Bijlage 2. DFA-Advies-Moaier-Fryslan
Tekst van het document
Denk aan één gezamenlijk loket voor vragen van initiatiefnemers, gedeelde databases, of co-creatie van cursussen en checklists voor kwaliteitsborging. Voordeel is dat iedere partij haar eigen identiteit en bestaansbasis behoudt, er hoeft juridisch gezien geen nieuwe organisatie opgericht te worden. De samenwerking kan stap voor stap groeien, terwijl het eigenaarschap bij de partijen blijft.
Grootste nadeel is dat een dergelijk netwerk niet vanzelf ontstaat. Het vergt sterk netwerkleiderschap en ook hier actieve sturing door de overheden. In het verleden is gebleken dat deze intensieve samenwerking niet spontaan van de grond komt, de urgentie werd wel gevoeld maar niemand had de expliciete opdracht of middelen om het te trekken. Zonder harde afspraken of extra prikkels (bijv. subsidie voor gezamenlijke projecten, prestatie-eisen) blijft het gevaar bestaan dat elke organisatie vooral haar eigen opdracht blijft uitvoeren. Dit scenario biedt dus alleen voordeel als alle betrokken besturen zich committeren om hier prioriteit aan te geven en eventueel een regisseur aan te stellen die het netwerk smeedt.
3.2. Afweging Op de volgende pagina is een matrix opgenomen met alle relevante wegingsindicatoren voor het maken van een keuze. De inschattingen per indicator zijn gericht op de gewenste situatie waarin provincie en gemeenten hun eigen rol en verantwoordelijkheden ten aanzien van omgevingskwaliteit procesmatig hebben georganiseerd, wetende dat daarvoor nog stappen gezet moeten worden, overal. Met andere woorden wat heeft de gewenste situatie waarin omgevingskwaliteit geborgd is in beleid en uitvoering nodig aan expertise en hoe organiseren we dat in Fryslân. Dus een ‘+’ in de matrix schema is een positieve meerwaarde passend bij die toekomst en een ‘–‘ heeft een negatieve meerwaarde.
29
Borging Kwaliteit: In welke mate maakt het gekozen organisatiemodel voor expertise kwaliteitsborging mogelijk? Is er continuïteit, inzetbaarheid? Schaal / samenhang: In welke mate kan de expert de samenhang tussen beleid op verschillende schaalniveaus (provincie, gebied, gemeente, dorp) bewaken en versterken? Onafhankelijkheid: Is de expert binnen de gekozen organisatievorm voldoende onafhankelijk (van belangen en politiek) om goed afgewogen en gebaseerd op kennis en ervaring te adviseren? Integraliteit: wordt binnen de gekozen organisatievorm de integraliteit van advisering die nodig is bij de planvorming, ontwerpen en projectontwikkeling om de omgevingskwaliteit optimaal te bewaken of te versterken meer over minder versterkt? Efficiëntie: leidt de gekozen organisatievorm tot efficiencyvoordelen, ten opzichte van nu en in relatie tot het realiseren van de optimale omgevingskwaliteit in een goed georganiseerd proces? Overheid, bestuursvorm: in welke mate kan een gemeente of de provincie bestuurlijk invloed hebben op de kwaliteit, taken, uitvoering etc.
van de gekozen organisatievorm en versterkt die de autonomie van de betreffende overheid? Financiering: welke vorm van financiering past bij, ligt voor de hand, bij de gekozen organisatievorm? Inspanning verandering: hoe groot zijn de stappen die gezet moeten worden om de gekozen organisatievorm te realiseren, op welke termijn is de verandering haalbaar?
30 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Borging kwaliteit
Schaal samenhang
Onafhankelijkheid in advisering
Integraliteit
Efficiëntie
Overheid bestuur
Financiering
Inspanning verandering
Provincie
+/-
+
-
+/-
+/-
++
Eigen budget
Eigen beleid (personeel en inkoop)
Grote gemeenten
+/-
-
-
+/-
-
++
Eigen budget
Eigen beleid (personeel en inkoop)
Kleine gemeenten
-
--
-
+ maar expertise vaak beperkter
--
++
Eigen budget
Eigen beleid of samenwerking met buurgemeenten (bijv. OWO)
1. In eigen huis/inhuur
2. Handhaven huidige situatie H&H GR
+/-
++
+/-
-
-
++
Leges, opdrachten
Interne aanpassing, imago, competenties
Overige organisaties
+/-
+
+
-
+/-
+/-
Subsidie, opdrachten
Interne aanpassing, imago, competenties
3. Kennis- en adviescentrum Smal
+
+
+
+
+
? keuze
Subsidie, leges, opdrachten
Ontmanteling GR, oprichting stichting
Breed
++
++
+
++
++
? keuze
Subsidie, leges, opdrachten, fondsen
Ontmanteling GR en huidige subsidierelaties, oprichting stichting
+/-
+/-
+/-
+/-
+
+/-
Programmasubsidie o.i.d.
Andere sturing op samenwerking, o.a. via subsidies o.i.d.
4. Netwerkorganisatie Georganiseerde samenwerking met een gezamenlijk doel
31
3.3. Voorkeursscenario Op basis van de analyse bevelen wij aan om te kiezen voor een breed kennis- en adviescentrum omgevingskwaliteit voor Fryslân: ‘Moai Fryslân’ (scenario 3b). Dit centrum is een gezaghebbende en inhoudelijk sterke organisatie, die op enige afstand staat van de dagelijkse politieke dynamiek. Wij stellen voor dit centrum onder te brengen in een onafhankelijke stichting, met een vorm van participatie en structurele verbinding met gemeenten en de provincie. Deze optie verenigt het beste van twee werelden: een centrale bundeling van expertise én directe verbinding met de lokale praktijk. Hieronder de belangrijkste voordelen en redenen om voor dit mode. Integrale kwaliteitsadvisering: Het kennis- en adviescentrum kan multidisciplinair advies leveren over alle aspecten van omgevingskwaliteit, sectoraal en in samenhang. In plaats van aparte loketten voor welstand, monumenten, landschap etc. komt er één geïntegreerde Adviescommissie Omgevingskwaliteit per (sub)regio – bijvoorbeeld via lokale of regionale coördinatoren - die plannen beoordeelt en begeleidt. Zo’n commissie omvat uiteenlopende deskundigen (architectuur, erfgoed, landschap, stedenbouw, etc.) en kan vanaf het begin bij projecten en beleid betrokken worden, om samen met initiatiefnemers en overheden de kwaliteit te vorm te geven.
Dit past perfect bij de Omgevingswet-gedachte van vroegtijdige dialoog over kwaliteit. Daarnaast kan het centrum ook andere adviesvormen faciliteren die op plan- of gebiedsniveau gemeenten en initiatiefnemers adviseren over de gewenste kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan kwaliteitsteams en Nije Pleats. Dit moet in een volgende fase verder uitgewerkt worden.
32 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Agenderende rol: Het centrum heeft naast adviserende rol ook een agenderende rol. Denk aan toekomstverkenningen in de vorm van scenario’s, ontwerpend onderzoek op bepaalde thema’s, et cetera. Het centrum kan dus naast gevraagde adviezen en opdrachten ook ongevraagd op eigen initiatief thema’s agenderen. Kennisinfrastructuur en scholing: Het centrum fungeert als kennisplatform voor Fryslân. Het verzamelt en beheert relevante gebiedskennis en vormt een steunpunt voor kwaliteitskennis en beleidsontwikkeling zoals biografieën, ontwerpend onderzoek en beleidsregels. Het kan zich ontwikkelen tot een autoriteit voor Fryslân, in de goede betekenis van het woord. Gezaghebbend met betrokkenheid bij Fryslân en zo sterk bijdragen aan de omgevingskwaliteit van Fryslân. Het inzetten van specifieke bureaus door gemeenten zal daarnaast aan de orde blijven, vooral in het maken van specifieke plannen en opstellen van beleidstukken. Ook kan een academie onderdeel zijn van het centrum: een programma van lezingen, masterclasses, werksessies en trainingen voor zowel professionals als bestuurders. Bijvoorbeeld in samenwerking met De Friese Aanpak, of deze gaat voor het onderwerp omgevingskwaliteit op in het brede kennis- en adviescentrum. Hiermee wordt een continu lerend netwerk gevoed, waarin goede voorbeelden worden gedeeld en een gezamenlijke taal rondom omgevingskwaliteit verder wordt ontwikkeld.
