Bijlage 2. Toelichting Model Verordening Leges
Tekst van het document
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
91/136
opslag roerende zaken en eventueel ‘aangehaakte vergunningen) geldt op grond van overgangsrecht dat deze verordeningsbepalingen vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als verbod om deze activiteiten zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit te verrichten (artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob). Deze verordeningsbepalingen maken echter geen deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Ow.
Regels die niet in het omgevingsplan mogen Er zijn ook regels die niet in het omgevingsplan mogen: - Regels die niet vallen onder de reikwijdte of maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikelen 1.2 en 1.3 van de Ow). - Als een specifieke wet kent een uitputtende regeling kent (artikel 1.4 van de Ow). Voorbeelden hiervan zijn: Huisvestingswet 2014, Leegstandwet, Wegenverkeerswet 1994, Winkeltijdenwet, Alcoholwet. Vergunningen of ontheffingen blijven dus op die wetten gebaseerd. - Gemeentelijke regels over prostitutie, openbare orde, strafbaarstelling, belastingen (artikel 2.7 van de Ow in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Ob). Grondslagen voor model-tariefbepalingen De tariefbepalingen in hoofdstuk 2 betreffen zowel dienstverlening als andere handelingen op aanvraag. Deze formulering houdt verband met de heffingsgrondslagen. Artikel 13.1a van de Ow geeft een grondslag voor het heffen van rechten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, het wijzigen van voorschriften van een omgevingsvergunning en het intrekken van een omgevingsvergunning. Deze grondslag laat onverlet de bevoegdheid van gemeenten om rechten (leges) te heffen voor dienstverlening op aanvraag.
Tariefbepalingen die niet de in artikel 13.1a van de Ow genoemde handelingen betreffen, zijn dus gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. Kruissubsidiëring en profijtbeginsel Binnen dit hoofdstuk bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen. In het kader van het kabinetsplan aanpak administratieve lasten en in relatie tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – de voorganger van de Ow – heeft de minister van Economische
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
92/136
Zaken aan de Tweede Kamer geschreven dat het kabinet er bij de omgevingsvergunning van uitgaat ‘dat de totale legesomvang voor deze vergunning niet de totale kosten van verlening van deze vergunning mag overschrijden’ (Kamerstukken II 2005- 2006, 29515, nr. 140, pag. 26). Kruissubsidiëring bij de Wabo had ook de bijzondere aandacht van de Tweede Kamer (Handelingen II 2008–2009, 31953, nr. 24, pag. 27). Wij tekenen hierbij nog aan dat weliswaar sprake is van een wens van de wetgever, die door plaatsing in een apart hoofdstuk beter inzichtelijk kan worden gemaakt, maar dat dit onverlet laat dat kruissubsidiëring tussen hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 wettelijk niet verboden is. Zie ook HR 13 februari 2015, nr. 14/00655, ECLI:NL:HR:2015:282, waarin de Hoge Raad oordeelt dat er voor de toets aan de opbrengstlimiet geen strengere eisen zijn gaan gelden door de komst van de Wabo. De Ow brengt hierin geen verandering. Artikel 13.1a van de Ow verklaart artikel 229b van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Daarmee wordt bedoeld dat voor het berekenen van de opbrengstlimiet de ‘Ow-leges’ en de overige leges tezamen mogen worden genomen.
Alleen bij de vergunningstelsels genoemd in hoofdstuk 3 van de tarieventabel kan door werking van de Europese dienstenrichtlijn geen kruissubsidiëring plaatsvinden in die zin dat de tarieven in hoofdstuk 3 per paragraaf meer dan kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van andere, niet-kostendekkende tarieven in de verordening. Overigens kan in sommige gevallen de Dienstenrichtlijn ook van toepassing zijn op omgevingsvergunningen, bijvoorbeeld bij de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. (zie de toelichting op artikel 5 van de verordening en Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, pag. 228/229). Het verdient daarom aanbeveling kruissubsidiëring of toepassing van het profijtbeginsel binnen de kolom van de omgevingsvergunning te houden. Voor de toets aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet blijven echter de op basis van alle vastgestelde tarieven totaal geraamde baten en lasten van belang (toets op verordeningenniveau). Transparantie van de legesheffing (artikel 13.2 van de Ow) Artikel 13.2 van de Ow bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de berekening en de bedragen van de leges. Als de overheden uniforme berekeningswijze toepassen zal er geen aanleiding zijn om een amvb vast te stellen.
Zie de beschikbare handreikingen hierover van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de VNG, genoemd in de toelichting op artikel 5 van de verordening. Omgevingsvergunning niet van rechtswege (Lex silencio positivo niet van toepassing) Voor het beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning gelden beslistermijnen. De Ow kent twee voorbereidingsprocedures: de reguliere (paragraaf 16.52 van de Ow) en de uitgebreide (paragraaf 16.5.3 van de Ow). Voor beide procedures geldt dat de lex silencio positivo niet van toepassing is, zodat een omgevingsvergunning bij overschrijding van de beslistermijn niet van rechtswege wordt verleend. Voor de reguliere procedure staat dit in artikel 16.64, vierde lid, van de Ow. Voor de uitgebreide voorbereidingsprocedure staat dit in artikel 3.10, vierde lid, van afdeling 3.4 van de Awb. Ook als de Dienstenrichtlijn van toepassing is – bijvoorbeeld bij de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten – geldt dit. In paragraaf 4.16.6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting is gemotiveerd aangegeven waarom toepassing van lex silencio positivo voor het beleidsveld omgevingsrecht niet wenselijk is en waarom er in lijn met de Dienstenwet voldoende rechtvaardigingsgrond is om de lex silencio positivo in de Ow uit te zonderen (Kamerstukken II 2013– 2014, 33962, nr. 3, pag. 227 t/m 231).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
93/136
Planschade/nadeelcompensatie Sinds 1 september 2005 kunnen gemeenten een vergoeding (recht) vragen voor een aanvraag om planschadevergoeding (Stb. 2005, 305). Zie hiervoor Lbr. 05/55 – Planschade nieuwe stijl (7 juni 2005). De regeling in artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening is vervangen door afdeling 15.1 van de Ow, waarin een specifiek op het omgevingsrecht toegesneden nadeelcompensatieregeling is opgenomen die enkele aanvullende regels bevat ten opzichte van de algemene regeling over nadeelcompensatie van titel 4.5 van de Awb. Op grond van artikel 4:128 van de Awb kan bij wettelijk voorschrift worden bepaald dat voor het in behandeling nemen van een verzoek om schade een recht van ten hoogste € 500 kan worden geheven. Hoewel de wetgever spreekt van het heffen van een recht, is dit niet een recht in de zin van artikel 229 Gemeentewet. Bij het heffen van het recht bij een aanvraag om nadeelcompensatie gaat het echter niet om een dienst, maar om gemeentelijke aansprakelijkheid. Dit is in lijn met HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0408. De Hoge Raad heeft daarin beslist dat legesheffing voor planschadeverzoeken niet mogelijk is, aangezien geen sprake is van het verlenen van een dienst in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet. Zie hierover ook Lbr. 21/041 – Nieuwe Model Verordening nadeelcompensatie (27-05-2021).
