CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

windturbines - Ruimtelijke onderbouwing Projectplan windturbines AV

commissie Omgeving 23 juni 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Informatie uit het college/ de gemeenschappelijke regelingen20.765 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter de cumulatie van geluid met andere bronnen wel te worden afgewogen.

19 Besluit van 19 oktober 2007, houdende algemene regels voor inrichtingen (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer). Geraadpleegd van: http://wetten.overheid.nl/zoeken/ 20 Reken- en meetvoorschrift windturbines, Staatscourant nr 19592, 23 december 2010 (dit betreft tevens bijlage 4 bij de Activiteitenregeling milieubeheer).

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

31

Laagfrequent geluid Daarnaast wordt ingegaan op laagfrequent geluid. Onder hoorbaar laagfrequent geluid worden geluiden met een frequentie tussen circa 20 en 100 Hertz (Hz) verstaan. In het besluit 'wijziging milieuregels windturbines' (2010) 21 is voor windturbines de norm voor de geluidbelasting buiten aan de gevel gesteld op Lden = 47 dB. Bij deze normen is uitgegaan van windturbinegeluid en de mate van hinderlijkheid die wordt ervaren op basis van empirisch onderzoek. Daarbij is ook rekening gehouden met het optreden van laagfrequent geluid, dat altijd een onderdeel van het geluidspectrum van windturbinegeluid is.

Onderzoek Geluidcontouren Ter bepaling van een eerste inschatting van de akoestische effecten zijn contouren berekend (zie Figuur 5.1 t/m Figuur 5.3). Hierbij zijn twee turbinetypes beschouwd: een relatief luide turbine (Vestas V120 op de maximale ashoogte van 124,5 meter) en een turbine met een meer gemiddelde geluiduitstraling (Vestas V150 op de maximale ashoogte van 124,5 meter). Conclusie wettelijke norm De conclusie is te zien dat op woningen van derden blijvend (ruimschoots) voldaan wordt aan Lden 47 dB. Er zijn geen woningen waar mitigerende maatregelen nodig zijn om aan de wettelijke norm te voldoen. Figuur 5.1 Geluidcontouren Lden 47 dB, noordelijke turbine

Reken- en meetvoorschrift windturbines, Staatscourant nr 19592, 23 december 2010 (dit betreft tevens bijlage 4 bij de Activiteitenregeling milieubeheer).

21

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

32

Figuur 5.2 Geluidcontouren Lden 47 dB, zuidelijke turbine

Figuur 5.3 Geluidcontouren Lden 47 dB, beide turbines samen

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

33

De geluidbelasting op de toetspunten en toetsing aan de norm dient nog uitgevoerd te worden, als ook een cumulatieve berekening van alle windturbines op de toetspunten als cumulatief geluid van alle bronnen. Op basis van de contourberekeningen mag aangenomen worden dat de windturbines op grond van het aspect geluid ruimtelijk zijn in te passen. Cumulatie met bestaande geluidbronnen Wegens de relatief grote afstand van de twee windturbines naar de omliggende woningen, en de reeds aanwezige geluidbronnen (met name het geluidgezoneerde havenindustrieterrein, de wegen N62 en de N252 en de bestaande windturbines van WP Koegorspolder) zal de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woningen niet of nauwelijks toenemen. In de meeste gevallen zal het toegevoegd windturbinegeluid niet of nauwelijks waarneembaar zijn in relatie tot de overige geluidbronnen. Laagfrequent geluid Er is geen algemeen geaccepteerd normstelsel voorhanden waarmee laagfrequente geluidhinder kan worden geobjectiveerd. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid in het voor mensen laagst hoorbare frequentiegebied, onder 200 Hz. Windturbines produceren, net als de meeste geluidbronnen, ook laagfrequent geluid. Het RIVM heeft op verzoek van de GGD-en de invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden door windturbines onderzocht 22 (een meer recente update onderschrijft de conclusie nog eens 23).

Hierin wordt gesteld dat windturbines weliswaar laagfrequent geluid produceren maar dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is voor de hinderbeleving. Er is geen aparte beoordeling nodig bovenop de bescherming die de Agewogen normstelling op basis van dosis-effectrelatie reeds biedt. De mate van bescherming en de normering worden eveneens beschouwd in een literatuuronderzoek 24 naar laagfrequent geluid van windturbines van RVO (voorheen Agentschap NL). Ook hier zijn geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid een bijzondere dan wel belangrijke rol speelt. Tenslotte is door de staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu over het onderwerp laagfrequent geluid van windturbines een brief aan de Tweede kamer gestuurd. Op grond van de brief van de Staatssecretaris en het rapport van het RIVM kan worden gesteld dat toetsing aan de standaard Nederlandse geluidnormen tevens voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. Het is dan ook niet noodzakelijk verder onderzoek uit te voeren naar laagfrequent geluid voor de windturbines.

Conclusie De windturbines zijn op grond van het aspect geluid ruimtelijk goed inpasbaar.

Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden, GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013; RIVM rapport 200000001/2013. 23 “Health effects related to wind turbine sound”, Frits van den Berg (GGD Amsterdam) en Irene van Kamp (NIVR Bilthoven), 2018. 24 Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines, LBP Sight in opdracht van Agentschap NL, projectnummer DENB 138006 september 2013. 22

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

34

Slagschaduw Toetsingskader De draaiende rotoren van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze 'slagschaduw' kan als hinderlijk worden ervaren. De maximale flikkerfrequentie, het contrast en de tijdsduur van blootstelling zijn van invloed op de mate van hinder die ondervonden kan worden. Slagschaduw met flikkerfrequenties vanaf 2,5 Hz wordt als extra hinderlijk ervaren en kan schadelijk zijn (dit komt bij gangbare turbines echter vrijwel nooit voor). De frequenties van de lichtflikkeringen van de voorbeeldwindturbines liggen, gezien hun afmetingen, tussen de 0,24 en 0,95 Hz en worden daarmee niet als extra hinderlijk ervaren en zijn niet schadelijk. De afstand van de blootgestelde locatie tot de windturbine, de stand van de zon, de weersomstandigheden en het al dan niet draaien van de windturbine zijn bepalende aspecten voor het optreden en de duur van de periode waarin slagschaduw plaatsvindt (slagschaduwduur). De Activiteitenregeling milieubeheer stelt dat windturbines voorzien moeten worden van een automatische stilstandvoorziening indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten, waaronder woningen van derden en kwetsbare locaties zoals scholen en ziekenhuizen worden verstaan, voor zover: •

de afstand tot woningen of andere gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt;

•

en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden.

