Bijlage 1.- Ontwerp bestemmingsplan
Tekst van het document
Door deze recreatief opstal mee te nemen in het plan voor het onbebouwde perceel, kan de bouw in de tuin worden voorkomen. Het bestaande recreatieve opstal op het terrein wil de familie Zoetelief ombouwen tot ontvangstruimte/bezoekerscentrum. (Bron: RHO).
3.3 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie De locatie Pontweg 160 zal ingericht worden als terrein. De woonfunctie zal verplaatst worden naar de bedrijfsgebouw. Pontweg 164 in figuur 5 aangegeven met nummer 3431 zal in agrarisch gebruik blijven.
Figuur 5. Toekomstige situatie Pontweg 160-164.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 13
Aan de Mienterglop 39 zal een stolp met 2 recreatie appartementen en 3 recreatieve opstallen in de vorm van een boerenerf gerealiseerd worden, met de bijbehorende inrichting van het terrein. Zie figuur 6.
Figuur 6. Toekomstige situatie Mienterglop 39.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 14
3.4 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden De ligging van de locatie Pontweg 160-164 is op ca. 640 meter van de grens van het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land van Texel. De planlocatie Mienterglop 39 ligt op ca. 1.1 kilomter van de grens van het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land van Texel (zie figuur 7).
Mienterglop 39
Pontweg 160-164
Figuur 7. Ligging in detail ten opzichte van Natura 2000 gebied Duinen en Lage Land van Texel (https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapsgebied.aspx? id=n2k002&groep=8)
Projectnummer: 2019-06
Pagina 15
4. ONDERZOEKSMETHODIEK Aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoeklocatie. Daarnaast is er gebruik gemaakt van de gevalideerde waarnemingen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), gebruikt via de uitvoerportaal. (https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal). Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage A. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Stikstofdepositie Het rekeninstrument AERIUS is één van de pijlers van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). AERIUS berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. AERIUS ondersteunt de vergunningverlening voor economische activiteiten die gepaard gaan met uitstoot van stikstof en monitort of de totale stikstofbelasting blijft dalen. Ook faciliteert AERIUS ruimtelijke planvorming in relatie tot stikstof.
(https://www.aerius.nl/nl/pas-en-aerius) Naast het bureau onderzoek heeft er een veldbezoek plaatsgevonden. Het veldbezoek is afgelegd op 26 april 2019. Tijdens dit veldbezoek zijn beide onderzoeklocaties alsmede de omliggende terrein bezocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 16
5. ONDERZOEKSRESULTATEN PONTWEG 160-164 5.1 Nationale Databank Flora en Fauna De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van planten- en diersoorten. Er zijn ruim 100 miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. Uit de Nationale Databank Flora en Fauna komen de volgende gevalideerde gegevens naar voren voor de planlocatie. In Bijlage B en C staan de waarnemingen voor een groter gebied rondom de planlocatie weergegeven.
Nederlandse naam N Datum Protocol Braamsluiper 1 24-6-2013 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Winterkoning 1 22-6-2016 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Groenling 1 20-6-2016 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Roodborst 1 24-6-2016 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Figuur 8. Gegevens NDFF op de planlocatie Pontweg 160-164 5.2 Vogels Broedvogels Op de planlocatie en de directe omgeving zijn algemene broedvogels te verwachten als Merel, Roodborst, Koolmees, Pimpelmees en Winterkoning. De te slopen stolp is belegd met strakke dakpannen waarbij geen tussenruimten zijn. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen soorten waargenomen zoals de huismus met jaarrond beschermde nesten. Verder is deze planlocatie is niet geschikt voor vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Op het moment van de sloop tussen september 2019 en Februari 2020 zullen er geen broedvogels verstoord worden.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 17
Slaapplaatsen De planlocatie is ongeschikt als slaapplaats. Mogelijk wordt het nabijgelegen bos gebruikt als slaapplaats. De sloop zal hier geen effect op hebben. 5.3 Vleermuizen Er zijn binnen het gebied of op korte afstand van het plangebied geen waarnemingen bekend van vleermuizen. Incidenteel kan het omliggende gebied gebruikt worden door vleermuizen als de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis of een laatvlieger. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Het dak van de stolp is ongeschikt voor vliegopeningen van vleermuizen. De stolp is hierdoor ongeschikt voor vleermuizen. 5.4 Overige zoogdieren Op de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van landzoogdieren, de planlocatie vormt hiervoor ook geen geschikt habitat. In de omgeving zijn algemene soorten als de haas en het konijn te verwachten. In de omgeving (binnen ca. 500 meter) zijn waarnemingen bekend van de beschermde noordse woelmuis. De planlocatie, zijnde een te slopen stolp is ongeschikt als verblijfsplaats voor deze soort. 5.5 Amfibieën, reptielen en vissen De planlocatie en directe omgeving zijn door het ontbreken van zoet water ongeschikt voor Amfibieën. Binnen een straal van ca. 500 meter zijn er geen waarnemingen bekend van Amfibieën. Reptielen komen van nature niet voor op Texel.
