CConstaterende datTexel
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergadering 18 juni 2025, gemeente Texel33.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19-06-2014, met wijzigingsblad van 12-02-2015;

camper

een gemotoriseerd voertuig waarin voorzieningen voor dag- en nachtverblijf zijn getroffen en dat als zodanig over de openbare weg mag rijden.

caravan

een al dan niet uitklapbare wagen, ingericht en bestemd voor het kamperen die ingevolge de Wegenverkeerswet

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

1994 mag worden voortbewogen achter een motorvoertuig (ook wel vouwwagen en toercaravan genoemd). concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

cultuurhistorische waarden

de waarde, die wordt toegekend aan een gebied of bouwwerk op basis van de ter plaatse bestaande cultuurhistorische elementen: historische (steden)bouw, bovengrondse monumentenzorg, archeologische waarden, cultuurlandschap en historische geografie (landschappelijke elementen die het gevolg zijn van menselijk handelen in het verleden zoals bijvoorbeeld verkavelings-, beplantings-, en wegenpatronen).

dakhelling

de hoek, die het dakvlak of elk van de dakvlakken maakt ten opzichte van het horizontale vlak.

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

geurgevoelig object:

a.

b.

14

gebouw: 1. dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en; 2. dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en 3. dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht.

huishouden

een zelfstandig(e) dan wel samenwonende persoon of groep van personen die binnen een complex van ruimten gebruik maakt van dezelfde voorzieningen zoals een keuken, sanitaire voorzieningen en de entree.

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

kampeermiddel

een tent, een camper, een caravan dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf, en een pipowagen. Onder kampeermiddel wordt niet verstaan een stacaravan/chalet, of een tenthuis.

keuken

een ruimte waarin mensen voedsel bereiden en waarbij meer voorzieningen aanwezig zijn dan de voorzieningen

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

die zijn toegestaan in een kitchenette. In een keuken kunnen complete maaltijden worden voorbereid.

15

kitchenette

de maximale voorzieningen in een kitchenette bestaan uit een opstelplaats voor een aanrecht met een vloeroppervlakte tot maximaal 1,5m * 0,6m ten behoeve van een koffiezetapparaat, een waterkoker en een tafelmodel koelkast. Een kitchenette is niet bestemd voor het bereiden van complete maaltijden.

kleinschalige duurzame energieopwekking

winning van energie uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, aard- en omgevingswarmte.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a. varkens, kippen, schapen of geiten; en b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1. rundvee tot 24 maanden; 2. kalkoenen; 3. eenden; of 4. parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

landschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarde wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur en het menselijk grondgebruik.

natuurwaarden

de aan een gebied toegekende waarden gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, voorkomende in een gebied. Onderdeel van de natuurwaarden vormt steeds een beoordeling van de soortbescherming op basis van de Flora- en faunawet, de gebiedsbescherming op basis van de Natuurbeschermingswet (Natura 2000 gebieden), de Ecologische Hoofdstructuur en het weidevogelleefgebied.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

16

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GCMS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

17

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

paardrijbakken

buitenrijbanen ten behoeve van paardrijactiviteiten, meteen bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining.

permanente bewoning

bewoning waarbij de huurder of eigenaar van de woonruimte deze meer dan 180 dagen in een aaneengesloten periode van 360 dagen bewoont.

recreatief verblijf

verblijf uitsluitend gericht op ontspanning en vrijetijdsbesteding.

stacaravan/chalet

een zelfstandig, al dan niet verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen en al dan niet met wielaswielen, dat naar aard en inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en of nachtverblijf.

straatpeil:

a.

b.

18

voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

tent

een in hoofdzaak uit textiel of uit andere daarmee gelijk te stellen materialen vervaardigd onderkomen bedoeld voor recreatief verblijf.

tenthuis

een tent die is voorzien van een demontabele funderingen/of eenvoudige demontabele voorzieningen en bedoeld is om gedurende langere periode op een standplaats aanwezig te laten zijn. Hieronder wordt ook verstaan een glampingtent.

vast kampeermiddel

een kampeermiddel, bedoeld om duurzaam ter plaatse te blijven staan en al dan niet direct steun vindt in of op de grond (plaatsgebonden) en daardoor als bouwwerk is aan te merken.

vloeroppervlakte

de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken op de begane grond.

