Bijlage 2. Toelichting Model Verordening Leges
Tekst van het document
Onderdeel d In onderdeel d is een tarief opgenomen voor het verstrekken van een meertalig modelformulier woonen/of verblijfplaats als bedoeld in artikel 7 van de Europese verordening overlegging openbare documenten (Verordening EU nr. 2016/1191, PbEU 2016, L 200). Sinds 16 februari 2019 zijn er meertalige modelformulieren met betrekking tot geboorte, overlijden, huwelijk, geregistreerd partnerschap, woon- en/of verblijfplaats. Hiermee kunnen kosten voor vertaling worden bespaard. In het Legesbesluit akten burgerlijke stand zijn voor de meertalige modelformulieren betreffende de burgerlijke stand tarieven vastgesteld (zie het slot van de toelichting op paragraaf 1.1 van de tarieventabel). Voor het meertalige modelformulier woon- en/of verblijfplaats is geen wettelijke tarief vastgesteld. Gemeenten kunnen hiervoor dus zelf een tarief vaststellen. Op grond van artikel 11 van genoemde Europese verordening is de vergoeding voor het verkrijgen van een meertalig
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
74/136
modelformulier niet hoger dan de productiekosten van het meertalig modelformulier of, indien die lager zijn, van het openbaar document waaraan het formulier is gehecht. Geen teruggaaf In paragraaf 1.4 is geen regeling opgenomen voor een teruggaaf van een deel van het voor het abonnement verschuldigde bedrag, indien in de desbetreffende periode minder verstrekkingen zijn gedaan dan waarop het abonnement ziet. Reden hiervan is dat bij het opnemen van een dergelijke teruggaafbepaling vermoedelijk in de meeste gevallen een abonnement zal worden afgesloten voor het hoogste aantal verstrekkingen omdat bij een degressief tarief het tarief per inlichting dan het laagst is. Een dergelijke regeling is weliswaar denkbaar, maar daarbij zal dan het legesbedrag beperkt moeten worden tot het bedrag dat verschuldigd is voor een abonnement voor het aantal verstrekkingen dat in feite is gedaan. Men kan zich echter ook op het standpunt stellen dat het niet afnemen van het aantal verstrekkingen waarvoor het abonnement is afgesloten voor risico komt van degene die het abonnement heeft afgesloten. Artikel 1.16 Verstrekken van aangehaakte gegevens In dit artikel zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van persoonsgegevens die niet zijn opgenomen in de basisregistratie personen zelf. Het betreft de zogenaamde aangehaakte gegevens.
Een gemeente kan voor het op verzoek verstrekken van aangehaakte gegevens leges heffen, tenzij de aanvrager op grond van bijzondere wetgeving recht heeft op kosteloze inlichtingen. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 1.17 Schriftelijke verstrekking In dit artikel zijn leges opgenomen voor het aan betrokkenen verstrekken van schriftelijke gegevens als bedoeld in artikel 17 van het Besluit brp. In artikel 10, tweede lid, van de Regeling basisregistratie personen is hiervoor een maximumtarief opgenomen van € 7,50. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit tarief moet wijken voor de vrijstelling van artikel 41 van de Wet Uitkeringen vervolgingsslachtoffers en artikel 52 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, waarin staat dat de gevraagde inlichtingen kosteloos moeten worden verstrekt. In dat geval kunnen deze leges dus niet worden geheven (HR 10 juni 2005, nr. 39814, LJN: AT7214). Artikel 1.18 Op aanvraag doornemen basisregistratie personen De in artikel 1.18 opgenomen regeling is bedoeld voor gevallen waarin aan de gemeente wordt verzocht de basisregistratie personen, inclusief de aangehaakte gegevens, door te nemen voor het verkrijgen van bepaalde inlichtingen, bijvoorbeeld hoeveel geregistreerde honden er in de gemeente zijn.
Deze bepaling geeft de mogelijkheid leges te heffen naar rato van de tijd die met het doornemen is gemoeid, ongeacht of dit leidt tot het daadwerkelijk verschaffen van de gevraagde inlichtingen. Naast een bedrag voor het doornemen van de basisregistratie is de aanvrager eventueel een bedrag verschuldigd ingevolge de artikelen 1.15, 1.16 of 1.17 als vervolgens persoonsgegevens worden verstrekt. Dit vloeit voort uit het feit dat het bepaalde in artikel 1.18 een afzonderlijk belastbaar feit vormt.
Paragraaf 1.5 Bestuursstukken Artikel 1.19 Afschriften van bestuursstukken In dit artikel is een regeling opgenomen voor het verstrekken van de volgende stukken: - de begroting en de rekening;
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
75/136
-
het burgerjaarverslag; de raadsstukken en de raadsverslagen, waarbij naast de afgifte van een afzonderlijk afschrift tevens de mogelijkheid is gegeven een abonnement af te sluiten; de stukken van de raadscommissies en de verslagen van de vergaderingen van die commissies. Ook hier bestaat de mogelijkheid tot het afsluiten van een abonnement; het gemeenteblad, per los nummer en bij abonnement; gemeentelijke verordeningen.
Voor de tariefbepaling zijn de volgende wetten van belang: - Wet hergebruik van overheidsinformatie (Stb 2015, 271): alleen de marginale verstrekkingskosten kunnen/mogen worden doorberekend. - Bekendmakingswet: voor het elektronisch gemeenteblad geldt artikel 18, eerste lid, van de Bekendmakingswet. Inzage is kosteloos, een papieren afschrift wordt tegen ten hoogste de kosten van het maken van dat afschrift verstrekt. Hierbij wordt uitgegaan van de kostprijs van het vervaardigen van een afdruk of kopie, niet de kosten van het verzamelen en beoordelen van een verzoek. - Wet open overheid (Woo, Stb. 2021, 499) die op 1 mei 2022 de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft vervangen. Artikel 8.6, tweede lid, Woo bepaalt dat voor de vervaardiging van kopieën van documenten een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die de kostprijs van de verstrekte informatiedragers niet overstijgt. Bij een papieren verstrekking bestaat de kostprijs uit de kosten van papier en inkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden hierover regels gesteld. De laatste wet beperkt dus de door te berekenen kosten nog verder. Zie ook het slot van de toelichting op artikel 5 (Maatstaven van heffing en tarieven). Niet alle hier opgesomde stukken zullen in iedere gemeente voorkomen. De opsomming is ook niet uitputtend.
Er zullen stukken zijn die in sommige gemeenten andere benamingen hebben, zoals productenbegroting en/of programmabegroting. Ook voor het verstrekken van andere stukken, bijvoorbeeld meerjarenramingen, kunnen tarieven opgenomen worden. Bij het redigeren van de bepalingen dient met het voorgaande rekening gehouden te worden. Andere stukken zullen altijd voorkomen bij gemeenten, met name die stukken die op grond van de Gemeentewet verstrekt moeten worden. Dit betreft onder andere de gemeentebegroting en de daarbij behorende stukken (artikel 189 van de Gemeentewet) en de gemeenterekening met de daarbij behorende stukken en toelichtingen (artikel 197 van de Gemeentewet). De hiervoor genoemde stukken moeten ter inzage worden gelegd en (tegen betaling van de kosten) algemeen verkrijgbaar worden gesteld (artikel 190, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 197, derde lid, van de Gemeentewet). In paragraaf 1.5 wordt uitsluitend gesproken over het verstrekken van een afschrift van de genoemde stukken. Wordt slechts een aantal kopieën uit een stuk verstrekt dan kunnen weliswaar geen leges geheven worden op basis van deze paragraaf maar wel op basis van het bepaalde in paragraaf 1.10. Uiteraard kan ook een tarief per pagina in paragraaf 1.5 worden opgenomen.