Met uitzondering van een bevestigde waarneming van een muurhagedis in Den Burg, en een bevestigde waarneming van een vrouwtje zandhagedis in 2016 aan de Biesbosweg (bosrand nabij Westerslag) komen er op Texel geen reptielen voor. De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen. Geen van de beschermde zoetwater vissoorten is ooit op Texel waargenomen. En ook hiervoor is de planlocatie ongeschikt.
5.6 Libellen en vlinders Voor libellen geldt dat ze water nodig hebben voor voortplanting en gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Daarnaast zijn beschermde libellen soorten niet waargenomen op Texel. Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Binnen een straal van ca. 500 meter zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten (Bijlage B). Het is uitgesloten dat er binnen de planlocatie voldoende geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van deze beschermde vlindersoorten.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 18
Het is niet uit te sluiten dat er incidenteel waarnemingen gedaan kunnen worden van beschermde en zeldzame soorten. Dit komt doordat veel soorten na hun voortplantingstijd zwerfgedrag vertonen. 5.7 Vaatplanten De planlocatie zijnde een te slopen stolp is ongeschikt als groeiplaats voor wettelijk beschermde soorten. Er zijn er binnen een straal van 500 meter zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 19
6. ONDERZOEKSRESULTATEN MIENTERGLOP 39 6.1 Nationale Databank Flora en Fauna De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van planten- en diersoorten. Er zijn ruim 100 miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. Uit de Nationale Databank Flora en Fauna komen de volgende gevalideerde gegevens naar voren voor de planlocatie. In Bijlage B en C staan de waarnemingen voor een groter gebied rondom de planlocatie weergegeven.
Nederlandse naam N Datum Protocol Braamsluiper 1 30-6-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Braamsluiper 1 30-6-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Braamsluiper 1 29-5-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Braamsluiper 1 1-7-2014 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Grauwe vliegenvanger 1 30-6-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Groenling 1 19-5-2016 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Groenling 1 29-5-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Merel 1 5-5-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Winterkoning 1 19-5-2016 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Winterkoning 1 7-5-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Winterkoning 1 1-4-1998 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Winterkoning 1 7-5-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Zanglijster 1 30-6-2017 101.000 Losse waarnemingen van Waarneming.nl Figuur 9. Gegevens NDFF op de planlocatie Mienterglop 39 6.2 Vogels Broedvogels Op de planlocatie en de directe omgeving zijn algemene broedvogels te verwachten als Braamsluiper, Groenling, Merel, Roodborst, Koolmees, Pimpelmees en Winterkoning.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 20
Omdat de aanwezige windsingels gehandhaafd blijven verder uitgebreid worden zal er geen negatief effect zijn op broedvogels. Verder is deze planlocatie is niet geschikt voor vogels met een jaarrond beschermde nestplaats en zijn deze ook niet waargenomen tijdens het veldbezoek. De beoogde bouwperiode zal zijn tussen september 2019 en Februari 2020 waardoor er geen broedvogels verstoord worden. Slaapplaatsen De planlocatie is ongeschikt als slaapplaats. Mogelijk wordt het nabijgelegen bos gebruikt als slaapplaats. De bouw en aanleg van het terrein zullen geen effect hebben hierop. 6.3 Vleermuizen Er zijn binnen het gebied of op korte afstand van het plangebied geen waarnemingen bekend van vleermuizen. Incidenteel kan het gebied gebruikt worden door vleermuizen als de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis of een laatvlieger. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bomen van de windsingels zijn niet oud genoeg om holtes te hebben die geschikt zijn als verblijfsplaats voor vleermuizen. Daarnaast zullen de windsingels gehandhaafd blijven. 6.4 Overige zoogdieren Op de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van landzoogdieren, de planlocatie vormt hiervoor wel een geschikt habitat. Dit betreft dan met name de windsingels met onderbegroeiing van oa braam. In de omgeving zijn algemene soorten als de haas en het konijn te verwachten. In de omgeving (binnen ca.
