CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

4.b. Bijlage 1 Paraplubestemmingsplan standplaatsen Terschelling_VA02

Raadsvergadering 9 november 2023, gemeente TerschellingBij agendapunt: (B) Hervaststelling Paraplubestemmingsplan Standplaatsen Terschelling38.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Indien er meerdere gegadigden zijn voor deze vrijgekomen standplaats, zal deze via loting worden toegewezen. De regeling voor overdracht van standplaatsen vervalt. Indien er meerdere gegadigde zijn voor een vrijgekomen standplaats, dan zal worden gewerkt met de hiervoor aangegeven regeling van toewijzing, t.w. loting indien er meerdere gegadigden zijn. Innemen van de standplaats In een aantal standplaatsvergunningen is het voorschrift opgenomen dat de vergunninghouder verplicht is de standplaats daadwerkelijk in te nemen, tenzij bijzondere 10

omstandigheden (ziekte, vakantie) dit onmogelijk maken. Dit dient te worden gemeld aan het college. De ondernemer kan dan een verzoek indienen voor een tijdelijke vervange(ste)r, of neemt geen standplaats in. In andere vergunningen is daarbij nog het woord "zelf" geplaatst. Het verschil is dat de ene vergunninghouder fysiek aanwezig dient te zijn en de andere er slechts voor hoeft te zorgen dat er standplaats wordt ingenomen, om het even wie er in of bij het verkoopmiddel staat. De fysieke aanwezigheid van de vergunninghouder is destijds ingevoerd in bepaalde vergunningen om het mogelijk te maken dat de standplaats bij de Brandaris uiteindelijk zou verdwijnen. Immers, bij het niet fysiek aanwezig zijn van de vergunninghouder zou een standplaats in handen kunnen blijven van de vergunninghouder tot zijn of haar dood omdat personeel in dienst is genomen. Hierdoor zouden andere gegadigden geen kans kunnen krijgen. In ieder geval zou het heel lang kunnen duren. Het is de vraag of de gemeente dit moet regelen. Vanuit APV-oogpunt is het onbelangrijk wie de standplaats inneemt, als het maar gebeurt conform de voorschriften. Met het daadwerkelijk innemen van een standplaats wordt voorkomen dat iemand slechts vergunning aanvraagt om concurrentie te voorkomen. Er dient wel toezicht te worden gehouden op het daadwerkelijk innemen van de standplaats.

De drie standplaatsen van de heer Swart worden niet permanent ingenomen. Dat is afhankelijk van de weersomstandigheden en waarschijnlijk ook van het aanbod van klanten. In feite zijn deze standplaatsen dus wisselend bezet. Eventuele andere gegadigden hebben daardoor geen kans om op deze locaties standplaats in te nemen. Het kan niet zo zijn dat bepaalde aantrekkelijke locaties grote delen van de tijd onbenut blijven. Een standplaatshouder zal de standplaats moeten innemen gedurende de vergunde periode. Anders wordt de standplaatsvergunning ambtshalve ingetrokken. Hetzelfde is het geval in Midsland. De viskiosk staat daar een deel van het jaar niet. De concurrent van deze standplaatshouder wil graag de overblijvende tijd in Midsland staan. Klanten vragen regelmatig om een visverkoper in Midsland omdat zij een deel van het jaar hun vis op West moeten halen. Het handhaven van het voorzieningenniveau ter plekke is dus gebaat bij een zo permanent mogelijke bezetting van de standplaats in Midsland. Bekeken zal moeten worden of bestaande standplaatsen wel worden ingenomen of dat ze per jaardeel vergund moeten worden Hierbij is het kunnen beschikken over een toezichthouder van groot belang Zie onderdeel handhaving. Het college acht extreme klimatologische omstandigheden een reden waarom een standplaats tijdelijk niet wordt ingenomen.

In alle standplaatsvergunningen zal het voorschrift worden opgenomen dat de standplaats moet worden ingenomen. Bij die vergunningen waarin staat dat de standplaats door de vergunninghouder zelf moet worden ingenomen, kan dit voorschrift vervallen. Persoonsgebonden karakter van de standplaatsvergunning In APV-artikel 1.5 staat dat een vergunning of ontheffing persoonsgebonden is, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Bij twee bedrijven staat de vergunning op naam van twee personen, namelijk de heer en mevrouw Lettinga en de heren Van Dijk. Deze omissie is er in het verleden ingeslopen. De persoonlijke vergunning hangt samen zowel met het persoonlijk karakter van de ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal overtreft. Ook is het uit een oogpunt van aansprakelijkheid en bij handhaving van belang dat er één vergunninghouder is Dit noodzaakt ons een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning op meer namen staat en daardoor zonder meer kan worden overgedragen aan een ander terwijl een aantal nieuwe aanvragers wacht op een vergunning. Nieuwe vergunningen worden nog slechts verstrekt op één naam. de vergunningen van de heer en mevrouw Lettinga en de heren Van Dijk zullen na overleg met hen ambtshalve op één naam worden gezet.

De tweede persoon die nu nog op de 11

vergunning staat, kan als werknemer blijven meedraaien in het bedrijf. Ambulante handel Een standplaats dient te worden ingenomen met een verplaatsbaar verkoopmiddel. Ambulante handel (ambulant betekent lopend) is immers de handel die niet vanuit een vaste locatie plaatsvindt. Dit is in de voorgaande notities niet met zoveel woorden vastgelegd. Ondanks het feit dat een standplaats per definitie ambulant is (anders moet het planologisch worden geregeld), lijkt het ons beter dit specifiek te vermelden in de Beleidsnotitie Standplaatsen. Het houdt niet in dat er altijd wielen onder het verkoopmiddel moeten zitten (bijv. een kiosk), maar de verplaatsbaarheid is wel een verplicht onderdeel van de ambulante handel. Indien een verkoopmiddel "vastgroeit" op een standplaats, zou een wijziging nodig zijn van het bestemmingsplan. Dat kan ongewenst zijn. Een standplaats moet worden ingenomen met een verplaatsbaar verkoopmiddel.

Openingsuren Voor de diverse standplaatshouders zijn de verkoopuren niet gelijk. De heer J.H. Lettinga mag de hele dag handel drijven vanuit zijn snackkiosk. De heer en mevrouw Lettinga hebben een veel meer beperkte tijd van verkoopuren. Zij mogen alleen verkopen tussen 11.00 en 19.00 uur. Ook bij andere vergunninghouders zijn verschillende standplaatsuren in de vergunning opgenomen, zoals bij de heren van Dijk die op bepaalde locaties afwijkende uren hebben. Een standplaats kan, ondanks de voorschriften, overlast veroorzaken door de toeloop van klanten, geur, afval, enz. Een standplaats ligt in de meeste gevallen buiten de normale winkelconcentratiegebieden en soms ook tegen natuurterreinen aan. Bij een openingstijd vanaf 7.30 tot 22.00 uur zal deze overlast niet aanwezig zijn of nihil zijn. De standplaatsuren en de standplaatsperiode zullen zoveel mogelijk gelijk worden gehouden. Dat lijkt ons de duidelijkheid ten goede te komen. 

De verkooptijden worden voor alle standplaatshouders worden zo veel mogelijk gelijk gehouden, n.l. van 07.30-22.00 uur  standplaats mag worden ingenomen gedurende het hele jaar  uitgezonderd zijn de volgende locaties: o parkeerterrein Duinweg te West i.v.m. de parkeerruimte en het uiterlijk aanzien; dit blijft dus van 1 januari tot 1 april en van 1 november tot 1 januari o parkeerterrein Badweg Hoorn i.v.m. de toestemming van SBB (eigenaar terrein); dit blijft dus van 1 april tot 1 november tenzij SBB een langere termijn toestaat. o Havenplein van 1 maart tot 1 december vanwege het uiterlijk aanzien o de strandkiosken van 1 maart tot 1 november vanwege het uiterlijk aanzien .