In het slagschaduwonderzoek is de norm uit de Activiteitenregeling milieubeheer vertaald naar een (beproefde) benadering van de norm door het beoordelen van een waarde van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar. Dit is een strengere beoordeling dan volgens het Activiteitenregeling milieubeheer omdat volgens de norm op 17 dagen per jaar de hinderduur van zonsopgang tot zonsondergang meer dan 20 minuten mag bedragen en op alle overige dagen in het jaar de hinderduur door slagschaduw minder dan 20 minuten mag bedragen. Opgeteld kan de norm uit het Activiteitenregeling milieubeheer dus een langere slagschaduwduur opleveren dan 6 uur per jaar.

Onderzoek Slagschaduwcontouren De maximale slagschaduweffecten worden veroorzaakt door turbines met de maximaal mogelijke afmetingen, in dit geval een ashoogte van 124,5 meter en een rotordiameter van 150 meter. In de onderstaande twee figuren zijn de slagschaduwcontouren weergegeven voor deze worst-case afmetingen. Ter plaatse van de groene contour is de gemiddeld verwachte slagschaduw 0 uur per jaar. De oranje contour staat voor 6 uur gemiddeld verwachte slagschaduw per jaar op de gevels. Slagschaduw ter plaatse van woningen Woningen buiten de oranje contour voldoen aan de wettelijke norm. Er zal een stilstandregeling worden aangebracht op de turbines die automatisch in werking treedt zodra op woningen meer dan 6 uur per jaar slagschaduw wordt geregistreerd. Op deze manier wordt automatisch actie

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

35

ondernomen wanneer overschrijding van de wettelijke normen dreigt. Na toepassing van deze stilstandvoorziening zijn er daarom geen woningen waar meer dan 6 uur slagschaduw per gemiddeld jaar zal optreden. Voor woningen binnen de woonkernen (in dit geval Sluiskil) is het beleid van Eneco/Zeeuwind en Innovarec de slagschaduwhinder nog eens extra te mitigeren, dus meer dan de wettelijk vereiste grens. Slagschaduw ter plaatse van bedrijven Ten slotte wordt met de omliggende bedrijven afgestemd welke slagschaduweffecten aanvaardbaar zijn, waarbij met name wordt gekeken naar slagschaduw welke optreedt op de ramen van de kantoorgebouwen tijdens de uren dat daar personeel aanwezig is. Figuur 5.4 Slagschaduwcontouren WP Axelse Vlakte, maximale turbine-afmetingen

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

36

Figuur 5.5 Slagschaduwcontouren WP Axelse Vlakte cumulatief met WP Koegorspolder

Kader 5.1 Toelichting weergave slagschaduwcontouren op kaart Voor de weergave van contouren op kaart wordt door het rekenprogramma uitgegaan van een te definiëren rekenraster (fijnmazig tot grof) waarop per rasterpunt de schaduwduur wordt berekend op een beperkt oppervlak. Daardoor kan het voorkomen dat het lijkt dat een woning welke net binnen de 6 uurscontour is gelegen, toch zal voldoen aan de voorgestelde streefwaarde van 6 uur slagschaduwduur per jaar. Immers, voor de berekeningen op de toetspunten wordt uitgegaan van een groter belast verticaal oppervlak van 8,0 x 4,5 meter. Daarom wordt op kaart de 5 uurscontour gebruikt om met zekerheid te kunnen zeggen dat woningen binnen deze contour niet meer dan de voorgestelde streefwaarde van 6 uur slagschaduwduur ontvangen. Er wordt tevens een 15 uurscontour gepresenteerd om een indruk te verkrijgen van het belaste gebied of toetspunten dichterbij de turbine(s).

Conclusie De windturbines zijn op grond van het aspect slagschaduw ruimtelijk goed inpasbaar.

Veiligheid Toetsingskader Op basis van het Activiteitenbesluit dient een windturbine te worden beschouwd vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Ten behoeve van de twee windturbines op locatie Sluiskil is een analyse van de externe veiligheid uitgevoerd.

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

37

Op basis van het Activiteitenbesluit mogen er zich geen kwetsbare objecten bevinden binnen de PR 10-6 contour (tiphoogte) en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-5 contour (bladlengte), hierbij staat PR voor het plaatsgebonden risico en de kans op het overlijden van een continu aanwezige en onbeschermde persoon op één vierkante meter. Voor de bepaling van deze contouren wordt in de toelichting verwezen naar het Handboek risicozonering windturbines 2014 (v3.1, RVO, 2014, hierna: ‘het HRW’). De specifieke eigenschappen en afmetingen van een bepaald type windturbine beïnvloeden de veiligheidseffecten die een windturbine heeft op zijn omgeving. In deze paragraaf is gebruik gemaakt van de voorbeeldafmetingen van de windturbines, zoals die voor de windturbines die hier kunnen worden geplaatst gelden. Hierbij wordt uitgegaan van windturbines met een tiphoogte van maximaal circa 199,5 meter, rotordiameters tot circa 150 meter en ashoogten tot circa 124,5 meter. In onderstaande Tabel 5.1 is opgenomen met welke momenteel leverbare voorbeeldwindturbines is gerekend en welke dimensies daarbij horen. Het is mogelijk dat er andere windturbinetypes binnen deze dimensies verkrijgbaar worden/zijn. De verwachting is dat de effecten van deze windturbines niet significant anders zijn. Tabel 5.1 Te onderzoeken windturbines en bijbehorende eigenschappen* Ashoogte Fabrikant

Type

Rotordiameter

Onderzocht

Beschikbaar

Tiphoogte (max, voor zover passend binnen projectgrenzen)

Vestas

V150-4.2MW

150

120

105/120/155

195,0

Nordex

N149/4500

149

125

105/125/164

199,5

Siemens

SWT-DD-142

142

120

109

191,0

Enercon

E-147

147

126

99

199,5

GE

GE 3.6-137

137

120

110

188,5

Lagerwey

L136-4,5MW

136

120

120

188,0

Vestas

V136-4.2MW

136

120

114

188,0

Vestas

V136-3.6MW

136

120

114

188,0

Onderzoek Bepaling identificatieafstand De maximale afstand waarop de omgeving mogelijk een veiligheidseffect van de windturbine zou kunnen ondervinden wordt gedefinieerd door de werpafstand van een rotorblad bij een rotatiesnelheid van tweemaal het nominaal toerental 25. Dit wordt ook wel de identificatieafstand van objecten in de omgeving genoemd. De identificatieafstand is voor ieder windturbinetype verschillend. Daarom is uitgegaan van de ‘worst case’ situatie van de onderzochte windturbines, waarbij de grootste afstand als maatgevend is beschouwd. De maximale identificatieafstand van 439 meter 26 wordt weergegeven in Figuur 5.9.