Een breed kenniscentrum kan ook de monitoring van de omgevingskwaliteit van Fryslân verzorgen. Samen met Planbureau Friesland en andere kennisorganisaties kan dit ontwikkeld worden.
Een inspirerend loket voor iedereen met plannen: Burgers, initiatiefnemers, erfgoedeigenaren etc. gaan vanzelfsprekend in gesprek met hun gemeente over hun plannen. Maar ze hebben ook inspiratie nodig, goede voorbeelden, ideeën, kennis over regelingen etc. Niet elke gemeente kan dit voor alle vragen zelf regelen en dat is ook niet nodig. Er bestaan nu al spreekuren voor rijksmonumenten. Dit kan uitgebreid worden voor vragen over archeologie, ensemble-ontwikkeling (groen en rood erfgoed) maar ook een vraag over herbestemming van een boerderij of de aanleg van een zwembad zou hier terecht kunnen komen. Er kunnen themasessies georganiseerd worden voor initiatieven en specifieke doelgroepen. Zodat initiatiefnemers met actuele kennis en veel goede voorbeelden sneller het juiste pad op gaan en goed voorbereid de volgende stappen gaan zetten. Door deze functies op te nemen in het nieuwe centrum en daar goed over te communiceren krijgt het centrum ook ‘smoel’ bij de burgers, bij heel Fryslân en daarmee een logische plek. Het is voor elk kenniscentrum belangrijk om dichtbij de vraag en de mienskip te blijven staan en zicht te houden op wat er leeft en van daaruit weer nieuwe diensten en producten te ontwikkelen. Synergie en efficiëntie: Door kwaliteitsadvisering, erfgoedadvisering, steunpunt en andere functies samen te voegen, voorkomen we dubbel werk en concurrentie om middelen.
In plaats van versnipperde kleine organisaties (met elk hun eigen overhead) is er één slagvaardige organisatie. Dit voorkomt expertise-eilandjes die kwetsbaar zijn voor vertrek van personen of bezuinigingen. Financiële middelen van gemeenten en provincie kunnen gebundeld effectiever worden ingezet.
Bovendien maakt de schaalgrootte het mogelijk om specialisten in dienst te nemen die een individuele gemeente nooit voltijds zou kunnen bekostigen (bijv. een landschapsarchitect of restauratie-deskundige die breed inzetbaar is). Innovatie en projecten: Een stichting met een bredere basis kan gemakkelijker nieuwe projecten initiëren en externe subsidies verwerven dan een klassieke GR. Denk aan Europese fondsen voor landschapsherstel, rijksmiddelen voor erfgoedinnovatie of samenwerkingen met kennisinstellingen. Het kenniscentrum kan namens alle Friese overheden optreden om zulke kansen te grijpen – iets wat de losse kleine organisaties nu nauwelijks lukt. Ook kan het centrum experimenteren met nieuwe vormen van participatie en digitale hulpmiddelen om omgevingskwaliteit inzichtelijk te maken en te monitoren. Behouden van lokale identiteit én versterken samenhang: Cruciaal is dat dit model niet uniformerend werkt, maar juist ruimte biedt voor regionale en lokale invulling. Door binnen de organisatie bijvoorbeeld regioteams te vormen (gebaseerd op landschapstypen of bestaande regionale verbanden) blijven de adviezen dicht bij de eigen context van gemeenten. Een regioteam dat de Waddenkust bedient, zal bijvoorbeeld specifieke kennis hebben van de opgaven en kwaliteiten van het kustlandschap, terwijl een team voor de zandgronden in zuidoostFryslân andere accenten legt.
Tegelijk zorgt het provinciale overzicht ervoor dat de optelsom van lokaal beleid bijdraagt aan provinciale kwaliteiten. Deze manier van werken respecteert de diversiteit binnen Fryslân en ondersteunt gemeenten in het uitdragen en versterken van hun unieke identiteit.
33
3.4. Ambtelijke capaciteit en kennis Bestuurlijk gedeeld eigenaarschap: De besturing van deze organisatie verdient nadere uitwerking. Belangrijk is enerzijds het organiseren van onafhankelijkheid van kennis ,expertise en advisering en anderzijds het borgen van de betrokkenheid van de Friese overheden. Hier zijn verschillende vormen voor. Gezamenlijkheid is het kernwoord, door samen een besturingsvorm te organiseren houden overheden grip op hoofdlijnen en prioriteiten. Omgevingskwaliteit als een gedeelde verantwoordelijkheid waarin iedereen investeert en profiteert. Deze gedeelde bestuurlijke verantwoordelijkheid versterkt ook het belang om gezamenlijk beleid te maken voor omgevingskwaliteit. Beleid voor Fryslân als geheel, de verschillende regio’s / landschapstypen en de uitwerking lokaal. Het expertisecentrum kan hierin adviseren voor de gezamenlijke overheden waarbij ieder zijn eigen beleidsrol verder kan borgen binnen de eigen kaders. Samengevat heeft het brede kennis- en adviescentrum de beste papieren om duurzaam hoge omgevingskwaliteit in Fryslân te waarborgen binnen de geest van de Omgevingswet.
34 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Er is ook versterking nodig van capaciteit en kennis bij ambtenaren zoals over beleidsinstrumenten, de werkwijzen en processen etc. Ook hierin kan samenwerken veel versnellen en tot efficiëntie leiden. Wij hebben dat nu buiten deze beschouwing gelaten, omdat we dit als een transitie van de overheden zelf gezien. Het is voor de hand liggend om hiervoor eveneens de samenwerking te versterken. Dat kan in regionale verbanden - zie bijvoorbeeld OWO - waarin beleid en instrumenten zoveel mogelijk worden geüniformeerd en de capaciteit zoveel mogelijk worden gedeeld. Dit kan ook via De Friese Aanpak, waarin jaarprogramma’s voor ambtenaren worden gemaakt om te leren, te verbeteren, af te stemmen etc. De capaciteitsverdeling kan bijvoorbeeld via de Friese Flexpool. Dit zijn lichte vormen van samenwerking, die makkelijk te realiseren zijn, maar wel een kwetsbare governance hebben. De leer- en inspiratie programma’s die specifiek betrekking hebben op omgevingskwaliteit zouden ook in samenwerking met of bij de nieuwe kennis- en adviesorganisatie kunnen worden neergelegd.
4. Vervolgproces 4.1. Aanpak Het voorkeursmodel richt zich op de oprichting van een gezamenlijk kennis- en adviescentrum voor omgevingskwaliteit in de vorm van een stichting. De nieuwe stichting krijgt een compact dagelijks bestuur en een algemeen bestuur of een toezichtmodel met vertegenwoordiging uit gemeenten, provincie en inhoudelijke experts. Bestaande organisaties zoals hûs en hiem, het Steunpunt Monumentenzorg, eventueel andere erfgoedorganisaties en idealiter ook bepaalde taken van het kwaliteitsteam ruimtelijke kwaliteit van de provincie vormen de basis. Zij gaan dan volledig op in een nieuwe stichting met zoveel mogelijk behoud van personeel en expertise.
