CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

a.02. 2020-12-17 IC1 - NotaBodembeheer-Zeeuws-Vlaanderen

commissie Omgeving 20 januari 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Bespreken ingekomen stukken raadsvergadering 17 december 202019.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.6

Toepassing van zout zeezand

In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat voor het toepassen van zeezand het chloridegehalte maximaal 200 mg/kg ds mag zijn. Er wordt dan gesproken over ontzilt zeezand. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak oppervlaktewater of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde. Buiten de bekende zoetwatervoorkomens kan zout zeezand dus worden toegepast, als uit lokale veldmetingen van grond- of oppervlaktewater blijkt dat er een chloridegehalte van meer dan 5000 mg/l aanwezig is, zo nodig aangevuld met een effectanalyse van de plaatselijke situatie. In opdracht van de provincie Zeeland is in 2005 een rapport opgesteld (lit. 17) met daarin de geohydrologische aspecten van het toepassen van zout zeezand. In dit rapport wordt beschreven met welke factoren rekening dient te worden gehouden. Het aanbrengen van zout zand mag geen verslechtering opleveren voor de chemische toestand van het grond- of oppervlaktewater.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

21/41

4e herziening, 25 september 2020

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

22/41

4e herziening, 25 september 2020

6

LOKALE MAXIMALE WAARDEN (LMW)

Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op de gemeente Hulst en de gemeente Sluis 6.1

Inleiding

In het Besluit bodemkwaliteit is het beleid voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk gesteld van zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. De strengste is daarbij (in het generieke beleid) maatgevend. Op grond van lokale omstandigheden kan binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden worden afgeweken van het generieke kader. De gemeenteraad stelt dan ‘Lokale Maximale Waarden’ (LMW) vast. In dat geval spreekt het Besluit bodemkwaliteit van gebiedsspecifiek beleid. De voorwaarden die hiervoor gelden staan vermeld in paragraaf 6.2. De gemeenteraad van Hulst heeft voor een deel van de gemeente LMW vastgesteld. Deze zijn met bijbehorende randvoorwaarden beschreven in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. Bij de eerste vaststelling van de Nota bodembeheer in 2010 zijn LMW vastgelegd voor het plangebied van het voormalige veerplein Perkpolder in de gemeente Hulst (paragraaf 6.3.1). Inmiddels is de ophoging van het voormalig veerplein voltooid. De LMW blijven van kracht voor incidenteel grondverzet in dit gebied.

Bij de 3e herziening van de Nota bodembeheer in 2019 zijn tevens LMW vastgesteld voor de volgende gebieden in de gemeente Hulst: binnenstad van Hulst (paragraaf 6.3.2) Hertogin Hedwigepolder (paragraaf 6.3.3) Aan de keuze voor deze LMW liggen twee hoofdredenen ten grondslag: Ophogingen waarvoor veel grond benodigd is (voormalig veerplein Perkpolder). Met het vaststellen van de LMW wordt beleidsmatig meer ruimte gegeven voor hergebruik van grond en bagger die elders in projecten vrijkomt. Hierdoor hoeven minder primaire grondstoffen te worden ingezet. Grondverzet in de directe omgeving mogelijk maken in gebieden waar dit volgens het generieke normenkader niet mogelijk is (binnenstad Hulst, Hertogin Hedwigepolder). Bij de 3e herziening van de Nota bodembeheer in 2019 zijn verder LMW voorgesteld voor de volgende locatie in de gemeente Sluis: Brugse Vaart (uitbreiding golfbaan) (gereserveerd) Op deze locatie vindt toepassing van grond plaats die eerder ten onrechte werd aangemerkt als een grootschalige bodemtoepassing (GBT). Bij de keuze van de LMW is rekening gehouden met welke stoffen regelmatig in verhoogde gehalten voorkomen. Uit oogpunt van praktische uitvoerbaarheid is aangesloten bij de klassegrenzen van de maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) en de maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE).

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

23/41

4e herziening, 25 september 2020

De LMW gelden voor zowel grond als bagger. Op de LMW wordt de gangbare bodemtypecorrectie toegepast zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit.

6.2

Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid

Een besluit van de gemeenteraad om gebiedsspecifiek beleid te voeren bevat volgens artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit1: Een bodemkwaliteitskaart (inclusief begrenzing van het bodembeheergebied en de kwaliteit van de bodem) en een kaart met de functies van de bodem; De Lokale Maximale Waarden (LMW); Een motivering aan de hand van de LMW in relatie tot de kwaliteit van de bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en een beschrijving van de gevolgen voor de bodemkwaliteit in het beheergebied. Laatstgenoemde beschrijving vindt plaats met behulp van de risicotoolbox. Overige voorwaarden: Er wordt uitgegaan van standstill op het niveau van een bodembeheergebied. Met andere woorden: in de Nota bodembeheer wordt het herkomstgebied van grond en bagger vastgelegd waarvoor de LMW gelden. Het Besluit bodemkwaliteit definieert een bodembeheergebied als: een aaneengesloten door de gemeente afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten. Hogere LMW dan de generieke toepassingsnormen gelden dus alleen voor grond en bagger die afkomstig is uit het herkomstgebied dat is vastgesteld als bodembeheergebied; Het besluit om gebiedsspecifiek beleid te voeren wordt voorbereid conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Binnen 10 jaar wordt overwogen of het besluit tot gebiedsspecifiek beleid aanpassing behoeft.