Huidige beleid met betrekking tot het innemen van een tijdelijke standplaats In drie gevallen is een uitzondering gemaakt op het gevoerde beleid in de huidige notitie. Deze uitzonderingen zijn incidenteel en van tijdelijke aard. Het gaat daarbij om: 1. Het innemen van standplaats tijdens evenementen. Aan vent- en standplaatsvergunninghouders kan gedurende de duur van het evenement een tijdelijke vergunning worden verleend voor het innemen van standplaats in de nabijheid van het evenement. 2. Het innemen van standplaats op de braderieën.

12

3. Het innemen van standplaats door verenigingen of stichtingen ten behoeve van het uiten of uitdragen van een ideële doelstelling (Dus het verkondigen levensovertuigingen, niet het verkopen van goederen ten behoeve van). ad 1 In de beleidsnotitie van 2001 is niet nader ingegaan bij wat voor evenementen standplaats mag worden ingenomen. Ook is geen aandacht besteed aan de organisatie van de evenementen. Denkbaar is dat een organisatie van een evenement geen standplaats wil in de buurt van het evenement, of zelf iets wil organiseren. Daarom wordt aan de voorschriften toegevoegd dat de organisatie van het evenement vooraf schriftelijk accoord moet gaan met de tijdelijke standplaats. Oerol neemt een aparte plaats in bij de evenementen omdat zich over het hele eiland activiteiten afspelen. Het lijkt ons geen goed zaak als bij elke Oerollocatie de mogelijkheid bestaat om standplaats in te nemen. Wel wordt zo nu en dan tijdens Oerol clandestien standplaats ingenomen zoals bij het Groene Strand, de Toren- en Boomstraat, het Havenplein, de Oosterburen. Het betreft dan vooral verkopers van sierraden en andere snuisterijen. Dit is een kwestie van handhaving. Dat gebeurt echter nauwelijks door het ontbreken van een APV-toezichthouder en het feit dat de politie in deze periode meestal geen tijd heeft.

Wij stellen voor uit het oogpunt van openbare orde om Oerol aan te wijzen als evenement waarbij geen tijdelijke standplaats kan worden ingenomen met uitzondering van de vier standplaatsen bij het Zeeliedenmonument aan de Willem Barentszkade die al een aantal jaren worden ingenomen door verkopers van eetwaren en de standplaats van de organisatie van Oerol op het Havenplein tijdens het Oerolfestival. Het tegengaan van de illegale standplaatsen zal door middel van handhaving moeten worden geëffectueerd. De term "ondernemers" wordt veranderd in: "bestaande vergunninghouders van vent- en standplaatsen op Terschelling". Hiermee wordt invulling gegeven aan de term "ondenemers". Bij een evenement mogen maximaal vier tijdelijke standplaatsen worden ingenomen of minder indien de fysieke ruimte daarvoor ontbreekt. Aanvragen moeten op een bepaalde datum aanwezig zijn. Bij overschrijding van het maximum aantal beslist loting. Als uiterste sluitingsdatum van inschrijving voor het volgende jaar geldt 15 december. Bij overschrijding van het maximum aantal beslist loting. Oerol wordt als evenement uitgesloten van deze vrijstelling met uitzondering van de vier standplaatsen bij het Zeeliedenmonument aan de Willem Barentszkade en de standplaats van het Terschellings Oerol zelf bij de terminal op het Havenplein.

Bestaande vergunninghouders van vent- en standplaatsen van Terschelling mogen standplaats innemen bij evenementen (met uitzondering van Oerol) indien zij hiervoor schriftelijke toestemming hebben van de organisatoren van het evenement. Bij Oerol mogen 4 vergunninghouders vent- en standplaatsvergunningen op Terschelling standplaats innemen bij het zeeliedenmonument, niet op andere plaatsen. ad 2 De braderieorganisatie vraagt de vergunning aan en wijst zelf de standplaatsen toe. Dit beleidsstandpunt blijft gehandhaafd.

ad 3 In het derde lid van APV-artikel 5.2.3 wordt een uitzondering gemaakt op het verbod op de straathandel (artikel 5.2.3., eerste lid, onder b) voor zover het betreft het uitstallen van stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Artikel 5.2.3, derde lid, heeft als strekking dat voor het aanbieden van gedrukte stukken geen 13

vergunning kan worden geëist. Dit aanbieden van gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden (artikel 5.2.3, eerste lid sub a). Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. Ook zal een standplaatsvergunning moeten worden aangevraagd wanneer een ideële instelling gewoon producten verkoopt ten behoeve van het goede doel beleidsstandpunt blijft gehandhaafd. Verenigingen of stichtingen met een ideële doelstelling kunnen een tijdelijke standplaatsvergunning krijgen op een door het college aan te wijzen plaats voor het uiten van of het verkondigen van ideële doelstellingen. Het begrip tijdelijk wordt begrensd. Voor dit specifieke onderdeel wordt een standplaats van ten hoogste één week toegestaan. Tijdelijke standplaats Brandarisplein Wij hebben een verzoek binnengekregen voor een tijdelijke standplaats voor een oliebollenkraam op het Brandarisplein. Het zou gaan om enkele weken in december/januari.

Uit het oogpunt van service en sfeer tijdens de feestdagenperiode zien wij geen beletsel om gedurende enige weken in december een tijdelijke standplaats te creëren op het Brandarisplein aan de oostzijde van de toren (tegen de afscheidingspaaltjes van de Schoolstraat). Het uiterlijk aanzien van het plein zal in deze dagen niet worden geschaad door de inname van een tijdelijke standplaats en het voorzieningenniveau (in de sfeer van de feestdagen) zal worden uitgebreid. Het zal mogelijk een verlevendiging van het Brandarisplein in de donkere dagen rond Kerstmis opleveren en een verbetering van het voorzieningenniveau in de sfeer van de feestdagen. Als proef kan gedurende de maand december standplaats worden ingenomen op het Brandarisplein aan de oostzijde van de toren (tegen de afscheidingspaaltjes) door één kraam waarmee Kerst/jaarwisseling gerelateerde artikelen (b.v.oliebollen of kerstbomen) worden verkocht. Voor de uitgifte van deze standplaats geldt dat bij meerdere gegadigden er geloot wordt. Na de proef kan bekeken worden of voor de komende jaren op het plein tijdelijk standplaats kan worden ingenomen in de maand december.

