Holland, echter worden de ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie niet gehinderd.
11
Hoofdstuk 5 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving 5.1 Welstand In 2008 heeft de gemeenteraad van Texel de welstandsnota voor haar grondgebied vastgesteld. Het beleid geeft op lokaal niveau inhoud aan de nieuwe wijze van welstandstoezicht zoals vastgelegd in de Woningwet 2003. Het doel van de nota is als volgt: 1. Dat een helder en actueel beeld geeft van de bestaande architectonische en stedenbouwkundig-landschappelijke kwaliteiten van de gemeente Texel. Dit geldt zowel voor de bebouwde kommen op het eiland als het buitengebied; 2. Met een gebieds- en objectgerichte benadering, maar ook een specifieke, thematische benadering als het gaat om (nieuw) bouwen aan dorpsranden, bouwen aan of nabij monumenten; 3. Dat de kwaliteiten van het eiland Texel kan waarborgen en qua systematiek en hanteerbaarheid gebruiksvriendelijk is in de dagelijkse praktijk voor zowel de gemeente als de burger. Elk bouwplan wordt getoetst aan het welstandsbeleid, wat leidt tot een welstandsadvies. De Welstandsnota is nog van toepassing en kan nog worden gebruikt onder de Omgevingswet, dit staat in het (tijdelijk) omgevingsplan. De welstandsnota is een beleidsregel die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand.
planspecifiek Het bouwplan ligt in een gebied met de welstandsbeoordeling “bijzonder” zoals opgenomen in de Welstandsnota van de gemeente Texel (2008). Voor deze aanduiding geldt dat sprake is van een verhoogd welstandsniveau, waarbij de ruimtelijke en architectonische kwaliteit van de omgeving zorgvuldig dient te worden bewaakt. In het kader van deze fase is het plan gescreend aan de hand van de uitgangspunten van de Welstandsnota, waarbij op hoofdlijnen is beoordeeld of het initiatief aansluit met de bestaande ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur. Deze screening heeft betrekking op de inpassing in de omgeving, de relatie met de bestaande bebouwingsstructuur en de aansluiting bij de gebiedskenmerken. Binnen de ruimtelijke context vormt het oudste deel van de Oude Zeevaartschool een beeldbepalend element. Het plan is op hoofdlijnen afgestemd op de omgeving. Daarbij is de bestaande ruimtelijke opbouw en het karakter van dit geheel als uitgangspunt gebruikt Er heeft in dit stadium geen formele welstandstoetsing plaatsgevonden. De daadwerkelijke toetsing aan redelijke eisen van welstand vindt plaats bij de indiening van de omgevingsvergunning voor het bouwen, waarbij het definitieve bouwplan integraal wordt beoordeeld door de Commissie Omgevingskwaliteit.
Het plan wordt daarmee in deze fase als passend binnen de uitgangspunten van de Welstandsnota beschouwd, onder voorbehoud van de formele toetsing in het kader van de vergunningprocedure.
5.2 M.e.r.-beoordeling In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). Op grond van Bijlage V van het Omgevingsbesluit is beoordeeld of sprake is van een (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht of project-m.e.r.-plicht. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen activiteit die is 12
aangewezen als m.e.r.-(beoordelings)plichtig project. De ontwikkeling blijft ruimschoots onder de relevante drempelwaarden en betreft geen activiteit met zodanige aard, omvang of milieubelasting dat sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De ontwikkeling betreft een herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij sprake is van sloop en nieuwbouw met een beperkte omvang (8 woningen en een maatschappelijke functie). De effecten op de fysieke leefomgeving, waaronder verkeer, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en stikstofdepositie, zijn beperkt en passen binnen de kenmerken van een woonomgeving in de kern Den Burg. Gelet op de aard, omvang en ligging van de ontwikkeling is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
5.3 Verkeer en parkeren Toetsingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. Wel kan provinciaal of gemeentelijk beleid van toepassing zijn. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid blijven de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Verkeersgeneratie (huidige en toekomstige situatie) Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als maatschappelijke voorziening, bestaande uit een muziekschool (Artex) en Young4ever. Binnen deze functies is sprake van een intensief gebruik door circa 1.500 cursisten/gebruikers op jaarbasis, met piekmomenten in de avonduren, weekenden en tijdens uitvoeringen en evenementen. Deze maatschappelijke invulling kenmerkt zich door een hoge bezoekersintensiteit en een geconcentreerde verkeersgeneratie gedurende korte tijdvakken. Met name bij aanvang en einde van lessen en activiteiten is sprake van piekbelasting op de Wilhelminalaan/Schilderend en omliggende wegen, alsmede een gelijktijdige parkeerdruk in de directe omgeving. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het plangebied herontwikkeld naar een combinatie van wonen en maatschappelijke functie. Het programma bestaat uit:
