Bijlage 1 Terschelling
Tekst van het document
Figuur 27 Waterdiepte bij een 1/10.000 per jaar situatie in de huidige situatie. In 2100 komt deze situatie ongeveer 1/1.000pj voor. (NB: het overstroomde gebied is weergegeven op basis van de huidige normsituatie, in de situatie van 2100 zal er een verschil met waterdieptes van maximaal 1 m waterdiepte bij komen afhankelijk van de maaiveldhoogte<0,5 en 0,5-1,0 m)
5.2
Conclusies en aanbevelingen
Conclusie 1. De studie laat zien dat de impact van zeespiegelstijging anders is voor het binnendijks en buitendijks gebied. Voor het binnendijkse gebied zorgen de waterkeringen voor een ondergrens in de kans van voorkomen van overstromingen. Voor het buitendijks gebied betekent zeespiegelstijging dat overstromingen vaker voorkomen, tenzij het gebied meegroeit met de zeespiegel of dat waterkerende elementen ook worden versterkt. Dit betekent dat er zicht moet zijn op deze waterkerende elementen, welke eisen hieraan gesteld worden en mogelijke ruimtebeslag voor toekomstige versterkingen. Het dorp West-Terschelling wordt kwetsbaarder voor overstromingen, hier is meegroeien erg lastig omdat er al een harde kering ligt. Het ligt voor de hand om op termijn hier kades te versterken. Conclusie 2: Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. Binnendijks is het aantal locaties wel beperkt, orde grootte een kwart van de woonobjecten en een derde van de toeristenobjecten hebben voldoende schuilmogelijkheden.
PR4634.20 • april 2024
50
Buitendijks zijn er echter veel schuilmogelijkheden. Van de ruim 4500 in kaart gebrachte objecten bij de meeste extreme situatie heeft buitendijks 90% van de objecten en binnendijks 30% van de objecten een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming. In deze schatting is ervan uitgegaan dat tijdens het seizoen dat er dijkdoorbraken mogelijk zijn er vrijwel geen mensen kamperen. Aanbeveling 1: Zorg dat bewoners en toeristen bekend (kunnen) zijn met mogelijke schuillocaties en wat van hen verwacht wordt om enkele dagen te overleven. Voor de uitwerking van dit handelingsperspectief is risico- en crisiscommunicatie het vertrekpunt. Aanbevolen wordt dat de veiligheidsregio hiervoor een strategie opstelt op basis van de uitwerking van rampenplannen (waarin ook de mogelijkheden om vooraf het eiland te verlaten nog worden gemaximaliseerd). Aanbevolen wordt ook de eilandgemeentes en recreatiebedrijven bij de uitvoering te betrekken omdat deze daadwerkelijk het contact hebben met de inwoners en toeristen. Daarnaast wordt aanbevolen om extra schuilplaatsen te ontwikkelen voor bewoners en toeristen om ook in 2100 voldoende schuilplaatsen te hebben.
Conclusie 3: Voor vitale en kwetsbare objecten kunnen voorzieningen worden getroffen om de te schuilen en de overlevingskansen te vergroten (ambitie 1), en om aanvullend de vitale infrastructuur sneller te herstellen (ambitie 2 of 3) zodat de samenleving op het eiland sneller kan herstellen. Als ontwerpcriterium voor deze vitale objecten is hierbij een extreme overstroming gekozen omdat het vaste land mogelijk ook is getroffen en de eilanden mogelijk de eerste dagen op zichzelf zijn aangewezen. Het aantal objecten (en dus de kosten en de betrokken stakeholders) neemt toe als het ambitieniveau hoger ligt. In Tabel 17 is het aantal kwetsbare objecten opgenomen per ambitieniveau. TERSCHELLING Aantal objecten
BINNENDIJKS O.b.v. maximale waterstand (en na een overstroming)
Aantal objecten
BUITENDIJKS O.b.v. maximale waterstand bij 1/10.000 gebeurtenis
28 2
AMBITIE 1 Heden 2100 28 (0) 28 (3) 2 (0) 2 (0)
13 0
Heden 13 0
2100 13 0
ONDERSTEUNING LEVENSMIDDELEN
4 4
4 (0) 4 (0)
5 2
2 2
2 2
WATERHUISHOUDING DRINKWATER ENERGIE VEILIGHEID ICT&TELECOM
47 0 28 0 3
4 (3) 4 (0) AMBITIE 2 39 (8) 40 (31) 0 (0) 0 (0) 24 (0) 24 (6) 0 (0) 0 (0) 2 (0) 2 (0) AMBITIE 3
8 3 6 0 2
7 0 3 0 0
7 1 3 0 0
26 (0) 8 (0) 4 (0)
1 9 4
1 4 1
1 4 1
SECTOR
NIET ZELFREDZAMEN AANLANDPUNT ENERGIE HULPDIENSTEN EN
LANDBOUW, TUINBOUW EN VISSERIJ GEZONDHEID INFRASTRUCTUUR
24 8 4
26 (8) 8 (7) 4 (4)
Tabel 17: Aantal objecten in huidige situatie en 2100 dat kwetsbaar is voor overstromingen in de huidige situatie en in 2100 bij een extreme overstroming. Voor primaire waterkeringen is onderscheid gemaakt in de maximale waterstand tijdens de overstroming en enkele dagen na de overstroming als het water vrij is kunnen afstromen. Voor buitendijks gebied is uitgegaan van het extreemste scenario wat het meest vergelijkbaar is met de binnendijkse situatie.