500 meter) zijn waarnemingen bekend van de beschermde noordse woelmuis. De planlocatie, zijnde een paardenweide is ongeschikt als verblijfsplaats voor deze soort. 6.5 Amfibieën, reptielen en vissen De sloot parallel aan het Mienterglop is geschikt voor Amfibieën. Binnen een straal van ca. 500 meter zijn er waarnemingen bekend van Amfibieën, de Rugstreeppad en de Poelkikker. Aangezien de sloot onaangetast blijft is er geen effect te verwachten van de bouw op het perceel, Wel kan er tijdelijk een situatie ontstaan die aantrekkelijk is voor rugstreeppadden. Kolonisatie van de planlocatie kan voorkomen worden door buiten de trektijd de voorbereidende graafwerkzaamheden uit te voeren, of indien nodig het plaatsen van schermen. Reptielen komen van nature niet voor op Texel. Met uitzondering van een bevestigde waarneming van een muurhagedis in Den Burg, en een bevestigde waarneming van een vrouwtje zandhagedis in 2016 aan de Biesbosweg (bosrand nabij Westerslag) komen er op Texel geen reptielen voor. De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen. Geen van de beschermde zoetwater vissoorten is ooit op Texel waargenomen. En ook hiervoor is de planlocatie ongeschikt.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 21
6.6 Libellen en vlinders Voor libellen geldt dat ze water nodig hebben voor voortplanting. De eerder genoemde sloot vormt een potentieel habitat voor libellen. Echter blijft de sloot ongewijzigd en zal er geen effect zijn op libellen. Daarnaast zijn beschermde libellen soorten niet waargenomen op Texel. Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Binnen een straal van ca. 500 meter zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten (Bijlage B). Het is uitgesloten dat er binnen de planlocatie voldoende geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van deze beschermde vlindersoorten. Het is niet uit te sluiten dat er incidenteel waarnemingen gedaan kunnen worden van beschermde en zeldzame soorten. Dit komt doordat veel soorten na hun voortplantingstijd zwerfgedrag vertonen. 6.7 Vaatplanten De planlocatie zijnde een te slopen stolp is ongeschikt als groeiplaats voor wettelijk beschermde soorten. Er zijn er binnen een straal van 500 meter zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 22
7. Natura 2000 gebied Duinen en Lage land van Texel 7.1 Gebiedsbeschrijving Het deelgebied Duinen Texel wordt landschappelijk gekenmerkt door een uitgestrekt duingebied met daar binnen een kweldergebied (slufter). Het noordelijk en het zuidelijk gedeelte behoorden oorspronkelijk tot twee verschillende eilanden; het oorspronkelijke Texel en Eijerland. Ten westen van de stuifdijk die sinds 1629 de voormalige eilanden verbindt, ligt een oude strandvlakte met een reeks grote valleien. Het deel ten noorden van de slufter (Eierlandsche duinen) omvat oude duinen met graslanden en heiden; het zuidelijke deel is meer gevarieerd met zowel oude als jonge duingebieden. In het gebied is een grote diversiteit aan duinvalleien aanwezig, die verschillen in de mate van infiltratie dan wel kwel. Aan de zuidrand ligt een grote zandplaat, de Hors, die hoort bij het Natura 2000 gebied Waddenzee. In de Westerduinen zijn naaldbossen aanwezig. Binnen de begrenzing van het gebied vallen ook de Hanenplas, met duinen, duinvalleien, duingraslanden, struwelen en ruigten en de Korverskooi, een eendenkooi bestaande uit een kooibos met daaromheen duinen, valleien en graslanden. Daarnaast behoren ook een aantal poldergebieden in het lage land van Texel tot de begrenzing. Dit zijn kreekrestanten met omliggende rietkragen, moerassen en graslanden.