Specifieke situaties In de oude notitie werden enkele specifieke situaties genoemd voor standplaatsen. Het gaat om de volgende situaties: 1. de caravan waarmee standplaats wordt ingenomen op het terrein aan de Molenweg te Formerum en die wordt gebruikt voor de kaartverkoop aan bezoekers van het ponykamp; 2. de caravan waarmee standplaats wordt ingenomen en die wordt gebruikt als opslag bij het kaatsveld in Hoorn; 3. de standplaatsen die in de wintermaanden incidenteel worden ingenomen bij de ijsbanen op Terschelling voor de verkoop van koek en zopie. ad 1 Deze caravan heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een permanent gebouwtje. Er is dan ook geen sprake meer van een standplaats. Deze specifieke situatie kan worden geschrapt als standplaats. ad 2 Het gaat hierbij om een opslagplaats voor materiaal. Er is dus geen sprake van een standplaats. Deze specifieke situatie kan worden geschrapt als standplaats. ad 3 14

In de beleidsnotitie van 2001 worden deze standplaatsen als uitzondering genoemd. Dit blijft ongewijzigd. Voor deze standplaatsen is geen vergunning nodig. Nieuwe aanvragen Uit de aanvragen die jaarlijks binnenkomen, blijkt dat Terschelling een constante aantrekkingskracht uitoefent op ondernemers die hier gedurende korte of langere tijd een standplaats in willen nemen om hun goederen of diensten aan te bieden. Het uiterlijk aanzien van het eiland Terschelling en de daarin gelegen dorpen, met de karakteristieke landschappelijke en natuurwaarden, is er niet mee gebaat wanneer ter zake een ruimhartig beleid wordt gevoerd. Genoemde waarden zijn nader omschreven in onder meer bestemmingsplannen en beleidsnota's. Het uitgangspunt bij het te voeren standplaatsenbeleid is in principe terughoudendheid met betrekking tot de toelating van afzonderlijke standplaatsen. Dit is uiteraard onverminderd de invloed van de andere weigeringsgronden. Toch zijn er redenen om extra standplaatsen aan te wijzen. Nieuwe standplaatsen Op het eiland bevindt zich een aantal aantrekkelijke standplaatslocaties. Er komt veel publiek. Uitbreiding van standplaatsen kan zinvol zijn om de diverse redenen. Het voorzieningenniveau wordt uitgebreid en de overlast van het ten onrechte standplaats innemen neemt af of is niet meer aanwezig.

Een aantal venters en één particulier heeft wensen kenbaar gemaakt voor nieuwe standplaatslocaties:  langs fietspad West-Midsland bij de afslag naar het bedrijventerrein Nieuwe Dijk1 (9?)  parkeerterreinen: eind van de hoofdweg te Oosterend, Paal 8, Midsland aan Zee2, Formerum  langs het buitendijks fietspad bij het "Lichtje"1  op het Brandarisplein3  ventweg Willem Barentszkade t.o. RWS1  bij de passantenhaven4  naast de voormalige reddingbootschuur (clubhuis Duikteam Ecuador)1  kruising fietspaden Badweg West achter camping Wulp5  bij rotonde Groene Strand6  parkeerterrein Duinmeer7/9  op het terrein van de fa. C. Bakker te Hoorn8  locatie Seerijp bij de kruising van de weg en het fietspad langs de Waddendijk 9  op de koopavonden in de zomerperiode in de Oosterburen in Midsland en op WestTerschelling in de Torenstraat 10 1

2 3 4

5

Over deze locaties merken wij het volgende op: Eerder in het stuk schrijven we over de dijk-fietspadlocaties te West en Oosterend dat het aantrekkelijke locaties zijn. Nadenken of er toch een plek is te vinden die landschappelijk inpasbaar is .Ofschoon in de ogen van potentiële standplaatshouders dit aantrekkelijke plaatsen kunnen zijn, zijn wij van mening dat deze locaties uit het oogpunt van landschappelijke waarde/waardevol dorpsgezicht en/of uit het aspect van verkeersveiligheid niet in aanmerking komen voor standplaatslocaties. Dit zijn weigeringsgronden op grond van de APV. Deze locatie wordt al ingenomen door Swart-ijs. De standplaats wordt niet permanent ingenomen. De locatie Brandarisplein eerst alleen als proef enkele weken in december/januari voor één standplaatshouder met seizoen gerelateerde producten. De Stichting Passantenhaven heeft bij brief aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen standplaatsen op hun terrein. Wel zal er vermoedelijk een bestemmingsplanwijziging moeten worden aangevraagd. Deze locatie wordt al ingenomen door de heer Swart. De locatie wordt echter alleen bij slecht weer ingenomen.

15

De locatie rotonde bij het Groene Strand alleen tijdens Oerol met maximaal 4 standplaatsen. De gebr. Van Dijk nemen al vele jaren hier standplaats in. Standplaats voor deze snackwagen blijft behouden. De overige drie standplaatsen worden, zo nodig, bij loting verdeeld. Dit gebeurt al zo gedurende een aantal jaren. 7 SBB heeft aangegeven dat zij in principe niet tegen een standplaats zijn op deze locatie. Nadere uitwerking moet nog volgen. Duidelijk is dat eventuele liefhebbers zelf een natuurtoets moeten laten uitvoeren of dit mogelijk is. 8 De heer H. Starrenburg is benaderd door visliefhebbers "om Oost" die nu naar Midsland of in veel gevallen naar West-Terschelling moeten rijden voor een visje. De Heer C. Bakker is volgens de heer Starrenburg genegen een standplaats voor een visverkoopwagen toe te staan op zijn eigen terrein. Het moet duidelijk zijn dat dit de eerste standplaats zou zijn die op particulier terrein zou komen te staan. Dat betekent dat je als gemeente niet de volledige zeggenschap hebt over de standplaats en dat de standplaatshouders naast een standplaatsvergunning van het college ook toestemming op grond van het privaatrecht zou moeten hebben van de terreineigenaar. Ook zal er vermoedelijk een bestemmingsplanwijziging moeten komen.

9 Natuurtoets plus toestemming Wetterskip Fryslân 10 De aanvrager stelt de verkoop voor ten behoeve van een ideële doelstelling de stichting "Gestolen Kinderen". 6

Wijzigingen nieuw locaties naar aanleiding van de inspraak. Naar aanleiding van de inspraakreactie van Staatsbosbeheer en 't Wetterskip Frylsân heeft het college besloten om de voorgenomen standplaatsen op het parkeerterrein van Formerum aan Zee, de locatie Badweg achter camping Wulp, het fietspad langs de dijk bij Seerijp te schrappen. Op voorstel van 't Wetterskip Fryslân wordt er één locatie opgenomen, namelijk aan de westkant van de dijk bij West-Terschelling, tegenover het fietspad naar het internaat van het Maritiem Instituut "Willem Barentsz". De locatie rotonde Groene Strand zal voortaan zonder voorbehoud voor iedere ondernemer beschikbaar zijn, er worden geen vaste rechten opgebouwd, er zijn vier plaatsen en bij meer gegadigden wordt er geloot. standplaatsperiode In relatie tot de zorg voor het uiterlijk aanzien, geldt ook voor deze standplaatsen dat ze maximaal 9 maanden per jaar mogen worden ingenomen van 1 maart tot en met 30 november.

de volgende extra plaatsen worden aangewezen als standplaatslocatie  parkeerterrein eind hoofdweg te Oosterend  2 plaatsen  parkeerterrein West aan Zee (Paal 8)  1 plaats  parkeerterrein Midsland aan Zee  2 plaatsen  terrein C. Bakker te Hoorn  1 plaats (in overleg met de heer C. Bakker en na RO toets)  bij de passantenhaven  1 plaats (in overleg met bestuur passantenhaven)  parkeerterrein Duinmeer  1 plaats (in overleg met Staatsbosbeheer  de dijk bij West-Terschelling tegenover  1 plaats (in overleg met fietspad internaat Wetterskip Fryslân) regels:  Het maximum aantal extra standplaatslocaties (naast de bestaande) voor Terschelling wordt vastgesteld op 9 . Het totale aantal standplaatsen op Terschelling komt dan op

16

      

19. De huidige standplaatshouders behouden hun locatie. Nieuwe standplaatshouders krijgen de keus uit de nieuwe locaties. Zij kunnen hierop inschrijven. Nieuwe standplaatsen worden uitgegeven tot ze op zijn. Er komt geen wachtlijst. Bij meer aanvragen voor een locatie beslist loting. Standplaats mag worden ingenomen van 1 maart tot en met 30 november. De huidige ventvergunninghouders hebben voorrang bij het verkrijgen van een standplaatsvergunning. Uitgezonderd van deze regeling zijn de volgende standplaatsen: o op de driesprong van de Badweg Hoorn (in verband met de overeenkomst van SBB met de gebr. Van Dijk). o kruising Badweg West/Longway (in verband met de overeenkomst van SBB met de heer Swart) Geen tijdelijke standplaatsen, ook niet ten behoeve van ideële doelstellingen, toestaan tijdens de koopavonden in de Oosterburen en Torenstraat, vanwege de precedentwerking en de handhaafbaarheid daarvan.