In een gemeentelijke verordening (let op: geen legesverordening) kan dus een bedrag van € 500 of lager worden opgenomen.
Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1 Definities
Eerste lid De bijlagen bij de Ow, Ob, Bbl, Bal, Bkl en Or bevatten een veelheid aan begripsbepalingen. Daarin staan bijvoorbeeld de verschillende activiteiten omschreven. Ook in het omgevingsplan zullen in een bijlage begripsbepalingen zijn opgenomen. Begrippen die in hoofdstuk 2 voorkomen hebben dezelfde betekenis als in deze wet- en regelgeving (eerste lid). In bijlage I van de Or staat een definitie van bouwkosten, die ontleend lijkt aan de modelverordening leges zoals die tot inwerkingtreding van de Ow geldt. bouwkosten: a. aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van het Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012, voor het uit te voeren werk; b. voor zover een aannemingssom ontbreekt: een raming van de bouwkosten exclusief omzetbelasting; of c. als het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het bouwen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. Zie hierop onze aanvulling in het vierde lid. Op grond van artikel 7.6 in samenhang met artikel 7.5 van de Or moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (bouwtechnische deel) een opgave van de bouwkosten worden verstrekt.
Volgens de toelichting op de Or is de opgave van de kosten nodig voor de berekening van de leges of met het oog op de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Invoeringsregeling Omgevingswet, Stcrt. 2020, nr. 64380, pag. 736).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
94/136
Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit (ruimtelijke deel) gelden vooralsnog de artikelen 22.26 (vergunningplicht) en 22.35 (aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken) van de bruidsschat. Laatstgenoemd artikel 22.35 verplicht tot het opgeven van de bouwkosten bij een aanvraag om een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Als de gemeente de vergunningplicht voor het ruimtelijk deel in het nieuwe omgevingsplan handhaaft, moet zij de aanvraagvereisten voor die omgevingsvergunning in het omgevingsplan opnemen (artikel 16.55, tweede en vierde lid, van de Ow in samenhang met paragraaf 7.2.12 van de Or). Hetzelfde geldt eventueel voor aanlegactiviteiten. En dan zou in het omgevingsplan ook desgewenst een definitie van de bouw- en aanlegkosten moeten staan. Op grond van het eerste lid geldt dan die definitie ook voor de legesheffing. Dit is van belang als de gemeente de bouw- of aanlegkosten als heffingsmaatstaf kiest bij de betreffende omgevingsplanactiviteiten.
Tweede lid Er kunnen ook in andere wettelijke voorschriften dan die bedoeld in het eerste lid begrippen gedefinieerd zijn, die voor de toepassing van een tariefbepaling van belang zijn. Te denken valt aan de Erfgoedwet of de Algemene plaatselijke verordening. Het tweede regelt dat deze begrippen dan bij de toepassing van de tariefbepaling dezelfde betekenis hebben als in die wettelijke voorschriften. Derde lid In het derde lid zijn in alfabetische volgorde zelfstandige definities opgenomen. - binnenplanse omgevingsplanactiviteit Wij hebben hiervoor een definitie opgenomen, omdat wij in de tariefbepalingen onderscheid maken tussen binnenplanse en buitenplanse activiteiten. De tariefdifferentie houdt verband met de verschillende beoordelingsregels die voor de activiteiten gelden en die daardoor een ander kostenverloop hebben. Door deze definities op te nemen kunnen de tariefbepalingen zelf korter luiden. De bijlage bij de Ow bevat een omschrijving van de begrippen ‘omgevingsplanactiviteit’ en ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’. omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan, b.
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; De binnenplanse omgevingsplanactiviteit betreft dus de omschrijving onder a van de omgevingsplanactiviteit. De activiteit voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar heeft toch een vergunningplicht in het omgevingsplan. De beoordelingsregels staan in het omgevingsplan (artikel 8.0a van het Bkl). Als de aanvraag voldoet aan die beoordelingsregels, wordt de vergunning verleend. In de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
95/136
bruidsschat voor het omgevingsplan (onderdeel van artikel 7.1 IbOw) staan al beoordelingsregels voor diverse activiteiten. Voorbeeld: In het omgevingsplan staat dat terrassen in de openbare ruimte zijn toegestaan, maar wel dat een omgevingsvergunning voor het inrichten van het terras nodig is. Een beoordelingsregel kan dan zijn dat voetgangers voldoende doorgang hebben. Als de aanvraag niet voldoet aan de beoordelingsregels in het omgevingsplan, wordt het vanzelf een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het kan hierbij dus gaan om een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen. Of het betreft een activiteit die het omgevingsplan in absolute zin verbiedt en waarvoor geen binnenplanse beoordelingsregels zijn gesteld. In beide gevallen is de activiteit dus in strijd met het omgevingsplan, maar kan de omgevingsvergunning niet zomaar worden geweigerd. Deze kan mogelijk wel worden verleend als voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies en de instructieregels en instructies van rijk en provincie. De beoordelingsregels staan in paragraaf 8.1.1 van het Bkl. Voorbeeld 1: zie het voorbeeld bij binnenplanse omgevingsplanactiviteit, waarbij niet wordt voldaan aan de beoordelingsregel in het omgevingsplan.
Voorbeeld 2: Volgens het omgevingsplan is op een locatie alleen detailhandel toegestaan. Een ondernemer wil de bebouwing op de locatie omzetten naar woningen. Dat is in strijd met het omgevingsplan. Een aanvraag om deze omzetting te mogen realiseren, is dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voorbeeld 3: In het omgevingsplan staat de algemene regel dat bomen alleen in november en december gekapt mogen worden. Een aanvraag om in februari te mogen kappen, is dan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De buitenplanse omgevingsplanactiviteiten vergen dus een uitgebreidere beoordeling, wat een andere tariefstelling rechtvaardigt. Bovendien kan de raad voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bepaald hebben dat hij adviesrecht heeft. Ook kan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. Zie hiervoor de modaliteiten in paragraaf 2.12. - binnenplanse omgevingsplanactiviteit bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht Een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, maar die niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow.
Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn van overeenkomstige toepassing verklaard in de artikelen 22.32 en 22.282 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Er moet ook een zelfstandige beoordeling plaatsvinden of de activiteit uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.