Artikel 1.20 Abonnement op bestuursstukken Voor de gevallen waarbij stukken worden verstrekt bij abonnement, is in de tarieventabel gekozen voor een tarief per kalenderjaar. Als deze regeling wordt overgenomen, kan er behoefte aan bestaan in een aanvullende bepaling het tarief te regelen voor die gevallen, waarin het abonnement wordt afgesloten in de loop van het kalenderjaar. Een dergelijke bepaling zou kunnen luiden (onder nummering van de bestaande tekst tot eerste lid):
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
76/136
’2. Indien een abonnement wordt afgesloten in de loop van een kalenderjaar, wordt het tarief voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar naar tijdsgelang vastgesteld.’ Uiteraard zijn ook regelingen denkbaar waarbij men niet uitgaat van een tarief per kalenderjaar, maar van een tarief per jaar, waarbij dan het jaar op ieder willekeurig moment in het kalenderjaar kan aanvangen. Administratieve redenen zullen bepalend zijn voor de keuze.
Paragraaf 1.6 Vastgoedinformatie Algemeen Voor het verstrekken van informatie uit gemeentelijke vastgoedbestanden is het mogelijk leges te heffen. In deze paragraaf hebben wij tarieven opgenomen voor het verstrekken van afschriften uit deze bestanden. Ook zijn tarieven opgenomen voor verstrekking van kopieën van die bestanden zelf. De Wet hergebruik van overheidsinformatie (Stb 2015, 271) is op de verstrekking van deze stukken van toepassing. Dit betekent dat alleen de marginale verstrekkingskosten kunnen/mogen worden doorberekend. Ook de Wet open overheid (Stb. 2021, 499), die op 1 mei 2022 in werking is getreden, beperkt de vergoeding die kan worden gevraagd, voor zover het documenten betreft die onder de reikwijdte van die wet vallen. Zie het slot van de toelichting op artikel 5 (Maatstaven van heffing en tarieven). Inzage in vastgoedregistraties kosteloos Voor de inzage in de gemeentelijke vastgoedregistraties hebben wij geen modelbepalingen opgenomen. De gemeentelijke bemoeienis daarmee zal gering zijn. Bovendien lijken enkele van de hierboven genoemde wetten ervan uit te gaan dat inzage kosteloos plaatsvindt. Gemeentelijke kadastrale balie: tarieven centraal vastgesteld Op grond van artikel 105 van de Kadasterwet (laatstelijk integraal gepubliceerd in Stb.
1996, 473; daarna gewijzigd) is het voor gemeenten mogelijk, onder gebruikmaking van een permanente aansluiting op de basisregistratie kadaster (‘Kadaster-on-line), een loketfunctie namens het Kadaster te vervullen (gemeentelijke kadastrale balie). De door de gemeenten namens het Kadaster te verstrekken kadastrale informatie valt onder de vigeur van de Kadasterwet. Het door gemeenten aan derden in rekening te brengen tarief voor het verstrekken van informatie namens het Kadaster is het tarief genoemd in de Regeling tarieven Kadaster (Stcrt. 2003, nr. 244, pag. 17). In de overeenkomst met het Kadaster zal zijn opgenomen dat een deel van het voor de informatie verschuldigde kadastraal tarief door de gemeente kan worden behouden. Artikel 1.21 Plan- of kaartinformatie Dit artikel bevat tarieven voor het verstrekken van een kopieën van een ruimtelijk plan, zoals omgevingsvisie of omgevingsplan, wegenkaart behorende bij de legger bedoeld in artikel 1.22, onderdeel b.
Artikel 1.22 Informatie uit registers Onderdeel a Verstrekkingen uit gemeentelijke basisadministratie adressen en gebouwen (BAG) De in onderdeel a genoemde basisregistratie adressen en basisregistratie gebouwen omvatten het gemeentelijk adressenregister, de gemeentelijke adressenregistratie, het gemeentelijk gebouwenregister en de gemeentelijke gebouwenregistratie (artikel 2 Wet basisregistraties adressen en gebouwen (BAG), Stb. 2008, 39). In de wet staan hiervan de volgende definities:
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
77/136
-
adressenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking tot woonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen bevat (artikel 1, onderdeel b, Wet BAG); - adressenregistratie: gemeentelijke registratie van alle woonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen op het grondgebied van de gemeente (artikel 1, onderdeel c, Wet BAG); - gebouwenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking tot panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen bevat (artikel 1, onderdeel h, Wet BAG) ; - gebouwenregistratie: gemeentelijke registratie van alle panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen op het grondgebied van de gemeente (artikel 1, onderdeel i, Wet BAG). Afschriften uit deze registraties kunnen tegen verstrekkingskosten beschikbaar worden gesteld. Daarvoor is in onderdeel a een tariefbepaling opgenomen. Onderdeel b Verstrekkingen uit Wegenlegger Onderdeel b betreft de zogenaamde ‘wegenlegger’. Op grond van artikel 27 van de Wegenwet (Stb. 1930, 342) is iedere gemeente verplicht een legger op te maken van buiten de bebouwde kom of kommen gelegen wegen en van toegangswegen naar stations als bedoeld bij artikel 26, tweede lid, van de Spoorwegwet, ook al zijn deze binnen een bebouwde kom gelegen.
Van wegen welke deels binnen en deels buiten de bebouwde kom of kommen van de gemeente zijn gelegen, wordt ook het binnen een bebouwde kom gelegen deel op de legger gebracht, indien en voor zover dat deel niet door de gemeente wordt onderhouden (artikel 28). Op de voorbereiding van het ontwerp van de legger is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing. De legger wordt in het provinciaal en gemeentearchief bewaard (artikel 38 van de Wegenwet). Onderdeel b betreft het geval dat de wegenlegger (ook) op het gemeentehuis wordt aangehouden. Voor het gemeentearchief geldt paragraaf 1.8 van de tarieventabel. Onderdeel c Verstrekkingen uit rijksmonumentenregister Dit onderdeel betreft het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Erfgoedwet. Het register wordt door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangehouden. De gemeente krijgt een afschrift van de inschrijving in dit register (artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet). Inzage in het rijksmonumentenregister is gratis. Als iemand de gemeente verzoekt om een afschrift van een aan de gemeente verzonden inschrijving in het register, kan de gemeente daaraan voldoen en daarvoor leges heffen ter dekking van de marginale kosten van verstrekking.
Onderdeel d Verstrekkingen uit gemeentelijk erfgoedregister In onderdeel d hebben wij een tarief opgenomen voor het verstrekken van afschriften uit het gemeentelijke erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed (artikel 3.16, vierde lid, van de Erfgoedwet). In de Model-Erfgoedverordening 2016 is dit verder uitgewerkt. In het gemeentelijk erfgoedregister staan gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed (gemeentelijke monumenten, beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten). De gemeente kan daarin ook opnemen gegevens over de van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet (zie onderdeel c). Onderdeel c is dus van toepassing als de gemeente er niet voor kiest om de rijksmonumenten in het gemeentelijke erfgoedregister op te nemen en een afschrift van een ontvangen inschrijving wordt gevraagd. Zie ook de paragraaf 2.4 van de tarieventabel voor de omgevingsvergunning met betrekking tot rijksmonumenten en gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
78/136
Artikel 1.23 Informatie uit adressenbestanden In artikel 1.23 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van kopieën van de daar genoemde bestanden zelf. Wij hebben daarbij gekozen voor een tarief per adres, relatie of adrescoördinaat.