KvK/CRK Vergunninghouders dienen zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel. Dit is voor ons ten minste een indicatie dat de ondernemer geregistreerd staat en te goeder trouw is. Daarnaast dient de ondernemer ingeschreven te staan bij het Centraal Registratiekantoor van het hoofdbedrijfschap Detailhandel Door een omissie is op Terschelling nooit naar deze papieren gevraagd. Identiteitsbewijs Op grond van de Vreemdelingenwet kan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland geen aanspraak maken op toekenning van vergunningen en ontheffingen van gemeenten, provincies, e.d. voor zover deze betrekking heeft op o.a. standplaatsen. Het Vreemdelingenbesluit schrijft dwingend voor dat voor verlening van een vergunning of ontheffing die een beroeps- dan wel bedrijfsmatig karakter heeft, een verblijfsrechterlijke toets dient plaats te vinden. Dit houdt in dat bij de aanvraag een geldig identiteitsbewijs dient te worden getoond. Op grond hiervan kan worden vastgesteld of er sprake is van een rechtmatig verblijf.

Bij de aanvraag voor een vergunning moet worden bijgevoegd:  een afschrift van een bewijs van inschrijving KvK  een kopie van inschrijving bij het DetailhandelCRK  geldig legitimatiebewijs Aanvragen Om op tijd zicht te hebben op de hoeveelheid aanvragen, dienen aanvragen van standplaatshouders die prijs stellen op voortzetting van hun plaats hun aanvraag voor het komende jaar voor 15 december in gediend te hebben. Indien geen aanvraag binnenkomt, kan worden vastgesteld dat geen prijs meer wordt gesteld op de standplaats. Hiermee komt een vaste standplaats vrij. Om eenvormigheid te krijgen in de aanvragen zal een aanvraagformulier worden opgesteld. Alleen aanvragen per aanvraagformulier worden behandeld.

17

Een aanvraag voor het komende jaar moet vóór 15 december worden ingediend. Bij niet of te laat indienen van een aanvraag vervalt het recht op de standplaats. Deze standplaats komt dan vrij voor een andere ondernemer. Alleen aanvragen per aanvraagformulier worden behandeld.

Afmetingen Momenteel hebben wij niet echt grip op de afmetingen van het verkoopmiddel. Ook blijkt dat bij sommige verkoopmiddelen een soort terras wordt ingericht of dat containers voor opslag van materiaal of afval worden geplaatst. Om uitwassen te voorkomen worden hiervoor bepalingen opgenomen in de vergunning. In de vergunning wordt vastgelegd:  de grootte en plaats van de standplaats. Deze wordt door middel van een tekening welke bij de vergunning wordt gevoegd, vastgelegd; Hierbij wordt rekening gehouden met de omgeving en het voorgestelde verkoopmiddel van de vergunninghouder.  eventueel terrasmeubilair dient geplaatst te worden binnen deze afmetingen;  bij het verkoopmiddel mag maximaal één 1000 l. afvalcontainer worden geplaatst;  opslag van goederen dient plaats te vinden in het verkoopmiddel en niet in een daarbuiten gelegen opslagruimte bij het verkoopmiddel.

Handhaving Handhaving van vergunningen om standplaats in te nemen is nodig om te voorkomen dat de openbare orde, (verkeers-)veiligheid en verkeersvrijheid in het gedrang komen. Om het handhaven zo gemakkelijk mogelijk te maken zijn standplaatsvergunningen voorzien van heldere voorschriften over de tijd en plaats waarvoor de vergunning geldt. Ook maakt een kaart van de naaste omgeving en daarop de aanduiding van de plaats en afmetingen van de standplaats deel uit van de vergunning. In deze notitie zijn een aantal nieuwe wijzigingen opgenomen om de handhavingslast te beperken. Zo zijn de toegestane openingstijden zoveel mogelijk gestandaardiseerd en stappen we af van het voorschrift dat de vergunninghouder persoonlijk standplaats moet innemen. Dit alles laat onverlet dat er binnen de gemeentelijke organisatie amper formatie is voor handhaving van APV vergunningen. Veelal wordt nu de politie ingeschakeld om na te gaan of standplaatshouders zich aan de voorschriften houden. Niet altijd is de politie in staat (door tijdgebrek) om te controleren. Nogmaals stellen wij dat de voorstellen om het standplaatsenbeleid uit te breiden, voor een groot deel ingegeven is met het oog op de geringe handhavingmogelijkheden die wij hebben. Door de uitbreiding hopen wij dat het overtreden van het ventbeleid meer tot het verleden zal behoren.

Disclaimer Wij wijzen er voor de goede orde op dat deze notitie uitsluitend betrekking heeft op het standplaatsenbeleid vanuit verplaatsbare verkoopmiddelen. Dit laat onverlet dat de ondernemers uiteraard ook moeten voldoen aan andere wetgeving, zoals de milieuwetgeving, de verkeerswetgeving en de warenwetgeving enz. Deze beleidsnotitie heeft geen betrekking op de strandpaviljoens. Waarschijnlijk worden deze standplaatsen bestemmingsplanmatig gewijzigd in vaste bestemmingen. Ook de twee standplaatsen die worden ingenomen op het Havenplein ten behoeve van de uitgifte en inname van huurfietsen zijn niet meegenomen in deze notitie. Bij de nieuwe inrichting van het Havenplein kunnen deze standplaatsen worden meegenomen.

18

Geldigheidsduur beleid Het in deze notitie vastgelegde beleid, heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. In deze 5 jaar wordt bij aanvragen om vergunning op grond van artikel 5.2.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Terschelling gehandeld overeenkomstig het in deze notitie vastgelegde beleid, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Na een jaar, nadat het nieuwe beleid is vastgesteld, zal dit beleid worden geëvalueerd en zal worden beoordeeld of de wensen van ondernemers, de omstandigheden en/of de inzichten over het standplaatsenbeleid zich hebben gewijzigd en aanleiding geven dit beleid te wijzigen. Na de vaststelling van de nieuwe Beleidsnotitie Standplaatsen, vervalt de Beleidsnotitie Standplaatsen die op 6 november 2001 is vastgesteld.