Vierde lid De definitie van bouwkosten in bijlage I bij de Or (zie hierboven bij het eerste lid) voldoet niet aan de eisen die de Hoge Raad in een belastingprocedure heeft gesteld over de kenbaarheid van de UAV
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
96/136
2012. De Hoge Raad stelt als eis dat de volledige titel en de vindplaats in de Staatscourant wordt opgenomen (HR 01-02-2019, ECLI:NL:HR:2019:143). De vindplaats is Stcrt. 2012, 1567 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1567.pdf). Om die reden hebben wij voor de zekerheid de definitie uit de Or aangevuld. De in bijlage I van de Or gegeven definitie van bouwkosten bevat geen verwijzing naar een NEN-norm. Dat is in overeenstemming met het overheidsbeleid dat erop gericht is om hiernaar niet dwingend te verwijzen. Deze norm kan wel worden gebruikt, maar bij verwijzing ernaar in een wettelijke regeling gelden bijzondere bekendmakingsvoorschriften (artikel 14a Bekendmakingswet). Zie hierover Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Inwerkingtreding. Volgens NEN 2699 omvatten de bouwkosten: 1. kosten van bouwkundige werken 2. kosten van installaties 3. kosten van vaste inrichtingen en voorzieningen 4. kosten van terrein 5. algemene uitvoeringskosten/diversen. Deze kosten zijn in het normblad naar verschillende niveaus uitgesplitst (uitklaptabel in Excelbestand). Voor de bouwkosten kan bijvoorbeeld worden aangesloten bij de definitiefontwerpbegroting (DObegroting) als bedoeld in NEN 2699 (niveau 4 of 5).
Omdat de bouwkosten in de zin van het normblad NEN uitsluitend genoemde kosten omvatten, kan dit ertoe kunnen leiden dat het bedrag van de bouwkosten lager uitvalt dan de aannemingssom geweest zou zijn. Oorzaak hiervan kan zijn dat bepaalde ‘bijkomende kosten bouw’ als bedoeld in het normblad NEN wel verwerkt zijn in de aannemingssom maar niet in de bouwkosten in de zin van het normblad NEN. Bijkomende kosten zijn kosten die betrekking hebben op voorbereiding en begeleiding. Het voorgaande kan ertoe leiden dat de aannemingssom in de zin van de UAV en de raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN van elkaar verschillen. Als beoogd wordt de aannemingssom en de bouwkosten in de zin van het normblad zoveel mogelijk tot een zelfde uitkomst te laten leiden, zou bij gebruikmaking van de NEN-norm in een de definitie aanvullende bepaling kunnen worden opgenomen dat voor zover een aannemingssom ontbreekt een raming van de bouwkosten en een aantal nader te noemen ‘bijkomende kosten bouw’ moet plaatsvinden (zie hiervoor bijvoorbeeld NEN 2699). Kosten van installaties, zoals liften, cv, airco en dergelijke behoren tot de bouwkosten. De omschrijving van het begrip ‘bouwwerk’ in de bijlage bij de Ow geeft uitdrukkelijk aan dat de bouwwerkgebonden installaties deel uitmaken van het bouwwerk (vóór inwerkingtreding van de Ow volgde dat uit artikel 1, derde lid, van de Woningwet).
Daarmee behoort elke discussie over de vraag of installaties, zoals liften, cv, airco e.d., behoren tot het bouwwerk tot het verleden. En in het verlengde daarvan, eveneens de discussie of de kosten van deze installaties tot de bouwkosten behoren. Hof Arnhem 13 maart 2012, nr. 11/00466 (Buren), LJN: BV9733, VNG-5099, beslist dat de volledige kosten voor de bouw van een windturbine, tot de bouwkosten horen. Zonder de installatietechnische voorzieningen beantwoordt de windturbine niet aan haar doel. Overigens is de belastingrechter bevoegd om over de juistheid van de vaststelling van de bouwkosten door de gemeente een oordeel uit te spreken. Dit blijkt uit HR 6 oktober 1982, nr. 21.332, BNB 1982/289, Belastingblad 1983, blz. 11. Uit dit arrest blijkt bovendien dat de keuze voor de aannemingssom als maatstaf van heffing aansluit bij de opvattingen van de Hoge Raad hierover. De Hoge Raad overwoog namelijk:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
97/136
‘dat toch op grond van het objectieve karakter van de onderhavige heffing dient te worden aangenomen dat onder oprichtings- en vernieuwingskosten in artikel 39, eerste lid, letter a, van de verordening moet worden verstaan de prijs, welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning werd verleend’. De Hoge Raad overwoog verder ‘dat zulks ook strookt met de bedoeling van de gemeentelijke wetgever, die klaarblijkelijk een verband heeft willen leggen tussen de hoogte van het wegens de onderhavige dienst, bestaande uit het verlenen van een bouwvergunning, geheven recht en de waarde van die dienst, welk verband met de zojuist bedoelde prijs het beste wordt benaderd’. Uit dit arrest blijkt dat tevens van de aannemingssom uitgegaan kan worden voor het vaststellen van de bouwkosten, in de gevallen waarin het werk niet door een aannemer wordt uitgevoerd, maar door de eigenaar van een woning zelf. De Hoge Raad heeft het voorgaande bevestigd in zijn arrest van 9 oktober 1991, nr. 27.576, Belastingblad 1992, blz. 219. Een raming van de bouwkosten door de gemeente dient in overeenstemming te zijn met de geraamde prijs welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald. Zo staat het ook in de omschrijving in bijlage I van de Or.
Hof 's-Gravenhage 2 maart 2011, 10/00187 (Alblasserdam), LJN: BP7476, VNG-435, beslist dat de lagere werkelijke bouwkosten in de leges moeten worden meegenomen zolang de aanslag nog niet definitief is. De eerste opgave betreft een schatting, indien er latere cijfers beschikbaar zijn die de werkelijke bouwkosten beter benaderen dient dat te worden meegenomen bij het bepalen van het bedrag van de aanslag. Tot de bouwkosten kunnen niet worden gerekend kosten van werkzaamheden waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is. Onderhoudskosten kunnen zodoende niet tot de bouwkosten worden gerekend, tenzij deze omgevingsvergunningplichtig zijn. Zie: - Hof Leeuwarden van 17 september 1982, nr. 398/80 EI, Belastingblad 1983, blz. 238; - Hof Amsterdam 1 maart 1984, nr. 3902/81 EK III, Belastingblad 1985, blz. 84; - Hof Amsterdam 18 februari 2000, nr. 98/3379, LJN: AA7743, Belastingblad 2000, blz. 943; - Hof ‘s-Hertogenbosch 2 februari 2000, nr. 98/490, LJN: AA6004, Belastingblad 2000, blz. 942; - Hof ‘s-Gravenhage 2 september 2003, nr. 02/02664, LJN: AI0336, Belastingblad 2003, blz. 1368; - Hof Arnhem 02 mei 2012, nr. 11/00295 (IJsselstein), LJN: BW6275, VNG-5183.