• •
8 grondgebonden woningen Behoud van een maatschappelijke functie in de voormalige Zeevaartschool
De verkeersgeneratie van de nieuwe situatie is aanzienlijk lager en meer gespreid over de dag. Woningbouw genereert een beperkt en gelijkmatig verkeerspatroon, zonder de huidige piekbelasting die samenhangt met les- en evenementgebonden activiteiten. De maatschappelijke functie in de vorm van een historische vereniging betreft een kleinschalige, niet-intensieve functie met beperkt bezoekersaantal en incidentele gebruiksmomenten. Conclusie verkeer Per saldo leidt de ontwikkeling tot een duidelijke afname van verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. De hoge piekbelasting van de huidige maatschappelijke functies verdwijnt en wordt vervangen door een stabiel, laag en verspreid verkeerspatroon passend binnen een woonomgeving. Parkeren Huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een maatschappelijke functie met een hoge en piekgewijze parkeerbehoefte als gevolg van de aanwezigheid van circa 1.500 cursisten en bezoekers van Artex en activiteiten van Young Forever. Dit leidt met name tijdens piekmomenten tot een hoge parkeerdruk in en rondom het plangebied. 13
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt de parkeerbehoefte bepaald door:
• •
8 grondgebonden woningen
een beperkte maatschappelijke functie (historische vereniging in het bestaande gebouw) Conform de Nota Parkeernormen Texel wordt voor woningen onderscheid gemaakt naar type en locatie binnen de kern Den Burg. Daarnaast geldt dat parkeren bezoekers deels in de openbare ruimte moet worden opgevangen conform de gemeentelijke systematiek (1 parkeerplaats per 3 woningen voor bezoekers). Voor de ontwikkeling zijn in totaal 17 parkeerplaatsen beschikbaar binnen het plangebied, waarmee wordt voorzien in de volledige parkeerbehoefte van het plan, inclusief de benodigde bezoekersparkeerplaatsen conform de Nota Parkeernormen Texel 2015/2025. Het aantal van 17 parkeerplaatsen is daarmee hoger dan de minimale parkeereis die op basis van de parkeernormen geldt. Conclusie parkeren De parkeeroplossing sluit aan bij:
• • •
de uitgangspunten van de Nota Parkeernormen Texel (voldoende parkeren op eigen terrein) de CROW-systematiek voor woningbouw en gemengde functies
het beleid dat bestaande parkeerproblemen niet hoeven te worden opgelost door nieuwe ontwikkelingen Daarnaast wordt opgemerkt dat de verkeers- en parkeerdruk in de toekomstige situatie substantieel lager is dan in de huidige situatie, waardoor sprake is van een verbetering van de parkeer- en verkeerssituatie in de directe omgeving.
5.4 Ecologie: soortenbescherming De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten in gevallen aangewezen bij algemene maatregel van bestuur (art. 5.1 tweede lid Ow). Door de brede definitie van een flora- en fauna-activiteit is het bij de BOPA-activiteit nodig om te controleren of er beschermde soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Er zijn immers nauwelijks aanleg-, sloop- en bouwactiviteiten denkbaar waarbij vooraf is uitgesloten dat deze mogelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de BOPA-activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie, dit is de QuickScan ecologie. Is het resultaat van de QuickScan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig.
De vergunningplicht is geregeld in artikel 5.1 tweede lid Ow en in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) in de paragrafen § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). In deze paragrafen worden vergunningplichtige en vergunningvrije activiteiten aangewezen. In ieder geval geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit. Deze zorgplicht komt er samengevat op neer dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
14
Toetsing Om inzicht te krijgen in het mogelijke voorkomen van beschermde soorten is er een QuickScan flora en fauna. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. Op basis van de QuickScan kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen gebruik (herontwikkeling ten behoeve van wonen en een beperkte maatschappelijke functie) niet op voorhand leidt tot een belemmering vanuit soortenbescherming. Wel volgt uit de combinatie van de gebiedskenmerken en de NDFF-waarnemingen dat niet volledig kan worden uitgesloten dat het plangebied een functie heeft voor met name vleermuizen. Daarom is vervolgonderzoek noodzakelijk om dit nader te beoordelen en vast te stellen of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is. Dit vervolgonderzoek zal worden uitgevoerd voorafgaand aan de verdere planuitwerking, zodat tijdig kan worden bepaald of en welke maatregelen eventueel nodig zijn.