19

Voorbereiding De voorgestelde beleidswijzigingen zijn ambtelijk verspreid voor een reactie. Van P. van den Burg is er een reactie gekomen over het opnemen van een regel over terrassen van Strandpaviljoens. Dit wordt echter geregeld in de beleidsnotitie Strandpaviljoens. Verder vraagt dhr. Van der Burg aandacht voor het daadwerkelijk innemen van standplaatsen, met name die van de kiosken van de strandpaviljoens. Door de kiosken apart te gaan vergunnen is het ook mogelijk het daadwerkelijk innemen van de standplaatsen te bespoedigen. Het is wellicht aan te bevelen om in de loop van deze procedure ook beleid uit te werken om na te gaan wat nu de voorkeur heeft: verhuur van gemeentegrond voor het innemen van standplaatsen of het heffen van precariorechten. Van RO zijde is niet echt gereageerd. Wel is het duidelijk dat voor elke nieuwe standplaats ook een onderzoek moet plaatsvinden of er geen strijd is met het ter plekke vigerende bestemmingsplan. Zo ja, dan dient er een vrijstellingsprocedure te worden gevolgd, waarbij het college een in principe positieve insteek heeft. Ook moet duidelijk zijn dat wanneer een nieuwe locatie zich in VHRgebied bevindt er een natuurtoets moet volgen om te bezien of er mogelijk (tijdelijke) significante gevolgen zijn te verwachten of verstorende of verslechterende omstandigheden zich voordoen.

20

42/141

Bijlage 2

43/141

Ecologische beoordeling

Standplaatsen voor ambulante handel op Terschelling. Een ecologische effectanalyse van het gebruik van standplaatsen in relatie tot de beschermde natuurwaarden van het eiland.

P.J.Zumkehr.

ZUMKEHR ECOLOGISCH ADVIESBUREAU Midsland – Terschelling Oktober 2020

Colofon Zumkehr, P.J., 2020 Standplaatsen voor ambulante handel op Terschelling. Een ecologische effectanalyse van het gebruik van standplaatsen in relatie tot de beschermde natuurwaarden van het eiland. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, Midsland-Terschelling, Oktober 2020. Opdrachtgever Gemeente Terschelling Uitvoerder Zumkehr Ecologisch Adviesbureau. P.J.Zumkehr, Oude Terpweg 3 8891 GE Terschelling-Midsland tel. 0562449196 mob. 0650816092 e-mail: admin@pzumkehr.nl © Zumkehr Ecologisch Adviesbureau Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.

2

Standplaatsen voor ambulante handel op Terschelling. Een ecologische effectanalyse van het gebruik van standplaatsen in relatie tot de beschermde natuurwaarden van het eiland P.J.Zumkehr 1.

Inleiding

De Gemeente Terschelling biedt ondernemers op het eiland de mogelijkheid een standplaats te huren voor het bedrijven van ambulante handel. Het gaat daarbij voornamelijk om verkoop aan passanten van voedingswaren en soms middelen voor strandgebruik. Er zijn daarvoor een aantal locaties aangewezen binnen enkele dorpskernen en op goed bereikbare plekken langs openbare wegen en paden. De randvoorwaarden die gelden voor het in gebruik nemen van een standplaats dienen te worden vastgelegd in de bestemmingsplannen die voor verschillende delen van het eiland gelden. Dit is momenteel niet voor elk bestemmingsplan geregeld, waardoor het in gebruik nemen van standplaatsen niet overal juridisch gedekt is. Om deze reden heeft de Gemeente Terschelling het in initiatief genomen tot het opstellen van een paraplubestemmingsplan voor de standplaatsen, een bestemmingsplan dat boven de verschillende bestemmingsplannen de mogelijkheden voor standplaatsen eilandbreed regelt. Een aantal van de locaties ligt in of nabij Natura2000-gebied. Het is wettelijk verplicht te toetsen of de ingebruikname van de standplaatsen strijdig kan zijn met de gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming, en derhalve of het paraplubestemmingsplan daarmee strijdig kan zijn.

Om de vraag te kunnen beantwoorden of strijdigheid kan optreden, heeft de Gemeente Terschelling aan Zumkehr Ecologisch Adviesbureau de opdracht gegeven het gebruik van de standplaatsen te toetsen aan de geldende natuurbeschermingswetgeving. Het gaat daarbij niet alleen om de effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied als gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming (Wnb), maar ook om de soortenbescherming van de Wnb. De resultaten worden in dit rapport gepresenteerd. Het rapport geldt als voortoets volgens het afwegingskader van Natura2000. 2.

Standplaatsen en de natuurbeschermingswetgeving, uitgangspunten van de effectanalyse

2.1. Algemeen De locaties voor het in gebruik nemen van een standplaats op Terschelling zijn in de afgelopen 10 jaar vastgelegd. Deze locaties zijn gekozen op plekken waarlangs veel potentiële klanten - eilanders en toeristen – passeren. Het gaat daarbij derhalve om locaties waarlangs normaliter al veel verkeer passeert. Langs de fietspaden zijn de klanten in meerderheid fietsers en soms wandelaars. De huurder van een standplaats biedt aan passanten etenswaren aan, die kunnen worden meegenomen of ter plaatse kunnen worden genuttigd. In enkele gevallen wordt ook andere handel aangeboden, zoals strandspeelgoed e.d. Om vanuit de standplaats te kunnen werken richt de huurder ter plaatse het terrein in met een mobiele kraam of wagen. De locaties worden alleen in de zomermaanden gebruikt, in de winterperiode worden alle voorzieningen weer verwijderd. Van belang voor de relatie met de natuurbeschermingswetgeving is het feit dat de locaties tijdelijk worden gebruikt. Er is geen sprake van het oprichten van permanente bebouwing of van een gebouw. 2.2.

Gebiedsbescherming Natura2000

Bijna alle locaties worden ingericht op of langs bestaande infrastructuur. Het gaat daarbij voornamelijk om bermen van wegen en fietspaden, en om parkeerplaatsen. De openbare wegen maken zelf in het algemeen geen deel van een beschermd Natura2000-gebied. Voor paden die wel deel uitmaken van een Natura2000gebied geldt de zogenaamde exclaverende werking; deze paden worden beschouwd als geen onderdeel van het Natura2000-gebied. Het tijdelijk plaatsen van mobiele kramen of wagens vindt plaats buiten Natura2000gebied of binnen Natura2000-gebied op plaatsen zie onder de exclaverende werking vallen, en richt daar geen schade aan. Een aantal locaties ligt echter langs de rand van Natura2000-gebied. De vraag is in deze effectanalyse dan ook van belang of het gebruik van de standplaatsen kan leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. In het algemeen wordt een standplaats zodanig ingericht dat het contact met de klant verloopt vanaf de openbare weg, zodat voor de verkoop van de handel aan de klant aangrenzend natuurgebied niet wordt betreden. Op veel standplaatsen wordt het de klant mogelijk gemaakt de gekochte etenswaren ter plaatse te nuttigen. Dit geschiedt doorgaans op de naar de openbare weg gerichte zijde van de standplaats, zodanig dat aangrenzend natuurgebied niet wordt betreden. Bij een enkele

3

standplaatslocatie kan het aangrenzend natuurgebied incidenteel worden gebruikt als tijdelijke zitplaats voor het nuttigen van de etenswaren. De vraag of daarmee schade wordt aangericht aan de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden wordt in deze effectanalyse beantwoord. 2.3.

Soortenbescherming

In het kader van de soortenbescherming van de Wet Natuurbescherming is de vraag van belang of door de plaatsing van de kramen of wagens individuen of populaties van strikt beschermde soorten schade kunnen ondervinden. Met betrekking tot andere dan strikt beschermde soorten geldt daarnaast de zorgplicht. Een blijvende verslechtering van de staat van instandhouding van de populaties moet worden voorkomen. De vraagstelling geldt niet uitsluitend voor de plaatsen van de tijdelijke opstallen, maar met betrekking tot het gebruik: de verkoop aan passerende klanten. In het kader van de zorgplicht is de vraag van belang of en in hoeverre de inrichting van een standplaats ertoe kan leiden dat de directe omgeving ervan aan kwaliteit moet inboeten wat betreft de geschiktheid als broedgebied voor vogels. In het open poldergebied en langs de kant van de Waddenzee is deze vraagstelling van belang in relatie tot het broeden van weidevogels en het gedrag van wadvogels en ganzen. Deze effectanalyse geeft antwoord op de gestelde vragen. 2.4.