Volgens Hof Arnhem moet de gemeente de aanvraag beoordelen voor het gehele project, ook indien slechts een deel van de bouwactiviteiten vergunningplichtig is, indien een belanghebbende, hoewel daartoe niet verplicht, de aanvraag voor een bouwvergunning uitstrekt tot het volledige project en het volledige bedrag van de bouwkosten. Ook moet in zo’n geval tot de kosten van de bouwkundige werken worden gerekend datgene wat voor het functioneren en de gehele afwerking van het bouwwerk noodzakelijk is (Hof Arnhem 18 februari 2002, nr. 98/2038, Belastingblad 2002, blz. 1125). Hof Amsterdam vindt dat als een splitsing tussen vergunningplichtig en niet-vergunningplichtig deel is te maken, de leges alleen geheven kunnen worden over het vergunningplichtige deel van de bouwkosten, ook al zijn alle werkzaamheden onlosmakelijk met elkaar verbonden (Hof Amsterdam 11 februari 2003, nr. 02/00204, LJN: AF5111).
[Vijfde lid Als gemeenten willen afwijken van de definitie van bouwkosten in bijlage I van de Or, kunnen zij in het vijfde lid een afwijkende regeling opgenomen. Dit is een facultatieve bepaling. Als voorbeeld hebben wij een verwijzing naar een gemeentelijke of regionale normbouwkostenregeling opgenomen, waarin is bepaald dat bij een afwijking van bijvoorbeeld 10% van de normbouwkosten (als die voor het bouwwerk
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
98/136
bestaan) de normbouwkostenregeling wordt gevolgd. Dit geldt zowel naar boven als naar beneden. Een normbouwkostenregeling moet, net als de tarieventabel, op dezelfde wijze bekendgemaakt worden als de verordening, dus in het elektronisch gemeenteblad. Als dit wat aard en omvang van de regeling niet kan, kan alleen met voorafgaande instemming van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bekendmaking in een ander elektronisch medium dan het gemeenteblad plaatsvinden (artikel 7, tweede lid, Bekendmakingswet). Zie hierover Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Inwerkingtreding.] Artikel 2.2 Dienstverlening en besluiten waarvoor leges worden geheven Dit artikel bevat in de onderdelen a tot en met h de belastbare feiten waarvoor leges worden geheven. Het betreft altijd een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit (zie ook artikel 2 van de verordening). We hebben ‘besluiten’ toegevoegd omdat de grondslag in artikel 13.1a van de Ow nu nog is gekoppeld aan ‘rechten als bedoeld in artikel 229’, maar die koppeling gaat vervallen. Het is bedoeld als een zelfstandige grondslag, waarbij het dienstbegrip niet van belang is. De wetgeving daarvoor kan waarschijnlijk niet vóór inwerkingtreding van de Ow worden gerealiseerd. Leges worden geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: a. omgevingsoverleg; b.
een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 of artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob; c. een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Ow; d. toestemming voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Ow; e. een wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning; f. intrekking van een omgevingsvergunning; g. wijziging van een besluit als bedoeld in de onderdelen b, c en d; h. een besluit in het kader van de Ow, anders dan bedoeld in de onderdelen b tot en met g. De tarieven voor de belastbare feiten zijn opgenomen in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk. Zie de toelichting op de paragrafen. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning verschillende activiteiten kan omvatten, gaan wij hieronder nog wel afzonderlijk in op de regeling van de omgevingsvergunning in de Ow. Omdat het belastbaar feit ‘het in behandeling nemen van een aanvraag’ in artikel 2.2 is opgenomen, kan bij de activiteiten worden volstaan met de formulering ‘Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op …’. In artikel 2.3 staat hoe de tarieven worden berekend.
Omgevingsvergunning De bijlage bij de Ow omschrijft omgevingsvergunning als: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1. In artikel 5.1 van de Ow staan de activiteiten genoemd waarvoor een omgevingsvergunning nodig kan zijn. In het eerste lid staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee,
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
99/136
e. een Natura 2000-activiteit, f. een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij amvb aangewezen geval. Dit betekent dat in een amvb de vergunningvrije activiteiten zijn aangewezen. Zie bijvoorbeeld paragraaf 2.3.3 van het Bbl voor vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken. In het tweede lid staat een opsomming van activiteiten die alleen vergunningplichtig zijn als deze bij amvb zijn aangewezen. Dit betreft de volgende activiteiten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, g. een flora- en fauna-activiteit. Zie bijvoorbeeld paragaaf 2.3.2 van het Bbl voor vergunningplichtige bouwactiviteiten (vergunningplichtig, tenzij deze onder opsomming vergunningvrij vallen) en hoofdstuk 3 van het Bal voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Alleen voor de vetgedrukte activiteiten kan de gemeente bevoegd gezag zijn.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op deze activiteiten, hebben wij in de paragrafen 2.3 tot en met 2.8 tariefbepalingen opgenomen. Deze kunnen worden verhoogd als een of meer modaliteiten van paragraaf 2.12 van toepassing zijn en worden verminderd als een in paragraaf 2.13 genoemde omstandigheid van toepassing is.