1

Naast genoemde punten kan worden gekozen voor een afwijkend percentage bodemvreemde bijmengingen ten opzichte van het algemene percentage uit het Besluit bodemkwaliteit. De gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen hanteren het in de landelijke regelgeving vastgelegde percentage.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

24/41

4e herziening, 25 september 2020

6.3

Vastlegging LMW per gebied (gemeente Hulst)

Onderstaande tabellen bevatten een overzicht van de LMW per gebied en de bijbehorende randvoorwaarden. Generieke toepassingsnormen per gebied: Gebied vm. veerplein Binnenstad Hulst Perkpolder Generieke AchtergrondKlasse wonen toepassingsnorm waarde

Hertogin Hedwigepolder Achtergrondwaarde (AW)

Lokale maximale waarden (LMW) per gebied: Gebied vm. veerplein Binnenstad Hulst Hertogin Perkpolder Hedwigepolder Stof Lokale Maximale Waarden (LMW) Arseen MaxWONEN (Generiek MaxWONEN) MaxWONEN Cadmium MaxWONEN (Generiek MaxWONEN) MaxINDUSTRIE Chroom MaxWONEN (Generiek MaxWONEN) MaxWONEN Koper MaxWONEN MaxINDUSTRIE MaxWONEN Kwik MaxWONEN MaxINDUSTRIE MaxWONEN Lood MaxWONEN MaxINDUSTRIE MaxWONEN (Generiek AW) Nikkel MaxWONEN 2x Achtergrondwaarde Zink MaxWONEN MaxINDUSTRIE MaxINDUSTRIE (Generiek AW) Kobalt Achtergrond(Generiek MaxWONEN) waarde (Generiek AW) Molybdeen MaxWONEN (Generiek MaxWONEN) (Generiek AW) PAK (som 10) MaxWONEN MaxINDUSTRIE (Generiek AW) Minerale olie MaxWONEN MaxINDUSTRIE (Generiek AW) PCB (som 7) MaxWONEN MaxINDUSTRIE (*) Voor deze LMW gelden aanvullende randvoorwaarden (zie onderstaande tabel). Randvoorwaarden waarbinnen de LMW gelden: Gebied vm. veerplein Binnenstad Hulst Perkpolder Herkomstgebied ZeeuwsBinnenstad Hulst Vlaanderen Dieptetraject Hele ophooglaag 0 – 2,0 m-mv Aanvullende voorwaarden

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

Hertogin Hedwigepolder Hertogin Hedwigepolder 0 – 0,5 m-mv

LMW gelden alleen voor ongevoelig terreingebruik

25/41

4e herziening, 25 september 2020

Risicotoolbox Eén van de voorwaarden voor het vaststellen van LMW is, dat de gevolgen van deze waarden worden beoordeeld met behulp van de risicotoolbox (www.risicotoolbox.nl). Dit landelijke instrument is ontwikkeld om te bepalen welke risico’s de LMW met zich mee brengen bij een bepaald terreingebruik. De risicotoolbox maakt daarbij onderscheid in ecologische risico’s, humane risico’s en landbouwrisico’s1. Afhankelijk van de uitkomst van de risicotoolbox blijft de bodem al of niet “duurzaam geschikt” voor het desbetreffende terreingebruik. Ter verantwoording van de LMW uit dit hoofdstuk is de risicotoolbox toegepast. De resultaten hiervan zijn beschreven in bijlage 7, inclusief een uitgebreidere toelichting op wat de risicotoolbox inhoudt.

1

De beoordeling van de risico’s voor de landbouw is voor de gebieden met LMW niet relevant.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

26/41

4e herziening, 25 september 2020

6.3.1

LMW voormalig veerplein Perkpolder

Overwegingen om LMW vast te stellen Bij de eerste vaststelling van de Nota bodembeheer in 2010 zijn LMW vastgelegd voor het plangebied van het voormalige veerplein Perkpolder in de gemeente Hulst. Inmiddels is de ophoging van het voormalig veerplein voltooid. De LMW blijven van kracht voor incidenteel grondverzet in dit gebied. In 2010 is het vaststellen van deze LMW als volgt gemotiveerd:

Het voormalige veerplein Perkpolder in de gemeente Hulst wordt heringericht. Een deel van het gebied krijgt een woonbestemming. De exacte inrichting van het plangebied ligt echter nog niet vast. Ten behoeve van deze ruimtelijke ontwikkeling wordt het gebied (gedeeltelijk) opgehoogd. De dikte van deze ophooglaag bedraagt naar verwachting 3 à 3,5 meter. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 15 hectare. Voor de ophoging van het plangebied is dus circa 450.000 m3 grond nodig. In de bodemkwaliteitskaart ligt het voormalige veerplein Perkpolder in de zone A (Buitengebied en woonwijken > 1960). In deze zone voldoen zowel de boven- als ondergrond aan de Achtergrondwaarde. Volgens het generieke beleid dient alle toe te passen grond derhalve te voldoen aan de Achtergrondwaarden. Met andere woorden, er mag alleen schone grond worden toegepast. Dit betekent, dat een belangrijk deel van het aanbod van hergebruiksgrond niet toepasbaar is. Eén van de achtergronden van het Besluit bodemkwaliteit is, dat voor licht verontreinigde grond en bagger op een milieu-hygiënisch verantwoorde wijze nuttige toepassingen worden gevonden. De ophoging van het veerplein Perkpolder kan een dergelijke nuttige toepassing zijn, waarbij met name bij toepassing in de ondergrond de milieu-hygiënische gevolgen gering zijn.