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijk huishouden.

wooneenheid

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijk huishouden.

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Q Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage II LOCATIEREFERENTIES (GIO's) aanlegactiviteiten - toegestaan

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_b190dd9f243145c7a1588882e37ffb89/nld@202503-26;1

ander bouwwerk bouwen - verbod

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_8f6c8ee73f574db59eb1d088f9f9c7d6/nld@2025-0326;1

ander bouwwerk bouwen vergunningplicht

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_4a805e11597e4a06967dca0e1fb24599/nld@202503-26;1

archeologisch waardevol gebied

/join/id/regdata/gm0448/2025/gebiedsaanwijzing_6b62f3ad44f349618c373e13069b683c/nld@2025-0326;1

beroep en bedrijf aan huis - toegestaan

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_6797bcec752649089d42f83dca105c49/nld@202503-26;1

bijbehorend bouwwerk bouwen vergunningplicht

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_3fa0d94ebf4a4d1fb6aa722de850a9f0/nld@2025-0326;1

bos

/join/id/regdata/gm0448/2025/gebiedsaanwijzing_101caed83b9e462c87e9ff1e10023c8c/nld@2025-0326;1

diepwortelende beplanting aanbrengen /join/id/regdata/gm0448/2025/locatie- vergunningplicht groep_76fe194f24a1487690047832a0de33a0/nld@202503-26;1 grondactiviteiten uitvoeren - toegestaan /join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_2880f3680a0444b8adb38919a74d1502/nld@202503-26;1 grondactiviteiten uitvoeren vergunningplicht

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_714e4408e71c4252b63d1571308ef7a6/nld@202503-26;1

hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht /join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_4eef13f148c641539dbde6ad9738e59b/nld@202503-26;1

19

logies met ontbijt - toegestaan

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_c7cfb7f8bd104dee97d6bba6dfa87677/nld@202503-26;1

maximum aantal hoofdgebouwen

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_300d132fb3144223b523ad67e42af860/nld@202503-26;1

maximum bouwhoogte bijbehorend bouwwerk

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_58852f068cbb43f8ab4aaec79282f35a/nld@202503-26;1

maximum bouwhoogte hoofdgebouw

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_abfc1f293779469e932a61887fdb68bc/nld@2025-03-26;1

maximum dakhelling hoofdgebouw

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_d17c74a104554b44856939557633a1b6/nld@202503-26;1

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

maximum diepte grondactiviteiten

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_57e7e0aab770429ea75562638b10b28b/nld@202503-26;1

maximum goothoogte hoofdgebouw

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_b6479ea01a0b4480a27a94191aa6ccb5/nld@202503-26;1

maximum oppervlakte bijbehorend bouwwerk

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_7ec40e554ce74a159d47afa6a8765dc5/nld@202503-26;1

maximum oppervlakte grondactiviteiten /join/id/regdata/gm0448/2025/norm_f6924bac9cf44963ba1df43208209acb/nld@202503-26;1 maximum oppervlakte hoofdgebouw

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_ec93c6a3019c42d8a15e8dde3fb41dda/nld@202503-26;1

minimum dakhelling hoofdgebouw

/join/id/regdata/gm0448/2025/norm_f970bd97b1c6430a9645eaeca3d14553/nld@2025-03-26;1

ondergeschikte dagrecreatieve activiteiten - toegestaan

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_576f597228fe4c4898e883a0f0cd0b78/nld@2025-0326;1

ondergeschikte verblijfsrecreatieve activiteiten - toegestaan

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_e6845473e02e4a85a82049f92a4e00f8/nld@202503-26;1

paardrij-activiteiten - toegestaan

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_01de39ae98f8448bb1ae79d4f870e6ea/nld@202503-26;1

regels nieuwe deel

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_ccc18dbb994f499cb81b6ffd739d6123/nld@202503-26;1

waterpeil wijzigen - vergunningplicht

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_d5d5da57ff1949c6be419208bbc4aa7a/nld@202503-26;1

wonen - toegestaan

/join/id/regdata/gm0448/2025/locatiegroep_fb09bacd7bb04cfbbd9f2e5213b4cbea/nld@202503-26;1

R Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Algemene bepalingen S De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht.