5.5 Ecologie: gebiedsbescherming De regelgeving rondom Natura 2000-gebieden vindt zijn grondslag in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omzetting van deze richtlijnen heeft plaatsgevonden in de Omgevingswet. Alle gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De Omgevingswet regelt de Natura 2000-activiteiten. In de bijlage bij artikel 1.1. van de Omgevingswet wordt een Natura 2000-activiteit gedefinieerd: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Uitgangspunt is dat voor een Natura 2000-activiteit een omgevingsvergunning nodig is (artikel 5.1, eerste lid, onder e, Ow). Onderzocht is of de activiteit waarvoor de BOPA wordt aangevraagd significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied en/of NNN-gebieden. Onderdeel hiervan is een stikstofberekening naar de effecten van het project op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.Onderzoek Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel ligt op een afstand van 2,6 kilometer.
Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 500 meter. Vanwege de afstand en alleen een functie wijziging, zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebieden zijn onwaarschijnlijk (zie figuur 5.1).
15
Figuur 5.1: Projectgebied in het zwart en blauw omrand aangegeven, ten opzichte van NNN en Natura 2000 (Atlas leefomgeving, Natura 2000). Om met zekerheid vast te stellen dat er geen sprake is van een significante stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, is een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase van de woningen zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 2. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor 16
de realisatie- en gebruiksfase van de woningen. Een significant negatief effect op Natura 2000 gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling is daarmee uitgesloten. Conclusie De ontwikkeling vindt niet plaats in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen (bijlage 2) blijkt dat de ontwikkeling geen significant effect heeft op Natura 2000gebieden. De uitgevoerde AERIUS-berekeningen zijn gebaseerd op een eerdere planopzet met 12 woningen. Inmiddels is het programma teruggebracht naar 8 woningen. Daarmee is er sprake van een afname van verkeersbewegingen en emissies ten opzichte van de uitgangspunten die in de berekening zijn gehanteerd.
5.6 Luchtkwaliteit Als een BOPA betrekking heeft op een activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 5.51 lid 4 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In aandachtsgebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen of spoorwegen en milieubelastende activiteiten daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.
Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Onderzoek Met de ontwikkeling wordt geen activiteit uit artikel 5.50 uit het Bkl mogelijk gemaakt. De gemeente Texel is niet aangewezen als een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en/of fijnstof, zoals geregeld in artikel 5.51 van het Bkl. Volgens artikel 5.54 van het Bkl valt het planvoornemen onder een van de standaardgevallen, namelijk: gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen. De beoogde ontwikkeling maakt 8 woningen mogelijk. Het planvoornemen draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, het omgevingsaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2023, die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Pontweg, die op circa 850 meter ten westen van het projectgebied ligt. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.
De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022; 8,07 µg/m³ voor NO2, 15,22 µg/m³ voor PM10 en 6,628 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de wet- en regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat. De gemeente Texel is niet aangewezen als een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Het planvoornemen voorziet niet in betekende mate toe aan de luchtkwaliteit en de 17
achtergrondconcentraties voldoen ruim aan de omgevingswaarden. Er is geen strijd met de instructieregels in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl.
5.7 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Toetsing Rond het projectgebied zijn geen industrieterreinen met een geluidproductieplafond of geluidzone aanwezig. Ook zijn geen spoorwegen aanwezig.
Het projectgebied ligt binnen de bebouwde kom en wordt omgeven door een bestaand wegennet met voornamelijk 30 km/uur-wegen en ontsluitingswegen voor de omliggende woonwijk. De voorgenomen ontwikkeling (8 woningen en een beperkte maatschappelijke functie) is aansluiting gezocht bij eerder uitgevoerde akoestische onderzoeken in de directe omgeving, waaronder die zijn uitgevoerd ten behoeve van woningen in hetzelfde gebiedsdeel van Den Burg. Uit deze onderzoeken blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van vergelijkbare woonfuncties in de omgeving ruim onder de standaardwaarde van Lden = 53 dB blijft. Gelet op de ligging binnen een bestaande woonstructuur, de aard van de omliggende wegen (overwegend 30km/uur) en de beperkte verkeersintensiteiten, kan worden geconcludeerd dat voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het aspect wegverkeerslawaai vormt daarmee geen belemmering voor de procedure en de beoogde ontwikkeling.