Boswet

De Boswet is onderdeel van de Wet Natuurbescherming, en heeft als doel het bosgebied in oppervlak en kwaliteit te beschermen. De standplaatslocaties liggen echter geen van allen in een bosgebied, en worden zodanig ingericht dat aanpassingen aan het bomenbestand rondom de locaties niet nodig is. Een effectanalyse in het kader van de Boswet blijft in dit rapport verder achterwege. 2.5.

Milieubelasting

De Gemeente Terschelling stelt randvoorwaarden aan het gebruik van de standplaatsen. Daarbij zijn ook voorwaarden gesteld aan de belasting van het milieu in de omgeving van de standplaatsen. Er wordt hier vanuit gegaan dat de randvoorwaarden voldoende basis bieden om milieubelasting vanuit de standplaatsen te voorkomen. Dit aspect maakt dan ook geen deel uit van deze effectanalyse. 2.6.

Natuur Netwerk Nederland

De inrichting van een standplaats is jaarlijks van tijdelijke aard. Er wordt van de locaties gebruik gemaakt zonder blijvende veranderingen in de ruimtelijke ordening van het gebied. Ook is geen sprake van een blijvende verandering van het wezenlijke karakter van het landschap. Een aantal locaties ligt binnen of grenzend aan terreinen die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur. Omdat sprake is van tijdelijk gebruik en geen blijvend verlies aan oppervlak NNN-gebied optreedt, is de tijdelijke inrichting van de standplaatsen en het gebruik ervan niet strijdig met de NNN-regelgeving. Voor zover de inrichting of het gebruik van een standplaats leidt tot kwaliteitsverlies van het broedgebied van weidevogels – het broedgebied is NNN-beheersgebied – wordt dit aspect uitgewerkt als onderdeel van de zorgplicht van de Wet Natuurbescherming (zie hierboven). Een effectanalyse in relatie tot de NNN is aangaande de standplaatsen niet nodig en blijft verder buiten beschouwing. Hetzelfde geldt met betrekking tot de PKBWaddenzee, geldig binnen en langs de randen van het Waddengebied. 3.

Opbouw van de effectanalyse

In deze effectanalyse worden eerst alle locaties afzonderlijk behandeld. Aangaande de gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming (Natura2000) wordt de ligging van de locatie ten opzichte van de Natura2000-gebieden op Terschelling bepaald. Omdat de activiteiten op de standplaatslocaties kleinschalig zijn en zich direct rond de ingerichte locaties plaatsvinden wordt er vanuit gegaan dat een negatief effect op afstand van de standplaatslocaties zal uitblijven. In deze effectanalyse wordt een afstand van 100 meter van de locaties als grens gesteld. Voor activiteiten die binnen 100 meter vanaf de standplaatslocaties plaatsvinden wordt het effect op de daar voorkomende instandhoudingsdoelen geanalyseerd. De resultaten van de effectanalyse per locatie worden uiteindelijk bijeengebracht is een algehele conclusie over de effecten op de instandhoudingsdoelen van de Natura2000-gebieden.

4

Aangaande de soortenbescherming wordt per locatie aangegeven wat de effecten zijn op strikt beschermde soorten en soorten waarvoor de zorgplicht van belang is op een afstand tot maximaal 100 meter van de standplaatslocatie. 4.

Informatiebronnen

Voor het opstellen van dit rapport is gebruik gemaakt van beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde natuurwaarden op Terschelling. Alleen gegevens van na 2010 zijn benut. Oudere gegevens worden als niet relevant beschouwd. Wat betreft de vegetatiekundige gegevens is gebruik gemaakt van de vegetatiekartering van de Ecologen Groep te Groningen uit 2012 (Ecologen Groep, 2013). Voor het in kaart brengen van de habitattypen in de nabijheid van het plangebied is gebruik gemaakt van de habitattypenkaart van de Dienst Landelijk Gebied als onderdeel van het Beheerplan voor de Natura2000-gebieden van Terschelling (DLG, 2015). Vogelkundige gegevens zijn afkomstig van de in opdracht van Staatsbosbeheer uitgevoerde broedvogelinventarisatie (SOVON, 2017) en recente inventarisaties van de broedvogels in de Terschellinger polder (Koopmans en Postma, 2019; Vogelwacht Terschelling). De Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is op 5 oktober 2020 geraadpleegd, met het doel in de database opgenomen gegevens over natuurwaarden van het plangebied en de directe omgeving bijeen te brengen. 5.

Wettelijk kader

5.1. Wet Natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is het oude wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals voorheen neergelegd in de Natuurbeschermingswet1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen door één wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb vormt het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid van het Rijk naar de provincies, waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het gebied van het natuurbeleid en het landelijk gebied zo veel mogelijk worden overgedragen van het Rijk naar de provincies, overeenkomstig het ‘decentraal-tenzij-beginsel’. Dit is in het verlengde van de bestuursafspraken 2011 – 2015 tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en het daarop gebaseerde onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur van 20 september 2011, gesloten tussen Rijk en provincies. Het is de bedoeling dat de Wnb over een paar jaar op haar beurt zal opgaan in de Omgevingswet. Op grond van de Wnb worden provinciale staten verplicht voor bepaalde onderwerpen regels op te stellen. Daarnaast hebben provinciale staten de mogelijkheid om op een aantal onderwerpen regels te stellen. Deze regels zijn opgenomen in de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Naast de bevoegdheden die provinciale staten hebben, hebben gedeputeerde staten van Fryslân ook haar bevoegdheden.

Dit zijn onder andere bevoegdheden tot het opstellen van beleidsregels op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregels in het kader van de Wnb zijn opgenomen in deze beleidsregel: de Beleidsregel Wet natuurbescherming Fryslân 2017. De beleidsregel gaat in op de tegemoetkoming in faunaschade en de toedeling van ontwikkelingsruimte uit segment 2 in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof Fryslân. 5.1.1. Natura2000 De natuurgebieden in Nederland die deel uitmaken van het netwerk van Natura2000 ontlenen hun bescherming aan op Europees niveau gemaakte afspraken. De gebiedsbeschermingswetgeving voor de Natura2000-gebieden maakte tot voor kort deel uit van de Natuurbescherminswet1998. Per 1 januari 2017 is deze wetgeving onveranderd in de nieuwe Wnb overgenomen. De Natura2000-gebieden gelden als Speciale Beschermingszones (SBZ’s), die zijn aangewezen op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of de Vogelrichtlijn. De SBZ’s die in het kader van de Habitatrichtlijn zijn vastgesteld worden ook wel Habitatrichtlijngebieden genoemd. Ze zijn aangewezen vanwege bijzondere habitats en soorten (de zogenaamde ‘kwalificerende waarden’), genoemd in respectievelijk bijlage I en bijlage II van de richtlijn. De SBZ’s in het kader van de Vogelrichtlijn staan ook wel bekend als Vogelrichtlijngebieden.