20

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.

Eerste lid, onderdeel a Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.

Eerste lid, onderdeel b Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.

Eerste lid, onderdeel c Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen. Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord.

Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt.

Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.

Eerste lid, onderdeel d Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij

21

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren. Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.

Tweede lid In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.

BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.

BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN Activiteitenbesluit-bedrijventerrein Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.

Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven. Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid,

22

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl. Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie. Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw. Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw.

Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd. Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet. Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant. De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.

23

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

warmteplan Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar. Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet.

Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten.

In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is. In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing. De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen.

Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten. Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte». T De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.

24

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd. Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.

In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven. Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving. Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl. Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie. Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw. Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw.

Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

25

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet. Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant. De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.

warmteplan Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar. Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet.

Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten.

In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is. In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde

26

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing. De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten. Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte». [Vervallen]

27

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Motivering Paragraaf 1 Inleiding Algemeen Deze wijziging van het omgevingsplan gaat over het perceel Pontweg 226 in De Koog. Het perceel Pontweg 226 is een vrij solitair gelegen perceel aan de doorgaande weg vanaf de veerhaven naar De Koog. De bebouwing is omgeven door een klein bosgebied. Aan de zuidwest- en oostzijde van het perceel liggen percelen met verblijfsrecreactieve activiteiten. Aan de noordwest- en zuidoostzijde liggen percelen met woonactiviteiten.

Aanleiding Uitsnede oude bestemmingsplan Buitengebied 1996

In het bestemmingsplan Buitengebied 1996 had het perceel een horecabestemming klasse h (hotel) met 65 recreatieve slaapplaatsen en een bebouwingsmogelijkheid van 650 m2. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld 12 juni 2013) is gekeken naar het feitelijke gebruik van de gronden en bebouwing van dit perceel. Door de eigenaar van het perceel is na de brand - die in juni 1977 het jeugdhotel/sleep-in ‘Klabam’ verwoestte - de recreatieve bestemming niet meer gerealiseerd. Het pand is nooit meer opgebouwd. De eigenaar van het perceel is in het grotendeels verwoeste pand blijven wonen. Het perceel functioneert sinds de brand, als woonperceel voor de eigenaar.

28

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Afbeelding

Het lag niet in de lijn der verwachting dat herbouw van het recreatieverblijf binnen de planperiode zou gebeuren. Om die reden was in het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied een woonbestemming is opgenomen. De eigenaar heeft daarop een zienswijze ingediend (nummer 220 uit de Nota van Zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied 2013) met als argument dat de wijziging naar een woonbestemming niet strookt met de Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied (‘bestaande rechten op slaapplaatsen worden dus gerespecteerd in dit plan’) en dat de aanpassing van de bestemming niet met hem was besproken. Maar ook dat hij juist had gewacht op het nieuwe bestemmingplan voordat er investeringen zouden worden gedaan. En hij gaf aan dat het beter was om beleid te maken voor het verplaatsen van slaapplaatsen, zodat dit een kwaliteitsverbetering voor het ontvangende en leverende perceel zou betekenen. De raad is bij de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Texel 2013 de initiatiefnemer hierbij tegemoet gekomen door het aannemen van het amendement ‘Pontweg 226. Onterecht van 65 bedden naar wonen’. Met een overgangsregeling waarmee de eigenaar 10 jaar de tijd krijgt om zijn recreatieve bestemming te realiseren. Daarna moet het recht vervallen. Het realiseren van een bestemming houdt in dat dit ook feitelijk gerealiseerd moet zijn en in gebruik moet zijn genomen.