Nominaal toerental = rotatiesnelheid van een windturbine waarbij het nominaal vermogen bereikt kan worden 26 De maximale werpafstand is bepaald voor een windturbine op een ashoogte van 166 meter, een rotordiameter van 150 meter met het zwaartepunt op 1/6 x rotordiameter en een nominale rotatiesnelheid van 10,4 rpm. Dit is een overschatting zodat alle objecten in het onderzoek worden betrokken 25

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

38

Identificatie objecten De identificatieafstand is bepaald op 439 meter. Binnen deze afstand zijn de volgende objecten en infrastructuren geïdentificeerd: •

gebouwen en (beperkt) kwetsbare objecten:

•

lokale wegen;

•

percelen en terreinen van derden, inclusief mogelijke risicovolle installaties / inrichtingen; ο

risicovol terrein en gebouwen van Vlaeynatie;

ο

risicovol terrein en gebouwen van De Doelder Pallets;

ο

risicovol terrein en gebouwen van Yara Sluiskil B.V.;

ο

Motorbaan cross terreinen (Door het bevoegd gezag is aangegeven dat dit terrein niet langer actief in gebruik is en tevens niet bestemd is. Dit oude terrein wordt verder niet behandeld in de rapportage);

•

Autrichehavenweg aan de west- en noordzijde van het terrein van locatie te Innovarec.

•

Kanaal Sluiskil ten noorden van de noordelijke windturbine;

•

Havenspoorlijnen (doodlopend);

•

ο

Spoorlijn naar Outokumpu (staaltransporten);

ο

Spooraansluiting naar de terminal Vlaeynatie (suiker of bulktransport);

Aardgasbuisleiding van de Gasunie Z-552-01; ο

Inclusief twee bovengrondse installaties (bij Yara Sluiskil en naast de Finlandweg);

•

Groengasleiding van Aben green Energy (niet op risicokaart.nl);

•

Ondergrondse hoogspanningsverbindingen van 150 kV.

Binnen de identificatieafstand van 439 meter zijn er geen primaire waterkeringen met een normstelling, rijkswegen of snelwegen aanwezig. Bebouwing Gebouwen waar langdurig mensen aanwezig kunnen zijn die bescherming behoeven, zijn gedefinieerd als kwetsbare objecten. Voor de definitie van kwetsbare objecten wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Tot de kwetsbare objecten behoren bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, scholen en kantoorgebouwen groter dan 1500 m2. Voorbeelden van ‘beperkt kwetsbare objecten’ zijn onder andere verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare, restaurants, hotels, winkels, sportcomplexen en kantoorgebouwen kleiner dan 1.500 m2 en alle bedrijfsgebouwen waar mensen in aanwezig kunnen zijn. Objecten behorende bij de eigen inrichting van Innovarec behoeven (voor de beoordeling van de windturbine van Innovarec) op basis van het Activiteitenbesluit en de definities van kwetsbaarheid in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) niet beschouwd te worden als beperkt kwetsbaar of kwetsbare objecten omdat de windturbine onderdeel is van dezelfde inrichting. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn niet toegestaan binnen de PR10-6 contour vanaf de windturbine.

De PR10-6 contour ligt nooit verder dan het maximum van een tiphoogte afstand vanaf de windturbine of de werpafstand bij nominaal toerental. Voor windturbines van dit formaat is de tiphoogte met zekerheid groter dan de werpafstand bij nominaal toerental. De tiphoogte bedraagt maximaal 199,5 meter. Deze PR10-6 contour is weergegeven in Figuur 5.7. Er zijn

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

39

twee objecten (gebouwen) van derden gelegen binnen een afstand van 199,5 meter vanaf de windturbine bij de noordelijke windturbine. Beide gebouwen zijn in gebruik als opslagloodsen aan de Finlandweg 4. Dergelijke gebouwen zijn niet te definiëren als kwetsbare objecten. Figuur 5.6 Weergave gebouwen aan Finlandweg 4

De positie van beide windturbines kan voldoen aan de eisen in het activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van afstand tot kwetsbare objecten. Figuur 5.7 Ligging maximale PR10-6 contour t.o.v. kwetsbare objecten

Beperkt kwetsbare objecten Binnen de ligging van de PR10-5 contour van de windturbine mogen geen bedrijfsgebouwen van derden of verspreid liggende woningen van derden zijn gelegen. De PR10-5 contour kan maximaal gezien liggen op een afstand van een halve rotordiameter van de windturbine

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

40

(maximaal 75 meter). Figuur 5.8 laat zien dat er geen beperkt kwetsbare objecten of gebouwen van derden gelegen zijn binnen deze contour. De positie van beide windturbines kan voldoen aan de eisen in het activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van afstand tot beperkt kwetsbare objecten. Figuur 5.8 Ligging maximale PR10-5 contour t.o.v. beperkt kwetsbare objecten

Bron: Pondera Consult

Groepsrisico Het Activiteitenbesluit stelt dat het groepsrisico niet wordt beoordeeld bij windturbines, omdat de risico's enkel bestaan uit direct treffen door windturbineonderdelen, zodat het scenario van het treffen van een groter aantal personen bij een calamiteit zich niet voor kan doen. In dit geval is er bovendien te constateren dat er op korte afstand van de windturbines gezien de aanwezige ruimtelijke bestemmingen (bedrijventerrein) en de positionering van de windturbines geen langdurige aanwezigheid van grote groepen mensen verwacht wordt. Risicovolle inrichtingen en installaties Terrein van Vlaeynatie (zuidelijke windturbine) Binnen identificatieafstand van windturbine van Innovarec valt het terrein van Vlaeynatie (zie Figuur 5.9). Het terrein ligt buiten de tiphoogte (199,5 meter) afstand waardoor de installaties op dit terrein enkel geraakt kunnen worden door het scenario bladworp bij overtoeren. Dit faalscenario heeft een zeer kleine kans van optreden en een zeer grote mogelijke effectzone. Dit betekent dat de kans op raken van één locatie binnen dit gebied zeer klein is. De trefkansen van een installaties op het terrein van Vlaeynatie zullen dan ook verwaarloosbaar klein zijn.

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

41

Figuur 5.9 Weergave risicovolle inrichtingen in de omgeving windturbine

Bron: Pondera Consult

Conform de risicokaart 27 is het terrein van Vlaeynatie een PGS-15 opslaglocatie en terrein voor opslag van meststoffen. Voor bovengrondse risicovolle installaties en inrichtingen geldt dat er rekening gehouden dient te worden in de risicoberekeningen van deze installaties indien een windturbine is geplaatst binnen de identificatieafstand en het toe te voegen risico aan deze installaties groter is dan 10% van het reeds aanwezige risico van de inrichting. Volgens de uitgevoerde berekeningen zou de windturbine in het ergste geval maximaal 8,8 procent risico toevoegen. Deze toevoeging is kleiner dan 10% waarmee de risico toevoeging van de windturbine als verwaarloosbaar kunnen worden gezien. Tot slot bevindt zich op het terrein van Vlaeynatie een grote onbeschermde silo op een afstand van 446 meter vanaf de windturbine en dit object ligt dus buiten de identificatieafstand. Terrein van Yara Sluiskil BV (noordelijke windturbine) De terreingrens van Yara Sluiskil BV bevindt zich op een afstand van circa 354 meter. Het terrein ligt ruim buiten de tiphoogte (199,5 meter) afstand waardoor dit terrein enkel geraakt zouden kunnen worden door het scenario bladworp bij overtoeren. Dit faalscenario heeft een zeer kleine kans van optreden en een zeer grote mogelijke effectzone. Dit betekent dat de kans op raken van één locatie binnen dit gebied zeer klein is.