Ze zijn aangewezen ter bescherming van het leefgebied van bedreigde vogels en trekvogels. Als projecten en andere handelingen in of nabij een Natura2000 gebied plaatsvinden, moet onderzocht worden of deze significant negatieve effecten op de kwalificerende waarden van het gebied hebben. Als uit deze beoordeling blijkt dat het gebied wordt aangetast, of duidelijke twijfel bestaat over het uitblijven van die aantasting, kan het bevoegd gezag slechts

5

vergunning verlenen voor de gevraagde activiteit als er geen alternatieven zijn, er een dwingende reden van groot openbaar belang met die activiteit is gemoeid en vóór de ingreep compensatie van natuurwaarden is gerealiseerd. Als gevolg van de decentralisatie van rijkstaken naar de provincies is de provincie in de nieuwe Wnb bevoegd gezag voor vrijwel alle Natura2000-gebieden. Een uitzondering daarop zijn gebieden van grote omvang die deel uitmaken van meerdere provincies en waarvoor een samenhangend beleid is opgesteld. Het gaat dan onder meer om grote open wateren, zoals de Waddenzee en de Noordzee. Het Rijk is voor deze gebieden bevoegd gezag voor zover het de gedeelten betreft die kunnen worden beschouwd als open water. Wat betreft de toekenning van een Omgevingsvergunning voor de uitvoering van projecten die Natura2000gerelateerd zijn, gelden de gemeenten als loket. De provincie heeft echter een beoordelende taak, en kan voor projecten waarbij significant negatieve effecten met zekerheid zijn uit te sluiten een “verklaring van geen bedenkingen”afgeven. Een dergelijk oordeel is echter pas mogelijk als de effecten van de uitvoering van projecten zijn geanalyseerd in een zogenaamde “voortoets”. Indien uit een voortoets blijkt dat significant negatieve effecten niet met zekerheid uitgesloten zijn, dient een vergunning voor de Wnb te worden aangevraagd bij de provincie.

Er dient dan een Passende beoordeling voor het project te worden opgesteld, waarin de aard van de significant negatieve effecten verder wordt uitgewerkt en wordt geanalyseerd of deze effecten door middel van mitigerende maatregelen of compensatie kunnen worden voorkomen. De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) maakt deel uit van de Natura2000-regelgeving. De PAS is bedoeld om de negatieve effecten van stikstofdepositie uit de atmosfeer binnen Natura2000-gebieden tegen te gaan. Voor nieuwe projecten die binnen of in de omgeving van Natura2000-gebieden worden uitgevoerd is het verplicht de depositie van stikstof te berekenen die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of structureel na voltooiing van het project binnen Natura2000-gebied ontstaat. De berekening kan worden gemaakt door middel van het via internet toegankelijke programma Aerius Calculator 2020. In mei 2019 heeft de Raad van State de PAS-regeling verworpen. Momenteel is het niet duidelijk welk nieuw beleid voor de stikstofproblematiek geldt. Projecten die er toe leiden dat extra stikstof wordt uitgestoten worden voorlopig niet vergund. Echter indien uit de berekening met Aerius Calculator blijkt dat geen sprake is van extra stikstofdepositie kan het project doorgang vinden. Een berekening van de stikstofdepositie in met betrekking tot de standplaatsen niet uitgevoerd.

Het gebruik van de standplaatsen is op Terschelling een al jaren bestaande situatie, die al bestond voor de opstelling van de stikstofwetgeving. Er is geen sprake van een nieuw project. Derhalve is een stikstofanalyse van de standplaats-regelgeving als onderdeel van het paraplubestemmingsplan niet nodig. 5.1.2. Soortenbescherming in de Wnb De nationale bescherming van soorten werd tot voor kort geregeld door de Flora- en faunawet. Deze is echter per 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wnb. Daarmee zijn ook enkele wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijziging betreft de verplaatsing van het bevoegd gezag van het Rijk naar de provincies. Een andere wijziging betreft de lijst van beschermde soorten. In de Flora- en faunawet was sprake van drie verschillende beschermingsregimes. Dit onderscheid is in de Wnb vervallen. Wel maakt de wet onderscheid in soorten die beschermd zijn op basis van internationale afspraken en soorten die alleen op nationaal niveau beschermd zijn (de nationale soorten). De bescherming van soorten van internationale betekenis komt overeen met die van de “strikt beschermde soorten”, als onderdeel van de oude Flora- en faunawet. Wat deze strikt beschermde soorten betreft zijn er in de nieuwe wet geen veranderingen opgetreden.

Het onderscheid tussen “matig beschermde soorten” en “licht beschermde soorten” uit de Flora- en faunawet is in de Wnb komen te vervallen. In de Wnb geldt voor alle in Nederland voorkomende soorten de zorgplicht. Dit betekent dat bij de uitvoering van plannen of projecten verslechtering van de “staat van instandhouding” van de soorten niet is toegestaan. In de oude Flora- en faunawet was een lijst opgenomen van in Nederland algemene soorten met een “algemeen goede staat van instandhouding in Nederland”. Voor deze lijst gold vrijstelling van de wet als in de algemeen goede staat van instandhouding geen verandering zou optreden. Nu dit onderscheid is opgeheven geldt vanuit de Wnb nu ook voor deze soorten de zorgplicht. Vrijstelling wordt vanuit de Wnb niet meer gegeven. Echter met het verplaatsen van het bevoegd gezag naar de provincies is het verlenen van vrijstelling waar het algemene soorten betreft nu provinciaal beleid geworden. De provincies hebben daarom in aparte beleidsnotities vrijstellingslijsten opgenomen voor soorten waarvoor op provinciaal niveau vrijstelling mogelijk is. Deze vrijstellingslijsten kunnen per provincie verschillen. De lijst van de provincie Fryslân als bijlage 1 in de Beleidregels Wet Natuurbescherming van de Provincie Fryslân 2017 bevat een aantal algemene soorten zoogdieren en amfibieën waarvoor vrijstelling mogelijk is. Daarnaast is een

6

bijlage 2 opgenomen met enkele soorten waarvoor vrijstelling geldt ingeval van overlast. Ook zijn beleidsregels opgesteld over beheer van ganzenpopulaties en betreffende de steenmarter. Bijlage 1. Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet Natuurbescherming Fryslân 2017 Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Bunzing Dwergspitsmuis Gewone bosspitsmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Wezel Woelrat

Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Micromys minutus Mustela putorius Sorex minutus Sorex araneus Erinaceus europaeus Lepus europaeus Mustela erminea Crocidura russula Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Mustela nivalis Arvicola terrestris

Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Rana temporaria Bufo bufo Triturus vulgaris Rana ridibunda.