(https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep =8&id=n2k2&topic=introductie)
7.2 Effectenindicator. Met behulp van de effectenindicator kan een verkenning worden uitgevoerd naar kansen op mogelijke significante effecten. De effectenindicator geeft u informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren, gebaseerd op absolute getallen voor biotische randvoorwaarden en kennis van ruimtelijke randvoorwaarden. Deze informatie is indicatief, want theoretisch en generiek. Voor daadwerkelijke informatie over schadelijke effecten en de significantie hiervan is maatwerk vereist. In de aanlegfase zal er sprake zijn van de volgende storingsfactoren: 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 17. Verstoring door mechanische effecten
Projectnummer: 2019-06
Pagina 23
Figuur 6. Effectenindicator Duinen en Lage Land van Texel
Projectnummer: 2019-06
Pagina 24
7.3 Beschrijving mogelijk effect externe werking De planlocatie zelf ligt buiten het Natura 2000 gebied Duinen en Lage land van Texel. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Per factor wordt een beoordeeld in welke mate deze van toepassing is in de voorliggende casus. De factoren zijn genummerd volgens de door synbiosys.alterra gebruikte systematiek. Gezien de afstand van de planlokaties van resp. 600 meter voor de Pontweg 160-164 en 1.1 kilometer voor de Mienterglop zijn negatieve effecten uit te sluiten. Ook gezien de afstand zal er geen effect zijn van stikstofdepositie. Een Aerius calculatie kan achterwege blijven.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 25
8. CONCLUSIES Onderstaand zijn de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samengevat. Een nadere onderbouwing is in de betreffende hoofdstukken te vinden. Gezien de kleinschaligheid van de werkzaamheden, zijnde de sloop van 1 stolp op de ene locatie en de bouw van een stolp met 2 recreatie appartementen en 3 recreatieve opstallen in de vorm van een boerenerf op de andere locatie en de afstand van resp. 600 en 1100 meter tot de grens van het Natura 2000 gebied Duinen en Lage Land van Texel is er geen negatief effect te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen. Er is geen ontheffing Wet Natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming nodig voor de sloop van de stolp Pontweg 160 en de bouw van een stolp met 2 recreatie appartementen en 3 recreatieve opstallen aan de Mienterglop 39 Te De Koog Texel.
Noordkop Groen, Ing. M.L. de Jong
Den Helder, 8 mei 2019
Projectnummer: 2019-06
Pagina 26
BIJLAGE A GERAADPLEEGDE INTERNETSITES https://www.natura2000.nl/ http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-09-01#Aanhef
https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx https://www.rudnhn.nl/Wet_natuurbescherming https://www.rudnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/007/n2k_007_db_h vn_noordzeekustzone.pdf https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Toe tsing%20huidige%20activiteiten_Texel.pdf
https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Bestaand_ge bruik_tabellen_Texel.pdf http://app.quickscanhulp.nl/ http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&hoofdstuk=3&z=2017-09-01&g=2017-09-01
Projectnummer: 2019-06
Pagina 27
BIJLAGE B Resultaten Habitatrichtlijn soorten NDFF tot op ca. 500 meter voor Pontweg 160-164
Nederlandse naam Laatvlieger Noordse woelmuis Ruige dwergvleermuis
Projectnummer: 2019-06
N-exemplaren 1-2 14-35 1
N-waarnemingen 4 3 3
Laatste datum 07-06-1993 16-10-1995 8-6-2018
Pagina 28
BIJLAGE C Resultaten Habitatrichtlijn soorten NDFF tot op ca. 500 meter voor Mienterglop 39
Nederlandse naam Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Noordse woelmuis Poelkikker Rugstreeppad Ruige dwergvleermuis
Projectnummer: 2019-06
N-exemplaren 1 1 2 10 1 1
N-waarnemingen 2 3 1 1 1 3
Laatste datum 10-6-2018 10-6-2018 9-10-1995 16-6-2015 1-1-1985 10-6-2018
Pagina 29
Bijlage D. Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3. Soorten
§ 3.1. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn.
Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.2 1. Het is verboden vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of uit deze vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of ten verkoop aan te bieden. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel B, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de verkoop, het vervoer voor verkoop, het onder zich hebben voor verkoop of het ten verkoop aanbieden van vogels van soorten, aangewezen op grond van het derde lid, en delen of producten van die vogels. 5. Een vogelsoort wordt op grond van het derde lid uitsluitend aangewezen, indien de handelingen, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd overeenkomstig regels als bedoeld in het vierde lid, er niet toe leiden dat het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van deze soort in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. 6. Het is verboden, anders dan voor verkoop, vogels, delen of producten als bedoeld in het eerste lid, onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij deze vogels, delen of producten aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 30
§ 3.2. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.6 1. Het is verboden dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, onder zich te hebben voor verkoop, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden. 2. Het is verboden, anders dan voor verkoop, dieren of planten als bedoeld in het eerste lid onder zich te hebben of te vervoeren.
3. De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing ingeval de in dat lid bedoelde dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt. § 3.3. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
Projectnummer: 2019-06
Pagina 31
c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 32
Bijlage E. Besluit Natura 2000 gebied Duinen en lage land van Texel Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen: het op de bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam: Duinen en Lage Land Texel. 2. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid: Voor het Natura 2000 gebied Duinen en lage land van Texel zijn voor de volgende habitats instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, De prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid: H1140 Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten H1310 Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp.
en andere zoutminnende soorten H1330 Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) H2110 Embryonale wandelende duinen H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) H2130 *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) H2140 *Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum H2150 *Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea) H2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides H2170 Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae) H2180 Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied H2190 Vochtige duinvalleien H7210 *Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae 3. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire soorten zijn met een sterretje (*) aangeduid: H1340 *Noordse woelmuis H1903 Groenknolorchis Artikel 2 Het besluit tot aanwijzing van het gebied Duinen Texel als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) van 7 april 2005 (DRR&R/2005/1065 II; Stcrt. 2005, nr. 69) wordt als volgt gewijzigd: a.
het aangewezen gebied wordt op de in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dit besluit beschreven wijze gewijzigd; b. de Nota van toelichting met uitzondering van de paragrafen 3.2, 4.1, 4.2 en 4.3 wordt ingetrokken en vervangen door de Nota van toelichting, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dit besluit; c. de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A021 Roerdomp; A034 Lepelaar; A081 Bruine kiekendief; A082 Blauwe kiekendief; A132 Kluut; A195 Dwergstern; A222 Velduil.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 33
d. de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A063 Eider; A137 Bontbekplevier; A183 Kleine mantelmeeuw; A276 Roodborsttapuit; A277 Tapuit.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 34
Bijlage F. Storingsfactoren effectenindicator. 1. Oppervlakteverlies • Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten. Leefgebied is hier gedefinieerd als al het leefgebied, uitgezonderd de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen. Het gaat bij deze factor dus bijvoorbeeld om foerageergebied en migratie- of vliegroutes van soorten. In de soortenstandaards van DLG heet dit: functionele leefomgeving. • Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Door verlies van leefgebied kan ook sprake zijn van storende factor 0. • Gevolg: Afname van het beschikbaar oppervlak foerageergebied of migratieroutes, kan ertoe leiden dat de soort zijn vaste voortplantings- rust- of verblijfplaats verlaat, waardoor de functionaliteit hiervan in het geding is.
Denk bijvoorbeeld aan het geval dat foerageergrond van de roek verdwijnt waardoor de afstand tot de broedlocaties toeneemt en de soort gedwongen is om te verhuizen Door afname van het beschikbare oppervlak leefgebied neemt ook het aantal individuen van een soort af, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan komen. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen zzonderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen door bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. 2. Versnippering leefgebied • Kenmerk: van versnippering is sprake de verschillende leefgebieden van een netwerk, niet meer door soorten te bereiken zijn. Dat kan door aanleg van droge of natte infrastructuur, zoals een weg of een kanaal. Ook door het verdwijnen van leefgebied (factor 1) kan versnippering optreden. • Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied.