Op het beperkte deel van het terrein van Yara Sluiskil B.V. wat nog geraakt kan worden door een geworpen rotorblad bij een overtoeren faalscenario bevat geen risicovolle installatie of inrichtingen behorende bij de inrichting van Yara Sluiskil B.V. De trefkansen van de risicovolle installaties op het terrein van

27

www.risicokaart.nl, geraadpleegd op 16-04-2018.

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

42

Yara Sluiskil zullen dan ook nul zijn omdat deze zijn gelegen buiten de maximale effectafstand van de windturbines. Er zijn geen installaties die getoetst kunnen worden. Terrein van De Doelder Pallets BV (noordelijke windturbine) Het terrein van de Doelder Pallets is op de risicokaart.nl aangeduid als een risicovol terrein in het kader van de werkingssfeer activiteitenbesluit milieubeheer en milieuvergunning. Het terrein is geen Bevi inrichting en er is geen QRA verplichting. Op het terrein worden brandbare vaste stoffen (hout) opgeslagen en de (buiten) opslagplaats is 3575 m2 groot. Het terrein bevindt zich binnen een tiphoogteafstand (199,5m) maar niet binnen de ashoogteafstand (max 125m). Dit betekent dat het terrein enkel getroffen kan worden door een vallend rotorblad bij mastfalen en/of bij bladworp (nominaal en overtoeren). Ondanks de grote impact van het raken van het gebouw door een rotorbladdeel zal het treffen door deze faalscenario’s niet zorgen voor een verhoging van het brandgevaar van de opslag van brandbare materialen. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke vergroting van de risico’s behorende bij de opslag van houtmaterialen op dit terrein. Gezien de afwezigheid van een vergroting van de risico’s van de houtopslag is geen verdere risicoanalyse benodigd.

Wegen Er zijn geen wegen van Rijkswaterstaat of wegen van nationaal belang aanwezig binnen de identificatieafstand. De grootste doorlopende wegen betreft de Autrichehavenweg op een afstand van circa 270 meter, de Finlandweg op 144 meter en de Denemarkenweg op 126 meter afstand. De wegen liggen hiermee op afstanden van groter dan een halve rotordiameter maar binnen de tiphoogte en binnen de werpafstand bij nominaal toerental. Rijkswaterstaat hanteert bij rijkswegen een maximaal acceptabel individueel passanten risico van IPR = 10-06. Ook op deze lokale weg zou daar ruim aan kunnen worden voldaan. Rijkswaterstaat hanteert bij rijkswegen een maximaal acceptabel maatschappelijk risico van MR = 2x10-03. Dit zou pas worden overschreden bij meer dan een miljoen passerende personen per jaar. Hier is geen sprake van dus de lokale wegen kunnen ruim voldoen aan deze waarde. Conclusie Voor externe veiligheid wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening in het kader van de wegen.

Aardgasinfrastructuur Ondergrondse buisleiding Gasunie Buisleiding kunnen beschadigen indien ze worden getroffen door vallende windturbineonderdelen. De Gasunie geeft in haar eigen beleid 28 aan dat windturbines intrinsiek veilig geplaatst kunnen worden op een afstand van de grootste waarde van ofwel de bladworpafstand van een bij nominaal toerental afgebroken rotorblad (160m 29) ofwel de afstand gelijk aan de masthoogte (125m) + 1/3 wieklengte (25m). De buisleiding van de Gasunie aan de

28

Het beleid van Gasunie Transport Services inzake het veilig plaatsen van windturbines bij haar gasinfrastructuur.

29

Afhankelijk van windturbinetype. 160m geldt voor een Vestas V150 op 125 meter ashoogte.

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

43

westkant van de noordelijke windturbine bevindt zich op een afstand van 136,5 meter vanaf het hart van de windturbine. Figuur 5.10 Weergave ondergronde buisleiding Gasunie

Dit betekent dat er volgens het beleid van de Gasunie sprake kan zijn van een onacceptabele risicoverhoging van schade aan de buisleiding. Om de situatie te analyseren wordt aan de hand van een voorbeeldwindturbine berekend of er sprake kan zijn van een risicoverhoging. Om dit te bepalen wordt gebruik gemaakt van de risicoberekeningen uit het handboek risicozonering windturbines 2014 (v3.1) en dan met name de formules in paragraaf 2.1 van bijlage C voor de bepaling van werpafstanden en de formules in hoofdstuk 8 van bijlage C voor de bepaling van de raakkansen en kritische afstanden. Als input dienen de gewichten van de windturbineonderdelen en meerdere windturbine eigenschappen bekend te zijn. Om de berekening uit te voeren wordt een Vestas V150 op een ashoogte van 125 meter als uitgangspunt gebruikt. Indien de plaatsing van andere windturbinetypes kan leiden tot andere beoordelingen of te nemen maatregelen zal dit vermeld worden. Voor het uiteindelijk te bouwen windturbinetype zullen vooraf aan de bouw nieuwe berekeningen te worden uitgevoerd waarmee dient te worden aangetoond dat het aangegeven veiligheidsniveau uit deze berekeningen kan worden behaald. Tabel 5.2 Relevante eigenschappen referentie windturbine

Rotordiameter

150

meter

Zwaartepunt rotorblad t.o.v. ascentrum

25

meter

Ashoogte*

125

meter

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

44

Nominaal toerental

10,4

rotaties per minuut

Gewicht gondel

390

ton

Gewicht masttoren

3400

ton

Gewicht rotorblad

18

ton

Tabel 5.3 Relevante eigenschappen buisleiding Gasunie

Buisleidingformaat

457

millimeter

Wanddikte

11

millimeter

Maximale werkdruk

40

BAR

Dekkingshoogte leiding

1,38

meter

Staalsoort

grade B

SMYS staalsoort

2,45x10

08

Pa

*Bij plaatsing van een windturbine met een rotordiameter van 150 meter zal de ashoogte 124,5 meter zijn om de tiphoogte op maximaal 199,5 meter te houden. De effecten van de huidige analyse zijn daarmee iets overschat.