Omgevingsplanactiviteiten In de toelichting op artikel 2.1 staan omgevingsplanactiviteiten omschreven. De in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow genoemde omgevingsplanactiviteiten betreffen de: - vergunningplichten die de gemeente in het nieuwe deel van het omgevingsplan opneemt, - de vergunningplichten in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bedoeld in artikel 22.1 van de Ow, waaronder vergunningplichten in bestemmingsplannen en het overgangsrecht van artikel 7.1 van het IbOw), en - de vergunningplichten bedoeld in artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob (de ‘artikel 2.2 Wabo-vergunningplichten’). Het is van belang dit te onderkennen in verband met de verschillende varianten die bij deze vergunningplichten in de tarieventabel staan. Zie bijvoorbeeld paragraaf 2.8 van de tarieventabel.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
100/ 136
Meervoudige aanvragen Als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor meer dan één activiteit (meervoudige aanvraag), is de gemeente in veel gevallen het bevoegde gezag. De aanvraag kan dan ook een activiteit betreffen waarvoor de gemeente bij een enkelvoudige aanvraag geen bevoegd gezag zou zijn. Het bestuursorgaan dat bij een enkelvoudige aanvraag bevoegd gezag zou zijn, heeft dan het recht van advies en instemming (artikelen 16.15 en 16.16 Ow). Dit bestuursorgaan kan de kosten voor het nemen van een besluit over instemming doorberekenen aan het bevoegd gezag. Zie de toelichting bij artikel 2.51 van paragraaf 2.12 Modaliteiten. Artikel 2.3 Bepalen tarief
Eerste lid Dit artikel geeft aan hoe het tarief moet worden bepaald. Het eerste lid is daarvoor de basis. De tarieven voor de belastbare feiten die in artikel 2.2 zijn genoemd, zijn opgenomen in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk. Tweede, derde en vierde lid Als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, is het tarief de som van de verschuldigde leges voor elke activiteit, inclusief eventuele modaliteiten (toeslagen) en vermindering (tweede tot en met vierde lid). Omdat er maar één aanvraag is, is er ook maar één belastbaar feit: het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning (artikel 2.2, aanhef en onder b). Dat een aanvraag meer legesplichtige activiteiten kan omvatten, hebben wij ter verduidelijking ook tot uitdrukking gebracht door bij elke vergunningplichtige activiteit te bepalen dat de daar bedoelde leges verschuldigd zijn onverminderd de verschuldigdheid van leges voor andere activiteiten als tevens van die andere activiteiten sprake is. Deze verduidelijking houdt verband met HR 16 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:48 (Woudrichem). Via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is voor de aanvrager vooraf duidelijk voor welke activiteiten hij een omgevingsvergunning nodig heeft. Ook het aan de aanvraag eventueel voorafgaande omgevingsoverleg zal leiden tot duidelijkheid.
Vijfde lid Het vijfde lid bepaalt dat de tarieven voor aanvragen om maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 Ow) of toestemming voor een gelijkwaardige maatregel (artikel 4.7 Ow) alleen van toepassing zijn als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Als sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning maken maatwerkvoorschriften of een toestemming voor een gelijkwaardige maatregel namelijk deel uit van de omgevingsvergunning. Zesde lid Elke activiteit waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft en de modaliteiten vormen afzonderlijke grondslagen voor de heffing van de leges. Doorgaans zullen de leges hiervoor als som, dat wil zeggen in één keer, via een schriftelijke kennisgeving worden geheven. Maar omdat het verschillende grondslagen betreft, is het ook mogelijk om per grondslag een bedrag te vorderen. Het is namelijk toegestaan naar elke grondslag afzonderlijk een aanslag op te leggen (HR 7 februari 1973, nr. 16885, BNB 1973/69). Wij hebben dat uitdrukkelijk in het zesde lid bepaald. Wij geven echter in overweging te streven naar een heffing in één keer.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
101/ 136
Paragraaf 2.2 Voorfase Artikel 2.4 Omgevingsoverleg Het omgevingsoverleg is de fase die voorafgaat aan het formeel aanvragen van de omgevingsvergunning. In de praktijk kent het verschillende benamingen, zoals vooroverleg, principeverzoek, beoordelen schetsplan, beoordelen conceptvergunningaanvraag of omgevingstafel. De gemeente is vrij om de door haar gewenste benaming te kiezen. Wij hebben gekozen voor de term ‘omgevingsoverleg’. Dit is ook de benaming die het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) eraan geeft. In sommige gevallen is een enkelvoudig overleg wenselijk en in bijzondere gevallen zijn wellicht meerdere overleggen nodig. Dit is afhankelijk van hoever de gemeente haar dienstverlening wil inrichten. Het belang van omgevingsoverleg is toegenomen in verband met de kortere beslistermijn op aanvragen voor een omgevingsvergunning (standaardtermijn 8 weken, met mogelijkheid van verlenging met 6 weken). Het omgevingsoverleg kan verschillende en meerdere vormen hebben. De vorm en inhoud van het omgevingsoverleg is vrij: omgevingsoverleg is niet verplicht en niet wettelijk geregeld. Het is aan de gemeente of ze hier wel of geen leges voor heft.
In een omgevingsoverleg tussen het bevoegd gezag en de aanvrager ervan: - kan de aanvrager een indicatie verkrijgen of een of meer activiteiten passen in de regelgeving en het overheidsbeleid over de fysieke leefomgeving, waaronder de omgevingsvisie van de gemeente en andere overheidsinstanties, en kansrijk is om verder te ontwikkelen; - kan de aanvrager een advies verkrijgen over een of meer activiteiten, waarmee de initiatiefnemer de vergunningaanvraag kan opstellen en indienen; - kan op basis van een conceptaanvraag een beoordeling plaatsvinden. - kunnen conceptoverwegingen en voorschriften met de initiatiefnemer worden besproken en ontwikkeld. Uit het voorgaande komt naar voren dat het omgevingsoverleg een verschillende intensiteit en omvang kan hebben, wat de tariefstelling in een model bemoeilijkt.
Variant 1 Variant 1 kent een vast bedrag, dat wordt vermeerderd met een deel (percentage) van de leges die voor de activiteit(en) verschuldigd zouden zijn bij een daadwerkelijke aanvraag. Als de activiteit(en) bij de aanvraag om omgevingsoverleg nog te weinig omlijnd zijn, zal het overleg een globaal karakter hebben en is toepassing van de verhoging wellicht niet aan de orde. Variant 2 In variant 2 hebben wij gekozen voor een vast bedrag per overleg, gesplitst in een eerste overleg en elk volgend overleg. Een eerste overleg kan oriënterend zijn. Daarvoor kan het tarief bijvoorbeeld lager worden vastgesteld dan voor een volgend overleg, omdat bij een volgend overleg meer duidelijk zal zijn over de betrokkenheid van adviseurs (ketenpartners). Het tarief voor elk volgend overleg wordt verhoogd met een tarief ter dekking van de kosten van adviseurs. Variant 3 In variant 3 is een tariefstelling per uur opgenomen. Omdat van tevoren bekend moet zijn wat de aanvrager verschuldigd is, brengt de gemeente (het college) vooraf het verschuldigde bedrag ter kennis aan de aanvrager. Die heeft dan vijf werkdagen de tijd om zijn aanvraag in te trekken. Doet hij dat niet, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen. Als na het omgevingsoverleg een (‘echte’) aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, worden de leges daarvoor verminderd met de op grond van artikel 2.4 geheven leges. Om
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
102/ 136
omgevingsoverleg te stimuleren kan dan ook een hogere vermindering worden gegeven. Een en ander is geregeld in artikel 2.52.