Bij versnippering door infrastructuur kan ook sprake zijn van factor 18 als bijvoorbeeld sterfte optreedt door aanrijdingen. • Gevolg: Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barriëres zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het (meta)populatienetwerk van de soort. Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering in de soortensamenstelling en eventueel het ecosysteem. 7. Verontreiniging • Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden
Projectnummer: 2019-06
Pagina 35
• •
niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.
Afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling.
8. Verdroging • Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. • Interactie andere factoren: verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken (oxidatie en inklinking van veen). Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. • Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype en dus leefgebied van diersoorten.
Verdroging bedreigt circa 40% van de inheemse planten in Nederland, die afhankelijk van de grondwaterstand en/of van specifieke kwelmilieus. Ook dieren, bijvoorbeeld insecten die voor hun voortplanting zijn aangewezen op specifieke grondwateren/of kwelafhankelijke plantensoorten, of amfibieën die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen, ondervinden hiervan schade.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 36
13. Verstoring door geluid •
Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie.
•
Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc.
•
Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd.
14. Verstoring door licht •
Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc.
•
Interactie andere factoren: geen?
•
Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden.
15. Verstoring door trilling •
Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc.
•
Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid
•
Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht.
16. Optische verstoring •
Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 37
•
Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen).
•
Gevolg: optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring.
17. Verstoring door mechanische effecten •
Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers.
•
Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling.
•
Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.
Projectnummer: 2019-06
Pagina 38
BIJLAGE 3
MEMO Van
:
M.A. Bulthuis
Project
:
Recreatieherontwikkeling Pontweg 160-164 en Mienterglop
Opdrachtgever :
Zoetelief
Datum
:
17-06-2020
Aan
:
--
CC
:
--
Betreft
:
berekening stikstofdepositie
1.
Inleiding
In opdracht van Zoetelief is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de sloop van de stolpwoning aan de Pontweg 160/162 en de aanleg- en exploitatiefase van een stolp met twee appartementen en drie recreatieve opstallen aan de Mienterglop, waarbij rekening is gehouden met verkeersbewegingen en de inzet van dieselaangedreven materieel. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. In het kader van het bestemmingsplan Pontweg 160-164 en Mienterglop te De Koog is er nog geen expliciete aandacht besteed aan het aspect stikstofdepositie. Het voorliggende onderzoek voorziet hierin. Binnen het bestemmingsplan Pontweg 160-164 en Mienterglop te De Koog (Woon-zorggebouwen) wordt ter plaatse van de Pontweg 160/162 de stolpwoning gesloopt. Het extensieve agrarische karakter van de Pontweg 164 blijft behouden. De recreatieve verblijfsmogelijkheden aan de Pontweg 160/162 worden verplaatst naar de Mienterglop. Aan de Mienterglop zal een stolp met twee recreatieve appartementen worden gerealiseerd. Daarnaast zullen er aan de Mienterglop drie recreatieve opstallen worden gerealiseerd.
In de stolp met twee recreatieve appartementen en in de drie opstallen zullen maximaal 25 slaapplekken worden gerealiseerd. In figuur 1 is de voorgenomen inrichting van de Mienterglop weergegeven. 2.