Voor de berekeningen is het relevant welke onderdelen van de windturbine vanaf welke valafstand tot aan de buisleiding niet langer zorgen voor schade aan de buisleiding. Dit kan berekend worden met behulp van de berekening van de kritische afstand (formules in paragraaf 8.1.1 van bijlage C van het HRW). De kritische breedte voor een vallend gondelonderdeel bedraagt: 9,1 meter op maaiveld; De kritische breedte voor een vallende masttoren bedraagt: 8,4 meter op maaiveld; De kritische breedte voor een vallend rotorblad bedraagt: 2,4 meter op maaiveld. De gondel en de masttoren kunnen maximaal omvallen tot op een afstand van 125 meter waardoor de afstand van 136,5 meter tot de buisleiding voldoende is om effecten van het gewicht van een vallende gondel of masttoren te voorkomen. In de huidige situatie kan de buisleiding dus enkel worden getroffen door een meevallend rotorblad bij het omvallen van de mast (mastfalen) of bij een bladworpscenario. De kans op schade door een vallend rotorblad kan worden voorkomen door de gronddekking bovenop de buisleiding te vergroten zodat een rotorblad boven op de grond boven de buisleiding kan vallen zonder dat de buisleiding kapotgaat. Er treedt geen risico meer op als de totale gronddekking toeneemt tot een dekkingshoogte van 2,7 meter. In het geval van een huidige gronddekking van 1,38 meter is 1,35 meter aan extra gronddekking voldoende.

Deze gronddekking dient dan rondom de buisleiding aanwezig te zijn. Dit extra talud dient over het gehele tracé wat geraakt kan worden door mastfalen of bladworp bij nominaal toerental aangelegd te worden. In het geval van de plaatsing van een Vestas V150 op 125 meter ashoogte betreft dit een tracé met een lengte van 169 meter. De breedte van het talud (met tot maaiveld aflopende zijkanten onder een hoek van 45 graden) is dan circa 4x de benodigde hoogte en is daarmee circa 5,6 meter breed (2,8 meter aan elke zijde van het hart van de buisleiding).

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

45

Met behulp van deze gronddekking kan ook het een blad niet meer zorgen voor schade aan de buisleiding waarmee het toegevoegde risico op ontploffing van de buisleiding als gevolg van de windturbine beperkt is tot een voor Gasunie acceptabel risico. Er vindt contact met de Gasunie plaats om deze maatregel nader uit te werken. De Gasunie heeft in het contact aangegeven dat een extra grondophoging een goede maatregel is om effecten voorkomen. Dit is in overeenstemming met het handboek risicozonering windturbines 2014 (v3.1). Voor de uitwerking van de details vindt overleg plaats met de Gasunie. Indien een afwijkende windturbinetype wordt gebouwd dient mogelijk de benodigde hoogte, breedte en locatie van de extra gronddekking opnieuw te worden bepaald. De huidige aanpak wordt beschouwd als een worst-case en maximaal benodigde gronddekking. Bij uitvoering van de mitigerende maatregel zullen de plaatsgebonden risicocontouren van de buisleiding niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie zonder windturbine. Deze contouren zijn bepaald met behulp van het daarvoor geschikte rekenprogramma CAROLA en zijn onderstaand weergegeven. Figuur 5.11 Weergave PR contouren buisleiding (groene stippellijn is PR10-08)

Door het aanbrengen van extra gronddekking bovenop de aardgasbuisleiding van de Gasunie kan het risico van de windturbine beperkt worden tot een verwaarloosbare toevoeging (enkel treffen bij bladworp bij overtoeren) en kan volgens de Gasunie’s opgeschreven beleid gezien worden als een acceptabele situatie. Door het voorkomen van de kans op schade als gevolg van de plaatsing van de windturbine is er geen nieuwe of aanvullende risicoanalyse van de ondergrondse buisleiding benodigd. De uitwerking en bepaling van de benodigde gronddekking zijn te vinden in de bijlage “20191216 EV Gasunie analyse WTG Sluiskil v2.0” en “20191210 EV - Omschrijving gronddekking v1.0”. Er vindt tevens afstemming plaats met North Sea ports als grondeigenaar ter plaatse van de beoogde gronddekking.

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

46

Ondergrondse buisleiding Groen Gas Aben BV Aan de zuidkant van het terrein bij de noordelijke windturbine is nog een groengas leiding aanwezig van Aben BV. Aben BV heeft geen beleid kenbaar gemaakt op het beschermen van mogelijke risico’s als gevolg van de plaatsing van risicoverhogende objecten zoals een windturbine. Volgens de gegevens in de uitgevoerde QRA van de buisleiding “Kwantitatieve risicoanalyse aansluitleiding groengas te Westdorpe – Aben Green Energy B.V.”, opgesteld door DNV GL van 30 januari 2018 ligt de buisleiding op een afstand van 143 meter vanaf het hart van de windturbine. In deze risicoanalyse is onderstaand figuur opgenomen van de huidige PR-contouren. Figuur 5.12 Weergave PR-contouren huidige Aben buisleiding

Bron: “Kwantitatieve risicoanalyse aansluitleiding groengas te Westdorpe – Aben Green Energy B.V.”, opgesteld door DNV GL van 30 januari 2018 Tabel 5.4 Relevante eigenschappen buisleiding Aben Groen gas

Buisleidingformaat

114,3

millimeter

Wanddikte

6

millimeter

Maximale werkdruk

40

BAR

Dekkingshoogte leiding

1,08

meter

Staalsoort

-

SMYS staalsoort

2,35x10

08

Pa

Indien de kritische afstanden op gelijke manier worden berekend als de bij de bovenstaande paragraaf dan ontstaan de volgende kritische afstanden: De kritische breedte voor een vallend gondelonderdeel bedraagt: 9,0 meter op maaiveld; De kritische breedte voor een vallende masttoren bedraagt: 8,4 meter op maaiveld; De kritische breedte voor een vallend rotorblad bedraagt: 2,8 meter op maaiveld.

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

47

Bij mastfalen heeft de foutieve valrichting een hoek van 45,7 graden. De valkans in deze hoek is 45,7 / 360 = 13%. Bij een faalfrequentie van mastfalen van 1,3 x 10-04 is de trefkans door matsfalen daarmee 1,65 x 10-05 per jaar over een tracélengte van circa 91 meter. Bij bladworp wordt de trefkans van elke 10 meter buisleiding berekend. De trefkans voor het behalen van een werpafstand tot aan de locatie van de buisleiding plus de kritische breedtes aan beide zijden bedraagt tussen de 7,8% en 12%. De 10 meter secties van buisleidinglengte bevinden zich in werprichtingen van 3,3 tot 4,1 graden per sectie. De totale trefkans van het buisleidingtracé met een lengte van circa 150 meter ondervindt daardoor een trefkans van circa 8,5 x 10-06 per jaar. De totale trefkans van alle faalscenario’s samen bedraagt daarmee 2,5 x 10-05 over een tracélengte van 150 meter. De verwachtingswaarde op schade voor de gehele groen gas leiding is daarmee ééns in de 40.000 jaar. De maximale trefkans per meter buisleiding bedraagt 1,8x10-07 per jaar. Deze risicotoevoeging kan zorgen voor een vergroting van de risicocontouren van de buisleiding. Bij een ontploffingskans van 100% per jaar neemt de risicocontour maximaal toe tot 40 meter, dit is de 1% letaliteitsafstand van de buisleiding.