Paragraaf 1.7 Overige publiekszaken Algemeen Op grond van paragraaf 1.7 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een verklaring omtrent het gedrag of een legalisatie van een handtekening. Desgewenst kan de gemeente deze paragraaf aanvullen met andere dienstverlening die niet in deze tarieventabel is genoemd en tot de overige publiekszaken kunnen worden gerekend. Artikel 1.24 Gemeentegarantie Op grond van dit artikel kunnen leges geheven worden voor het verstrekken van een gemeentegarantie. Overigens verstrekken de meeste gemeenten sinds 1 januari 1995 geen gemeentegaranties meer als borgstelling voor hypotheken van huiseigenaren. In veel gemeenten is per die datum de gemeentegarantie volledig vervangen door de Nationale hypotheekgarantie (NHG) die wordt verstrekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW). Gemeenten moesten hun achtervangovereenkomsten met de WEW uiterlijk 1 januari 2011 beëindigen. Gemeentegaranties kunnen echter op grond van gemeentelijk beleid nog in andere gevallen worden verstrekt, bijvoorbeeld aan instellingen die, zonder winstoogmerk, uitsluitend een publieke taak of ideëel doel dienen. Voor het wijzigen of omzetten van een door de gemeente (in het verleden) gegarandeerde hypothecaire geldlening is eveneens legesheffing mogelijk. Het tweede lid voorziet hierin.
Het gaat daarbij onder andere om het omzetten van de financieringsvorm (bijvoorbeeld het omzetten van een lineaire hypotheek in een annuïteitenhypotheek). Artikel 1.25 Overige publiekszaken Onderdeel a Verklaring omtrent het gedrag Sinds 1 april 2004 beslist niet langer de burgemeester, maar de minister van Justitie over het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. De maximale hoogte van de hiervoor te heffen leges wordt door het Rijk vastgesteld. Van 1 januari 2006 tot 1 maart 2016 bedroeg die maximale vergoeding € 30,05, vanaf 1 maart 2016 € 41,35. De gemeente moest per aanvraag tot 1 maart 2016 € 22,55 en moet vanaf 1 maart 2016 € 33,85 aan het Rijk afdragen. Wat de gemeente (tot het maximumbedrag) meer heft dan deze afdracht is een vergoeding die de gemeente krijgt voor de werkzaamheden die zij voor de behandeling van een dergelijke aanvraag moet uitvoeren (Regeling vergoeding verklaring omtrent het gedrag en gedragsverklaring aanbesteden, Stcrt. 2013, 8864, gewijzigd Stcrt. 2015, 42694; vóór 1 april 2013: Regeling leges en afdracht vergoeding afgifte verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen en rechtspersonen, Stcrt. 2004, 63, pag. 12, Stcrt. 2005, 242, pag. 23, en Stcrt. 2008, 23, pag. 12). Aangezien het Rijk een maximaal te heffen bedrag vaststelt, is het noodzakelijk dat de gemeente een tarief in de legesverordening opneemt.
Wij delen dus niet de visie van Hof ’sHertogenbosch 10 juni 2016, nr. 15/00135 (Maasgouw), ECLI:NL:GHSHE:2016:2327, VNG-nummer: 6602. Het hof oordeelt daarin dat de leges VOG geen gemeentelijke belastingen zijn, omdat de genoemde rijksregeling de grondslag voor het in rekening brengen van de vergoeding is, geen belastingwet is en dat daarom ook de AWR niet van toepassing is. Omdat gemeenten voor het genot van door hen verleende diensten leges kunnen heffen en hiervan sprake is (X bestrijdt dat in die procedure overigens), is de wettelijke grondslag hiervoor volgens ons wel degelijk art. 229, eerste lid,
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
79/136
onder b, Gemeentewet. En deze rechten worden ingevolge art. 229, derde lid, Gemeentewet aangemerkt als gemeentelijke belastingen waarop de AWR van toepassing is. Onderdeel b Legalisatie van een handtekening Bij legalisatie van een handtekening verklaart de burgemeester dat een handtekening op een bepaald document 'echt' is. Dat wil zeggen dat deze overeenkomt met de handtekening op uw legitimatiebewijs. De handtekening moet aan de balie gezet worden. Legalisatie van een handtekening kan bijvoorbeeld nodig zijn als iemand een persoon in het buitenland schriftelijk wil machtigen. Voor de legalisatie kunnen leges worden geheven. Onderdeel b voorziet hierin.
Paragraaf 1.8 Gemeentearchief Algemeen Gemeentearchieven kunnen worden onderscheiden in archiefbewaarplaatsen in de zin van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) en andere archieven. Op grond van artikel 14 van de Archiefwet 1995 zijn de archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten openbaar (behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17), en kunnen deze archiefbescheiden kosteloos geraadpleegd worden. Als iemand zelf de archiefbescheiden raadpleegt, kunnen dus geen leges geheven worden. Met betrekking tot andere archieven dan archiefbewaarplaatsen is in de Archiefwet 1995 niet geregeld dat deze openbaar zijn en dat deze kosteloos geraadpleegd kunnen worden. Voor verstrekkingen uit de archieven is sinds 18 juli 2015 de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Stb. 2015, 271) van toepassing. Voor archiefbewaarplaatsen gelden alleen de artikelen 5, 6 en 9, eerste en vierde lid, van die wet. Voor meer informatie verwijzen wij naar het slot van de toelichting op artikel 5. Artikel 1.26 Naspeuringen in gemeentearchief In dit artikel is een tarief opgenomen voor het doen van naspeuringen in het gemeentearchief. Het gaat hierbij dus uitsluitend om het van gemeentewege doen van naspeuringen op verzoek van een belanghebbende. Het tarief is afhankelijk gesteld van de tijd die de ambtenaar van het gemeentearchief aan het doen van de naspeuringen heeft besteed.
Ook indien het doen van de naspeuringen niet heeft geleid tot het gewenste resultaat zijn de leges verschuldigd. Wij merken nog op dat voor het doen van naspeuringen in verband met een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (voorheen: Wet openbaarheid van bestuur (Wob)) geen leges geheven kunnen worden (zie voor de Wob: HR 8 februari 2013, nrs. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693, Belastingblad 2013/96 en HR 8 februari 2013, nr. 11/03758, ECLI:NL:HR:2013:BX0945, Belastingblad 2013/97). Artikel 1.27 Afschrift of uittreksel uit gemeentearchief Gelet op de verschillende wijzen waarop informatie verstrekt kan worden (op verschillende formaten papier, op verschillende digitale media of langs elektronische weg), waardoor de marginale verstrekkingskosten nogal kunnen verschillen, hebben wij in dit artikel voor het verstrekken van kopieën of uittreksels uit de in het gemeentearchief berustende stukken gekozen voor de zogenaamde begrotingsconstructie. Met het vooraf kennisgeven van een gespecificeerde begroting van de marginale verstrekkingskosten, voldoet de gemeente aan de tariefvoorschriften van de Wet hergebruik van overheidsinformatie. De artikel 1.26 en 1.27 kunnen cumuleren.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
80/136
Artikel 1.28 Uitlenen van archiefbescheiden Artikel 18 van de Archiefwet 1995 maakt het mogelijk om archiefbescheiden uit te lenen. Op grond van het zesde lid van dat artikel kunnen de aan de uitlening verbonden kosten aan de verzoeker in rekening worden gebracht. Ook hiervoor geldt dat alleen de marginale verstrekkingskosten kunnen worden doorberekend (artikel 19 Archiefwet in samenhang met artikel 9 van de Wet hergebruik van overheidsinformatie). Voor het in behandeling nemen van een daartoe strekkend verzoek hebben wij in dit artikel een tariefbepaling opgenomen.