Naast het formele organisatieplan voor het nieuwe kennis- en adviescentrum adviseren we om direct te starten met concrete leerlijnen rond praktijkcasussen (werken zoals in B ). Zo kan de reikwijdte, werkwijze en meerwaarde van het centrum in de praktijk worden verkend. In dergelijke leerlijnen werken ambtenaren, adviseurs en bestuurders samen aan echte of fictieve vraagstukken, gericht op samenwerking, integrale omgevingskwaliteit en participatie. Van deze casussen leren we welke expertise nodig is en hoe het centrum die kan inzetten voor een hogere kwaliteit van de leefomgeving. Denk bijvoorbeeld aan casussen met betrekking tot:
Voor de opstartfase wordt voorgesteld om een stuurgroep en een compact kernteam samen te stellen. De stuurgroep is een afvaardiging van bestuurders uit gemeenten en provincie. Het kernteam kan bestaan uit bestaande directeuren van organisaties en/of externe adviseurs en een aantal ambtenaren. De stuurgroep stelt een kwartiermaker aan met een duidelijke opdracht.
•
Advisering bij gebiedsontwikkeling: een nieuw woongebied waarbij landschap, architectuur, erfgoed en natuur een rol spelen.
•
Lokaal kwaliteitsbeleid: opzetten van gemeentelijk beleid voor omgevingskwaliteit.
•
Monumentale herbestemming: een herontwikkelingsproject voor een cultuurhistorisch pand met duurzaamheid en leefbaarheid als doelen.
•
Participatief ontwerpatelier: een gezamenlijke sessie met bewoners, gemeente en experts over de (her)inrichting van een dorpskern of -uitbreiding (straatje er bij).
De kwartiermaker werkt de komende twee jaar samen met het kernteam de inhoudelijke, juridische en financiële contouren uit: statuten van de stichting, governance model, verdeling zeggenschap, deelname-voorwaarden voor gemeenten, begroting, businesscase projecten diensten, etc.
35
•
•
Regionaal kwaliteitskader: het opstellen van een gedeeld beleidskader voor bijvoorbeeld landschappelijke windenergie of natuurinclusieve landbouw. Bestuurlijke leersimulatie: een leersetting waarin bestuurders en ambtenaren samen (fictieve) projectplannen beoordelen en leren reflecteren op omgevingskwaliteit.
Bij deze casussen passen vragen als: •
Hoe kan het kennis- en adviescentrum tijdig en integraal adviseren in het voortraject van gebiedsontwikkeling?
•
Op welke manier stimuleert het centrum samenwerking en kennisdeling tussen gemeenten, provincie en lokale partijen?
•
Hoe draagt het centrum bij aan effectieve burgerparticipatie en heldere communicatie bij projecten?
•
Welke instrumenten (bijv. adviescommissie, ontwerpateliers, gebiedsbiografieën) zet het centrum in om integrale omgevingskwaliteit te bewaken?
•
Hoe worden bestuurders en ambtenaren via de leerlijnen vaardiger in interbestuurlijke samenwerking en afstemming op kwaliteit?
Door te werken met concrete casussen leren betrokkenen wat het centrum kan betekenen en waar knelpunten zitten. De opbrengsten van deze leerlijnen kunnen direct terugvloeien in het organisatieplan. Deze leerlijn vraagt om organisatie en deskundige begeleiding, dit moet worden meegenomen in het plan van aanpak.
36 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Globaal stappenplan realisatie: 1. Bestuurlijke intentie: De stuurgroep van wethouders en gedeputeerde legt een gezamenlijke ambitie vast, stelt een kwartiermaker aan. 2. Overgangsperiode: De kwartiermaker werkt samen met het kernteam aan een organisatieplan uit, waarin de statuten, governance, deelnamemodel, aanbod van diensten en producten (menukaart) en financiële opzet (meerjarenraming) zijn opgenomen. Daarnaast kan parallel een aantal leerlijnen worden opgezet op basis van casuïstiek, onder deskundige begeleiding 3. Consultatie en draagvlakronde: Organiseren bijeenkomsten om de plannen te bespreken met alle overheidsbesturen, bijvoorbeeld door een bestuurlijke conferentie. 4. Besluitvorming en formele oprichting: Oprichting stichting, profielen en aanstellen bestuur en directeur. Formeel kunnen provincie en gemeenten toetreden middels een samenwerkings- en/of dienstverleningsovereenkomst waarin hun deelname, financiële bijdrage en afname van diensten wordt geregeld. 5. Transitie en implementatie: Afbouwen organisaties waarvan de functies en taken overgaan naar het nieuw centrum, besluitvorming en financiële en juridische afhechting. Continuïteit lopend werk, opstart kennisplatform, proefprojecten, invoeren nieuwe diensten en projecten. 6. Gefaseerde groei en evaluatie: Evalueren, meten resultaten, strategie en plannen bijsturen.
4.2. Financiering Opstartkosten Het advies is om te gaan voor een gefaseerde meerjarige ontwikkeling. De gefaseerde groei kan zitten in nieuwe diensten en producten, maar ook in samenwerking en uitbreiding met andere organisaties. Daarbij kunnen opstartkosten minimaal blijven door gebruik te maken van reeds beschikbare dienstverlening, personeel, huisvesting etc. van de betrokken organisaties. Desondanks zal een stevig eenmalig startbudget nodig zijn om te komen tot een goede basis voor een kennis- en adviesorganisatie. •
Uitwerkingskosten: stuurgroep en kernteam met projectleider / kwartiermaker, uitwerken van de beoogde organisatie (organisatorisch en bestuurlijk).
•
Oprichtingskosten: kosten voor formeel juridische oprichting van de stichting en de overeenkomsten met betrokkenen.
•
Implementatie en overige frictiekosten (per organisatie in beeld te brengen): bijvoorbeeld kosten overlap huisvesting en personeel, aanpassingen ICT, verhuizing, opleiding, ontwikkeling producten en diensten, wijzigingen en opleiding personeel.
Structurele financiering De financiering van het nieuwe kennis- en adviescentrum kan grotendeels voortbouwen op bestaande middelen van hûs en hiem, het Steunpunt Monumentenzorg en andere erfgoedorganisaties met provinciale subsidies en projectinkomsten, zoals Stichting Erfgoed en Publiek. Voor het nieuwe centrum wordt uitgegaan van een startbegroting van € 2,5 mln, die in drie jaar kan doorgroeien naar € 3 mln. De basis ligt in structurele bijdragen van gemeenten (ca. 60%) en provincie (ca. 18%), aangevuld opdrachten en projecten (ca. 22%). Daarmee ontstaat een solide en flexibele financieringsmix. Gemeenten dragen bij via dienstverleningsovereenkomsten en leges, de provincie via een structurele subsidie voor erfgoed-, archeologie- en landschapstaken. Aanvullende inkomsten uit projecten en fondsen versterken de innovatieve slagkracht. Het uitgangspunt is een sluitende begroting zonder winstoogmerk, met ruimte voor reserveringen voor innovatie en scholing. Voor een uitgebreidere uiteenzetting zie bijlage 5.
Het startbudget kan worden gefinancierd uit in-kind bijdragen van de betrokken organisaties, eenmalige bijdragen van gemeenten (bijvoorbeeld naar rato van het aantal inwoners) en provincie.
37
Bijlagen
38 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Bijlage 1: aanpak onderzoek en overzicht betrokkenen Het onderzoek heeft zich gericht op een toekomstbestendige governance, cultuur en instrumentarium voor omgevingskwaliteit in Fryslân, zoals bedoeld onder de Omgevingswet. De centrale vragen zijn wat onder omgevingskwaliteit wordt verstaan, welke instrumenten nodig zijn om kwaliteitscultuur en kwaliteitsresultaten te stimuleren, en hoe dit effectief georganiseerd en bestuurd kan worden (governance).
Opdrachtgevers
Op basis van bestaande verkenningen en eigen onderzoek zijn gesprekken gevoerd met stakeholders en zijn bijeenkomsten georganiseerd. Vervolgens zijn scenario’s uitgewerkt voor kwaliteitsgovernance en een leeromgeving, met specifieke aandacht voor de rol van de betrokken organisaties en de samenwerking met en tussen overheden.