5.8 Geluid door activiteiten In een omgevingsplan (of BOPA) wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in de tabellen 5.1 en 5.2. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit maar ook bij het toelaten van een geluidveroorzakende activiteit bij een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid beoordeeld. Daarnaast wordt getoetst of het toelaten van een geluidgevoelig gebouw de milieuruimte van een bestaande (bedrijfs)activiteit beperkt. Tabel 5.1 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
18
Toetsing Het project betreft de herontwikkeling van het terrein aan de Wilhelminalaan/Schilderend in Den Burg, waarbij 8 woningen worden gerealiseerd en een beperkte maatschappelijke functie wordt behouden in het bestaande gebouw. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot relevante geluidproducerende activiteiten vanuit milieuoogpunt. De maatschappelijke functie betreft een kleinschalige invulling met beperkt bezoekersaantal en incidentele gebruiksmomenten. Deze functie is qua aard en intensiteit vergelijkbaar met laagdrempelige maatschappelijke functies binnen een woonomgeving en leidt niet tot relevante geluidsbelasting op omliggende gevoelige functies. De toevoeging van 8 woningen betreft geluidgevoelige gebouwen. Gezien de ligging binnen bestaand stedelijk gebied, de aard van de omliggende functies en de beperkte intensiteit van de beoogde maatschappelijke invulling, kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een zodanige toename van geluid door activiteiten dat de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving worden overschreden of dat bestaande functies in hun milieuruimte worden beperkt. Het aspect geluid door activiteiten vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9 Geur In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. Toetsing In de omgeving van het projectgebied aan de Wilhelminalaan 1-Schilderend 39 in Den Burg is sprake van een overwegend stedelijke functieopbouw, bestaande uit wonen, maatschappelijke voorzieningen en enkele lichte gemengde functies. Binnen de directe omgeving zijn geen industriële geurbronnen of inrichtingen bekend die op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving of de Wet geurhinder en veehouderij leiden tot relevante geurbelasting ter plaatse van het plangebied. In de ruimere omgeving van Den Burg komt agrarische bedrijvigheid voor, maar deze bevindt zich op zodanige afstand van het projectgebied dat geen sprake is van een relevante geurbelasting op de locatie zelf. Binnen het stedelijk gebied van Den Burg zijn geen intensieve veehouderijen of andere geurproducerende inrichtingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet zelf niet in geurproducerende activiteiten.
De toevoeging van 8 woningen betreft geurgevoelige objecten, maar gelet op de ligging binnen bestaand stedelijk gebied en het ontbreken van relevante geurbronnen in de directe omgeving, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 19
5.10 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de risico's van het gebruik, de productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen en windturbines. In het Bkl is aangegeven wat de afstanden zijn voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden van deze risicovolle activiteiten. Met de beoogde ontwikkeling een gewijzigde ontsluiting en 2 zomerhuizen mogelijk gemaakt. Ruimtelijke besluiten worden met betrekking tot milieubelastende activiteiten (MBA), transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen getoetst aan het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toetsing Op basis van de risicokaart en de beschikbare informatie over externe veiligheidsbronnen in de omgeving van Wilhelminalaan 1-Schilderend 39 in Den Burg zijn in de directe en ruimere omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig. Het projectgebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10⁻⁶) of binnen een aandachtsgebied van inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Binnen of nabij het plangebied zijn geen bedrijven, wegen, vaarwegen of leidingen aanwezig die een risico vormen in het kader van externe veiligheid.
De beoogde ontwikkeling (8 woningen en een kleinschalige maatschappelijke functie) leidt bovendien niet tot de toevoeging van risicovolle activiteiten of nieuwe risicobronnen. Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en dat nader onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk is. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11 Cultureel erfgoed Onder cultureel erfgoed valt onder andere archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van projecten dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden om vervolgens daar in de ontwikkeling van projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Toetsing Landschap Het projectgebied aan de Wilhelminalaan 1 in Den Burg ligt binnen bestaand stedelijk gebied en maakt geen onderdeel uit van het Bijzonder Landschap (BL) Texel. Het betreft een inbreidingslocatie binnen de bestaande dorpsstructuur. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen deze bestaande bebouwingsstructuur en sluit qua schaal en opzet aan bij de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van landschappelijke waarden of kernkwaliteiten. Cultuurhistorie Het projectgebied ligt niet binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht en maakt geen onderdeel uit van een rijks- of gemeentelijk monument. Binnen het plangebied bevindt zich wel de voormalige Zeevaartschool, een karakteristiek en cultuurhistorisch waardevol gebouw dat in de ontwikkeling wordt behouden en hergebruikt.