Paragraaf 1.9 Bijzondere wetten Artikel 1.29 Huisvestingswet 2014 Uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is dat een verordening een inbreuk vormt op de vrijheid van vestiging en daarom alleen dan mag worden toegepast als er een bepaalde mate van schaarste is. Als er sprake is van schaarste op de woningmarkt, wordt schaarste niet met een verordening opgelost. Dus gebruik van de verordening onder de wet kan alleen als zo mogelijk ook andere maatregelen getroffen worden om schaarste te bestrijden. Wij hebben tariefbepalingen opgenomen voor het in behandeling nemen van aanvragen voor een huisvestingsvergunning (eerste lid) en voor indeling in een bepaalde urgentiecategorie (tweede lid). Voor andere in de Huisvestingswet 2014 geregelde vergunningen – de onttrekkingsvergunning, de samenvoegvergunning, de omzettingsvergunning, de woningvormingsvergunning, de splitsingsvergunning, de vergunning toeristische verhuur en de verhuurvergunning opkoopbescherming – zijn tariefbepalingen opgenomen in paragraaf 3.6 van hoofdstuk 3 omdat deze vergunningen blijkens de Model-Huisvestingsverordening 2014 betrekking hebben op dienstverrichters (woningcorporaties en/of particuliere verhuurders) en dus onder de Europese Dienstenrichtlijn vallen.
Artikel 1.30 Leegstandwet Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kan het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van een woning of een gebouw vergunning verlenen tot tijdelijke verhuur van woonruimte. Tijdelijke verhuur kan een oplossing vormen in situaties waarin eigen bewoning, reguliere verhuur dan wel verkoop van een woonruimte op afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Op grond van artikel 15 Leegstandwet gelden de volgende regels: - Voor woonruimte in een gebouw (zoals kantoren of scholen): o indien een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend: vergunning tijdelijke verhuur voor de duur van die omgevingsvergunning tot maximaal 10 jaar (artikel 15, lid 7); o indien geen omgevingsvergunning: vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar (artikel 15, lid 6), met mogelijkheid van verlenging. - Voor woonruimte in een voor verkoop bestemde woning: vergunning tijdelijke verhuur voor 5 jaar; geen verlenging mogelijk (art. 15, lid 8). - Voor woonruimte in een voor verhuur bestemde woning (in afwachting van sloop of renovatie): vergunning tijdelijke verhuur voor 2 jaar (artikel 15, lid 6), met mogelijkheid van verlenging. Voor de vergunningaanvraag hebben wij het eerste lid, onderdeel a, en voor een aanvraag tot vergunningverlenging hebben wij in het eerste lid, onderdeel b, een tariefbepaling opgenomen.
Per woonruimte wordt een vergunning voor tijdelijke verhuur aangevraagd en afgegeven. Als voor verschillende woonruimten in een complex een vergunning voor tijdelijke verhuur wordt aangevraagd, moet de gemeente formeel per woonruimte beschikken en leges heffen. De gemeente zal dergelijke
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
81/136
aanvragen echter gecombineerd behandelen. Daarom hebben wij in het tweede lid bepaald dat bij een complexgewijze behandeling van aanvragen slechts eenmaal leges wordt geheven. Artikel 1.31 Wet op de kansspelen Eerste lid Aanwezigheidsvergunning Voor de aanwezigheid van kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is een aanwezigheidsvergunning vereist, af te geven door de burgemeester. De aanwezigheidsvergunning kan op grond van artikel 30d, tweede lid, voor bepaalde of onbepaalde tijd worden afgegeven. In artikel 30d, derde lid, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld betreffende de hoogte van de voor het afgeven van deze vergunningen te hanteren tarieven. Deze nadere regels zijn opgenomen in artikel 3 van het Speelautomatenbesluit 2000 (Stb. 2000, 223). De in dat artikel opgenomen bedragen vormen voor gemeenten maximum te heffen legesbedragen. De tarieven zijn afhankelijk gesteld van de periode waarvoor de vergunning wordt afgegeven en het aantal kansspelautomaten. De maximumleges voor een aanwezigheidsvergunning zijn: looptijd vergunning
maximumleges
12 maanden
€ 22,50 + (aantal kansspelautomaten x € 34,-)
<12 maanden
{ € 22,50 + (aantal kansspelautomaten x € 34,-)} x (looptijd /12)
> 12 maanden < 4 jaar
{ € 22,50 + (aantal kansspelautomaten x € 34,-)} x (looptijd /12)
> 4 jaar of onbepaalde tijd
€ 90,50 + (aantal kansspelautomaten x € 136,-)
Onderdelen a en b hebben betrekking op een vergunning voor een periode van twaalf maanden. De onderdelen c en d hebben betrekking op een vergunning voor onbepaalde tijd of voor een aantal jaren mits dit aantal ten minste vier bedraagt. Tweede lid Het opnemen van langere of kortere tijdvakken dan genoemd in het eerste lid waarvoor de vergunning zal gelden is mogelijk, zij het dat dan een tijdsevenredige herberekening van de in het Speelautomatenbesluit 2000 opgenomen maxima moet plaatsvinden. Artikel 3, tweede lid, van dat besluit bepaalt namelijk dat voor aanwezigheidsvergunningen die gelden voor een tijdvak korter dan twaalf maanden of langer dan twaalf maanden doch ten hoogste vier jaar, de in het eerste lid van artikel 3 genoemde maximumbedragen naar evenredigheid van het verschil in looptijd van de vergunning moeten worden verlaagd onderscheidenlijk verhoogd. Wij hebben die bepaling overgenomen in het tweede lid. Er is geen tarief opgenomen voor het wijzigen van een vergunning, zodat een aan te brengen wijziging alleen via de afgifte van een nieuwe vergunning mogelijk is. Door de Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 2010, 205 en 206), is er sinds 1 juli 2010 alleen nog een aanwezigheidsvergunning nodig voor kansspelautomaten.
Voor behendigheidsautomaten is de vergunningplicht vervallen. Ook de prijsvraagvergunning van artikel 28 van de Wet op de kansspelen is vervallen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
82/136
Derde lid Loterijvergunning In het derde lid is een tarief opgenomen voor zogenaamde ‘loterijvergunningen’. Op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen tot het geven van gelegenheid om mede te dingen naar prijzen of premies uitsluitend om met de opbrengst daarvan enig algemeen belang te dienen. Het college van burgemeester en wethouders kan uitsluitend de vergunning verlenen als de gezamenlijke waarde van de prijzen minder bedraagt dan € 4.500. In andere gevallen verleent de minister van Justitie de vergunning. Voor de gevallen waarin de minister van Justitie bevoegd is, zijn de tarieven voor het behandelen van de vergunningaanvragen opgenomen in artikel 3a van het Kansspelenbesluit (Stb. 1997, 616). Dit besluit bevat geen tariefbepalingen voor de gevallen dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is voor het behandelen van de aanvraag om een loterijvergunning. Dat betekent dat de gemeente zelf de hoogte van het legestarief kan vaststellen. Vierde lid Op grond van artikel 2:39, tweede lid, van de model-APV geldt een vergunningplicht voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. In het vierde lid is hiervoor een tariefbepaling opgenomen.