De Friese Aanpak (DFA)
Het resultaat zijn meerdere scenario’s en een voorkeursmodel op basis van een zorgvuldige afweging. Het advies biedt een gedeelde visie en een heldere structuur voor samenwerking, gericht op het versterken van een breed gedragen kwaliteitscultuur en -governance voor een 'Moaier Fryslân'. • • • •
Interviews met ca. 45 deskundigen en bestuurders Reflectie aanjaagteam Moaier Fryslân, 8 mei 2025 Ambtelijke werksessie, 10 juni 2025 Expertsessie, 26 juni 2025
Vereniging Friese Gemeenten (VFG) Provincie Fryslân hûs en hiem
Begeleidingsgroep opdrachtgevers Christaan Wallet (VFG) Wiepkjen Kingma (hûs en hiem) Anne-Greet de Vries (De Friese Aanpak) Gerwin Venema (Provincie Fryslân) Opdrachtnemers Ingrid van de Vegte Bas Schout
januari 2025 start
Wat is het vertrekpunt en de huidige situatie?
oktober 2025 definiëren (wat) Wat is omgevingskwaliteit en wat wil je gezamenlijk bereiken?
organiseren (hoe) Wat en wie heb je daarvoor nodig?
advies en perspectief
Projectondersteuning Jenny de Jonge (DFA)
Wat is het advies en proces van verdere besluitvorming?
39
Geïnterviewde deskundigen en bestuurders van organisaties, etc.
Geïnterviewde bestuurders van gemeenten •
Kees Arendz (wethouder Waadhoeke)
•
Harjan Bruining (wethouder Achtkarspelen)
•
Bauke Dam (wethouder Súdwest-Fryslân)
•
Jan Dijkstra (wethouder Waadhoeke)
•
Theo Faber (wethouder Ameland)
•
Erik de Groot (wethouder Harlingen)
•
Hein de Haan (wethouder Leeuwarden)
•
Johan Hagen (wethouder Schiermonnikoog)
•
Chris van Hes (wethouder De Fryske Marren)
•
Bert Koonstra (wethouder Noardeast-Fryslân)
•
Tom van Mourik (wethouder Vlieland)
Jef Muhren (vm. directeur Mooi Noord-Holland)
•
Jelke Nijboer (wethouder Ooststellingwerf)
•
Loes Oudenaarde (vm Supervisor Stedenbouw en Ruimtelijke Kwaliteit Leeuwarden)
•
Marcel van Opzeeland (wethouder Opsterland)
•
Maria de Roy (wethouder Smallingerland)
•
Mirjam Pragt, directeur stichting Erfgoed & Publiek en Friese museumfederatie
•
Danny Ruige (wethouder Terschelling)
•
Rolie Tromp (wethouder Heerenveen)
•
Jan van Rijen (programmamanager Wetterskip Fryslân)
•
Berber van Zandbergen (wethouder Tytsjerksteradiel)
•
Kees van Stralen (adviseur erfgoed provincie Fryslân)
•
Gerben Wiersma (vm. wethouder Dantumadiel)
•
Ab Timmermans (vm. directeur hûs en hiem)
•
Hanneke Zonderland (wethouder Weststellingwerf)
•
Marc Visser (directeur hûs en hiem)
•
Gerwin Venema (programmamanager provincie Fryslân)
•
Gerda de Vries (adviseur FUMO)
•
Henk de Vries (directeur It Fryske Gea)
•
Anne-Greet de Vries (projectmanager De Friese Aanpak)
•
Bart Zantman (architect en lid DB hûs en hiem)
•
Sandra van Assen (stedenbouwkundige Súdwest-Fryslân)
•
Dick Bloemhof (directeur Steunpunt Monumentenzorg Fryslân)
•
Wiebe Bouwma (vm. directeur Landschapsbeheer Friesland)
•
Eefje van Duin (directeur Monumentenwacht)
•
Dorien Fröling (directeur Libau)
•
John Haitsma (programmamanager De Friese Aanpak)
•
Marielle Hoefsloot (directeur Federatie Ruimtelijke Kwaliteit)
•
Wiepkjen Kingma (adviseur hûs en hiem)
•
Hilde Kloosterziel (adviseur provincie Fryslân)
•
Els van der Laan (directeur Noordpeil en Fries Erfgoed Collectie)
•
Nelleke Linthorst (adviseur BügelHajema en lid DB hûs en hiem)
•
40 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Geïnterviewde bestuurders van provincie •
Eke Folkerts (gedeputeerde provincie Fryslân)
•
Sybe Knol (gedeputeerde provincie Fryslân)
Reflectie aanjaagteam Moaier Fryslân, 8 mei 2025 •
Sandra van Assen (stedenbouwkundige Súdwest-Fryslân)
•
Jocien van der Hout (stedenbouwkundige Noardeast-Fryslân)
•
Hilde Kloosterziel (adviseur provincie Fryslân)
•
Loes Oudenaarde (vm. Supervisor Stedenbouw en Ruimtelijke Kwaliteit Leeuwarden)
Expertsessie, 26 juni 2025 •
Bart Dijk (LAOS)
•
Kees de Haan (J.O.N.G.)
•
Wiepkjen Kingma (hûs en hiem)
•
Els van der Laan (No.ordpeil)
•
Paul Meurs (SteenhuisMeurs)
•
Jef Muhren (Mooi Noord-Holland)
•
Loes Oudenaarde (vm. Supervisor Stedenbouw en Ruimtelijke Kwaliteit Leeuwarden)
•
Peter de Ruyter (Bureau Peter de Ruyter)
•
Klaas Sietse Spoelstra (Nij-sicht en Ministerie van de Toekomst)
•
Mischa Teensma (BugelHajema)
•
Femke Visser (LOF landschapsarchitecten)
•
Anne-Greet de Vries (De Friese Aanpak)
•
Oeds Westerhof (Common Grounds Common Sense)
•
Tim Willems-Kruize (TWK Stedenbouw)
•
Bart Zantman (Zantman Architecten)
41
Bijlage 2: belangrijkste bevindingen uit het onderzoek Kwaliteitscultuur •
Omgevingskwaliteit nog niet vanzelfsprekend in beleid en processen.
•
Behoefte aan gedeelde taal, dialoog, inspiratie en aandacht.
•
Provincie Fryslân •
POVI in voorbereiding: contourenschets, actualisatie Grutsk op de romte. Programma erfgoed vastgesteld en veel ander aanverwant beleid.
Geen gezamenlijke (inhoudelijke) basis. Veel afhankelijkheid van externe experts.
•
Doorwerking provinciaal beleid en regelgeving naar gemeenten: nu nog beperkt.
•
Veelal reactief (toetsend), behoefte aan proactief (sturen aan voorkant).
•
Eigen kwaliteitsteam: deskundig maar onvoldoende aangesloten op gemeenten.
•
Omgevingskwaliteit wordt gezien als subjectief, kwetsbaar en duur.
•
Versnipperde erfgoedorganisaties met subsidie van/via prov.
•
Draagvlak voor bundeling krachten en expertise (efficiëntieslag), niet weer iets erbij.
•
Verschillende belangen en percepties, ook bij bestuurders.
Kwaliteitsbeleid en -instrumenten
Friese gemeenten
•
Meeste gemeenten hebben een omgevingsvisie met hoge kwaliteitsgerichte ambities.
•
Veel ‘bewust onbekwaam’ rond invoering Omgevingswet, andere competenties, processen, rollen etc.
•
Meerdere kwaliteitsinstrumenten, nog wel weinig samenhang en duidelijkheid in gebruik (beleidscyclus Omgevingswet).
•
Juridische en provinciale kaders belangrijk. Toetsen en beoordelen nog vaak gebruikt.
•
Beperkte verbinding en doorwerking tussen schaalniveaus en overheden.