PR4634.20 • april 2024
51
Aanbeveling 2: De gemeente wordt geadviseerd het ambitieniveau vaststellen waarbij het gaat de kaders die gelden voor verschillende functies en objecten bij voor nieuwe ontwikkelingen en renovatie. Het vastgestelde ambitieniveau zal in omgevingsplannen moeten worden verankerd zodat er duidelijkheid is voor alle stakeholders. Dat betekent dat de gemeente:
Kaders en richtlijnen opstelt voor het ruimtelijk beleid voor nieuwe ontwikkelingen en renovatie in samenspraak met de ruimtelijke partners (als provincie, waterschappen en Rijkswaterstaat). Het gaat dan om ontwerphoogten (op basis van waterstanden) en randvoorwaarden om van deze ontwerphoogtes af te wijken (bijvoorbeeld als door andere maatregelen de continuïteit van de functie of voldoende snel hersteld kan worden geborgd). Geadviseerd wordt om deze te verankeren zodat bij vergunningaanvragen voor nieuwe ontwikkelingen hieraan getoetst kan worden. De maatgevende waterstanden zoals deze zijn afgeleid in deze studie kunnen worden gebruikt als ontwerprandvoorwaarde voor nieuwe gebouwen.
In overleg gaan met de beheerders van de vitale objecten over mogelijke maatregelen bij nieuwbouw of renovatie. Hierbij kan worden gekeken naar fysieke maatregelen om de gevolgen op de beoogde locatie te verkleinen en of naar andere locaties te kijken. Ook kan worden gekeken naar mogelijkheden voor extra bescherming (met de waterbeheerder) of noodmaatregelen (met de veiligheidsregio). Een belangrijk aspect hierbij is inzicht te krijgen in de verdeling van de kosten en baten en het maken van afspraken hierover. Belangrijk hierbij is te benadrukken dat de kaders gaan over nieuwbouw en vervangingsopgave, en de maatregelen voor waterveiligheid worden gerealiseerd als onderdeel van andere (grotere) investeringen en dat zo wordt verwacht dat de meerkosten beperkt zijn.
Om het dorp West-Terschelling te beschermen kan overwogen worden om ook de kade te versterken (en deze ruimtelijk in te passen) om de kans van voorkomen te verkleinen. Hierdoor overstromen ook de woningen minder vaak.
Aanbeveling 3: De gemeente wordt geadviseerd om op basis van de opgedane inzichten te bepalen of er nu al objecten of netwerken acute aandacht vragen. In eerste instantie wordt geadviseerd hiervoor objectgerichte rampenplannen op te stellen, als deze het risico nog niet afdekken zijn mogelijke fysieke maatregelen noodzakelijk.
Objectgerichte rampenplannen (door de overheid) en continuïteitsplannen (door de (semi)private object eigenaren en zorginstellingen) kunnen het risico reduceren ook voor situaties die nu al kunnen voorkomen. Hierbij kan worden aangesloten bij de ontwikkeling van handelingsperspectieven zoals die worden uitgewerkt door de veiligheidsregio’s. Naast de eerdere genoemde uitwerking voor evacuatie en schuilmogelijkheden ligt een nadere uitwerking voor niet- of minder zelfredzamen mensen voor de hand, en het veiligstellen van hulpverleningsmateriaal (incl. materiaal van loonbedrijven) en de energie aanland punten voor de hand.