Op 28 februari 2024 heeft de raad het voorbereidingsbesluit ‘locatie Pontweg 226 De Koog’ genomen, dat op 1 maart 2024 in werking is getreden. Het heeft een geldigheid van 1 ½ jaar, ofwel tot 1 september 2025. Het voorbereidingsbesluit is genomen om te voorkomen dat er nog verblijfsrecreatieve gebouwen zouden worden gebouwd. Dit naar aanleiding van het amendement uit 2013 waarbij de raad de eigenaar 10 jaar de tijd heeft gegeven om de 65 recreatieve slaapplaatsen te realiseren. Dit laatste is niet gebeurd. Om ongewenste ontwikkelingen in het kader van verblijfsrecreatie tegen te gaan is het voorbereidingsbesluit genomen. Echter bleek de initiatiefnemer 1 dag voor het nemen van het voorbereidingsbesluit - op 27 februari 2024, een aanvraag omgevingsvergunning te hebben ingediend voor de omgevingsplanactiviteit voor een

29

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

(appartementen)hotel. Omdat die voldeed aan de regels van het Omgevingsplan, is deze verleend op 17 juni 2024. Daartegen loopt nog een beroepsprocedure bij de Rechtbank. Om te voldoen aan de opdracht van de raad – blijkend uit het voorbereidingsbesluit - wordt een wijziging van het omgevingsplan voor de Pontweg 226 voorbereid, waarbij de verblijfsrecreatieve activiteiten en het bouwen van verblijfsrecreatieve gebouwen niet meer mogelijk zijn. ‘Recreatie – Verblijfsrecreatieve gebouwen’ wordt gewijzigd in ‘Wonen’ en ‘Bos’ en de bebouwingsmogelijkheden worden hierop aangepast. De eigenaar woont al sinds de jaren 70 strijdig met de bestemming, aangezien er geen woonbestemming op rust. Met dit wijzigingsplan wordt het feitelijke gebruik geregeld.

Ligging plangebied Ligging plangebied (oranje contour)

Procedure Op 28 februari 2024 heeft de gemeenteraad het voorbereidingsbesluit locatie Pontweg 226 De Koog vastgesteld ter voorbereiding van deze wijziging van het omgevingsplan en zijn op 1 maart 2024 in werking getreden. De voorbeschermingsregels voor de voorbereiding van nieuwe regels in het omgevingsplan vervallen na 1 jaar en 6 maanden. Om de gewenste situatie te realiseren moet het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bestaande uit het bestemmingsplan Buitengebied Texel, worden aangepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van STOP/TPOD (Standaard Officiële Publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten). Er wordt niet meer gesproken van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Dit is ook terug te zien op de kaart. Ook zullen er voorrangsbepalingen en verwijzingen worden opgenomen om de relatie met de andere regels uit het omgevingsplan (Hoofdstuk 22 De bruidsschat) te duiden. In de motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het STOP/TPOD-omgevingsplan wordt gepubliceerd via het Omgevingsloket (DSO). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. De procedure kan grofweg in 3 stappen worden ingedeeld: 1. Voor het ontwerp-omgevingsplan

30

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

2. 3.

Ontwerp- omgevingsplan Vaststellen omgevingsplan

Voor het ontwerp omgevingsplan (voornemen wijziging omgevingsplan) De gemeente heeft op 28 februari 2025 de kennisgeving van het voornemen wijziging omgevingsplan bekend gemaakt via het gemeenteblad en de lokale krant. Het concept omgevingsplan op 21 januari 2025 gepubliceerd op de pre-omgeving van het DSO. Het voornemen tot wijziging is ook verstuurd naar de eigenaar van het perceel, en de indieners van beroep op de verleende omgevingsvergunning voor het appartementenhotel. Ook de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollandsnoorderkwartier zijn geïnformeerd als vooroverlegpartners. Deze partijen zijn ook uitgenodigd om voor 18 maart 2025 te reageren in het kader van participatie.