•
Erfgoed is tastbaar en belangrijk, expertise nodig.
•
Autonomie belangrijk (vooral voor de raad). Wel borging goede expertise en continuïteit: samenwerking als oplossing?
•
Samenhang in gebieden is relevant, Fryslân als geheel, landschappen.
•
Wadden: eigen problematiek, kennis nodig, specifieke aanpak?
•
Adviescommissie (hûs en hiem) vooral als ‘toetsend’ ervaren.
•
Gezamenlijke leeromgeving nog beperkt bij DFA, wel behoefte aan gezamenlijke ontwikkeling.
42 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Capaciteit en expertise De Friese Aanpak (DFA): vooral gericht op leren ambtelijk, behoefte is aanwezig. Besturing en resultaten zijn vrijblijvend, draagvlak lijkt verzwakt.
•
Beperkte deskundigheid en capaciteit bij (kleinere) gemeenten.
•
Vaak externe inhuur, kostbaar.
•
Continuïteit en borging van kennis en expertises ontbreken.
•
Weinig gebruik van uitvoeringskennis in beleidsontwikkeling.
Samenwerking in Fryslân rond omgevingskwaliteit
•
Versnippering kennis, geen structurele kennisdeling. Kleine organisaties, eilandjes.
•
Huidige samenwerking reactief, informeel en ad hoc, het zijn mensen die elkaar vinden, het is ongeorganiseerd.
•
Arbeidsmarktproblematiek. Krapte arbeidsmarkt vergroot expertiseprobleem.
•
Samenwerking tussen gemeenten beperkt tot de regio, de buren.
•
Lokale autonomie belangrijk, maar kan samenwerking bemoeilijken.
•
Bestuurlijke drukte door vele opgaven, behoefte aan minder ‘tafels’.
•
Negatief sentiment over gemeenschappelijke regelingen, vooral bij gemeenteraden.
Uitvoeringsorganisaties •
Hûs en hiem bestuurlijk eenvoudig en weinig risico, veel deskundigheid maar nog teveel toetsend ipv aan de voorkant. Bestaansrecht en financieel draagvlak in huidige vorm onder druk.
•
•
Steunpunt Erfgoed: verbindt gemeenten en andere partners, subsidie o.a. provincie en rijk, kleine organisatie, weinig ondernemend.
•
•
Diverse kleine erfgoedorganisaties (object georiënteerd), deels met subsidies, Fries erfgoed collectief probeert projecten te ontwikkelen. Monumentenwacht vooral uitvoering aan gebouwen.
Verhouding provincie en gemeenten nog niet optimaal om kaders en doorwerking beleid samen te bepalen.
•
Kennis en ervaring vanuit uitvoeringsorganisaties wordt weinig gebruikt in beleidsvorming en plannen.
•
Groene organisaties: sterk op natuur en landschap, nog niet veel in beeld rondom omgevingskwaliteit.
•
Autonomie, identiteit en besturing en financiering leiden niet tot veel samenwerking.
43
Bijlage 3: wettelijk kader Doelstelling en zorgplicht onder de Omgevingswet De Omgevingswet benoemt het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit expliciet als een van haar maatschappelijke doelstellingen (artikel 1.3 Ow). Dit betekent dat overheden bij hun handelen rekening moeten houden met de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in brede zin – inclusief cultuurhistorie, architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit, landschap en natuur. Dit komt ook overeen met de reikwijdte en taken en bevoegdheden van bestuursorganen zoals opgenomen in artikel 2.1 Ow. Naast de maatschappelijke doelstelling geldt ook een algemene zorgplicht: artikel 1.6 Ow bepaalt dat “een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving”. Artikel 1.7 Ow vult dit aan door te stellen dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handeling nadelige gevolgen voor de leefomgeving kan hebben, alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs van hem gevraagd kunnen worden om die gevolgen te voorkomen of te beperken. Deze zorgplicht strekt zich nadrukkelijk ook uit tot omgevingskwaliteit, en niet alleen tot veiligheid of gezondheid. Regels om kwaliteit te borgen De Omgevingswet is een integrale kaderwet waarbij relatief weinig Rijksregels over goede omgevingskwaliteit zijn uitgewerkt.
Decentrale overheden krijgen daardoor de ruimte én verantwoordelijkheid om zelf invulling te geven aan omgevingskwaliteit via hun eigen instrumentarium.
44 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Gemeenten moeten in het omgevingsplan de benodigde regels stellen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties – waaronder regels ter bescherming of verbetering van de omgevingskwaliteit. In het omgevingsplan kunnen zij bijvoorbeeld bepalingen opnemen over de omgang met architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten. Voor cultureel erfgoed is dat via rijksregels als verplichtende instructie aan gemeenten opgelegd. Artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat gemeenten in hun omgevingsplan regels moeten opnemen ter bescherming van cultuurhistorisch waardevolle gebieden, zoals beschermde stads- en dorpsgezichten, en bijbehorende waarden. Dit houdt in dat gemeenten verplicht zijn om bij het opstellen van het omgevingsplan rekening te houden met de instandhouding, ontwikkeling en waar mogelijk versterking van deze erfgoedwaarden. Een regel in het omgevingsplan kan de vorm hebben van een ‘verbod behoudens omgevingsvergunning’ voor bepaalde activiteiten of veranderingen, om te waarborgen dat vooraf getoetst wordt aan kwaliteitscriteria. Denk daarbij aan bouw- of aanlegactiviteiten. Artikel 4.19 Ow bepaalt dat indien in het omgevingsplan regels staan over het uiterlijk van bouwwerken, de gemeenteraad daarvoor beleidsregels moet vaststellen voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet.
Daarnaast mag de gemeente ook beleidsregels vaststellen voor andere aspecten van omgevingskwaliteit. Adviescommissie omgevingskwaliteit en kwaliteitsadvisering Om de zorg voor omgevingskwaliteit te ondersteunen, verplicht de Omgevingswet elke gemeente tot het instellen van een onafhankelijke gemeentelijke adviescommissie. Artikel 16.15a Ow (onder c) bepaalt dat deze gemeentelijke commissie (zoals bedoeld in art. 17.9 Ow) in ieder geval als adviseur wordt aangewezen voor omgevingsvergunningaanvragen die betrekking hebben op rijksmonumentenactiviteiten, en voor andere activiteiten in door de gemeenteraad aangewezen gevallen of wanneer het college van B&W dit nodig acht. Daarnaast kan het college de commissie verzoeken om mee te denken over het te ontwikkelen beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Artikel 17.9 Ow stelt eisen aan deze commissie, zoals deskundigheid (er moeten bv. enkele leden deskundig zijn op het gebied van monumentenzorg), onafhankelijkheid (leden van het gemeentebestuur mogen geen zitting hebben) en transparantie (advieskader, openbaarheid van advisering en jaarlijkse verslaglegging).