Tegelijk blijft er meer schone hergebruiksgrond beschikbaar voor andere toepassingslocaties. Wanneer het generieke beleid onvoldoende mogelijkheden biedt voor de maatschappelijke opgave van nuttige toepassing van vrijkomende hergebruiksgrond en bagger, dan kan de gemeenteraad voor (een deel van) haar grondgebied gebiedsspecifiek beleid vaststellen. Binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden kan een gemeenteraad besluiten om voor bepaalde gebieden een verslechtering van de bodemkwaliteit toe te staan of juist een verbetering van de bodemkwaliteit na te streven ten opzichte van het generieke beleid. In dat geval wordt gesproken over ‘gebiedsspecifiek beleid’ en stelt de gemeenteraad ‘Lokale Maximale Waarden’ (LMW) vast. De gemeente Hulst kiest ervoor, om voor het op te hogen plangebied Perkpolder gebiedspecifiek beleid te voeren. Hiermee wordt invulling gegeven aan de maatschappelijke opgave om milieu-hygiënisch verantwoorde toepassingen van licht verontreinigde hergebruiksgrond en bagger te vinden. Het generieke beleid uit het Besluit bodemkwaliteit biedt hiervoor onvoldoende mogelijkheden. Er is weinig vraag naar hergebruiksgrond in de zones uit de bodemkwaliteitskaart waar hergebruik van licht verontreinigde grond volgens het generieke beleid is toegestaan.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

27/41

4e herziening, 25 september 2020

Keuze van LMW Als Lokale Maximale Waarden (LMW) heeft de gemeente Hulst voor het voormalig veerplein Perkpolder de Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) vastgesteld voor alle in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen, met uitzondering van kobalt. Met de keuze voor MaxWONEN wordt op een praktische en eenduidige wijze aangesloten op het grondstromenbeleid in de rest van het bodembeheergebied. In verschillende woonwijken geldt als toepassingseis MaxWONEN. Uit de toepassing van de risicotoolbox blijkt, dat lood en PAK kritische parameters zijn. Alleen voor de meest gevoelige bodemfunctie ‘moestuin / volkstuin’ heeft de risicotoolbox als uitkomst een overschrijding van MTR-humaan (Maximaal Toelaatbaar Risico voor de mens). De mens mag niet meer van deze dosis in mg per kg lichaamsgewicht per dag ‘binnen krijgen’ van een bepaalde verontreinigende stof (lit. 18). De risicotoolbox houdt daarbij rekening met de blootstelling aan deze stoffen vanuit andere bronnen (lucht, voedsel), waardoor er minder toegestane blootstelling vanuit de bodem overblijft. Het onderliggende risicomodel gaat voor de blootstelling bij ‘moestuin / volkstuin met een gemiddelde gewasconsumptie’ uit van een huishouden, dat 50% van de bladgewassen en 25% van de knolgewassen van de betreffende bodem consumeert. In de praktijk is hiervoor een moestuin met een minimale oppervlakte van 100 m2 benodigd (lit. 19).

Dergelijke intensief benutte moestuinen zijn niet voorzien in het plangebied Perkpolder. Het wordt derhalve verantwoord geacht om de Maximale waarden voor wonen vast te stellen als Lokale Maximale Waarden voor het plangebied Perkpolder. Voor kobalt is op grond van de uitkomsten van de risicotoolbox een uitzondering gemaakt. Hoewel deze uitkomsten terugvoeren op modelmatige onzekerheden is er niettemin voor gekozen om de toepassingseis voor kobalt op de Achtergrondwaarde te houden om onzekerheid over de mogelijkheid tot gewasconsumptie uit eigen tuin tegen te gaan. Overigens worden in Zeeuws-Vlaanderen zelden gehalten kobalt boven de Achtergrondwaarde gemeten. Voor niet in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen geldt als toepassingseis de Achtergrondwaarde (generieke toepassingsnorm).

Herkomstgebied De LMW gelden voor grond en bagger afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen. In 2010 is voor deze begrenzing gekozen aangezien de bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer in een gezamenlijk project van de drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten zijn opgesteld.

Overige randvoorwaarden Niet van toepassing

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

28/41

4e herziening, 25 september 2020

6.3.2

LMW binnenstad Hulst

Overwegingen om LMW vast te stellen De huidige bodemkwaliteit in de oude binnenstad van Hulst voldoet gemiddeld niet aan klasse Wonen. Dit betekent, dat volgens het generieke beleid eenmaal vrijgekomen grond niet meer opnieuw in de directe nabijheid zou kunnen worden toegepast. Om grondverzet binnen hetzelfde gebied mogelijk te maken worden LMW vastgesteld voor de binnenstad van Hulst.

Keuze van LMW Bij ongevoelig terreingebruik (zie onder) gelden als LMW de Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE) voor de volgende stoffen: Koper Kwik Lood Zink PAK (som 10) Minerale olie PCB (som 7) Hiermee wordt ervoor gekozen om alleen MaxINDUSTRIE als LMW vast te stellen voor stoffen waarvan in de zone C: Binnenstad Hulst regelmatig verhoogde gehalten boven MaxWONEN worden aangetroffen. Voor nikkel geldt volgens de Regeling bodemkwaliteit een afwijkende toetsingsregel (zie paragraaf 2.2). Incidenteel komen in de gemeente gehalten nikkel voor die iets hoger zijn dan MaxWONEN, maar ruim binnen de grens van deze afwijkende toetsingsregel liggen. Om tegenstrijdige effecten in de normering tegen te gaan geldt als LMW voor nikkel de bovengrens uit de toetsingsregel (2x Achtergrondwaarde). Voor overige stoffen geldt als toepassingseis MaxWONEN (generieke toepassingsnorm).

Herkomstgebied De verhoogde LMW zijn primair bedoeld om grond die in deze zone vrijkomt gemakkelijker in de directe omgeving te kunnen toepassen. Deze LMW gelden derhalve alleen voor grond afkomstig uit de zone C: Binnenstad Hulst.