Ontwerp- omgevingsplan Na controle is het ontwerp-omgevingsplan geplaatst in het gemeenteblad en is te raadplegen via ‘regels op de kaart’. Het ontwerp ligt 6 weken ter inzage. Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk en mondeling.

Vaststellen omgevingsplan De gemeente stelt het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de LVBB. Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken.

Paragraaf 2 Beschrijving van het project en zijn omgeving Algemeen De eigenaar woont al sinds de jaren 70 van de vorige eeuw op dit perceel. De huidige planologische situatie geeft recht op een verblijfsrecreatief gebouw met 65 recreatieve slaapplaatsen in de vorm van een hotel, groepsverblijf of appartementen. De feitelijke situatie is dat hier al meer dan 40 jaar gewoon wordt. Er heeft al die tijd geen enkele verblijfsrecreatieve activiteit plaatsgevonden. Het is nu tijd om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie waarbij het wonen gelegaliseerd wordt. De ‘ontwikkeling’ waar dit plan op ziet betreft in dit geval dus het wegnemen van de ontwikkelingsmogelijkheden en regelen feitelijke woonsituatie.

Paragraaf 3 Participatie Hoe was de voorbereiding? De gemeente vindt participatie van burgers en belangenorganisaties belangrijk en biedt deze partijen daarom de mogelijkheid reacties op het voornemen van de wijziging van het omgevingsplan kenbaar te maken. In dit kader van deze beperkte wijziging wordt het concept omgevingsplan in eerste instantie opgestuurd naar de overlegpartners provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollandsnoorderkwartier. Van 4 tot 18 maart 2025 is een ieder in de gelegenheid gesteld om een reactie in te dienen in het kader van participatie. De eigenaar en de indieners van beroep op de verleende omgevingsvergunning voor het appartementenhotel zijn actief benaderd een reactie in het kader van participatie te geven.

Participatieverslag In het kader van participatie is het voornemen voor de wijziging van het omgevingsplan voor de locatie Pontweg 226 opgestuurd naar de 2 vaste vooroverlegpartners: de provincie en het hoogheemraadschap. Zij hadden geen opmerkingen op het plan. De zakelijk gerechtigde en de indieners van beroep op de omgevingsvergunning zijn in de gelegenheid gesteld om een participatiereactie in te dienen. Daarnaast is een openbare kennisgeving gepubliceerd over het voornemen waarin stond vermeld dat een ieder ook een participatiereactie kon indienen tot 18 maart 2025. Van de eigenaren van 3 naastgelegen percelen is een reactie ontvangen. Zij steunen het voornemen van de gemeente om het omgevingsplan te wijzigen. Bovengenoemde reacties zijn verwerkt in de Nota participatie en vooroverleg.

31

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Wat vinden andere besturen? De provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollandsnoorderkwartier hadden geen opmerkingen op de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor de locatie Pontweg 226.

Paragraaf 4 Beleidskader Toetsing rijksbeleid De instructieregels van het Rijk over omgevingswaarden, specifieke taken en programma’s e.a. hebben geen invloed op dit plan, omdat dit de bestaande situatie op het perceel regelt. En geen nieuwe ontwikkelingen of activiteiten mogelijk maakt. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat dit al een ruim 40 jaar bestaande situatie betreft.

Toetsing provinciaal beleid/provinciale verordening De instructieregels van de provincie hebben geen invloed op dit plan, omdat dit de bestaande situatie regelt. En geen nieuwe ontwikkelingen of activiteiten mogelijk maakt. De provinciale belangen worden met het bestendigen van de woonsituatie niet geraakt. Het wordt een woonperceel ten behoeve van 1 woning/wooneenheid, die er al is.

Toetsing regionaal beleid Niet van toepassing.

Toetsing gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is erop gericht het aantal recreatieve slaapplaatsen niet te laten toenemen en ongebruikte slaapplaatsen zo mogelijk te saneren. Het is druk genoeg op Texel, het fraaie Texelse buitengebied moet niet verder verstenen.