Binnen 40 meter rondom het tracédeel wat geraakt kan worden van de buisleiding bevinden zich geen kwetsbare en geen beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat met de plaatsing van de windturbine, ondanks de risicotoevoeging, toch kan worden voldaan aan artikel 6 lid 1 van het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. Lid 2 van dit artikel regelt dat bij aanleg of vervanging van de buisleiding het PRrisico tevens buiten een afstand van vijf meter niet groter mag zijn dan PR10-06. Hier kan mogelijk niet aan worden voldaan indien de huidige bestaande buisleiding wordt vervangen. Om hieraan te voldoen zal de buisleiding wanneer deze vervangen wordt op de locatie (+1,87m) dieper gelegen moeten worden. De mogelijke vergroting van de PR10-06 contour rondom de buisleiding kan zorgen voor een beperking van de realisatie van kwetsbare objecten aan de overkant van de Finlandweg. De effectafstand ligt echter maximaal 5 meter over de perceelgrens heen waar gebouwd zou kunnen worden en de huidige beheersverordening staat de bouw van kwetsbare objecten reeds niet toe. De aanwezigheid van een PR10-06 contour rondom het groengas leiding deel wat geraakt kan worden door de windturbine is daarmee geen extra belemmering voor het type activiteiten welke op het bedrijventerrein mogelijk zijn.

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

48

Figuur 5.13 Weergave maximale effectafstand Aben Green Energy buisleiding

De trefkans van de buisleiding is gedeeld met Aben Green Energy B.V. en Aben Green Energy B.V. heeft aangegeven geen problemen te voorzien met de aantasting van de betrouwbaarheid van de gasleiding indien de schade aan de buisleiding en/of stilstandschade van het bedrijf van Aben Green Energy in het geval van een defect gedekt wordt door de initiatiefnemers van het windpark. Hierover heeft de initiatiefnemer contact met de beheerder van de buisleiding.

Ondergronds hoogspanningsnetwerk Op 130 meter afstand vanaf de noordelijke windturbine langs de Denemarkenweg zijn twee ondergrondse hoogspanningskabels van 150 kV aanwezig. Normaliter accepteert TenneT een grotere risicotoevoeging voor het 150 kV netwerk in relatie tot netwerken met hogere spanningsniveaus (230kV/380kV) maar dit wordt door TenneT per verbindingslijn bepaald. De trefkans van de ondergrondse kabels van 150 kV wordt bepaald en zal worden overlegd met TenneT / Enduris als beheerder van de hoogspanningskabels. Omdat de elektra kabels zich ondergronds bevinden zijn er geen specifieke uitgewerkte kwantitatieve rekenregels beschikbaar om de mogelijke effecten inzichtelijk te maken maar er zal als achtergrond voor een overleg worden aangesloten bij de kwalitatieve regels gebaseerd op expert judgement uit het handboek risicozonering windturbines 2014 (v3.1). De betrokken verbinding betreft een verbinding van de havengebieden naar een transformatorstation. Er wordt contact gezocht met de netwerkbeheerder om de benodigde eisen en betrouwbaarheid van deze verbinding te bespreken en om vast te stellen hoe de effecten kunnen worden bepaald en beoordeeld. Er wordt niet verwacht dat uitval van dit tracé zorgt voor een veiligheidrisico.

Daarnaast zijn in de omgeving van de windturbines ook 50 kV kabels aanwezig, deze kabels behoren niet tot het hoogspanningsnetwerk (<110kV) en worden dus niet beoordeeld onder het

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

49

kader van veiligheid en voor dergelijke kabels zijn geen toetsingsmaten of beoordelingsregels van toepassing volgens het handboek risicozonering windturbines 2014 (v3.1). De betrouwbaarheid van lagere elektriciteitsnetwerken wordt niet significant aangetast door windturbines.

Conclusie De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Er zijn vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het windpark. Er is voor het aspect externe veiligheid sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Natuur Inleiding Voor het beschermen van ecologische waarden kan onderscheid worden gemaakt tussen gebieds- en soortenbescherming. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. De provincies krijgen regie over het natuurbeleid in de regio, terwijl voorheen de rijksoverheid verantwoordelijk was. Hierover hebben het Rijk en provincies al eerder afspraken gemaakt. Met inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn de bevoegdheden aan de provincies overgedragen. Zij maken dan afwegingen voor vergunningen en ontheffingen. Zo wordt ingezet op een robuuste Nederlandse natuur waar per gebied bekeken wordt wat nodig is.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Wanneer de realisatie en exploitatie van windturbines negatieve effecten hebben op de omvang van de populaties van de soorten en of habitattypen (instandhoudingsdoelen) waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, is een vergunning nodig op grond van de Wnb (Artikel 2.7 lid 2). De bescherming van Natura 2000-gebieden kent externe werking wat betekent dat ook projecten buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen (IHD) kunnen hebben. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000 gebied ligt op meer dan 4 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het betreft het gebied Canisvliet (zie Figuur 3.3). Op 7,5 kilometer naar het noorden bevindt zich het gebied Waterschelde & Saeftinghe.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (kortweg: NNN) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In het NNN liggen: •

Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken;

•

Gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd;

•

Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee.

•

Alle Natura 2000-gebieden.

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

50

Voor gebieden die zijn begrensd binnen het NNN, ecologische verbindingszones en gebieden met agrarisch natuurbeheer, geldt in de provincie Zeeland een planologisch beschermingsregime. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. Er liggen ten zuiden en ten oosten van het plangebied enkele gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), op respectievelijk 0,5 en ruim 1,5 kilometer. Provinciaal aangewezen gebieden Er liggen geen weidevogelgebieden, akkerfaunagebieden of ganzenopvanggebieden in de omgeving van het plangebied, met uitzondering van een ganzenrustgebied op 1,7 kilometer ten oosten van het plangebied. Analyse Vanwege afstand van 4,5 km naar het dichtbijgelegen Natura 2000-gebied, is niet te verwachten dat de bouw van de windturbines negatieve effecten heeft op de omvang van de populaties van de soorten en of habitattypen (instandhoudingsdoelen) van dit Natura 2000gebied. Om dit aan te tonen zal een toetsing Natuurbeschermingswet uitgevoerd voor het studiegebied. Er zal voor het realiseren en exploiteren van de windturbines een ontheffing aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming.