Artikel 2:39 verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de kansspelen. Oogmerk van de Wet op de kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan. Artikel 1.32 Telecommunicatiewet Eerste en tweede lid: Werkzaamheden in verband met aanleg, instandhouding of opruiming van kabels Het eerste en tweede lid zien op de gevallen dat graafwerkzaamheden in openbare grond nodig zijn voor het leggen of verleggen van telecomleidingen door aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in het kader van de Telecommunicatiewet. Deze wet geeft aan het college van burgemeester en wethouders – als eigenaar van openbare gronden in de gemeente – een coördinerende rol met betrekking tot deze graafwerkzaamheden teneinde deze wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering op elkaar af te stemmen.
In verband hiermee is in artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet geregeld dat genoemde aanbieders het voornemen tot het verrichten van werkzaamheden melden aan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente en niet overgaan tot uitvoering dan nadat zij van het college instemming hebben verkregen over plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Zonder de instemming kan de aanbieder niet overgaan tot het verrichten van de werkzaamheden. De instemming is derhalve als een dienst aan de aanbieder te beschouwen zodat ter zake daarvan leges kunnen worden geheven (Kamerstukken II 1996/97, 25533, nr. 3, pag. 94). Bij gelegenheid van de herziening van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet die 1 februari 2007 in werking is getreden, is opgemerkt dat de melding kan worden gezien als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht om in te stemmen met het voorstel van de aanbieder met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden (Kamerstukken II 2004–2005, 29834, nr. 3, blz. 52). Op prejudiciële vragen van de Hoge Raad aan het Europese Hof van Justitie (HR 5 juni 2015, nr. 13/03931, ECLI:NL:HR:2015:1467) heeft dit Hof beslist dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op de in het eerste en tweede lid geregelde leges. Wel is artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn (Richtlijn
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
83/136
2002/20/EG) van toepassing. Het is daarvoor niet nodig dat de gemeente als een ‘nationaal regelgevende instantie’ (NRI) is aangewezen (HvJEU 30 januari 2018, C-360/15 (Amersfoort), ECLI:EU:C:2018:44). In de vervolgprocedure oordeelt de Hoge Raad dat artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn niet aan de heffing van leges in de weg staat. Artikel 13 dient er niet uitsluitend toe (administratie)kosten te dekken, maar heeft ten doel een optimaal gebruik van de ‘telecommunicatiefaciliteiten’ te waarborgen. De vergoedingen moeten objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel, waarbij rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van artikel 8 van de kaderrichtlijn voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (richtlijn 2002/21/EG). De Hoge Raad verwijst de zaak naar Gerechtshof ’s-Hertogenbosch om te beoordelen of de legesheffing hieraan voldoet (HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2199). Dit hof is van oordeel dat het heffen van de leges is gebeurd in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn (Gerechtshof ’sHertogenbosch 02-04-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1119; zie r.o. 4.10 tot en met 4.16). Het cassatieberoep heeft de Hoge Raad met toepassing van artikel 81, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie afgedaan (Hoge Raad 08-01-2021, ECLI:NL:HR:2021:28).
Inmiddels zijn (onder meer) bovengenoemde Machtigingsrichtlijn (Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn) vervangen door de Telecomcode (Richtlijn EU 2018/1972). Artikel 42, eerste lid, van de Telecomcode regelt hetzelfde als artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn. Gemeenten doen er verstandig aan een goede baten-lastenraming op hoofdstukniveau te hebben en wat dit hoofdstuk betreft geen meer dan kostendekkende tarieven te stellen. Het verdient aanbeveling de tariefbepalingen af te stemmen op de Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden. Zie Ledenbrief 04/26 - Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden telecom (29 maart 2004). Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd (bekendmaking via nieuwsbericht op www.vng.nl). In deze richtlijn is onder meer een beheerkostenvergoeding geregeld. Onder beheerkosten worden verstaan de kosten van toezicht op de uitvoering van het herstel, ongeacht of de uitvoering van dit herstel is gedaan door de telecomaanbieder of de gemeente. Werkzaamheden die vallen onder de beheerkosten zijn: - toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel; - toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van herstel; - monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de onderhoudsperiode; - administratiekosten die niet bij de leges in rekening zijn gebracht; - eerste en tweede oplevering van herstelwerkzaamheden.
De werkzaamheden die de gemeente verricht en waarvoor bij het verlenen van het instemmingbesluit leges worden geheven, vallen niet onder de berekening van de beheerkosten in deze richtlijn. De berekening van de beheerkosten is gebaseerd op een strikte scheiding van werkzaamheden die onder de leges vallen en werkzaamheden die onder de beheerkosten vallen. De richtlijn geldt niet voor gesloten verhardingen zoals asfalt en cementbeton, grootschalige en kleinschalige verhardingselementen, gefundeerde verharding, plantsoenen en bomen. Dit betekent dat hiervoor geen tarieven zijn opgenomen in de richtlijn. Over een en ander dienen tussen de gemeente en de aanbieder op projectniveau, of indien mogelijk generiek, afspraken gemaakt te worden, waarbij wordt afgestemd met de tariefbepaling in de legesverordening. Bovengenoemde beheerkosten dienen dus niet in de leges te worden verdisconteerd. De kosten van de volgende activiteiten zouden onder de legesheffing kunnen worden gebracht: - overleg met aanvrager over tijd, plaats en werkwijze van de werkzaamheden; - opstellen (verkeerskundige) adviezen; - (technisch) beoordelen van het werk; - beoordelen overige (bovengrondse of maaiveld) voorzieningen;
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
84/136
-
eventueel overleg met andere grondeigenaren en toets van de bereikte overeenstemming met die grondeigenaren door de aanvrager; - onderzoek naar de status van het werk; - aanwijzen van de plaats van de aan te leggen (ondergrondse) infrastructuur; - indien eigen gemeentelijk registratiesysteem van kabels en leidingen, verstrekken gegevens aan de aanvrager, beoordelen van het grondgebruik, afstemming met andere kabel- en leidingbeheerders, maken van revisietekeningen en updaten van digitale of analoge bestanden; - coördinatie en afstemming met overige werken in de openbare ruimte; - beoordelen en sturen van het werk uit oogpunt van stedelijke bereikbaarheid; - publiceren van meldingen en/of (concept-)instemmingsbesluiten; - administratieve handelingen van de gemeente en overige kosten (vergaderkosten, reiskosten, personele kosten, kosten van bijhouden van (geautomatiseerde) bestanden, uitwerken alternatieve plannen e.d.). In het eerste lid hebben wij gekozen voor een vast bedrag dat wordt vermeerderd met een bedrag per strekkende meter sleuflengte. Meer sleuflengte betekent meer meters kabels of leidingen, wat de complexiteit van de coördinatie zal verhogen.
In verband met dit laatste is ook een tariefonderscheid gemaakt tussen graafwerkzaamheden in verhard oppervlak (eerste lid, onderdeel a: tegel-, klinker- en sierbestratingen, gesloten verhardingen) en onverhard oppervlak (eerste lid, onderdeel b: bermen, groenstroken en dergelijke). Aangezien de hierboven genoemde richtlijn niet geldt voor gesloten verharding moet, indien de tariefbepaling in de legesverordening ook voor gesloten verharding geldt, bij het maken van nadere afspraken over de beheerkosten hiermee rekening worden gehouden. Dit kan aanleiding zijn het tarief voor gesloten verharding af te splitsen van het tarief voor klinkerverharding e.d., zoals nu nog als één tarief is opgenomen in onderdeel a. Vanzelfsprekend kan in het eerste lid ook alleen voor het vaste bedrag worden gekozen (en worden de onderdelen a en b dan niet overgenomen). Het tarief per strekkende meter sleuf is alleen van toepassing voor zover de werkzaamheden niet plaatsvinden in grond van andere overheden, zoals waterschappen en provincies. In deze situaties zijn de werkzaamheden voor de gemeente minder ingrijpend dan wanneer de werkzaamheden in gemeentegrond of particuliere grond plaatsvinden. Indien de werkzaamheden in waterschaps- of provincie- of rijksgronden plaatsvinden, geldt het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c.