Overige randvoorwaarden De LMW gelden voor het dieptetraject 0-2,0 m-mv en alleen bij ongevoelig terreingebruik. Voor het dieptetraject wordt aangesloten bij de algemene keuze uit paragraaf 5.3 om geen verschillende normen te hanteren voor enerzijds 0-0,5 m-mv en anderzijds 0,5-2,0 m-mv.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

29/41

4e herziening, 25 september 2020

Voor gevoeliger terreingebruiken zoals ‘wonen met tuin’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’ is de uitkomst van de risicotoolbox bij MaxINDUSTRIE voor lood en PAK, dat de bodem niet meer duurzaam geschikt is voor het betreffende gebruik (maar daarmee nog niet ongeschikt voor het betreffende gebruik). Consumptie van gewassen uit eigen tuin komt in de binnenstad in de praktijk amper voor en zeker niet in de hoeveelheden waarvan de risicotoolbox uitgaat bij het terreingebruik ‘wonen met tuin’. De daadwerkelijke kans op blootstelling aan de verhoogde gehaltes is daarmee gering. Daarnaast heeft de binnenstad van Hulst een lage ecologische waarde. De gemeente kiest voor een veilige benadering, door de LMW enkel van toepassing te verklaren bij ongevoelig terreingebruik zoals bouwwerken, infrastructurele werken en openbaar groen. De LMW gelden dus niet voor toepassing van grond op kinderspeelplaatsen of in tuinen van particulieren, ook niet wanneer in de tuinen een verharding over de grond wordt aangebracht. In de toekomst kan men namelijk ervoor kiezen de inrichting van de tuin te wijzigen en de terreinverharding te verwijderen. Met deze beperking tot ongevoelig terreingebruik blijft de bodem zoveel mogelijk duurzaam geschikt.

6.3.4

LMW Hertogin Hedwigepolder

Overwegingen om LMW vast te stellen De Hertogin Hedwigepolder is ingepolderd sinds 1907. Als gevolg van sedimentatie van verontreinigd slib uit de Westerschelde valt de bovengrond van deze polder in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Volgens het generieke beleid geldt als toepassingseis echter de Achtergrondwaarde. Binnen het generieke kader zou het niet mogelijk zijn om grond die in deze polder vrijkomt in de directe omgeving te hergebruiken. In het kader van de herinrichting van de Hertogin Hedwigepolder als een intergetijdengebied (Grenspark Groot-Saeftinge) wordt een geulenstelsel uitgegraven. Hierbij komt grond vrij die men zo veel mogelijk binnen het project (oftewel binnen de Hertogin Hedwigepolder) wil hergebruiken. Specifiek is de vrijkomende grond civieltechnisch zeer geschikt voor de bekleding van de nieuw aan te leggen zeedijk. Om hergebruik van grond binnen de Hertogin Hedwigepolder en bij de aanleg van de nieuwe zeedijk mogelijk te maken stelt de gemeente Hulst voor deze polder Lokale Maximale Waarden (LMW) vast voor de stoffen waarvan de 95-percentielwaarde in de bodemkwaliteitskaart hoger is dan de Achtergrondwaarde respectievelijk MaxWONEN.

Keuze van LMW Voor de zone H: Hertogin Hedwigepolder gelden als LMW de Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) voor de volgende stoffen: Arseen Chroom Koper Kwik Lood

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

30/41

4e herziening, 25 september 2020

Verder gelden in de zone H: Hertogin Hedwigepolder gelden als LMW de Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTIE) voor de volgende stoffen: Cadmium Zink Voor overige stoffen geldt als toepassingseis de Achtergrondwaarde (generieke toepassingsnorm). In bijlage 7 zijn deze LMW beoordeeld met behulp van de landelijk voorgeschreven risicotoolbox. Het grondverzet in deze polder vindt primair plaats op plekken met een voor de humane risico’s ongevoelig terreingebruik. Bij de humane risicobeoordeling zijn alleen de bodemfuncties ‘natuur’ of ‘groen met natuurwaarden’ relevant. Voor deze bodemfuncties is voor alle metalen uit de bodemkwaliteitskaart bij MaxINDUSTRIE de risico-index bij de humane risico’s (ruimschoots) lager dan 1. Dit betekent dat volgens de risicotoolbox de bodem qua humane risico’s duurzaam geschikt blijft. Voor de ecologische risico’s geldt, dat de LMW alleen voor hergebruik binnen hetzelfde gebied gelden en dus bij grondverzet de ecologische geschiktheid netto niet wijzigt.

Herkomstgebied De LMW gelden alleen voor grond en bagger afkomstig uit de zone H: Hertogin Hedwigepolder.

Overige randvoorwaarden In afwijking van de algemene keuze uit paragraaf 5.3 (geen verschillende normen voor boven- en ondergrond tot 2,0 m-mv) gelden de LMW in de Hertogin Hedwigepolder alleen voor de bovengrond (0-0,5 m-mv). Deze keuze wordt gemaakt, omdat de verhoogde gehalten zich in de Hertogin Hedwigepolder beperken tot dit bovenste deel van de bodem. Verder gelden de LMW voor het hele dijklichaam van de nieuw aan te leggen zeedijk.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

31/41

4e herziening, 25 september 2020

6.4

Vastlegging LMW Brugse Vaart (gemeente Sluis)

Gereserveerd NB. In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure heeft de tekst van deze paragraaf in de gemeente Sluis ter inzage gelegen in de periode 28 maart 2019 t/m 8 mei 2019.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