Paragraaf 2.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Algemeen Paragraaf 2.3 betreft de bouw- en sloopactiviteiten. Deze is onderverdeeld in drie artikelen: - artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) - artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke deel) - artikel 2.7 Slopen van een bouwwerk De splitsing die plaatsvindt tussen de artikelen 2.5 en 2.6 heeft te maken met de Wkb die voor gevolgklasse 1 de bouwtechnische toets door een private kwaliteitsborger laat doen. De regeling van de ruimtelijke aspecten blijft bij de gemeente berusten. Zij kan in het omgevingsplan aan de bouwactiviteit een vergunningplicht koppelen, maar kan ook volstaan met algemene regels of een meldingsplicht. In de bijlage bij de Ow staan de volgende definities:
bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk; bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. Uit de definitie van bouwactiviteit volgt dat sloopactiviteiten daartoe niet behoren. In verband hiermee is de titel van paragraaf 2.3 omschreven als ‘Activiteiten met betrekking tot bouwwerken’. Artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow voor een bouwactiviteit. Het gaat hier om het bouwtechnische deel van de bouwactiviteit. De vergunningplicht is nader uitgewerkt in paragraaf 2.3.2 van het Bbl: de bouwactiviteit is vergunningplichtig, tenzij het bouwwerk onder de opsomming vergunningvrij valt. Bouwwerken in gevolgklasse 1 zijn bijvoorbeeld niet vergunningplichtig voor het bouwtechnische deel (als gevolg van de Wkb).
Als heffingsmaatstaf is gekozen voor een percentage van de bouwkosten volgens een gestaffeld tarief. De verschillende percentages gelden voor het deel van de bouwkosten dat in die klasse valt. Dat voorkomt zaagtandeffecten. In het algemeen geldt dat de kosten die de gemeente voor het behandelen van de aanvraag maakt evenredig zijn aan de omvang van de bouwactiviteit. Voorzien is in een minimumtarief en een maximumtarief. De tariefklassen zijn afgestemd op die in artikel 14.7, tweede lid, van de Or zoals die voor het rijk gelden als de minister bevoegd gezag is. Om een indruk te geven: artikel 14.7 Or kent een minimumtarief van € 250, dat wordt vermeerderd met: a. 0,24% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 0 en € 25.000; b. 0,23% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 25.000 en € 50.000; c. 1,10% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 50.000 en € 200.000; d. 1,57% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 200.000 en € 2.500.000; en
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
103/ 136
e. 1,61% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 2.500.000 en elk bedrag daarboven. Op grond van artikel 7.6 van de Or moeten bij de aanvraag om de omgevingsvergunning de bouwkosten worden opgegeven. Zie ook de toelichting op artikel 2.1 van de tarieventabel. Volgens de Hoge Raad is het hanteren van een vast, bescheiden percentage van de bouwkosten niet onredelijk of willekeurig (HR 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943, vng-3119; Nijkerk). In het betreffende geval hief de gemeente leges van 1,4% van de bouwkosten. Naarmate het percentage hoger is, verdienen een degressief en maximumtarief echter wel overweging. De achterliggende gedachte bij het opnemen van een degressief tarief is dat de te verrichten werkzaamheden niet evenredig toenemen met de bouwkosten. Bedacht moet echter worden dat niet alleen het kostenveroorzakingsbeginsel, maar ook het profijtbeginsel – uit beleidsmatige overwegingen – een rol kan spelen bij de tariefstelling. Om dezelfde redenen kan gekozen worden voor een maximumtarief. Vooral bij grote infrastructurele bouwwerken kunnen de bouwkosten zo hoog zijn dat de toepassing van zelfs een degressieve tariefstelling ertoe leidt dat het legesbedrag in geen verhouding staat tot de te verrichten werkzaamheden. Gelet hierop en gelet op de maatschappelijke discussie rond de bouwleges, hebben wij gekozen voor een maximumtarief.
Een andere optie is om voor bijvoorbeeld civieltechnische werken een afzonderlijk tarief op te nemen. Daartoe zou, onder nummering van de bestaande tekst tot eerste lid, een tweede lid kunnen worden opgenomen, als volgt: ’2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een civieltechnisch werk, zoals een brug, tunnel, viaduct, sluis en dergelijke, [...]% van de bouwkosten, met een maximum van € […].’ Het tarief van het tweede lid zal dus lager zijn dan het tarief van het eerste lid. Het tarief kan worden uitgedrukt in een percentage van de totale bouwkosten. Als dit bijvoorbeeld het laagste percentage is dat in het eerste lid wordt toegepast, zal dit in de gekozen opzet al tot een lager bedrag aan leges leiden omdat anders dan bij het schijventarief van het eerste lid, de totale bouwkosten onder dit lage percentage vallen. Uiteraard is het ook mogelijk in het tweede lid een degressief tarief op te nemen. Behoefte aan een afzonderlijk tarief voor civieltechnische werken zal overigens slechts dan bestaan, als het degressieve tarief opgenomen in het eerste lid geen sterke degressie bevat voor de werken met relatief hoge bouwkosten. De gemeente heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het vormgeven van het tariefstelsel.
Dat blijkt uit HR 30 juni 2017, nr. 16/05127, ECLI:NL:HR:2017:1174, VNG-6697 (Rotterdam), waarin hij de zogenaamde ‘zaagtandconstructie’ toelaatbaar acht. Die houdt in dat binnen een bepaalde bandbreedte een vast bedrag in rekening wordt gebracht. Gaat de bouwsom over een bepaalde grens, dan wordt het volgende, hogere vaste bedrag in rekening gebracht. De Hoge Raad oordeelt dat het gemeenten is toegestaan om op grond van de bouwsom te heffen en daarbij gebruik te maken van tariefklassen. De verschillen zijn niet zodanig dat er sprake is van willekeur of onredelijkheid. Eventuele verhogingen van het tarief staan in paragraaf 2.12 Modaliteiten. Artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in art. 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow, in dit geval bestaande uit het bouwen, gebruiken of in stand houden van een bouwwerk. De vergunningplicht geldt als de gemeente in het
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
104/ 136
omgevingsplan een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten verplicht stelt om de ruimtelijke toets te kunnen doen. Tot 2032 geldt overgangsrecht. Artikel 22.26 van de bruidsschat zoals opgenomen in artikel 7.1 van het IbOw bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken). In artikel 22.27 van de bruidsschat staan de vergunningvrije gevallen. In artikel 22.28 staan afwijkende regels voor cultureel erfgoed. In artikel 22.29 staan beoordelingsregels. Gaat de gemeente zelf een regeling treffen in het omgevingsplan, dan is dit overgangsrecht niet meer van toepassing en behoeven de tariefbepalingen aanpassing. Wij hebben gekozen voor een vast bedrag. De bouwkosten als heffingsmaatstaf zijn voor de toets aan het ruimtelijk deel geen logische maatstaf. Vaak zullen de bouwkosten bij de aanvraag om deze vergunning bovendien nog niet bekend zijn.