Soortbescherming Naast gebiedsbescherming waarmee de leefomgeving van flora en fauna wordt beschermd is er een wettelijk kader voor het beschermen van individuele soorten. Zo zijn op grond van de Wnb alle vogelsoorten beschermd. De Wnb kent een aantal verbodsbepalingen die aanleiding kunnen zijn om een ontheffing aan te vragen. De relevante verbodsbepalingen zijn het doden of vangen van soorten, het opzettelijk verontrusten van soorten of het verstoren, vernietigen, beschadigen van nesten of vaste rust- & verblijfsplaatsen. De Wnb onderscheidt bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1),

•

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb § 3.2) en

•

Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3). In het kader van de soortenbescherming is in deze analyse onderscheid gemaakt tussen effecten op beschermde soorten in de aanlegfase en in de gebruiksfase.

Analyse Op basis van de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen kan niet worden uitgesloten dat door de bouw en exploitatie van de windturbines geen verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3) wordt overtreden. Echter op basis van de tellingen van vogels en vleermuizen welke in het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden is de verwachting dat op grond van een voortoets kan worden aangegeven dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming zal kunnen worden verleend, al dan niet met enkele mitigerende maatregelen.

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

51

Conclusie Voor plaatsen van de twee windturbines zal een ontheffing aangevraagd worden in het kader van de Wet natuurbescherming. De provincie Zeeland is bevoegd gezag voor het beoordelen van de aanvraag en het verlenen van de ontheffing. Ter bescherming van ecologische waarden in en rond het plangebied zal er een afweging worden gemaakt in het kader van de Wet natuurbescherming. Op grond van in het afgelopen jaar het reeds uitgevoerde veldonderzoek naar vogels en vleermuizen wordt verwacht dat de benodigde ontheffing kan worden verleend en dat de bijbehorende voorschriften als zodanig worden uitgevoerd en nageleefd, wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.

Cultuurhistorie Toetsingskader Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming was in Nederland geregeld in de Monumentenwet 1988 30. Vanaf 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet 31, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het beschermingsniveau van de oude wetgeving blijft gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt samen met de nog in te voeren Omgevingswet 32 het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Archeologie houdt zich bezig met de niet zichtbare delen van onze cultuurgeschiedenis. Zij zijn verborgen in de bodem.

Onderzoek Archeologie Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) 33 wordt het plangebied als een gebied met een zeer lage trefkans op archeologische waarden. Aansluitend op de nationale wetgeving draagt de gemeente Terneuzen middels eigen wet- en regelgeving actief bij aan de instandhouding van het archeologisch erfgoed. De gemeente Terneuzen heeft een eigen Vrijstellingenkaart Archeologie (2017). Wanneer in een bestemmingsplan of beheersverordening van de gemeente Terneuzen een dubbelbestemming Wet van 23 december 1988, tot vervanging van de Monumentenwet Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet) 32 Staatsblad 2016/156. "Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)". Treedt naar verwachting in werking in 2020. 33 Bron: https://www.atlasnatuurlijkkapitaal.nl/indicatieve-kaart-archeologische-waarden 30 31

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

52

waarde Archeologie wordt opgenomen, vormt deze kaart de basis of er een archeologisch onderzoek zal moeten plaatsvinden. De Vrijstellingenkaart Archeologie bevat 9 vrijstellingsdieptes. De locatie van beide windturbines valt in een zone met de grootste vrijstellingsdiepte (zie Figuur 5.14). De beroeringsdiepte die in deze zone is vrijgesteld gaat tot 4 meter en verder. Er is daarom ook geen archeologisch onderzoek noodzakelijk voor het realiseren van de windturbines en bijbehorende voorzieningen. Figuur 5.14 Archeologie

Bron: Pondera Consult / gemeente Terneuzen

Overige cultuurhistorische waarden Voor overige cultuurhistorische waarden is de kaart van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zeeland geraadpleegd 34. Hieruit blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van cultuurhistorische waarden, zoals (rijks)monumenten en dorps- en stadsgezichten.

Conclusie Het windpark doet geen afbreuk aan cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor het aspect cultuurhistorie is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

34

Bron: https://www.zeeland.nl/kaarten-en-cijfers/kaarten/cultuurhistorische-hoofdstructuur-kaart

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

53

Waterhuishouding Toetsingskader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1 en 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening. Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ moet worden gehanteerd. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd.

De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten:

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

54

afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Waterverordening Zeeland De Provincie heeft de Waterwet onder andere uitgewerkt in de Waterverordening Zeeland. Hierin staan normen voor de regionale watersystemen (het slotenstelsel). Ze moeten bij hevige neerslag voldoende water kunnen bergen en afvoeren. Voor stedelijk gebied geldt als norm dat er eens in de 100 jaar ernstige wateroverlast mag optreden. Voor landelijk gebied is de norm eens in de 25 jaar. Waar glastuinbouw is, geldt een norm van eens in de 50 jaar. Aan de hand van deze normen zorgt het waterschap voor de nodige inrichtingsmaatregelen en voorzieningen om wateroverlast te voorkomen. Waterschapsbeleid Alle waterbeheerders in Nederland stellen waterbeheerplannen op voor de periode 2016 – 2021. Dit is een verplichting vanuit de Waterwet. Het waterschap laat in dit Waterbeheerplan Scheldestromen 2016-2021 zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn in de voorliggende planperiode. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

De activiteiten van waterschap Scheldestromen zijn gericht op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het watersysteem is te definiëren als het geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems, oevers en technische infrastructuur. De hoeveelheid water en de kwaliteit van dit water moet geschikt zijn voor de functies die aan het gebied zijn toegekend. De normen waaraan het watersysteem moet voldoen zijn vastgelegd in de landelijke en provinciale regelgeving en beleidskaders. Waterkering Onderhavig plan heeft geen betrekking op gronden met een waterkerende functie.

Onderzoek Oppervlaktewatersysteem Voor de windturbines worden mogelijk enkele verhardingen aangebracht die effect op het oppervlaktewatersysteem kunnen hebben als er sprake is van doorsnijding van oppervlaktewater zoals waterlopen. Zoals te zien in Figuur 3.1 is er op het terrein van Innovarec oppervlaktewater aanwezig. Voor de plaatsing van de fundering, kraanopstelplaats en toegangsweg naar de turbine zal hiermee rekening moeten worden gehouden. Mochten er kleine aanpassingen in het oppervlaktewatersysteem gerealiseerd moeten worden, geldt er voor alle ingrepen en vergunningplicht. Een voorbeeld van een ingreep is de verlegging van een watergang om een goede afwatering in stand te houden. Om een goede waterhuishouding in stand te houden dient eventuele aanpassing van het watersysteem na de vergunningverlening in nauw overleg met het waterschap te gebeuren.