Het tarief van het eerste lid kan eventueel ook worden gedifferentieerd naar gebied waarbinnen de graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Deze differentiatie gaat ervan uit dat in bijvoorbeeld het centrum de coördinerende taak meer kosten oproept, dan wel dat de kosten toenemen naarmate het graaftraject groter is. Het eerste lid, onderdeel c, ziet op de gevallen dat er andere beheerders van het openbaar gebied in het geding zijn. Het eerste lid, onderdeel d, ziet op het geval dat de aanvrager van een instemmingsbesluit ook nog een vergunning, al dan niet van een ander bestuursorgaan, nodig heeft. Hij kan dan het college verzoeken bij de beoordeling van de aanvragen een inhoudelijke afstemming te bevorderen (artikel 5.5 Telecommunicatiewet). Het eerste lid, onderdeel e, heeft betrekking op de incidentele gevallen dat een nader onderzoek naar de status van de kabel plaatsvindt. Het zal dan vooral gaan om onbekende aanbieders. Onderdeel e maakt het mogelijk zowel de eigen kosten als de eventuele externe advieskosten door te berekenen. Voor de mededeling van deze, bij het indienen van de melding vaak nog onbekende kosten, hebben wij gekozen voor de zogenaamde begrotingsconstructie. De melder dient op de hoogte te worden gesteld
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
85/136
van deze kosten en gelegenheid te krijgen zijn aanvraag in te trekken voordat de aanvraag in behandeling wordt genomen. Het tweede lid voorziet daarin. De Hoge Raad heeft de begrotingsconstructie aanvaard in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr. 40079, LJN: AR7769. De Hoge Raad oordeelt daarin bovendien dat als de meerdaagse bedenktijd in de verordening ontbreekt, dit niet leidt tot onverbindendheid. In voorkomend geval kan de belastingplichtige de heffing bestrijden op de grond dat de gemeente de aanvraag in behandeling neemt (waarmee het belastbare feit plaatsvindt) zonder voldoende zeker te zijn of de kostenopgaaf de aanvrager al dan niet aanleiding geeft de aanvraag in te trekken. Derde tot en met vijfde lid: Medegebruik gemeentelijke infrastructuur voor plaatsen small cells Het derde tot en met vijfde lid gaan over het medegebruik van publieke infrastructuur van de gemeente voor het plaatsen van small cells als bedoeld in artikel 5c.2 van de Telecommunicatiewet (Wet van 16 februari 2022, Stb. 83, Kamerstukken 35865, Implementatie Telecomcode). De Telecommunicatiewet verplicht overheden in te stemmen met een redelijk verzoek voor het medegebruik van publieke infrastructuur voor de plaatsing van small cells.
Ter ondersteuning van gemeenten voor de inrichting van een administratief proces en de inhoudelijke afweging bij een verzoek voor medegebruik van gemeentelijke infrastructuur is een Leidraad medegebruik gemeentelijke infrastructuur voor plaatsen small cells beschikbaar (www.overalsnelinternet.nl van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat). De leidraad is tot stand gekomen in samenwerking tussen de ketenpartners (telecombedrijven, gemeenten, Gemeentelijk Platform Kabels en Leidingen en VNG). De leidraad bevat ‘voorbeeldleges’ en een toelichting daarop met voorbeeld tariefberekening. De tariefbepalingen in het derde tot en met vijfde lid zijn hiermee in overeenstemming. Aan die leidraad ontlenen wij het volgende. Gemeenten kunnen aanbieders administratiekosten in rekening brengen voor de behandeling van een verzoek tot medegebruik van gemeentelijke objecten voor de plaatsing van small cells. Het gaat om administratiekosten ‘die voortvloeien uit het beheer, de controle van en het toezicht op de naleving van het medegebruik’ (art. 5c.4, tweede lid, Telecommunicatiewet in samenhang met artikel 16 van de Telecomcode). Deze kosten kunnen in de vorm van leges in rekening worden gebracht. Artikel 5c.4 van de Telecommunicatiewet betreft de implementatie van artikel 57 van de Telecomcode.
Voor het medegebruik van de publieke infrastructuur zelf en de bijkomende kosten kunnen gemeenten een marktconforme vergoeding vragen via een privaatrechtelijke overeenkomst (art. 5c.2, tweede lid, van de Telecommunicatiewet). De vergoeding voor administratiekosten moet voldoen aan de eisen uit artikel 42, eerste lid, Telecomcode: a) waarborgt optimaal gebruik van de infrastructuur; b) is objectief gerechtvaardigd; c) is transparant; d) is niet-discriminerend; e) staat in verhouding tot het beoogde doel; f) houdt rekening met de algemene doelstellingen (in artikel 3) van de Telecomcode. Dit betekent dat legesheffing medegebruik niet mag belemmeren door te hoge leges. Derde lid: Vooroverleg Doorgaans vindt voorafgaand aan een verzoek tot medegebruik vooroverleg plaats. Een aanbieder kan de wens hebben om voorafgaand aan een verzoek gemeentelijke objecten te beoordelen op de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
86/136
geschiktheid voor medegebruik en daarvoor bijvoorbeeld toegang nodig hebben tot een gebouw, object of installatie. Artikel 5a.9 van de Telecommunicatiewet biedt de mogelijkheid tot bezichtiging, formeel nadat een verzoek is gedaan (het artikel gebruikt voor een bezichtiging de term ‘inspectie’). Als een aanbieder toestemming vraagt objecten op een bepaalde datum te bezichtigen, zal dit doorgaans plaatsvinden vóórdat een formeel verzoek tot medegebruik wordt ingediend. Daarom combineert het model de leges voor vooroverleg en bezichtiging in één tarief voor vooroverleg. De kosten voor vooroverleg zijn geen administratiekosten die direct verbonden zijn aan de afhandeling van een verzoek tot medegebruik. Het verzoek is immers nog niet ingediend en een aanbieder kan alsnog afzien van het indienen van een verzoek. Het vooroverleg kan als aparte dienst via de leges in rekening worden gebracht omdat er een tegenprestatie is in de vorm van een inschatting door de gemeente of medegebruik haalbaar is. Het tarief voor het vooroverleg, inclusief eventuele bezichtiging van de beoogde infrastructuur door een aanbieder, is een percentage van de leges die daadwerkelijk in rekening gebracht zouden worden na instemming met het verzoek gebaseerd op het aantal beoogde objecten.
Zo kan een gemeente de kosten voor het vooroverleg in rekening brengen, mocht een partij in het vooroverleg concluderen dat een verzoek niet haalbaar is. Wordt er na het vooroverleg daadwerkelijk een verzoek tot medegebruik ingediend, dan worden de kosten voor het vooroverleg verrekend met de leges voor het verzoek tot medegebruik (vijfde lid). Vierde lid: Verzoek tot medegebruik Gemeentelijke werkzaamheden die vallen onder de leges voor het in behandeling nemen van een verzoek tot medegebruik als bedoeld in artikel 5c.2 van de Telecommunicatiewet, eerste lid, zijn: - de intake van het verzoek; - het inhoudelijk beoordelen van het verzoek, inclusief beoordeling van technische geschiktheid en een eventueel daarmee samenhangende fysieke inspectie van objecten; - tussentijdse afstemming met de indiener van het verzoek (vergaderkosten, reiskosten en dergelijke); - het administratief afhandelen van de instemming of afwijzing van het verzoek, inclusief de kosten van bijhouden van geautomatiseerde systemen. De leges voor de werkzaamheden die gepaard gaan met het behandelen van een verzoek kan per verzoek, per infrastructureel object, per small cell of per uur berekend worden. De gemeente maakt hierin vooraf een keuze en legt deze vast in de legesverordening.