Onderdeel a Binnenplanse omgevingsplanactiviteit In onderdeel a is het tarief voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen opgenomen. De hierboven bedoelde beoordelingsregels hebben ertoe geleid dat wij hierbij verhogingen hebben opgenomen. Onderdeel a.1 bevat een tariefverhoging voor de welstandstoets voor zover daarvoor niet de gemeentelijke adviescommissie bedoeld in de [Verordening op de gemeentelijke adviescommissie] hoeft te worden bevraagd (dan is namelijk artikel 2.49, eerste lid, onder b, van de tarieventabel van toepassing). De gemeente neemt a.1 over als zij een tariefstelling wil. Zolang de gemeente geen nieuwe beleidsregel over welstand heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 4.19 van de Ow, geldt de welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet als zo’n beleidsregel (artikel 4.114 van de IwOw). Onderdeel a.2 bevat een tariefverhoging als moet worden beoordeeld of de bouwactiviteit plaatsvindt op een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 22.30 van de bruidsschat. Onderdeel a.3 bevat een tariefverhoging als moet worden beoordeeld of de bouwactiviteit in overeenstemming is met een voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.33, tweede lid, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in artikel 7.1 van het IbOw.
Onderdeel b Binnenplanse omgevingsplanactiviteit bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht Onderdeel b bevat een tariefbepaling voor de bouwactiviteit die niet in overeenstemming is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar wel in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Ow (zie artikel 22.32 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in artikel 7.1 van het IbOw). Onderdeel c Buitenplanse omgevingsplanactiviteit Onderdeel c betreft het geval dat de bouwactiviteit volgens de regels in het omgevingsplan verboden is, maar het toch wenselijk is dat deze wordt toegestaan of het geval dat het omgevingsplan geen regeling kent voor de activiteit, maar het toch wenselijk is de bouwactiviteit toe te staan omdat dit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is ook geen strijd met instructieregels van het rijk of de provincie. Ook hier is gekozen voor een vast bedrag.
Artikel 2.7 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk De gemeente kan op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, en 3.38, derde lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening in het bestemmingsplan of in de beheersverordening bepaald hebben dat een
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
105/ 136
omgevingsvergunning om bouwwerken te slopen alleen wordt verleend als vervangende bouw plaatsvindt om gaten in de bebouwing te voorkomen. Dit is een louter planologische maatregel. Het bestemmingsplan of de beheersverordening maken deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, Ow. Voor een aanvraag om een in het (vooralsnog tijdelijk deel van het) omgevingsplan geregelde omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit is in artikel 2.7 een tariefbepaling opgenomen. Wij hebben gekozen voor een vast tarief omdat de toets bij deze omgevingsvergunning relatief eenvoudig is. Zie over deze vergunningplicht artikel 22.277 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw) en voor de beoordelingsregel artikel 22.279 en voor het aanvraagvereiste artikel 22.285 van de bruidsschat.
Paragraaf 2.4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Artikel 2.8 Omgevingsplanactiviteit: monumenten
Eerste lid De tariefbepaling betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviviteit bestaande uit: a. het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of voorbeschermd monument; b. het herstellen of gebruiken van een monument of voorbeschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het kan hier gaan om gemeentelijke of provinciale (voorbeschermde) monumenten. Vergelijk artikel 2.8 van het Bbl. Voor rijksmonumentenactiviteiten: zie artikel 2.9 van de tarieventabel. In bijlage I, onder A, bij het Bbl staan de volgende definities:
gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; provinciaal monument: monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument is gegeven; voorbeschermd gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven; voorbeschermd provinciaal monument: monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan of de omgevingsverordening een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument te geven. Gemeenten en provincies konden in verordeningen ook vergunningplichten koppelen aan monumenten. De vergunningen golden als omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
Op grond van het overgangsrecht van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob geldt de vergunning op grond van de gemeentelijke (erfgoed)verordening als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit totdat een regeling in het omgevingsplan is getroffen. Het overgangsrecht geldt tot uiterlijk 2032. Zie voor aanvraagvereisten de artikelen 22.287 tot en met 22.294 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 IbOw). Op grond van artikel 22.295 gelden deze bepalingen ook voor een voorbeschermd gemeentelijk monument. Provincies moeten het regelen in hun omgevingsverordening; daarvoor geldt geen overgangsrecht.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
106/ 136
Wij hebben in de tariefbepaling onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën omgevingsplanactiviteiten zoals beschreven in artikel 2.1 van de tarieventabel, waarbij is gekozen voor vaste tarieven. In de praktijk lopen deze activiteiten vaak samen met bouwactiviteiten, waarvoor eveneens een omgevingsvergunning nodig is. De legesheffing voor de inhoudelijke beoordeling van het bouwplan zit verdisconteerd in de hogere bouwsom (dan vergelijkbare niet-monumenten) via de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (technische deel). Daarom hebben we in artikel 2.8 niet gekozen voor een opslag op de bouwleges, maar voor een vast bedrag. Het vaste tarief heeft in dit geval betrekking op procedurele kosten.
Tweede lid In artikel 22.288 en 22.289 van de bruidsschat zijn afzonderlijke indieningsvereisten opgenomen voor een omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument. De beoordeling daarvan leidt tot meer werk, hetgeen een verhoging rechtvaardigt. Derde lid Het derde lid bevat overgangsrecht en is ontleend aan artikel 8.1 van het Bbl en artikel 22.2 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Artikel 2.9 Rijksmonumentenactiviteit De vergunningplicht voor rijksmonumenten is gebaseerd op artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow (was artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wabo). Wij hebben gekozen voor een vast tarief. In de bijlage bij de Ow staat een definitie van rijksmonumentenactiviteit:
rijksmonumentenactiviteit: activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Artikel 2.10 Omgevingsplanactiviteit: sloopactiviteit in beschermd stads- of dorpsgezicht Voor het slopen van bouwwerken binnen stads- of dorpsgezichten is een omgevingsvergunning vereist. Dit kan (al) geregeld zijn in de provinciale omgevingsverordening of het nieuwe deel van het gemeentelijke omgevingsplan. Of het is nog geregeld in een gemeentelijke (erfgoed)verordening (het is onder het tot inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht dan een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). In het laatste geval geldt tot uiterlijk 2032 het eerdergenoemde overgangsrecht van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob. Zie artikel 22.296 van de bruidsschat voor de aanvraagvereisten (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). De gemeente moet in de tariefbepaling kiezen voor de verwijzing naar de regeling zoals die in de gemeente geldt. Ook hier hebben wij gekozen voor een vast tarief. Als externe advisering nodig is, bijvoorbeeld van de gemeentelijke adviescommissie, kunnen de kosten daarvan via artikel 2.50 van de tarieventabel worden doorberekend.