Indien met deze noodmaatregelen het risico onvoldoende kan worden afgedekt kan worden overwogen om ook fysieke maatregelen te nemen (dit is een politieke keuze). De gemeente zal deze afweging moeten maken en dan het gesprek aangaan met de betrokken beheerders. Als deze enkel vanuit het doel van waterveiligheid worden genomen, en niet gekoppeld aan andere ontwikkelingen, zijn de kosten dus relatief hoog. Tegelijkertijd geldt hierbij dat de ambitie in het Deltaprogramma is om in 2050 klimaatrobuust te zijn.
PR4634.20 • april 2024
52
Aanbeveling 4: Het verdient aanbeveling om de typering van vitale objecten eenduidig vast te stellen in omgevingsplannen van de gemeente en de lijst met deze objecten ook te beheren en onderhouden en hierover afspraken te maken met de veiligheidsregio en waterbeheerders. Deze lijst met objecten kan worden gecombineerd met de overstromingsscenario’s uit LIWO die ook continu worden verbeterd door de waterschappen en Rijkswaterstaat. Het verdient dan ook aanbeveling om frequent (bijv. eens in de 6 jaar gekoppeld aan de actualisatie van de hoogwaterrichtlijn) de overstromingskaarten te actualiseren op basis van LIWO zodat er een actuele en betrouwbare basis ligt onder de omgevingsplannen van de gemeente. Om dit onderhoud te kunnen doen zijn de volgende acties noodzakelijk:
De basisdata moeten op orde zijn. Dat betekent dat de gemeente ervoor moet zorgen dat het BAG actueel is, inclusief een typering van de objecten naar de klassen van de vitale objecten en het aantal bouwlagen voor schuilmogelijkheden. De waterbeheerders zullen er voor moeten zorgen dat de overstromingskaarten en kansen actueel zijn.
Indien aangesloten wordt bij het KRO bestand als basisbestand over objecten (waarin meerdere bronnen inclusief het BAG) worden meegenomen zullen hierover afspraken gemaakt moeten worden met de veiligheidsregio zodat deze informatie toegankelijk is.
De informatie zal voor beleidsmakers bij de gemeente eenvoudig ontsloten moeten kunnen worden. De viewer zoals ontwikkeld in dit project kan hiervoor een basis bieden.
Conclusie 4. Om de waterkeringen en buitendijks gebied op orde te houden is er wel ruimte nodig die groter wordt naarmate de zeespiegel stijgt.
Voor Terschelling is het ruimtebeslag van dijkversterkingen met groene dijken fors. Soms zijn het enkele tientallen meters maar soms ook 100 meter. Het aantal woningen wat bij groene dijken mogelijk conflicteert is beperkt tot enkel tientallen bij 5 meter zeespiegelstijging.
Voor het buitendijks gebied geldt dat het stimuleren van het meegroeien van duinen en voorlanden ook ruimtebeslag vraagt. Het stimuleren van deze natuurlijke processen is een keuze. Het gaat hierbij enerzijds over de omvang en anders in andere mogelijke oplossingen als (tijdelijk) onderhoud met machines. Een keuze voor het stimuleren van meegroeien betekent dat er minder periodiek onderhoud nodig is maar vraagt een grotere inspanning dan de huidige geplande suppleties. Een meerwaarde van het stimuleren van meegroeien is dat bijvoorbeeld kerven ook natuurlijke meerwaarde opleveren. Aan de wadkant is dat echter veel lastiger en het handelingsperspectief meer beperkt.
Aanbeveling 5: Conform de ambitie binnen water en bodem sturend om de reserveringszones rondom waterkeringen te actualiseren wordt dan ook aanbevolen om dit voor zowel voor de waterkeringen als het meegroeien van duinen en voorlanden vast te leggen in het ruimtelijk beleid. Dit vergt een samenspel tussen waterbeheerder en gemeenten. De waterbeheerder zal in kaart moeten brengen wat het benodigde ruimtebeslag is gegeven de wijze van uitvoering. De interactie tussen gemeente en waterschap en RWS vindt plaats over de mogelijke wijze van uitvoering van deze maatregelen, zeker als ruimtelijke impact is. De uiteindelijke reserveringszones zullen in de ruimtelijke plannen van waterschap, gemeente en wellicht provincie vastgelegd moeten worden. Aanbeveling 6: Bepaal eisen en verantwoordelijkheden voor (onderhoud) van beschermingswerken in buitendijks gebied. Waar de beschermingswerken in buitendijks gebied niet onder verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat of het waterschap vallen ligt het in de rede dat de gemeente hiertoe, in samenwerking met deze overheden en de beheerders/eigenaren, de mogelijkheden onderzoekt.