AERIUS-Calculator en uitgangspunten
2.1
AERIUS, release 30 maart 2020
Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 30 maart 2020) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 2 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
20170569
blz. 1
2.2
Exploitatiefase
Voor het project wordt uitgegaan van een gasloze stolp en gasloze opstallen. Er is derhalve geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen de recreatieve stolp en opstallen. Op basis van een stolp met twee appartementen en drie recreatieve opstallen bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 11,5 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Dit is berekend op basis van CROWkentallen. Omdat het reeds onbekend is uit hoeveel kamers de drie opstallen zullen bestaan is in de berekening uitgegaan van een situatie waarin iedere slaapplek een eigen kamer heeft. Dit is dus een worst-case scenario. Voor wat betreft de lengte van de rijroute is uitgegaan van een route vanaf het plangebied naar de aansluiting met de Pontweg. Woningtype
Slaapplekken
Stolp met twee appartementen en drie recreatieve opstallen. 2.3
Kencijfer CROW per 10 kamers
Verkeersgeneratie per etmaal
4,6
11,5
25
Sloop- en Aanlegfase
Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Voor het dieselgebruik is uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase bedraagt nooit meer dan het aantal in de exploitatiefase, maar is wel afzonderlijk opgenomen in de berekening. De volgende uitgangspunten voor de aanlegfase zijn gehanteerd: - Voor de sloopfase van de stolpwoning aan de Pontweg 160/162 wordt uitgegaan van 10 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan- en afvoer van puin en machines. - Voor de sloopfase van de stolpwoning worden er gedurende 8 uur machines (stage IV, 130-560 kW, 30 L) ingezet. Dit komt neer op 240 liter diesel. - Voor de aanleg van de stolpwoning en de drie recreatieve opstallen aan de Mienterglop de Pontweg wordt uitgegaan van 80 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan- en afvoer van puin en machines. Tabel 1: uitgangspunten berekening dieselverbruik aanlegfase activiteit
voorbereiding/grondwerk bouwfase voorbereiding/grondwerk bouwfase Totaal
klasse
dieselverbruik uren/dag [liter/uur] Stolp stage IV, 130-560 kW 30 8 stage IV, 75-130 kW 15 8 Recreatieve opstallen (drie stuks) stage IV, 130-560 kW 30 8 stage IV, 75-130 kW 15 8
aantal dagen/ unit
totaal dieselverbruik [liter]
1 3
240 360
1 3
720 1.440 2.760
Omdat de machines verspreid over het bouwterrein worden ingezet is de emissie ingevoerd als vlakbron in het plangebied. 3.
Resultaat en conclusie
In het bijgevoegde PDF-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. De aanleg- en
20170569
blz. 2
exploitatiefase zijn in dezelfde berekening meegenomen. Dit omdat de aanleg- en exploitatiefase nog in hetzelfde jaar zal plaatsvinden.
Figuur 1:
Voorgenomen inrichting Mienterglop
Figuur 2:
Broninvoer AERIUS-calculator met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden
20170569
blz. 3
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RhxFBA4Ckd9U (19 juni 2020) pagina 1/6
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Rho Adviseurs
Pontweg 162, 1796 MD De Koog
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Pontweg en Mienterglop
RhxFBA4Ckd9U
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
19 juni 2020, 11:08
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
Resultaten
Resultaten
3,96 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
NOx
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
.
Situatie 1
RhxFBA4Ckd9U (19 juni 2020) pagina 2/6
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Resultaten
Bron Sector
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
Bron 1 Sloop Stolp Pontweg 160/162 Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
-
< 1 kg/j
Bron 2 Aanlegfase Machines Mienterglop Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
-
2,87 kg/j
Bron 3 Aanlegfase Verkeer Mienterglop Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Bron 4 Exploitatiefase Verkeer Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Bron 5 Verkeer Sloop Pontweg 160/162 Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RhxFBA4Ckd9U (19 juni 2020) pagina 3/6
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam
Situatie 1
Locatie (X,Y) NOx
Voertuig
Omschrijving
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Sloop
Brandstof verbruik (l/j)
Locatie (X,Y) NOx
Omschrijving
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Voorbereiding/grondwerk
STAGE IV, 75 – Bouwfase 130 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. R
Resultaten
Situatie 1
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
240
Naam
Voertuig
Bron 1 Sloop Stolp Pontweg 160/162 113857, 566340 < 1 kg/j
Brandstof verbruik (l/j)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
NOx
< 1 kg/j
Bron 2 Aanlegfase Machines Mienterglop 113923, 567533 2,87 kg/j
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
960
NOx
1,16 kg/j
1.440
NOx
1,71 kg/j
RhxFBA4Ckd9U (19 juni 2020) pagina 4/6
Resultaten
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Aantal voertuigen Stof
Emissie
80,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Bron 4 Exploitatiefase Verkeer 113887, 567302 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
12,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Bron 3 Aanlegfase Verkeer Mienterglop 113892, 567291 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
Situatie 1
Bron 5 Verkeer Sloop Pontweg 160/162 113836, 566276 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
10,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
RhxFBA4Ckd9U (19 juni 2020) pagina 5/6
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200403_6c571f9654 Database versie 2019A_20200403_6c571f9654 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Situatie 1
RhxFBA4Ckd9U (19 juni 2020) pagina 6/6