Zo’n commissie vervangt de traditionele welstands- en monumentencommissies door één geïntegreerd adviesorgaan. De Federatie Ruimtelijke Kwaliteit (FRK) en de VNG benadrukken in hun handreikingen dat gemeenten hun adviesstelsel omgevingskwaliteit flexibel kunnen inrichten naar eigen inzicht. De Omgevingswet biedt ruimte voor een adviesstructuur die past bij de lokale cultuur en ambities. Veel gemeenten kiezen er dan ook voor om de expertise te verbreden en de rol van de commissie te moderniseren. Zo zijn in de nieuwe commissies steeds meer deskundigen uit meerdere disciplines vertegenwoordigd – niet alleen architectuur en erfgoed, maar bijvoorbeeld ook landschapsarchitectuur en duurzaamheid (energietransitie, klimaatadaptatie, groen) – zodat adviezen echt integraal van aard zijn. Lees meer hierover in de handreiking ‘Adviesstelsel voor omgevingskwaliteit’ van VNG, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, 2020
45
Bijlage 4: sleutelinstrumenten omgevingskwaliteit In deze bijlage worden de voorgestelde sleutelinstrumenten voor een samenhangend kwaliteitsinstrumentarium nader toegelicht. Kennis- en dataportaal Een (online) kennis- en dataportaal maakt (gebieds)informatie en goede voorbeelden op een toegankelijke en overzichtelijke manier beschikbaar voor een breed publiek: van beleidsmakers en ontwerpers tot initiatiefnemers en bewoners. Het portaal kan een verzameling bevatten van ruimtelijke, landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische gegevens op verschillende schaalniveaus. Denk aan kaartmateriaal, beeldende verhalen of databronnen die inzicht geven in de context en kwaliteiten van een plek. Daarnaast kan een portaal ook gericht zijn op ‘tools’ en ‘lessons learned’ uit de praktijk, zoals gerealiseerde projecten (koplopers), voorbeeldige processen (werkvormen, samenwerking) en beleidsinstrumenten (kaders, regels, ontwerpprincipes). Dit helpt om kennis en ervaring te verspreiden en anderen te inspireren. Voorbeelden zijn de dorpenatlas van provincie Fryslân (www.dorpenatlas.frl) en het geo-portaal van gemeente Sudwest-Fryslân (geo.sudwestfryslan.nl). Het portaal hoeft geen opzichzelfstaand middel te zijn, maar kan goed samengaan met andere vormen van kennisdeling, zoals kennisdocumenten en -bijeenkomsten, excursies, webinars, podcasts of publicaties.
De combinatie van digitale en fysieke vormen van communicatie maakt het mogelijk om verschillende doelgroepen te bereiken, interactie te stimuleren en een lerende praktijk te ondersteunen.
46 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Gebieds- en landschapsbiografieën Dit zijn feitelijk de verhalen en beschrijvingen van een gebied – de geschiedenis, de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken, en de waarden die bewoners en experts eraan toekennen. Een gebiedsbiografie brengt de unieke lokale eigenheid in kaart, maar kan ook een toekomstbeeld schetsen. Door deskundig onderzoek en lokale kennis te combineren ontstaat een gedeeld beeld van wat een plek bijzonder maakt. Dit is van grote waarde als basis voor verdere beleids- en planvorming: het bepaalt welke kwaliteiten behouden of versterkt moeten worden en waar ruimte is voor verandering. Het opstellen van een gebiedsbiografie is bij uitstek participatief: bewoners, heemkundigen, natuur- en landschapsorganisaties en andere lokale partijen leveren kennis en perspectieven aan. Zij kennen de waardevolle verhalen en plekken in hun omgeving als geen ander. Die inbreng is een waardevolle aanvulling op de expertise van de onderzoekers en opstellers van een biografie. Bovendien creëert gezamenlijke betrokkenheid bij deze fase draagvlak – mensen raken zich bewuster van de kwaliteiten van hun eigen omgeving, wat hun betrokkenheid vergroot. Voorbeelden van gebieds- en landschapsbiografieën in Fryslân zijn: •
Landschapsbiografie Noardeast-Fryslân (2021)
•
Het verhaal van Waadhoeke (2021)
•
Het verhaal van Smallingerland (2018)
Ontwerpend onderzoek Ontwerpend onderzoek is een krachtige methode om ruimtelijke opgaven te verkennen, belangen te verbinden en oplossingsrichtingen zichtbaar te maken. In tegenstelling tot traditionele planvorming, start het niet vanuit vastgestelde programma’s, regels of kaders, maar vanuit de kwaliteiten van een plek, en de opgaven en de kansen die daarin besloten liggen. Drie doelen staan daarbij centraal: het verbinden van belangen, het integreren van disciplinaire en lokale kennis, en het verbeelden van mogelijke toekomsten. Daarbij is ontwerpkracht een onmisbare schakel: de inzet van ontwerpers in ontwikkelingen en verkenningen helpt om uiteenlopende belangen op één lijn te brengen en creatieve oplossingen te vinden voor complexe opgaven. Door scenario’s uit te werken wordt zichtbaar wat de ruimtelijke gevolgen van keuzes zijn, welke onderdelen elkaar versterken en welke alternatieven denkbaar zijn. Dit helpt om vastgelopen processen te doorbreken en de kern van de opgave scherper te krijgen. Ook bij participatie is het een waardevolle methode: verbeelding maakt abstracte discussies concreet, stimuleren het gesprek en maken het makkelijker voor betrokkenen om zich tot een plan te verhouden. Bijvoorbeeld met ontwerpateliers die in uiteenlopende fasen van een proces worden ingezet, van opgaveverkenning, visievorming tot concreet ontwerp.
Ontwerpend onderzoek vraagt om ruimte om buiten de gebaande paden te denken. Daarbij kunnen creatieve werkvormen en benaderingen uit de kunst- en cultuursector actief worden ingezet. Denk aan verbeelding, storytelling of performance om op andere manieren naar opgaven te kijken. Zo fungeert ontwerpend onderzoek ook als motor voor vernieuwing: door creativiteit te combineren met vakinhoudelijke kennis ontstaan nieuwe inzichten en oplossingen. Kortom, ontwerpend onderzoek biedt niet alleen inhoudelijke verdieping, maar ook beweging, draagvlak en innovatieve oplossingen. Een voorbeeld is de methodiek voor ontwerpend onderzoek genaamd Mei it ferline foarút (Met het verleden vooruit) van Werkend landschap en Landschapsbeheer Fryslân. Een ander voorbeeld is ‘In plak ûnder de sinne’ (Een plek onder de zon) uit 2022 van het Friese bureau Polyfern, gericht op de woonopgave in dorpen. Kwaliteitskaders Met een kwaliteitskader leg je de bestaande en gewenste omgevingskwaliteit van een gebied vast in concrete uitgangspunten, richtlijnen en/of toetsingscriteria. Kwaliteitskaders kunnen verschillende vormen aannemen. Het kan gaan om juridische regels voor planbeoordeling, zoals een nota omgevingskwaliteit (de opvolger van de welstandsnota). Maar ook om inspirerende handboeken met voorbeelden, of (beeld)kwaliteitsplannen die richting geven aan het begin van een ontwikkeltraject.
Het helpt overheden om duidelijke keuzes te maken: wat moet behouden blijven? Waar is vernieuwing gewenst, en onder welke voorwaarden?
47
Een goed kader biedt ruimte aan ontwikkelingen en maatschappelijke ambities – zoals woningbouw of energietransitie – zonder concessies te doen aan de aanwezige en gewenste omgevingskwaliteit. Het biedt houvast: initiatiefnemers weten waar ze aan toe zijn, en overheden kunnen op basis van het kader sturen en toetsen. Tegelijkertijd stimuleert het een dialoog over kwaliteit, op basis van ambities in plaats van enkel regels. Het principe “ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit” komt hier tot uiting: geef ruimte, mits de kwaliteitsdoelen worden gerespecteerd. Dat sluit aan bij de geest van de Omgevingswet: het ‘ja, mits’-principe.
In Fryslân faciliteert hûs en hiem voor de meeste gemeenten de adviescommissies omgevingskwaliteit. Onder de nieuwe Omgevingswet wordt hun rol breder en meer proactief: niet alleen formeel toetsen of een ontwerp aan de regels voldoet, maar ook meedenken aan de voorkant van ontwikkelingen. Zie voor meer informatie over de mogelijkheden van de gemeentelijke adviescommissie de Handreiking Adviesstelsel van VNG, Rce en Federatie ruimtelijke kwaliteit (2020). Een vorm van adviseren kan specifiek gerelateerd worden aan een doel of stadium van een initiatief: idee, ontwerp of vergunning (zie ook paragraaf 2.6).