PR4634.20 • april 2024
53
Verder zijn de overige aandachtspunten opgesteld:
De beschikbaarheid en kwaliteit van de buitendijkse overstromingsscenario’s is een aandachtspunt. De beschikbaarheid gaat over het ontbreken van voldoende extreme scenario’s en scenario’s voor het zichtjaar 2100. Op dit moment is klimaatverandering vertaald in een impact op de kans van voorkomen en een toeslag op de waterdiepte van gebieden die reeds overstromingen. De impact van veranderende overstromingspatronen is niet in kaart gebracht. Voor de buitendijkse gebieden is verder de ruimtelijke resolutie van de waterdieptekaarten, de duiding van de sterkte van niet primaire keringen van belang en de correcte begrenzing van deze gebieden. Vanaf 2024 is voorzien dat overstromingen van buitendijkse gebieden door Rijkwaterstaat worden geactualiseerd in het kader van de Europese Hoogwaterrichtlijn. Aanbevolen wordt dan in meer detail te kijken naar de benoemde aandachtspunten en de nieuwe scenario’s over te nemen.
Een tweede aandachtspunt is de definitie van vitale en kwetsbare objecten. Er bestaat nog geen eenduidige lijst van definities en een duidelijke bron waarin deze objecten (correct) zijn opgenomen. De lijst die nu is samengesteld is gebaseerd op het KRO bestand van de veiligheidsregio's, de BAG en open data van energieleveranciers. Deze lijst is aangevuld op basis van een beheerdersoordeel. Het kan niet met zekerheid worden gezegd dat de huidige lijst compleet en correct is. Voor dit onderzoek is dat niet erg omdat gekeken is naar de huidige objecten met name met als doel om een beeld te vormen van consequenties van een ambitieniveau. Bij de uitwerking gaat het vooral om nieuwe ontwikkelingen waarbij op dat moment gekeken kan worden naar de ambities en ontwerprandvoorwaarden. Het verdient wel aanbeveling om een eenduidige lijst op te stellen die ook wordt beheerd en wordt ontsloten zodat die zowel voor ruimtelijk beleid als voor crisisbeheersing kan worden gebruikt.
PR4634.20 • april 2024
54
Bijlagen
PR4634.20 • april 2024
55
A Meegroeien De natuurlijke kust kan meegroeien met de zeespiegelstijging (Wegman et al., 202116). Dit zorgt op een natuurlijke manier voor het vergroten van de waterveiligheid. In Nederland groeit de zandige kust aan door suppleties. Openingen hoog in de duinenrij kunnen het proces van aanzanding en daarmee meegroeien van de duinenrij versnellen, deze openingen noemen we kerven. Kerven zorgen voor het doorstuiven van zand van het strand in de duinen. Kerven ontstaan soms ‘vanzelf’ bij een storm maar kunnen ook aangelegd worden. Aan de Waddenzeezijde van de Waddeneilanden waar het slibgehalte hoog is kan geen grootschalige verstuiving plaatsvinden. Maar de gebieden die onderwater staan bij hoogwater (voorlanden/kwelders) kunnen door het bezinken van slib ook meegroeien. Dit meegroeien van voorlanden kan ongeveer tot springtij hoogte plaatsvinden. Meegroeien van de kust bestaande uit natuurlijke materialen gaat ‘vanzelf’. Echter, dit meegroeien kan wel gestimuleerd worden óf verhinderd. Het stimuleren kan door bijvoorbeeld kerven/stuifkuilen aan te leggen of in het geval van voorlanden/kwelders deze regelmatig onder te laten lopen en het slib te laten bezinken. Obstakels verhinderen vaak het meegroeien van een gebied. Omdat meegroeien te beïnvloeden is, is het een beleidskeuze.
Meegroeien kan negatieve effecten hebben op andere functies zoals recreatie als door grote hoeveelheden zand fietspaden onderstuiven of strandpaviljoens vol liggen met zand. Maar het heeft door het vergroten van het volume sediment in het profiel een gunstig effect (op termijn) op de waterveiligheid en regelmatig ook op de ecologie. Voor natuurlijk meegroeien is tijd nodig. Zaak is daarom om op tijd in te zetten op meegroeien van een gebied indien gewenst. Meegroeien door kerven Kerven zijn openingen in de eerste duinenrij waar de wind zand doorheen kan blazen. De wind botst vanuit zee vol op de eerste duinenrij, een opening in deze duinenrij zorgt ervoor dat het door de wind meegenomen zand van het strand de duinen in kan waaien. De zee zelf kan echter zelden door een kerf naar binnenstromen omdat de opening van kerven doorgaans rond de 6 m + NAP ligt. De waterveiligheid zal op termijn door kerven verbeteren; de extra toelevering van zand naar het duingebied zorgt ervoor dat de omringende paar honderd meter duingebied nabij de kerf kan meegroeien met zeespiegelstijging. Ook de natuur kan profiteren van kerven: de dynamiek en verspreiding van het kalkrijke zand over het gebied gaat veroudering en verzuring van het landschap tegen (PWN, 202217).