Bijlage 2. Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet Natuurbescherming Fryslân 2017 Roek Kokmeeuw Zilvermeeuw Woelrat Aardmuis Dwergmuis Veldmuis

Corvus frugilegus ssp frugilegus Larus ridibundus Larus argentatus ssp argentatus Arvicola terrestris Microtus agrestis Micromys minutus Microtus arvalis

Voor alle andere soorten geldt in de Wnb een zogenaamde actieve beschermingsplicht gedefinieerd als zorgplicht, waarvoor de “staat van instandhouding” van de populaties centraal staat. Daarnaast geldt voor een aantal in de Wnb apart genoemde soorten een passieve beschermingsplicht. In deze beleidsregel worden de individuen van de opgenomen soorten beschermd tegen schadelijke activiteiten (plukken, het vangen van vlinders etc.). Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn veranderingen doorgevoerd, waardoor een groot aantal vaatplanten de beschermde status is kwijtgeraakt. Daarentegen zijn aan de lijst enkele soorten dagvlinders toegevoegd, waaraan voorheen geen beschermde status is toegekend. De lijst van soorten met jaarrond beschermde nesten uit de oude Flora- en faunawet is ook in de Wnb overgenomen. De nesten van de volgende vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd: Blauwe reiger Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus

7

Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Tapuit Wespendief Zwarte wouw. 5.2. Overige wetgeving 5.2.1. NNN: Natuur Netwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) Het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) is onderdeel van het rijksbeleid voor een netwerk van natuurgebieden door Nederland. Waar de grenzen nog globaal zijn vastgesteld, moeten onomkeerbare ingrepen voorkomen worden. Na vaststelling van de exacte grenzen zijn ruimtelijke ingrepen binnen de EHS niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’. In uitzonderingsgevallen kan het Rijk de natuurwaarden en functies van het EHS-gebied laten wijken voor andere functies van groot maatschappelijk belang. De initiatiefnemer dient deze belangen en mogelijke alternatieven uitgebreid te motiveren. Daarnaast dient hij compenserende dan wel mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen (Ministerie van LNV 2003). In vrijwel geheel Friesland is inmiddels de feitelijke Provinciale Ecologische Hoofdstructuur vastgesteld (Streekplan Fryslân 2006). In het streekplan is verwoord dat een algemene zorgplicht bestaat voor de instandhouding van kwetsbare soorten.

Ruimtelijke ingrepen in de EHS zijn niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’. Voor Vogelrichtlijngebieden of Natuurbeschermingswetgebieden – zoals hier het geval is – gelden aanvullende eisen. In het geval van een ingreep worden alle nodige mitigerende maatregelen getroffen. Bij Habitatrichtlijngebieden met prioritaire soorten en/of habitats, zijn onder ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ niet begrepen ‘redenen van sociale of economische aard’. Bij natuurcompensatie is een uitgangspunt dat geen netto-verlies optreedt aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang van de EHS. Voor de Waddeneilanden geldt dat feitelijk alleen kwalitatieve (geen kwantitatieve compensatie) mogelijk is. Verordening Romte Fryslân Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslan/werkwijze RO 2014 vastgesteld (Provincie Friesland, 2015). De provincie stelt hierin o.a. vast welke gebieden deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en hoe deze beschermd worden. Deze hoofdstructuur is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Dit netwerk vormt de basis voor het natuurbeleid.

De EHS bestaat uit kerngebieden (grote aaneengesloten natuurgebieden met een hoge kwaliteit) natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Planologisch heeft de EHS een extra beschermde status. Sinds 2014 wordt de EHS Natuur Netwerk Nederland genoemd (NNN). Deze titel wordt in dit rapport verder gebruikt. De bescherming van het NNN is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân (31 juli2014 (Provincie Friesland, 2015)). Hierin is onder meer vastgelegd: • Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden binnen het NNN dient een passende bestemming te hebben met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. • Het plan maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het NNN.

8

• Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij het NNN kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Hiervan kan worden afgeweken wanneer sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn en schade door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als redelijkerwijs mogelijk is. Resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. Daarnaast kan een ruimtelijk plan onderling samenhangende activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken die mede tot doel hebben de kwaliteit of kwantiteit van het NNN op gebiedsniveau te verbeteren, indien per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de oppervlakte van het NNN gelijk blijft of toeneemt. In de plantoelichting dient daartoe een verantwoording opgenomen te worden over de aard, omvang, locaties en het tijdvak van realisatie van de verbetering van de natuurwaarden. Ook dient de wijze waarop tenuitvoerlegging van de daartoe benodigde maatregelen en ingrepen plaatsvindt feitelijk en planologisch gewaarborgd te worden.

Een ruimtelijk plan dat nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maakt nabij het NNN, die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan kan doorgang vinden mits er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn, schade door mitigerende maatregelen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt en resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur. 5.2.2. Planologische Kernbeslissing Waddenzee II en III De planologische kernbeslissing (PKB) Derde Nota Waddenzee (VROM 2001) bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee (VROM 2001). De PKB is gebiedsgericht van karakter en integreert het ruimtelijk en ruimtelijk relevante rijksbeleid voor de Waddenzee. De grens van het PKB-gebied kan worden omschreven als het zeegebied van Den Helder tot de rijksgrens met Duitsland. Het PKB-gebied wordt aan de noordkant begrensd door onder meer de kwelders en platen van de Waddenzeekust van de eilanden. De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap.

Om dit te bereiken is het beleid onder meer gericht op de duurzame bescherming en/of een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van de flora en de fauna en tevens op behoud van de landschappelijke kwaliteiten, met name rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid. Nieuwe activiteiten dan wel uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten met een economische en/of recreatieve betekenis zijn mogelijk, mits zij passen binnen de hoofddoelstelling voor de Waddenzee. Met betrekking tot het ontwikkelingsperspectief stelt de PKB onder meer: De Waddenzee is primair een natuurgebied en een uniek open landschap. De natuurlijke dynamiek van de fysische processen in de Waddenzee, op de Waddeneilanden en in de Noordzeekustzone wordt zo min mogelijk beperkt, zodat zich nieuwe platen, geulen en jonge duin- en kustgebieden kunnen ontwikkelen. De rust, weidsheid en open horizon zijn gewaarborgd en worden hoog gewaardeerd. Zeezoogdieren, vissen en (trek)vogels zijn duurzaam verzekerd van voldoende voedsel en rust- en voortplantingsgebieden. Het rijksbeleid ten aanzien van de recreatie op de Waddenzee is gericht op het beheersbaar maken en houden van het recreatief medegebruik en het ontwikkelen van duurzame vormen van recreatie, waarbij de natuurlijke draagkracht van het gebied uitgangspunt is.

Voor het recreatief medegebruik geldt een zonering waarbij de voor verstoring gevoelige gebieden worden ontzien. Voorts wordt gesteld dat de flora en fauna van de Waddenzee zich meer ongestoord dienen te kunnen ontwikkelen. Zeehonden behoeven voldoende voedsel en rustplaatsen. Hetzelfde geldt voor de vogels die voldoende ongestoorde hoogwatervluchtplaatsen moeten kunnen vinden en op acceptabele vluchtafstand over voldoende voedsel moeten beschikken, wat zij aldaar ongestoord tot zich moeten kunnen nemen. Een meer ongestoorde ontwikkeling van de Waddenzee is alleen mogelijk wanneer het menselijk gebruik van het gebied hierop (meer) wordt afgestemd (bijvoorbeeld via zonering) of indien bepaald gebruik - op termijn – wordt afgebouwd. Richting het jaar 2030 zet het kabinet hierop in.

9

Nieuwe activiteiten en uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten in de Waddenzee dienen daarom aan de hoofddoelstelling te worden getoetst. Het afwegingskader dient ook te worden toegepast voor activiteiten buiten het PKB-gebied die de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee kunnen aantasten (externe werking). Het afwegingskader komt sterk overeen met dat van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Elementen hieruit zijn: Nagegaan dient te worden of er sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee Er dient rekening te worden gehouden met eventuele cumulatieve effecten van verschillende activiteiten op de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee. Toestemming voor een activiteit kan slechts worden gegeven nadat zekerheid is verkregen dat de activiteit de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee niet zal aantasten. Het voorzorgbeginsel brengt met zich mee dat er bij twijfel wordt uitgegaan van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden en van de meest verstrekkende effecten voor de Waddenzee (worst-case scenario). Voor een activiteit die leidt tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden en waarvoor geen reële alternatieven aanwezig zijn dient te worden nagegaan of er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=5f9fa9bc-86f1-4710-aa9e-764fc3c7bf3b