Als een archeologisch bodemrapport moet worden beoordeeld, kunnen de daarmee gepaard gaande kosten worden doorberekend via artikel 2.49 van de tarieventabel. Het tweede lid bevat overgangsrecht, waarvan de tekst is ontleend aan artikel 8.2 van het Bbl. Artikel 2.11 Omgevingsplanactiviteit: overig cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed voor het omgevingsplan. Hieraan kan bijvoorbeeld worden voldaan door het opnemen van een
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
107/ 136
vergunningenstelsel in het omgevingsplan op grond waarvan het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bepaalde activiteit te verrichten met het oog op het behoud van cultureel erfgoed of van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Wij hebben gekozen voor een vast tarief. Definities in de bijlage bij de Ow: cultureel erfgoed: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; werelderfgoed: op het grondgebied van Nederland gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dat op grond van het werelderfgoedverdrag is opgenomen in de Lijst van het Werelderfgoed.
Paragraaf 2.5 Milieubelastende activiteiten Algemeen De bijlage bij de Ow geeft de volgende omschrijving van milieubelastende activiteit:
milieubelastende activiteit: die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. We korten ‘milieubelastende activiteit(en)’ af tot ‘mba’. Het heffen van leges voor mba is een nieuwe mogelijkheid. Het is een kunnen, niet een moeten. Onder het regime van de Wabo was het niet mogelijk om leges te heffen voor een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) en voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor milieu-inrichtingen. De legesvrijstellingen waren geregeld in artikel 4:10 van het Besluit omgevingsrecht (voor aanvraag OBM) en artikel 2.9a van de Wabo (voor aanvraag omgevingsvergunning milieu-inrichting). Onder de Omgevingswet is legesheffing wel mogelijk. In deze paragraaf zijn hiervoor tariefbepalingen opgenomen. De tariefstelling is aan de gemeenten zelf. Het gaat niet langer om de milieu-inrichting als zodanig, maar om de activiteiten die milieubelastend en eventueel vergunningplichtig zijn. Alleen voor complexe bedrijven geldt nog een integrale vergunningplicht, maar daarvoor zijn gedeputeerde staten het bevoegde gezag.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een mba te verrichten voor zover het gaat om een bij amvb aangewezen geval. Die amvb is het IbOw (voor OBM) en het Bal (voor andere mba). Regels over mba zijn te vinden in afdeling 22.3 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). In paragraaf 22.3.26 van die afdeling staan vergunningplichten (zie de toelichting op artikel 2.12 van de tarieventabel). Dit is overgangsrecht. Andere regels over mba’s staan in het Bal. Hoofdstuk 3 daarvan bevat algemene voorschriften en vergunningplichten (zie de toelichting op de artikelen 2.13 t/m 2.19). Op het Informatiepunt Leefomgeving (www.iplo.nl) staat een Stappenplan milieubelastende activiteit. Omgevingsdienst NL heeft de Handreiking leges bij vergunningplichtige niet-complexe milieubelastende activiteiten gepubliceerd.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
108/ 136
Artikel 2.12 Omgevingsplanactiviteit: milieubelastende activiteit Voor de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM; artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht) geldt op grond van het overgangsrecht (de ‘bruidsschat’) nog een vergunningplicht totdat de gemeente zelf iets in het omgevingsplan geregeld heeft (vóór 2032). Dat kan natuurlijk een voortzetting van de vergunningplicht zijn, maar dat hoeft niet. Er kunnen in plaats daarvan ook algemene regels worden gesteld met eventueel een meldingsplicht. In de tekst van de tariefbepaling moet tot uitdrukking komen waar de vergunningplicht is geregeld. Mogelijk is dit zowel het omgevingsplan (nieuwe deel) als de bruidsschat die vergunningplichten bevat voor verschillende milieubelastende activiteiten. In paragraaf 22.3.26 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw) staan de vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels voor een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Die paragraaf is niet van toepassing op milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal (zie daarvoor de artikelen 2.13 tot en met 2.19 van de tarieventabel). De bruidsschat maakt deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het betreft dus omgevingsplanactiviteiten.
Variant 1 Wij hebben gekozen voor een vast tarief voor alle in paragraaf 22.3.26 van de bruidsschat genoemde omgevingsvergunningen. Variant 2 Als variant voor een vast tarief hebben wij de verschillende in die paragraaf genoemde omgevingsvergunningen apart benoemd. De gemeente zou voor die variant kunnen kiezen als de kosten van behandeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor deze activiteiten erg verschillend zijn. De vergunningplichten in paragraaf 22.3.26 van de bruidsschat betreffen: - omgevingsvergunning verwerken polyesterhars (artikel 22.259); - omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem (artikel 22.260); - omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten (artikel 22.261); - omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen (artikel 22.262); - omgevingsvergunning tanken met LPG (artikel 22.263); - omgevingsvergunning antihagelkanonnen (artikel 22.264); - omgevingsvergunning biologische agens (artikel 22.265); - omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen (artikel 22.266); - omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen (artikel 22.267); - vangnetvergunning lozen in de bodem (artikel 22.268); - vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool (artikel 22.269).
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in de artikelen 22.261 tot en met 22.269, zijn de beoordelingsregels bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Bkl van overeenkomstige toepassing (artikel 22.270). Voor een toelichting verwijzen wij naar de toelichting op deze artikelen in de bruidsschat (IbOw).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
109/ 136
Artikel 2.13 Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen (afdeling 3.2 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.14 Nutssector en industrie (afdeling 3.4 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.15 Afvalbeheer (afdeling 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.16 Agrarische sector (afdeling 3.6 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.17 Dienstverlening, onderwijs en zorg (afdeling 3.7 Besluit activiteiten leefomgeving) Artikel 2.18 Transport, logistiek en ondersteuning daarvan (afdeling 3.8 Besluit actitiviteiten leefomgeving) Artikel 2.19 Sport en recreatie (afdeling 3.9 Besluit activiteiten leefomgeving) De artikelen 2.13 tot en met 2.19 voegen wij voor de toelichting samen. Hoofdstuk 3 van het Bal benoemt de mba en de vergunningplichtige gevallen daarvan. Daarin is gekozen voor een in de praktijk gangbare bedrijfs(takken)indeling. Het is veelomvattend. Te veel om allemaal afzonderlijk in een tariefbepaling te benoemen. Daarom is – in overeenstemming met een werkgroep ‘milieuleges’ van omgevingsdiensten (ODNL) – in de artikelen gekozen voor een clustering die overeenkomt met de sectorale rubricering (bedrijfstakken) in afdelingen in hoofdstuk 3 van het Bal. Die clustering heeft geleid tot de artikelen 2.13 tot en met 2.19.