Paragraaf 5 Landschappelijke inpassing Algemeen Er is geen sprake van een landschappelijke inpassing. De bestaande situatie wijzigt niet, er is geen ontwikkeling op het perceel door dit plan. De bouwmogelijkheden worden kleiner en op een beperkter oppervlak. Er is minder kans op verstening van het perceel.

Paragraaf 6 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving Algemeen Er zijn geen gevolgen voor de fysieke leefomgeving omdat de bestaande situatie niet wijzigt. Er wordt geen ontwikkeling op het perceel mogelijk gemaakt met dit plan. De bestaande situatie wordt vastgelegd.

Paragraaf 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Algemeen Met de wijziging van het omgevingsplan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het doet recht aan de ruim 50 jaar bestaande situatie op het perceel: wonen met daaromheen een klein bosgebied. Er verandert feitelijk niets. Om die reden kan volstaan worden met een beknopte beschrijving van de onderbouwing van dit besluit. Anders dan bij andere ontwikkelingen, maakt deze wijziging van het Omgevingsplan juist onmogelijk dat op het perceel een ingrijpende ruimtelijke wijziging kan plaatsvinden.

32

Gemeenteblad 2025 nr. 136151

27 maart 2025

Wijziging omgevingsplan Texel, locatie Pontweg 226 De Koog

Nota van Zienswijzen Team Beleid, mei 2025

Inhoudsopgave Inleiding ....................................................................................................................... 5 1.

Zienswijzen .......................................................................................................... 7 1.1 1.2 1.3 1.4

2.

Zienswijze 1: Provincie Noord-Holland (zaaknummer 3537166) ......................................... 7 Zienswijze 2 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) (zaaknummer 3537166) ..... 7 Zienswijze 3 Stichting Kernwaarden Texel (zaaknummer 3586464) ..................................... 7 Zienswijze 4 Advocaat Ron Verheijen namens eigenaar Pontweg 226 (zaaknummer 3611488) ..... 8

Ambtshalve aanpassingen........................................................................................ 15 2.1 2.2

Ambtshalve aanpassing 1 ..................................................................................... 15 Ambtshalve aanpassing 2 ..................................................................................... 15

3/16

Nota van Zienswijzen wijziging omgevingsplan locatie Pontweg 226 De Koog

4/16

Inleiding Het gemeentebestuur van Texel maakt de wijziging omgevingsplan Texel, locatie Pontweg 226 De Koog. doel Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt ‘Recreatie – Verblijfsrecreatieve gebouwen’ gewijzigd in ‘Wonen’ en ‘Bos’. Het omzetten van regels houdt in dat er veranderingen plaatsvinden ten opzichte van het huidige regeling op het perceel Pontweg 226, de functie van de locatie wijzigt en het bebouwingsvlak wordt aangepast. Op 28 februari 2024 heeft de raad het voorbereidingsbesluit ‘locatie Pontweg 226 De Koog’ genomen, dat op 1 maart 2024 in werking is getreden. Dit is conform het amendement ‘Pontweg 226. Onterecht van 65 bedden naar Wonen’ (van 12 juni 2013). Waarmee de eigenaar 10 jaar de tijd kreeg om zijn recreatieve bestemming te realiseren. Daarna vervalt het recht. Op 27 februari 2024 heeft de eigenaar van deze locatie een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. De vergunning is op 21 juni 2024 verleend, maar nog niet onherroepelijk (maart 2025). De omgevingsvergunning voor de bouwtechnische activiteit is nog niet aangevraagd. Ook de natuurvergunning – die wellicht nodig is – is nog niet aangevraagd bij de provincie. De eigenaar moet over alle onderdelen beschikken om te kunnen starten met de bouw en kan nu dus nog niets realiseren. De ontwerp wijziging omgevingsplan Texel, locatie Pontweg 226 De Koog is als ontwerp op 31 maart 2025 ter inzage gelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Texel&id=5bd74a5d-c5dd-455b-8dbb-5df1b1d7f81b