32/41

4e herziening, 25 september 2020

7

TOEPASSINGSNORMEN VOOR PFAS

7.1

Tijdelijk handelingskader voor PFAS d.d. 2 juli 2020

Op 8 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een Kamerbrief verstuurd met het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, gevolgd door geactualiseerde versies d.d. 29 november 2019 en 2 juli 2020. Volgens het tijdelijk handelingskader moeten initiatiefnemers, tot duidelijk is of er onbelaste gebieden in Nederland zijn, in het kader van de zorgplicht het gehalte aan PFAS meten in te verzetten grond en baggerspecie, die uit land- en waterbodem wordt ontgraven. Eind juni 2020 heeft het RIVM het onderzoek naar de landelijke achtergrondwaarden van PFAS in de Nederlandse bodem afgerond (lit. 16). Deze zijn als definitieve achtergrondwaarden opgenomen in een nieuwe versie van het tijdelijk handelingskader PFAS (lit. 15), dat op 3 juli 2020 door de Staatssecretaris voor Infrastructuur en Waterstaat is toegezonden aan de Tweede Kamer. Deze definitieve landelijke achtergrondwaarden zijn als volgt: PFOA (som lineair + vertakt): 1,9 μg/kgds PFOS (som lineair + vertakt): 1,4 μg/kgds De overige PFAS zijn in het onderzoek van het RIVM zelden boven de detectiegrens aangetoond. In het tijdelijk handelingskader is opgenomen dat voornoemde achtergrondwaarde van PFOS (1,4 μg/kgds) ook als toepassingswaarde geldt voor de overige PFAS.

Voor de bodemkwaliteits- en bodemfunctieklassen wonen en industrie vermeldt het tijdelijk handelingskader de volgende toepassingswaarden (ook wel aangeduid als de 3/7/3/3 waarden): voor alle individuele PFAS: 3 μg/kgds. met uitzondering van PFOA voor PFOA: 7 μg/kgds Deze 3/7/3/3 waarden gelden voor toepassingen op de landbodem boven grondwaterniveau (tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld bij gebieden met een hoge grondwaterstand). Verder bevat het tijdelijk handelingskader voorlopige toepassingswaarden voor een aantal andere situaties. Het tijdelijk handelingskader voor PFAS en de hierin opgenomen toepassingswaarden waaronder de voorlopige achtergrondwaarden hebben echter nog niet de formele status van regelgeving. Dit is pas het geval na opname van deze voorlopige achtergrondwaarden en overige toetsingswaarden in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit en bekendmaking hiervan in de Staatscourant. Het is de bedoeling dat op termijn wel een definitieve normstelling voor PFAS wordt opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit1. Daarvoor moet eerst landelijk nog een aantal onderbouwende onderzoeken worden afgerond. In afwachting van deze onderzoeken zijn de toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader veilig gekozen. Het valt daarom niet te verwachten dat de definitieve normering strenger uitpakt dan de voorlopige toepassingswaarden. 1

Een bijlage bij een Kamerbrief d.d. 15 april 2020 (lit. 20) vermeldt hiervoor als planning april 2021.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

33/41

4e herziening, 25 september 2020

7.2

Toepassingsnormen voor PFAS in Zeeuws-Vlaanderen

Onderstaande tabel bevat een overzicht van de toepassingsnormen voor PFAS in Zeeuws-Vlaanderen. De toepassingsnormen uit onderstaande tabel zijn in kaart weergegeven in bijlage 8. Toepassingsnormen voor PFAS voor grond en bagger: Toepassingsgebied Dieptetraject Bodemfunctieklasse overig in 0-2,0 m-mv bodemfunctiekaart (buitengebied) (*) Bodemfunctieklasse Wonen of Industrie (*) Generieke toepassingsnorm voor de NEN5740-parameters: achtergrondwaarde Bodemfunctieklasse Wonen of Industrie (*) Generieke toepassingsnorm voor de NEN5740-parameters: klasse wonen of industrie Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied Herkomst van buiten waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied Grondverzet binnen waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied Waterwingebied en Grondwaterbeschermingsgebied Grondverzet binnen waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied Heel Zeeuws-Vlaanderen (*)

Toepassingseisen PFAS PFOA: 1,9 μg/kgds PFOS: 1,4 μg/kgds Overige individuele PFAS: 1,4 μg/kgds

0-2,0 m-mv

PFOA: 1,9 μg/kgds PFOS: 1,4 μg/kgds Overige individuele PFAS: 1,4 μg/kgds

0-2,0 m-mv

PFOA: 7 μg/kgds Overige individuele PFAS: 3 μg/kgds

Ongeacht diepte

Alle individuele PFAS: 0,1 μg/kgds

0-0,5 m-mv

PFOA: 1,9 μg/kgds PFOS: 1,4 μg/kgds Overige individuele PFAS: 1,4 μg/kgds

Dieper dan 0,5 m-mv

Alle individuele PFAS: 0,1 μg/kgds

Dieper dan 2,0 m-mv

PFOA: 1,9 μg/kgds PFOS: 1,4 μg/kgds Overige individuele PFAS: 1,4 μg/kgds (*) Met uitzondering van het waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied Alle waarden voor PFOA en PFOS betreffen de som van lineair + vertakt.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

34/41

4e herziening, 25 september 2020

Toelichting op voorgaande tabel De gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen nemen de toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader van 2 juli 2020 over als toepassingsnormen voor PFAS, met de volgende nadere invulling: er worden geen strengere normen gesteld dan de toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader van 2 juli 2020. Het valt niet te verwachten dat bij opname in de landelijke regelgeving gekozen wordt voor strengere normen dan thans vermeld in het tijdelijk handelingskader. net als voor de overige stoffen geldt ook voor PFAS dezelfde toepassingseis voor het hele dieptetraject 0-2,0 m-mv (dus geen onderscheid boven en onder grondwaterspiegel); de 3/7/3/3 waarden gelden in die gebieden waar op basis van het generieke beleid de toepassingseis voor de NEN5740-parameters klasse wonen of klasse industrie is. uit voorzorg wordt in het waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied bij Sint Jansteen een strengere norm gehanteerd (zie paragraaf 5.5).