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

55

Grondwatersysteem Het grondwatersysteem wordt beïnvloed wanneer aanleg van een windturbine zorgt voor obstructie van de grondwaterstroming (fundering van de windturbine), ontwatering door bermsloten, een tijdelijke verlaging van het grondwater tijdens aanleg van de fundatie van de windturbine of kwelvorming langs de funderingspalen van de windturbine. Afhankelijk van de technische uitwerking van de benodigde fundering dient bekeken te worden of er sprake is van tijdelijke grondwateronttrekking tijdens de bouw. Voor eventuele grondwateronttrekking bij aanleg is een watervergunning nodig op basis van de Keur van waterschap Scheldestromen. Hemelwaterafvoer Door het plaatsen van windturbines wordt verhard oppervlak (de windturbine plus een (kraan)opstelplaats en een toegangsweg) gecreëerd. Het gevolg van een toenemend verhard oppervlak kan zijn dat hemelwater sneller tot afstroming zal komen. Windturbines met een fundatie diameter van circa 26 meter zullen een verhard oppervlak van ongeveer 530 m² tot gevolg hebben. Voor kraanopstelplaatsen bedraagt dit circa 2.400 m², uitgaande van de afmetingen 40 bij 60 meter. Voor de toegangswegen kan gebruik worden gemaakt van zoveel mogelijk bestaande verharde wegen. Het totale verhard oppervlak van een turbine zal in dit geval dus naar verwachting circa 2.890 m² per turbine bedragen.

Toegenomen verhard oppervlak kan worden gecompenseerd door het toevoegen van extra waterbergend vermogen, bijvoorbeeld door het creëren van extra sloten. Watertoets Over deze wijze van omgaan met de waterhuishouding is nadere afstemming met het waterschap Scheldestromen nodig. Op een voorlopig verzoek om wateradvies, ingediend via www.dewatertoets.nl blijkt dat het plan heeft een geringe invloed op de belangen van het waterschap. Conclusie De windturbines hebben geen negatief effect op de waterhuishouding. Een Watervergunning is mogelijk nodig voor grondwateronttrekking. Rekening houdend met de (eventueel) benodigde vergunningen is er voor het aspect water sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Overige aspecten Vliegverkeer en defensieradar Toetsingskader De bouw van windturbines kan van invloed zijn op het vliegverkeer in Nederland, met name de hoogte van windturbines is daarbij relevant. Voor het vliegverkeer is het van belang is dat de vliegveiligheid en de werking van radar- en communicatieapparatuur te allen tijde kan worden gegarandeerd. Laagvlieggebieden en helikopteroefengebieden kennen harde bouwhoogtebeperkingen. Hierbij is van belang dat de rotorbladen van een windturbine de route niet 'doorsnijden'. Er moet dus een afstand van minimaal een halve rotordiameter tot de rand van de laagvlieggebieden worden gehouden. Voor het veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn obstakelbeheersvlakken ingesteld waarbinnen hoogtebeperkingen gelden.

Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek | 719081 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

56

Plaatsing van windturbines kan ook mogelijk leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de lucht- als de scheepvaart. Afhankelijk van de locatie kan een windpark een verstorende werking hebben op Communicatie-, Navigatie- en Surveillance (CNS)-apparatuur van de luchtverkeersleiding voor burgerluchtvaart. Voor de militaire radarposten in Nederland moet binnen een straal van 75 kilometer van een radarpost worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren en moet een plan ter goedkeuring aan Defensie worden voorgelegd. Het beleid over verstoringsgebieden rond militaire radars van het Ministerie van Defensie is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 35 en zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 36. Er dient een minimale dekkingsgraad van 90% op 1.000 voet in stand te blijven om een goede werking van de radar te garanderen. Onderzoek Vliegverkeer Toetsing voor mogelijke luchtvaarthinder vindt ook plaats voor de burgerluchtvaart. De luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) is gecontacteerd om te kijken naar mogelijke hinder.

Ook de inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) is gecontacteerd om rekening te kunnen houden met toepassing van de correcte obstakelmarkeringen en –lichten op de te plaatsen windturbine ten behoeve van de internationale burgerluchtvaartregelgeving voor objecten hoger dan 150 meter. De inspectie controleert ook of het windpark zich binnen eventuele hoogtebeperkingen ten behoeve van de luchtvaart bevindt. Op 9 april 2018 heeft LVNL schriftelijk laten weten geen bezwaar te hebben tegen de plannen van de turbine van Innovarec. De locatie van de windturbine zijn gelegen buiten de toetsingsvlakken behorende bij de Communicatie-, Navigatie- en Surveillance (CNS) apparatuur van LVNL. Daarnaast heeft IL&T op 15 mei 2018 schriftelijk laten weten dat de beoogde windturbine zich buiten hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens bevindt. Het plan heeft daarom geen effect op de veiligheid van vliegoperaties van en naar luchthavens in de omgeving. IL&T heeft verder aangegeven dat windturbines voorzien moeten worden van obstakelmarkering en obstakellichten in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland’ versie 1, d.d. 30 september 2016. Bekend is dat windturbines met een tiphoogte van 150 meter of meer ten opzichte van het maaiveld van obstakelverlichting moet worden voorzien.

De verwachting is dat bovenstaande conclusies tevens zullen gelden voor de verder naar het noorden gelegen turbine Eneco/Zeeuwind. Defensieradar Door TNO zal een radartoets worden uitgevoerd op basis waarvan bij Defensie een goedkeuring zal worden aangevraagd.

Besluit van 31 augustus 2012, nr. IENM/BSK-2012/30229, tot wijziging van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening: aanwijzing radarverstoringsgebieden 36 Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 december 2011, nr. IENM/BSK-2011/161600, houdende vaststelling van algemene regels ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) 35

719081 | Windturbines Axelse Vlakte Projectplan bij principeverzoek 30 januari 2020 | Definitief

Pondera Consult

57

Conclusie Er zijn naar verwachting geen onoverkomelijke belemmeringen en effecten vanuit vliegverkeer en defensieradar waardoor voldaan wordt aan een goede ruimtelijke ordening.

Walradar Toetsingskader Voor de begeleiding van de scheepvaart langs het kanaal Gent-Terneuzen wordt door North Sea Port/RWS een keten van Vessel Traffic Service (VTS) radars gebruikt. In de omgeving van het plangebied staat een VTS radar opgesteld. Onderzoek Beide windturbines staan op voldoende afstand van de vaarweg. De windturbines hebben geen invloed op het verkeersbegeleidend systeem van North Sea Port/RWS. Het plaatsen van de windturbines heeft geen verstorende werking op het radarbeeld. Echo's op de rotors van de windturbine op het radarbeeld van een schip (valse echo's) zullen niet waar te nemen zijn op de vaarweg wanneer de turbines op minimaal een ½ rotordiameter + 30 meter vanaf de vaarweg staan. De minimale afstand van de windturbines is meer dan 105 meter tot aan de waterweg, er is dus geen sprake van valse echo door de windturbines op scheepsradar. Conclusie Er zijn geen belemmeringen en effecten voor de walradar waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10256759/1