Kerven kunnen een middel zijn voor de doorvoer van zand en om het achterliggende gebied te laten groeien, maar er is natuurlijk wel zand nodig. Dit zand is nu ook al beschikbaar door suppleren, maar blijft vaak aan de zeezijde van het duingebied hangen. Duingebieden met kerven zijn, bij voldoende beschikbaarheid van zand, in staat een grotere mate van zeespiegelstijging op te vangen of deze in kortere tijd te compenseren dan duingebieden zonder kerven.
16 Wegman, C., Ouwerkerk, S. & Leenders, J.L. (2021) Duinen groeien mee met zeespiegel. Land+Water 4 p. 22-23 17 https://www.pwn.nl/kerven-de-zeereep-bij-castricum-aan-zee
PR4634.20 • april 2024
57
Bijvoorbeeld als de relatieve zeespiegelstijging 1 m in 100 jaar bedraagt is het benodigd volume aanzanding in het gebied boven 3 m+NAP ongeveer 6 m3/m/jaar (bij een duinbreedte van 600 m dwars op de kust, Leenders et al., 201818). Het gemiddelde volume aanzanding langs de Nederlandse kust is 8,5 m3/m/jaar (Wegman et al., 202119). Uit volume analyses van de kerven die wij in een eerdere studie hebben onderzocht blijkt dat volumes aanzanding van 26,5 m3/m/jaar gehaald worden (aan Hollandse kust). Dit betekent dat kerven in korte tijd een grote hoeveelheid zeespiegelstijging op kunnen vangen. Echter, hier zijn ook kanttekeningen bij te plaatsen. Bijvoorbeeld dat het zand niet perfect verdeeld zal worden over het achterliggende gebied, dat deze volumes aanzanding alleen in de groeifase van de kerven gehaald worden en dat voor het aanleggen van de kerf de top van het primaire duin afgegraven dient te worden waardoor tijdelijk minder hoogte aanwezig is in het primaire duin. Toch geven bovenstaande cijfers voldoende aanleiding om te zeggen dat kerven zorgen voor het versterken van de meegroeicapaciteit van de duinen met zeespiegelstijging. Voor het succesvol aanleggen van kerven moeten verschillende factoren in ogenschouw genomen worden. Zo is waterveiligheid een belangrijke factor.
Indien de waterveiligheid op een bepaalde locatie niet op orde is, is de aanleg van een kerf niet mogelijk. Vaak worden kerven aangelegd in brede stukken duingebied. Hierdoor is de impact van het maken van een opening in de eerste duinenrij minder groot. Soms wordt het grensprofiel naar achteren gelegd om de aanleg van een kerf mogelijk te maken (zoals bij De Kerf Schoorl en bij de Noordwestkern). Het is ook mogelijk om te garanderen dat het profiel van een kerf zelf veilig blijft, in deze gevallen is het grensprofiel gewoon aanwezig op de plek van de kerf. Het strandzand wordt het meest benut voor doorstuiving in de kerf als de aansluiting van de kerf op het strand goed is. Dit is het geval als de opening niet te hoog wordt gelegd (max 8 m + NAP), het strand tot aan de kerf een flauwe helling vertoont en zand zich door de kerf naar het achterland kan verplaatsen.
18 Leenders, J. L., Wegman, C., Bodde, W. & Verheijen, A. (2018) Inpassing veiligheidsontwerp Hondsbossche Duinen.
Building with Nature, EcoShape. 19 Wegman, C., Ouwerkerk, S. & Leenders, J.L. (2021) Duinen groeien mee met zeespiegel. Land+Water 4 p. 22-23
PR4634.20 • april 2024
58
Hoofdkantoor HKV lijn in water BV Botter 11-29 8232 JN Lelystad
Nevenvestiging Informaticalaan 8 2628 ZD Delft
0320 294242 info@hkv.nl www.hkv.nl