Kwaliteitsadvisering Zelfs met goede kaders is elke situatie uniek. Daarom is advisering een onmisbaar instrument om plannen te boordelen, scherp te houden en te verrijken. Kwaliteitsadvisering betekent dat gekwalificeerde experts – architecten, stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten, erfgoeddeskundigen – een plan vanuit verschillende invalshoeken bekijken en adviseren hoe het beter kan aansluiten bij de kernkwaliteiten en ambities voor het gebied.
Een specifieke vorm van kwaliteitsadvisering in Fryslan is Nije Pleats. De Nije Pleats is sinds 2010 een maatwerkmethode waarmee in een vroeg stadium het gesprek wordt gevoerd over de ruimtelijk-landschappelijke inpassing en overeenstemming komt tussen belangrijke partijen. Daarmee wordt een stevige basis gelegd voor de latere vergunningsprocedure. Met een of meer sessies, meestal ter plekke, ontstaat vaak een plan waar iedereen blij mee is. Aan het eind, bij de vergunningaanvraag, is dan in principe geen zware beoordeling meer nodig. Op basis van deze methode werd ook de Sinnetafel-methode ontwikkeld.
Hiervoor biedt de Omgevingswet de mogelijkheid om een gemeentelijke adviescommissie in te zetten die de gemeente adviseert bij concrete initiatieven. Daarnaast kunnen gemeenten ook stads-of dorpsbouwmeesters, kwaliteitsteams en supervisoren inzetten bij ontwikkelingen en projecten.
48 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Stimulering en beloning van goed ontwerp (prijsvragen etc.) Prijsvragen, ontwerpwedstrijden, open oproepen en voucherregelingen zijn voorbeelden van instrumenten die goed ontwerp stimuleren.
Ze fungeren als (financiële) prikkels voor initiatiefnemers en ontwerpers, door bijvoorbeeld ruimte te bieden aan innovatieve oplossingen, ontwerpend onderzoek en zorgvuldige selectie van passend(e) ontwerp(ers). Zo geeft een open oproep meerdere ontwerpers de kans om – gericht op een bepaald thema of gebied – met concepten, scenario’s of concrete oplossingen te komen. Een voucherregeling biedt op haar beurt financiële ondersteuning om ontwerpkracht in te schakelen voor bijvoorbeeld onderzoek, schetsontwerpen of verkenning van een ontwerpopgave. Ook prijsvragen en ontwerpwedstrijden belonen creativiteit en kwaliteit; zij belonen ontwerpers en zetten hun ertoe aan om met nieuwe ideeën te concurreren en dragen zo bij aan betere oplossingen voor ruimtelijke opgaven. Zo organiseerde provincie Fryslân in 2022 de prijsvraag “Nije fitaliteit troch âlde pleatsen” om herbestemming van historische boerderijen te stimuleren. Voorbeelden van terugkerende prijsvragen in Fryslân zijn de Anita Andriesenprijs voor ruimtelijke kwaliteit en de Vredeman de Vries Prijs voor architectuur. Daarnaast bestaat er ook een hûs en hiem prijs voor een persoon, die zich op bijzondere wijze heeft ingezet voor het behoud en de verbetering van de ruimtelijke schoonheid in Fryslân.
Goed ontwerp begint in de kern bij goed opdrachtgeverschap – een helder geformuleerde opgave, de selectie van geschikte ontwerpers en het creëren van ruimte voor hun ontwerpkracht – wat door de genoemde instrumenten wordt gestimuleerd. Deze prikkels bevorderen niet alleen de kwaliteit van ontwerpen, maar versterken ook de ontwerpcultuur in Fryslân.
Ze zorgen voor een klimaat waarin zowel gevestigde bureaus als jong ontwerptalent tot hun recht komen, doordat iedereen gelijke kansen krijgt om zich via publieke opdrachten te bewijzen. Participatieve monitoring Participatieve monitoring is een manier om de kwaliteit van de leefomgeving systematisch te volgen, waarbij burgers actief betrokken zijn bij het verzamelen en duiden van gegevens. Het combineert kwantitatieve metingen (bijvoorbeeld luchtkwaliteit, ruimte, geluid, natuur) met kwalitatieve observaties en ervaringen van bewoners. Het proces van monitoren kent verschillende stappen: samen het meetproces ontwerpen, data verzamelen, analyseren en de resultaten vertalen naar beleid en praktijk. Door periodieke aanpak ontstaat inzicht in trends, maar ook een breed gedragen actueel beeld van de kwaliteit van de omgeving. Een belangrijk element is dat bewoners hun eigen kennis en ervaringen inbrengen. Dit vergroot de betrokkenheid, stimuleert bewustwording en versterkt de legitimiteit van beleidskeuzes. Voor overheden en beleidsmakers levert het actuele informatie op die aansluit bij wat lokaal leeft en gebruikt kan worden in beleidsvorming. Voor Fryslân kan participatieve monitoring bijdragen aan een lerend systeem rond omgevingskwaliteit.
Het Planbureau Fryslân zou hierin een coördinerende en verbindende rol kunnen spelen, door methoden te ontwikkelen, gegevens te bundelen en de resultaten te vertalen naar beleidsadviezen.
49
Bijlage 5: financiering scenario 3b: kennis- en adviescentrum Voortbouwen op basis van huidige financiering Hûs en hiem ondersteunt momenteel 17 Friese gemeenten met een jaarbegroting van circa € 1,5 mln. Het Steunpunt Monumentenzorg beschikt over ongeveer € 0,6 mln per jaar, waarvan € 0,2 mln uit provinciale subsidie. Samen gaat het om circa € 2,1 mln op jaarbasis (jaarverslagen 2024). Daarnaast zijn er nog andere erfgoedorganisaties met provinciale subsidies en projectinkomsten, zoals Stichting Erfgoed en Publiek. Voor het nieuwe kennis- en adviescentrum wordt uitgegaan van een basisbegroting van € 2,5 mln, waarin ruimte is opgenomen voor nieuwe taken en groei. Efficiëntievoordelen zijn voorzichtig ingeschat, maar zullen pas in de eerste jaren geleidelijk zichtbaar worden. Voorstel financieringsmix Het financiële model combineert structurele bijdragen van gemeenten en provincie met inkomsten uit opdrachten en projecten, bijvoorbeeld op uurbasis of via fondsen. Zo ontstaat een stabiele basis met voldoende flexibiliteit om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Gemeenten (ca. 60% / € 1,5 mln) via dienstverleningsovereenkomsten en bestaande legesconstructie vanuit omgevingsvergunningen. Dit is vergelijkbaar met de huidige begroting van hûs en hiem.
50 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
Provincie (ca. 18% / € 0,45 mln) als structurele subsidie voor erfgoed, archeologie en landschapskwaliteit. Dit bouwt voort op de huidige bijdrage aan het Steunpunt Monumentenzorg (€ 0,22 mln, deels rijksbijdrage) en andere erfgoedorganisaties zoals Stichting Erfgoed en Publiek (€ 0,3 mln). Dit kan aangevuld worden met middelen voortkomend uit het overhevelen van huidige taken van het provinciale Team Ruimtelijke Kwaliteit. Dit dekt de functie van provinciaal steunpunt erfgoed en aanvullende taken zoals regionale kwaliteitssteunpunt (zoals in Groningen/Drenthe via Libau wordt gedaan). Opdrachten & projecten (ca. 22% / € 0,55 mln) uit betaalde opdrachten voor de Friese overheden, het rijk en derden, aangevuld met projectsubsidies uit landelijke fondsen en EU-subsidies. Een jaarlijkse opbrengst van ongeveer € 0,55 mln is haalbaar op basis van de huidige activiteiten (waaronder hûs en hiem € 0,04 mln en Steunpunt Monumentenzorg € 0,44 mln). In het begin kan dit aangevuld worden met een extra gegarandeerde opdrachtenportefeuille vanuit de overheden (€ 0,15 mln). Naarmate het centrum zich verder profileert, is groei van de projectinkomsten realistisch. Statuten en governance moeten ruimte bieden om externe opdrachten en programma’s te verwerven. Eventuele extra inkomsten boven begroting kunnen worden toegevoegd aan een innovatiereserve of als buffer voor economisch mindere jaren.