Grootschalige bodemtoepassingen (GBT) Voor grootschalige bodemtoepassingen (GBT) op de landbodem vermeldt het tijdelijk handelingskader de volgende toepassingswaarden: boven grondwaterniveau: de 3/7/3/3 waarden onder grondwaterniveau: de voorlopige achtergrondwaarden Aansluitend op het tijdelijk handelingskader gelden in Zeeuws-Vlaanderen voor grootschalige bodemtoepassingen op de landbodem (GBT) de volgende toepassingsnormen: Gedeelte van de GBT Toepassingsnormen Afdeklaag Toepassingsnormen zoals in bijlage 8 in kaart weergegeven voor het dieptetraject 0-2,0 m-mv Kern van de GBT, boven grondwaterspiegel De 3/7/3/3 waarden Kern van de GBT, onder grondwaterspiegel PFOA: 1,9 μg/kgds PFOS: 1,4 μg/kgds Overige individuele PFAS: 1,4 μg/kgds

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

35/41

4e herziening, 25 september 2020

Het verspreiden van bagger op aan dezelfde watergang grenzende percelen De Regeling bodemkwaliteit bevat een afzonderlijke normering voor het verspreiden van bagger op aan dezelfde watergangen grenzende percelen. Het is volgens het Besluit bodemkwaliteit niet toegestaan om in gebiedsspecifiek beleid strengere normen vast te leggen dan deze ‘maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel’. Deze normen voor het verspreiden van bagger bestaan uit: een modelmatige berekening van de ecologische risico’s, aangeduid als msPAF (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie); afzonderlijke samenstellingswaarden voor cadmium en minerale olie. Daarnaast mag (ongeacht de uitkomst van msPAF) voor geen enkele stof het gehalte hoger zijn dan de interventiewaarde; de Achtergrondwaarde voor de overige, niet in de msPAF-berekening opgenomen stoffen. Het tijdelijk handelingskader vermeldt voor het verspreiden van bagger op aan dezelfde watergang grenzende percelen de 3/7/3/3 waarden. Deze 3/7/3/3 waarden zijn gebaseerd op een risicomodelering van het RIVM voor de bodemfuncties landbouw en natuur (lit. 21). Voor het verspreiden van bagger op aan dezelfde watergang grenzende percelen hanteren de gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen de 3/7/3/3 waarden zoals vermeld in het tijdelijk handelingskader.

De verwachting is dat deze 3/7/3/3 waarden in april 2021 als normering voor het verspreiden van bagger worden opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit.

Bij opname van PFAS-normering in de landelijke regelgeving worden de generieke PFAS-normen gevolgd Wanneer de PFAS-normering wordt opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit volgen de gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen in beginsel de generieke normering uit de Regeling bodemkwaliteit. Zo nodig wordt dit hoofdstuk te zijner tijd hierop aangepast.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

36/41

4e herziening, 25 september 2020

8

MELDINGSPROCEDURE VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGER

8.1

Meldingsplicht voor de toepasser

Met uitzondering van de hieronder vermelde situaties dient een toepassing van grond of baggerspecie minimaal vijf werkdagen tevoren te worden gemeld bij het landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit. De meldingsplicht geldt ook voor kortdurende en tijdelijke opslag. Voor de volgende toepassingen van grond en bagger is volgens het Besluit bodemkwaliteit geen melding voorgeschreven: Toepassingen van grond of bagger door particulieren, voorzover niet in de uitoefening van een bedrijf of beroep; Toepassingen binnen een landbouwbedrijf, mits de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot datzelfde landbouwbedrijf behorend perceel, waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt toegepast; Toepassingen van schone grond in een hoeveelheid van minder dan 50 m3; Verspreiden van baggerspecie uit een watergang over aan de watergang grenzende percelen; Tijdelijke uitname van grond of baggerspecie, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. De melding wordt digitaal gedaan via de website: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Op deze site kan de melder een digitaal formulier invullen met de vereiste gegevens. Rapportages van milieuhygiënische verklaringen zoals een partijkeuring kunnen als pdf-bestand worden bijgevoegd bij de digitale melding.

Eventueel kan de melder rapportages ook per post nazenden (uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden). Het Meldpunt Bodemkwaliteit scant deze dan in om er een pdf-bestand van te maken. Eventueel kan de melding ook schriftelijk worden gedaan. Het hiervoor benodigde formulier is eveneens te vinden op de website www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het Meldpunt Bodemkwaliteit stuurt de melding inclusief de eventuele pdf-bestanden van milieuhygiënische verklaringen per e-mail door naar het bevoegde gezag. In de landelijk meldingssystematiek is er onderscheid tussen: Melding van toepassen van grond / baggerspecie die aan de Achtergrondwaarde voldoet (voorzover > 50 m3, want kleinere hoeveelheden zijn vrijgesteld). In dat geval behoeft alleen de toepassingslocatie te worden gemeld, zonder gegevens over de herkomst van de grond (die kunnen ook niet op het formulier worden vermeld). Melding van toepassen van verontreinigde grond of bagger (uitgebreider formulier met gegevens over herkomst van de grond of bagger en bijvoegen van milieuhygiënische verklaring.)