In de eerdergenoemde leidraad is gekozen voor een tarief per verzoek gebaseerd op een bepaald aantal gemeentelijke objecten per verzoek waarvoor medegebruik wordt aangevraagd. Reden hiervoor is dat de inspanning van de gemeente vooral wordt bepaald door een afgebakend aantal objecten en in mindere mate het type object waarvoor medegebruik wordt aangevraagd. Daarnaast is de verwachting dat een verzoek doorgaans betrekking zal hebben op een samenhangende groep infrastructuur, bijvoorbeeld een groep lichtmasten of straatmeubilair in een afgebakend gebied. Vanwege praktische uitvoerbaarheid kiest de leidraad daarom voor een tarief per verzoek ongeacht het type of soort object, maar wel afhankelijk van het aantal objecten. In het vierde lid hebben wij dat model overgenomen. Gelet op bovengenoemde verwachting ligt een degressieve tariefstelling voor de hand. Dit leidt bijvoorbeeld tot de volgende legesopbouw: a. voor medegebruik van 1 tot en met 20 objecten € [basistarief]; b. voor medegebruik van 21 tot en met 40 objecten € [tarief onderdeel a + 90% basistarief; c. voor medegebruik van 41 tot en met 60 objecten € [tarief onderdeel b + 80% basistarief]; enzovoort tot j. voor medegebruik van 181 of meer objecten € [tarief onderdeel i + 10% basistarief].
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
87/136
Om de small cells te verbinden met het bestaande netwerk kan het ook noodzakelijk zijn dat glasvezel aangelegd dient te worden. Als dat het geval is, dan is ook een instemmingsbesluit op grond van artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet door de gemeente vereist (zie het eerste en tweede lid van artikel 1.32). De gemeente dient dan het verzoek tot medegebruik te coördineren met dit instemmingsbesluit. Vijfde lid: Verrekening tarief vooroverleg Als er voorafgaand aan het verzoek tot medegebruik gebruik is gemaakt van de optie van vooroverleg, kunnen de voor het vooroverleg geheven leges verrekend worden met de leges die in rekening worden gebracht voor de behandeling van het verzoek tot medegebruik. Reden hiervoor is dat vooroverleg de afhandeling van het verzoek om medegebruik efficiënter zal doen verlopen. Hiervoor moet er afdoende binding zijn tussen het vooroverleg en het daadwerkelijke verzoek, zoals uitgewerkt in het vijfde lid. Volgens de leidraad ligt een maximale termijn van twaalf weken tussen het vooroverleg en het daadwerkelijke verzoek voor de hand. Desgewenst kan ervoor worden gekozen om alleen een deel van de leges voor vooroverleg in mindering te brengen, bijvoorbeeld 80%. Artikel 1.33 Wegenverkeerswetgeving Onderdeel a Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990, Stb.
459) kan het bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in een aantal in artikel 87 genoemde artikelen. Het college van burgemeester en wethouders of de door hem ingestelde bestuurscommissie is het bevoegde gezag voor het verkeer op wegen die niet in beheer zijn bij het rijk, de provincie of het waterschap (artikel 1 RVV 1990 in samenhang met artikel 18, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994). Onderdeel a heeft betrekking op de hiervoor genoemde ontheffingen. Daarbij kan gedacht worden aan ontheffingen die worden verleend bij wielerwedstrijden of straatfeesten. Onderdeel b De Dienst Wegverkeer (RDW) is sinds 1 januari 2006 bevoegd voor het in behandeling nemen van een aanvraag en de afgifte van een ontheffing voor exceptionele transporten voor alle wegbeheerders in heel Nederland (artikel 149a, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten (Stb. 2005, 438). Op grond van artikel 9.1 van de Regeling voertuigen (Stcrt. Suppl. 2009, 81) kan het bevoegde gezag echter ontheffing verlenen voor bijzondere transporten van voertuigen. De ontheffingsbevoegdheid betreft de ontheffing van bepalingen en voorwaarden waaraan een voertuig moet voldoen om daarmee te mogen rijden op de openbare weg. De ontheffingen kunnen niet alleen betrekking hebben op gemeentelijke wegen gelegen binnen, maar ook op wegen buiten de bebouwde kom.
Aanvragen voor ontheffingen voor ongekentekende voertuigen kunnen bij de gemeente worden ingediend als zij wegbeheerder is (zie bij onderdeel a). Artikel 9.4, eerste lid, van de Regeling voertuigen bepaalt dat het bevoegde gezag tarieven kan vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing. Onderdeel b voorziet hierin. Artikel 9.4, tweede lid, van de Regeling voertuigen bepaalt verder dat het bevoegde gezag kan bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager. Het spreekt voor zich dat een dergelijke bepaling niet voorbehouden behoeft te blijven aan de ontheffing als bedoeld in artikel 9.1 van de Regeling voertuigen. Wij hebben - gelet op de hoogte van de tarieven - alleen bij vaste-standplaatsvergunningen voor de markt (artikel 3.8 van de tarieventabel) en omgevingsvergunningen teruggaafbepalingen wenselijk geoordeeld (paragraaf 2.14 van de tarieventabel).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
88/136
De gemeentelijke wegbeheerder kan haar ontheffingsbevoegdheid mandateren aan de RDW (die dan dus het gemeentelijk tarief moet hanteren). Als de ontheffingverlening is gemandateerd aan de RDW, moet ook de heffing van de leges via mandaatverlening (door de heffingsambtenaar) worden geregeld. De heffingsbevoegdheden kunnen daarbij bijvoorbeeld worden beperkt tot het vaststellen van het verschuldigde bedrag. De invordering (in eerste aanleg) kan door middel van een machtiging aan de directeur van de RDW worden opgedragen (door de invorderingsambtenaar). Onderdeel c Onderdeel c heeft betrekking op het verstrekken van gehandicaptenparkeerkaarten. Op grond van artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte die zich niet of nauwelijks te voet kan voortbewegen door de raad of, krachtens besluit van de raad, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
Paragraaf 1.10 Diversen Artikel 1.34 Gewaarmerkte afschriften, kopieën, stukken of uittreksels Artikel 1.34 heeft tot doel te dienen als een vangnet voor situaties waarin niet elders in de tarieventabel of in een wettelijke regeling een tarief is opgenomen. Op grond van de bepalingen van dit artikel kunnen voor bepaalde diensten dan toch leges geheven worden. Het gaat daarbij met name om het verstrekken van stukken. De stukken zijn te onderscheiden in een viertal categorieën, namelijk: - gewaarmerkte stukken (onderdeel a), - beschikkingen op aanvraag (onderdeel b), - stukken of uittreksels die op verzoek van de aanvrager worden gemaakt (onderdeel c), en - niet gewaarmerkte stukken (kopieën, onderdeel d). Onderdeel b is zodanig geredigeerd dat de heffing van leges zich niet beperkt tot de gevallen waarin op gunstige wijze op de aanvraag wordt beslist. Immers, het behandelen van een aanvraag brengt voor de gemeente werkzaamheden met zich mee, zowel in het geval dat de aanvraag wordt gehonoreerd als in het geval dat de aanvraag wordt afgewezen. Uiteraard kan een gemeente onderdeel b zodanig aanpassen dat de heffing van leges zich beperkt tot de gevallen dat op gunstige wijze op de aanvraag wordt beschikt. Bij onderdeel d is nog van belang dat kostenverhaal vaak slechts beperkt mogelijk is in verband met de Wet hergebruik overheidsinformatie en de Wet open overheid.