De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde cultuurhistorische waarden. Archeologie Het projectgebied ligt binnen een zone met een archeologische dubbelbestemming (‘Waarde – Archeologie 3’), zoals opgenomen in het geldende omgevingsplan van de gemeente Texel. Dit betekent dat er sprake is van een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Op basis van het geldende beleid geldt dat bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 0,50 meter archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt hier rekening mee gehouden. Waar mogelijk worden bodemingrepen beperkt gehouden in diepte om verstoring van eventuele archeologische waarden te voorkomen. 20
Er is vastgesteld dat grote delen van het plangebied reeds verstoord zijn geraakt bij de realisatie van de bestaande opstallen. De oppervlakte van de geplande nieuwbouw ter hoogte van de delen van het plangebied die niet aantoonbaar verstoord zijn is te gering. De voorgenomen ingreep is vrijgesteld van archeologisch onderzoek (zie bijlage 3). Ten behoeve van het doen van waarnemingen dient wel in de omgevingsvergunning te worden opgenomen dat Archeologie West-Friesland toekomstige graafwerkzaamheden wil monitoren. Voor het monitoren van de graafwerkzaamheden worden geen kosten in rekening gebracht en dit zal niet tot noemenswaardige vertragingen leiden. Vondstmateriaal dat bij het uitvoeren van het werk wordt aangetroffen zal door Archeologie West-Friesland worden aangeleverd aan het Provinciaal depot voor archeologie van Noord-Holland te Castricum. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot aantasting van landschappelijke, cultuurhistorische of archeologische waarden. Het plan sluit aan bij de bestaande dorpsstructuur en voorziet in behoud en hergebruik van het karakteristieke gebouw. De ontwikkeling is vrijgesteld van archeologisch onderzoek; wel worden graafwerkzaamheden gemonitord. Het aspect cultureel erfgoed vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.12 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve Omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het Omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Het omgevingsplan is voorafgaande aan de voorbereiding van de omgevingsvergunning nog niet gewijzigd, waardoor op grond van artikel 22.30 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan de interventiewaarden bedoeld in bijlage II A van het Bal als grenswaarden gelden voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen. Bodemkwaliteitskaart Op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan maakt de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Texel hier deel van uit.
Op de bodemfunctieklassenkaart wordt de ligging van gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties 'Industrie' en 'Wonen' aangegeven. De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor: het mede bepalen van de kwaliteitseisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen; het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming. Op basis van artikel 5.89p moet in een omgevingsplan de landbodem in bodemfunctieklassen ingedeeld worden. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. De landbodem kan worden ingedeeld in de bodemfunctieklassen Landbouw/natuur, Wonen en Industrie. Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Prommenz Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Wilhelminalaan 1-Schilderend 39 te Den Burg. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de geschiktheid voor de beoogde functie wonen met een gedeeltelijke maatschappelijke invulling. In zowel de boven- als ondergrond zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarde aangetroffen. De grond wordt overwegend geclassificeerd als ‘landbouw/natuur’, met plaatselijk een classificatie ‘industrie’ 21
door een zwakke bodemvreemde bijmenging. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van signaleringsof streefwaarden gemeten. De resultaten geven geen aanleiding voor aanvullend onderzoek of sanerende maatregelen. De bodem wordt geschikt geacht voor de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan (bijlage 4).
5.13 Water Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 Bkl. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: • watercompensatie in verband met toenemende verharding; • waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. De gemeente Texel heeft voor het project van de 90 woningen met ontsluiting naar de Marsweg overleg gehad met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In dit initiatief zat een ontsluitingsweg die tot gevolg had dat er meer verharding zou plaats vinden dan er nu met het voorliggende ontwerp zal plaatsvinden. Omdat de watercompensatie op het vorige plan met meer verharding is afgestemd en de watercompensatie gelijk blijft, acht de gemeente Texel het niet noodzakelijk dat hiervoor nog extra advies uitgebracht dient te worden.