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

37/41

4e herziening, 25 september 2020

Enkele aandachtspunten voor het invullen van het meldingsformulier Bij toepassing van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart dient men bij vraag 3 (beoogde toepassing grond) optie II aan te vinken (toepassing van grond op de landbodem volgens het generieke toetsingskader). In geval van toepassing volgens het gebiedsspecifieke kader voor Perkpolder dient men optie I aan te vinken. Bij vraag 9 wordt gevraagd naar de bodemfunctieklasse en bodemkwaliteitsklasse. Deze zijn af te lezen uit de bijlagen 4 t/m 6 van deze Nota. Bij vraag 10 (milieuhygiënische verklaringen) dient de melder in geval van vrij grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart te kiezen voor de optie ‘Verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart (BKK)’. Hierbij dient men de zone van herkomst te vermelden. De gemeentes hechten hierbij zeer aan een correct uitgevoerde historische toets op uitzonderingslocaties. Om deze reden dient de melding vergezeld te gaan van het historisch onderzoek (inclusief eventuele gegevens over ter plaatse van de ontgravingslocatie uitgevoerde bodemonderzoeken). De bodemkwaliteitskaart zelf hoeft men niet bij de melding te voegen. Vraag 11 (fysische gegevens) en 12 (kwaliteitsgegevens) hoeven niet te worden ingevuld, aangezien de bodemkwaliteitskaart deze gegevens voor de herkomstzone bevat.

Indien er geen sprake is van vrij grondverzet dient de melder één van de overige opties aan te vinken en de betreffende milieuhygiënische verklaring bij te voegen. In dat geval dient de zonenaam van de herkomstlocatie te worden vermeld bij vraag 7 (adresgegevens van herkomstlocatie) bij het veld locatieomschrijving.

8.2

Behandeling van de melding door de gemeente

Het landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit zendt de melding direct per e-mail door naar de het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag beoordeelt de melding en kan in geval van onduidelijkheden of onvolkomenheden in de melding contact opnemen met de melder. Zonodig kan de melder de melding via het meldsysteem aanpassen.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

38/41

4e herziening, 25 september 2020

9.

STAPPENPLAN: GRONDVERZET OP BASIS VAN DE BODEMKWALITEITSKAART

1a. Grondverzet door particulier, niet in uitoefening van bedrijf of beroep?

JA

NEE 1b. Grondverzet binnen agrarisch bedrijf, tussen percelen met vergelijkbare gewasteelt?

Beschikt de toepasser over informatie op basis waarvan hij weet dat de toe te passen grond niet voldoet aan de toepassingseis?

JA

NEE

NEE 2. Werkgebied afbakenen. Vrij grondverzet mogelijk volgens grondstromenmatrix?

NEE

JA

JA 3. Vooronderzoek uitvoeren (historische toets): Verdachte locatie?

Bodemonderzoek uitvoeren. Voldoet kwaliteit grond aan toepassingseis (zie bijlage 6A/6B/6C en 8A/8B/8C)?

JA

NEE JA

4. Voldoet de grond aan de Achtergrondwaarden?

JA

NEE

NEE

5. Volume toe te passen grond minder dan 50 m3?

Grondverzet niet mogelijk.

NEE 6. Melden bij Bodem+ (minimaal 5 werkdagen voor start werkzaamheden)

Evt. nader onderzoek uitvoeren, Grond afvoeren.

JA

7. Grondverzet uitvoeren.

8. Indien tijdens werk zintuiglijk afwijkende waarnemingen worden gedaan: Werk staken, melden bij bevoegd gezag. Grond in depot plaatsen en bemonsteren.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

39/41

4e herziening, 25 september 2020

Toelichting: 1a en 1b: Voor grondverzet door particulieren en grondverzet binnen agrarische bedrijven geldt in het Besluit bodemkwaliteit een algemene vrijstelling. Op basis van deze vrijstelling hoeft men geen kwaliteit van de toe te passen grond te bepalen. Verder hoeft de toepassing niet te worden gemeld bij Bodem+. Voornoemde vrijstelling geldt overigens niet voor een aannemer die in opdracht van een particulier grond toepast. Wel geldt in het Besluit bodemkwaliteit een algemene zorgplicht. Wanneer de toepasser weet, dat de kwaliteit van de toe te passen grond niet voldoet aan de toepassingseis van de ontvangende bodem (bijvoorbeeld op basis van een bodemonderzoeksrapport waarover hij beschikt), dan vervalt de vrijstelling en mag de grond niet worden toegepast. 2: Bepaal in welke bodemkwaliteitszone de herkomstlocatie ligt en in wat de toepassingseis is van de zone waar de grond wordt toegepast. Volgens de grondstromenmatrix mag grond alleen op basis van de bodemkwaliteitskaart worden toegepast voorzover de bodemkwaliteitsklasse van de herkomstlocatie gelijk is (danwel schoner) dan de toepassingseis van de ontvangende bodem. 3: Wanneer volgens de grondstromenmatrix in algemene zin vrij grondverzet mogelijk is, betekent dit niet automatisch dat ook in het specifieke geval vrij grondverzet mogelijk is.

Er dient een historische toets te worden uitgevoerd om na te gaan of de grond niet afkomstig is van een verdachte locatie (een locatie waar op grond van historische gegevens mogelijk sprake is van bodemverontreiniging). Voor het toepassen van ongekeurde grond op basis van de bodemkwaliteitskaart dient men dus altijd een historische toets uit te voeren (gewaarmerkte verklaring opvragen bij de gemeente). Deze verplichting geldt ook in geval van toepassingen van minder dan 50 m3 grond afkomstig uit een zone die aan de Achtergrondwaarde voldoet. De historische toets dient gewaarmerkt te zijn door de gemeente waarin de herkomstlocatie ligt. 4 en 5: Het toepassen van schone grond in een hoeveelheid van minder dan 50 m3 behoeft volgens het Besluit bodemkwaliteit niet te worden gemeld. Een toepassing van minder dan 50 m3 grond afkomstig uit een zone met als bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’ hoeft derhalve niet te worden gemeld indien uit de historische toets volgt dat de herkomstlocatie onverdacht is. 6: Minimaal 5 werkdagen tevoren dient de toepassing te worden gemeld bij een landelijk meldpunt (afgezien van eerdergenoemde uitzonderingen). Dit landelijk meldpunt is ondergebracht bij Bodem+. De melding geschiedt bij voorkeur digitaal, via de website www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Zie ook de aandachtspunten voor het invullen van het meldingsformulier in paragraaf 8.1.