Zie hierover de toelichting op artikel 5 van de verordening (Maatstaven en tarieven), onder ‘Soms alleen kopieerkosten of marginale verstrekkingskosten door te berekenen’.
HOOFDSTUK 2 DIENSTVERLENING EN BESLUITEN IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET Algemeen In dit hoofdstuk zijn tariefbepalingen opgenomen die een relatie hebben met de Omgevingswet. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, erfgoed, milieu, natuur en water. De wet vormt de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. De wet beoogt een versterking van de positie van decentrale overheden, volgens het principe ‘Decentraal, tenzij’. De bedoeling van de Omgevingswet is bovendien om passende ontwikkelingen meer mogelijk te maken (‘nee, tenzij’ moet veranderen in ‘ja, mits’).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
89/136
Omgevingswet en bijbehorende regelgeving Voor een goed begrip van dit hoofdstuk is enige kennis van de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving onontbeerlijk. De volgende regelgeving is van belang: - Omgevingswet (Stb. 2016, 156, nadien gewijzigd): benoemt onder andere activiteiten, bevoegd gezag en bevat overgangsrecht. - Omgevingsbesluit (Stb. 2018, 290, nadien gewijzigd): is een nadere uitwerking van de Omgevingswet, werkt bijvoorbeeld uit wie bevoegd gezag is. Bevat ook overgangsrecht. In de modelverordening leges staan alleen (enkelvoudige) activiteiten waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. - Besluit bouwwerken leefomgeving (Stb. 2018, 291, nadien gewijzigd): hierin onder andere vergunningplichtige en vergunningvrije bouwactiviteiten. - Besluit kwaliteit leefomgeving (Stb. 2018, 292; nadien gewijzigd) bevat instructieregels voor overheden over de kwaliteit van de leefomgeving. - Besluit activiteiten leefomgeving (Stb. 2018, 293, nadien gewijzigd): niet meer de inrichting, maar bepaalde milieubelastende activiteiten worden vergunningplichtig. - Omgevingsregeling (Stcrt. 2019, 56288, nadien gewijzigd): bevat in hoofdstuk 14 de tarieven van de rechten die door het Rijk worden geheven volgens een bepaalde systematiek. Geeft een aardige inkijk. Hiervoor gelden overigens niet de formele belastingregels. - Invoeringswet Omgevingswet (Stb.
2020, 172): gaat over intrekken of wijzigen van wetten. Bevat ook overgangsrecht. - Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400): bevat overgangsrecht in art. 7.1 (de zogenaamde bruidsschat). - Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Stb. 2019, 382): knip in bouwtechnische toets (kwaliteitsborger) en ruimtelijke toets (gemeente) voor bouwwerken in gevolgklasse 1. - Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen (Stb. 2022, 145). - Verzamelbesluit Omgevingswet 2022 (Stb. 2022, 172). (NB. In het bovenstaande staat in veel gevallen ‘nadien gewijzigd’. Dat is gebeurd bij aanvullingswetten, aanvullingsbesluiten en aanvullingsregelingen en bij het ontwerpbesluit kwaliteitsborging voor het bouwen. De geconsolideerde versies van de meeste regelgeving staan op de website https://iplo.nl/regelgeving/. De Staatsbladen en de Staatscouranten van amvb’s en ministeriële regelingen bevatten een initiële toelichting.) Afkortingen In dit hoofdstuk gebruiken we de volgende afkortingen: Afkorting Ow Ob Or Bal Bbl Bkl IwOw IbOw Wkb Wabo amvb
Citeertitel regeling Omgevingswet Omgevingsbesluit Omgevingsregeling Besluit activiteiten leefomgeving Besluit bouwwerken leefomgeving Besluit kwaliteit leefomgeving Invoeringswet Omgevingswet Invoeringsbesluit Omgevingswet Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht algemene maatregel van bestuur
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
90/136
APV
Algemene plaatselijke verordening
Eén omgevingsplan Een gemeente moet voor haar gehele grondgebied één omgevingsplan vaststellen (artikel 2.4 van de Ow). Het omgevingsplan is een gebiedsdekkende regeling met alle regels voor de fysieke leefomgeving. Daarin staan in ieder geval regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen (artikel 2.7 van de Ow in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van het Ob) en regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, van de Ow). Activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen zijn activiteiten die een blijvende en tastbare verandering van de fysieke leefomgeving teweegbrengen, zoals bouwactiviteiten, sloopactiviteiten, milieubelastende activiteiten, maar ook het plaatsen van een woonwagen of het aanmeren van een woonboot (niet bestemd voor de vaart). Overgangsrecht 1. Tijdelijk deel omgevingsplan incl. bruidsschat Paragraaf 4.2.1 (artikel 4.6) van de IwOw en hoofdstuk 22 (artikel 22.1 en 22.2) van de Ow regelen dat elke gemeente bij inwerkingtreding van de Ow beschikt over een omgevingsplan. Dit omgevingsplan komt van rechtswege tot stand. Het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat, bestaat direct bij aanvang uit een tijdelijk deel en een nieuw deel.
Het tijdelijk deel is beschreven in artikel 22.1 van de Ow en wordt gevormd door de bestaande planologische regels, zoals bestemmingsplannen, bepaalde regels uit de erfgoedverordening en de verordening over hemelwater en grondwater als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Daarnaast gaat een pakket rijksregels van rechtswege deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels heten de bruidsschat. Deze bruidsschat staat in artikel 7.1 van de IbOw. Gemeenten krijgen tot 2032 de tijd om zelf een afweging te maken hoe ze de onderwerpen uit het tijdelijke deel willen overhevelen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, rekening houdend met de instructieregels van het Rijk of de provincie. 2. Verordeningen - vergunningen of ontheffingen Vergunningen of ontheffingen in verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving mogen tot 2032 in die verordeningen blijven staan, maar kunnen vanaf 1 januari 2022 worden overgeheveld naar het omgevingsplan (artikel 2.4 van de Ow). Vanaf 2032 moeten vergunningen of ontheffingen voor activiteiten die de fysieke leefomgeving (blijvend en tastbaar) wijzigen in het omgevingsplan staan, Andere vergunningstelsels met gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen na 2032 desgewenst in de verordening blijven staan, tenzij ze van belang zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als gemeenten regels uit verordeningen gaan overhevelen naar het omgevingsplan, waar kiezen ze dan voor: algemene regel (zorgplicht), meldingsplicht of vergunningplicht? Als het een vergunningplicht in het omgevingsplan wordt, wordt het verbod om zonder een omgevingsvergunning een bepaalde activiteit te verrichten. Er bestaan binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (zie de toelichting op artikel 2.1 (Definities) van de tarieventabel). Een in het omgevingsplan opgenomen activiteit betreft bijvoorbeeld de activiteit bestaande uit het kappen van een boom. 3. Vergunningen of ontheffingen bedoeld in art. 2.2 van de Wabo Voor de ‘artikel 2.2 Wabo-vergunningplichten’ die in een gemeentelijke verordening zijn opgenomen (bijvoorbeeld in de Erfgoedverordening of de APV, zoals sloopvergunning monumenten, uitwegvergunning, kapvergunning, handelsreclamevergunning, alarminstallatievergunning, vergunning