Begrotingsvoorstel Op basis van de financieringsmix is een startbegroting opgesteld voor het kennis- en adviescentrum van in totaal € 2,5 mln per jaar. Als stichting zonder winstoogmerk geldt dat de begroting sluitend is: geraamde inkomsten dekken de uitgaven. De grootste uitgavenpost is personeel (€ 1,6 mln). Hiermee worden de vaste adviseurs (o.a. architectuur, stedenbouw, erfgoed en landschap) en de noodzakelijke ondersteuning bekostigd. Dit ligt in lijn met de huidige gezamenlijke formatie van hûs en hiem en het Steunpunt Monumentenzorg. Externe experts en projectkosten (€ 0,6 mln) zijn begroot voor flexibel in te huren adviseurs en directe projectuitgaven; dit bedrag is ruim genomen om piekbelastingen te kunnen opvangen. Huisvesting en bureaukosten (€ 0,1 mln) dekken kantoorhuur, ICT en faciliteiten, vergelijkbaar met de huidige situatie. Onder overige kosten (€ 0,2 mln) vallen algemene bedrijfsvoering (reizen, communicatie, administratie) en een bewuste reservering voor innovatie en scholing. Het doel is om in drie jaar tijd door te groeien naar een jaarbegroting van € 3 mln. Dit gebeurt door:
Die reservering kan vanaf de oprichting van de organisatie ook starten met een hoger budget dat op termijn geleidelijk afgebouwd wordt. De verwachting is immers dat door innovatie en ontwikkeling de inkomsten van opdrachten en projecten meegroeit.
Baten: Gemeentelijke bijdragen (18 gemeenten, DVO/leges)
1,50 mln
Provinciale subsidie (erfgoed, archeologie en landschap)
0,45 mln
Opdrachten & projectsubsidies (variabel)
0,55 mln
Totaal baten
2,50 mln
Lasten:
•
groei van projectinkomsten en fondsen;
Personeelskosten (intern personeel)
1,60 mln
•
bundeling en verbreding van provinciale en gemeentelijke middelen;
Huisvesting en bureaukosten
0,10 mln
•
efficiëntere inzet van capaciteit en middelen.
Overige kosten (algemeen, incl. opleiding/innovatie)
0,20 mln
Externe advies- & projectkosten
0,60 mln
Totaal lasten
2,50 mln
Jaarlijks wordt circa € 0,1 mln gereserveerd voor innovatie, kennisontwikkeling en scholing. Deze reservering moet bijdragen aan een lerende organisatie die kan inspelen op nieuwe opgaven, projecten en dienstverlening.
51
Benchmark Ter illustratie wordt de voorgestelde Friese begrotingsopzet vergeleken met de begroting van Libau (Groningen en Drenthe) en Mooi NoordHolland. Libau bedient 22 gemeenten in twee provincies (incl. steunpunt cultureel erfgoed, ruimtelijke kwaliteit en erfgoedloket). Mooi Noord-Holland faciliteert 38 gemeenten (incl. steunpunt cultureel erfgoed). MOOI Noord-Holland (2024): begroting € 3,6 mln; 65% gemeentelijke bijdragen, 15% provinciale subsidie, 20% projecten. Provinciale bijdrage groeit naar € 0,5 mln. Libau (Groningen & Drenthe, 2024): begroting € 3,1 mln; ruim 40% provinciale/programmatische subsidies, o.a. voor archeologie en het Erfgoedloket. Het Friese voorstel met € 2,5 mln is bescheidener, maar vergelijkbaar qua opzet en potentie. De schaal en het aantal gemeenten verklaren het verschil. In de tabel staan de belangrijkste posten van baten en lasten naast elkaar, gebaseerd op jaarcijfers 2024 van deze organisaties. Voor Libau is bij het ontbreken van expliciete uitsplitsing een schatting gedaan van de gemeentelijke en provinciale bijdragen binnen de opbrengsten. Qua inkomsten is het beoogde model voor Fryslân vergelijkbaar met Mooi Noord-Holland: circa 65% van de baten komt uit gemeentelijke bijdragen, 15% uit provinciale subsidie en 20% uit projecten.
52 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
In 2025 heeft Mooi Noord-Holland een aanzienlijk hogere subsidie ontvangen van in totaal €0,5 mln voor erfgoedactiviteiten, en dit bedrag groeit verder. Libau heeft een breder provinciaal takenpakket en ontvangt daarom veel meer provinciale en programmatische middelen, onder meer voor het Steunpunt Cultureel Erfgoed, Steunpunt Ruimtelijke Kwaliteit, regionale archeologie en het Erfgoedloket. Hierdoor komt bij Libau ruim 40% van de inkomsten uit subsidies. Het Friese centrum kan hiervan leren door actief gesubsidieerde taken en programma’s te verkennen. In de kostenstructuur valt op dat Mooi Noord-Holland 1,4 mln (40% van de lasten) uitgeeft aan projectkosten en externe adviseurs. Libau besteedt circa 1 mln aan externen/projectkosten. Voor Fryslân wordt deze post geraamd op 0,6 mln. Dit zal groeien naarmate het aanbod van en vraag naar diensten en producten in Fryslân toeneemt. Libau’s cijfers laten relatief hoge ‘overige kosten’ zien, maar hierin zitten ook bepaalde kosten voor externe inhuur en projectuitgaven (overige opbrengsten) verwerkt. Geen van de drie heeft een winstoogmerk; overschotten worden ingezet voor reserveringen, innovatie en kwaliteitsverbetering.
Fryslân (voorstel)
Libau 2024
Mooi NH 2024
Gemeenten (reguliere advisering)
1,50 mln
1,57 mln (aanname)
2,32 mln
Provincie (subsidies steunpunten)
0,45 mln
0,50 mln (aanname)
0,30 mln (groeiend)
Opdrachten & projecten (overig)
0,55 mln
0,19 mln (aanname)
0,98 mln (aanname)
Baten:
0,87 mln (projectsubsidie erfgoedloket NCG/provincie) Totaal baten
2,50 mln (3 mln na 3 jr)
3,13 mln
3,60 mln
Personeel (intern)
1,60 mln
1,08 mln
1,73 mln
Huisvesting & bureau
0,10 mln
0,17 mln
0,26 mln
Overige kosten
0,20 mln
0,76 mln
0,15 mln
Externe advies- en projectkosten
0,60 mln
1,05 mln
1,43 mln
Totaal lasten
2,50 mln (3 mln na 3 jr)
3,06 mln
3,57 mln
Lasten:
53
Bijlage 6: relevante documenten Bevochten schoonheid, een eeuw welstandsadvisering in Fryslan, Meindert Schroor, 2015 Over Friese Schoonheid, een kennisdelingsproject over de herijking van beleid en uitvoering van welstand en ruimtelijke kwaliteit, werkgroep i.o.v. VFG, 2018 Adviesstelsel voor omgevingskwaliteit, VNG, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, 2020 Advisering omgevingskwaliteit Fryslân, Weusthuis en partners met advies van José van Campen Woord en Plaats i.o.v. VFG, 2021 Aanjagen cultuur en governance van Friese omgevingskwaliteit, de advisering verbreden en vernieuwen, reflectie en adviezen, Aanjaagteam Omgevingskwaliteit Fryslân i.o.v. VFG, 2023 Nei in moaier Fryslan, Weusthuis en partners i.o.v. VFG, 2023 Nei in moaier Fryslan 2028, samenvatting proces en inhoud 20212023, Aanjaagteam Omgevingskwaliteit Fryslân i.o.v. VFG, 2023
54 | Een Moaier Fryslân, 30 oktober 2025
“Omgevingskwaliteit niet als doel op zich, maar als logisch resultaat van (ontwerp)aandacht, samenwerking en wederkerigheid.”
55