8: Bij zintuiglijke afwijkingen tijdens de werkzaamheden: werkzaamheden stilleggen en contact opnemen met het bevoegd gezag. Grond in depot plaatsen en bemonsteren.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

40/41

4e herziening, 25 september 2020

LITERATUUR 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

11. 12. 13. 14. 15.

16. 17. 18. 19.

20. 21. 22.

Besluit bodemkwaliteit; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2007, nr. 469. Regeling bodemkwaliteit; Staatscourant, 20 december 2007. Bodemkwaliteitskaart gemeente Terneuzen, actualisatie 2015; Marmos Bodemmanagement, 19 oktober 2015. Bodemkwaliteitskaart gemeente Hulst, actualisatie 2015, inclusief aanvullingen 2017 + 2019; Marmos Bodemmanagement, 1 december 2019. Bodemkwaliteitskaart gemeente Sluis, actualisatie 2015; Marmos Bodemmanagement, 19 oktober 2015. Bodemkwaliteitskaart PFAS Zeeuws-Vlaanderen; Marmos Bodemmanagement, 25 september 2020. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; Ministerie van VROM en Ministerie van Verkeer en Waterstaat; gepubliceerd via website NEN, 7 september 2007, inclusief wijzigingsblad d.d. 1 januari 2016. Bodemkwaliteitskaart Zeeuwsch-Vlaanderen – beleidsdocument; De Straat Milieu-adviseurs BV, 22 oktober 2004. Bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan in het kader van de Vrijstellingsregeling grondverzet Zeeland Seaports; Marmos Bodemmanagement, 28 november 2005. Besluit van 13 december 2019 tot wijziging van het Besluit bodemkwaliteit in verband met de versnelling van de totstandkomingsprocedure voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid voor PFAS; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2019, nummer 491.

Waterbodemkwaliteitskaart beheergebied waterschap Scheldestromen 2020; Marmos Bodemmanagement, 17 juni 2020. Nota bodembeheer inclusief bodemkwaliteitskaart voor wegbermen in de provincie Zeeland; Marmos Bodemmanagement, 5 augustus 2013. NEN5740, Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; NEN, januari 2009. Evaluatie van het nieuwe stoffenpakket NEN5740 in relatie tot bodemkwaliteitskaarten in Zeeland; Marmos Bodemmanagement, 29 november 2010. Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerde versie van 2 juli 2020), Kamerstukken II, 2019/20, 35334 nr. 116, bijlage bij Kamerbrief van 3 juli 2020. Achtergrondwaarden perfluoralkylstoffen (PFAS) in de Nederlandse landbodem; A. Wintersen et al., RIVM-briefrapport 2020-0100, 2020. Toepassing zout zeezand, geohydrologische aspecten; Royal Haskoning, 21 september 2005, projectnummer 9P5675. Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk; Grontmij 1 september 2007. NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. NOBO-2008-029. Grontmij Nederland BV, 12 september 2008. Vervolgacties aanpak PFAS en aanbieding ringonderzoek PFAS, Kamerstukken II, 2019/20, 35334 nr. 80, Kamerbrief van 15 april 2020.

Overzicht van risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX ten behoeve van een tijdelijk handelingskader voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de landbodem; RIVM, 4 maart 2019. Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid; RIVM rapport 711701053, 2007.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

41/41

4e herziening, 25 september 2020

Marmos . Bodemmanagement

Bijlage 1: Normering Regeling bodemkwaliteit en gebiedsspecifieke LMW

LMW Perkpolder (veerplein) 27 1,2 62 54 0,83 210 39 200 n.v.t. 15 88 6,8 0,04 190

LMW Binnenstad Hulst 27 1,2 62 190 4,8 530 70 720 n.v.t. 35 88 6,8 0,04 190

LMW Hertogin LMW Hedwigepolder Brugse Vaart (*) 27 4,3 62 54 0,83 210 35 720 n.v.t. 15 1,5 1,5 0,02 190 gereserveerd

Normen per stof voor standaardbodem (25% lutum en 10% organische stof), in mg/kgds Bovengrens maximale Achtergrondtoetsingsmaximale waarde Interventieregel stofnaam waarde waarde wonen industrie waarde Arseen 20 27 27 76 76 Cadmium 0,6 1,2 1,2 4,3 13 Chroom 55 62 62 180 180 / 78 Koper 40 54 54 190 190 Kwik 0,15 0,3 0,83 4,8 36 / 4 Lood 50 100 210 530 530 Nikkel 35 70 39 100 100 Zink 140 200 200 720 720 Barium n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. Kobalt 15 30 35 190 190 Molybdeen 1,5 3 88 190 190 PAK (10) 1,5 3 6,8 40 40 som PCB's 0,02 0,04 0,04 0,5 1 minerale olie 190 190 190 500 5000 (*) Gereserveerd Zie hoofdstuk 6 voor herkomstgebied en overige voorwaarden van de verschillende LMW

B C 15 0,4 0,4 0,4 0,007 0,021 50 2 0 15 0,6 0,6 0,2 0,0034 0,0017 50 1 1 10 1 0 50 3 1,5 30 5 0 2 0,28 0 n.v.t. (geen bodemtypecorrectie)

Toetsingsregel achtergrondwaarde (bij 7 t/m 15 parameters): Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan AW, mits niet hoger dan 2 x AW en niet hoger dan maximale waarde voor bodemfunctie wonen (nikkel afwijkende toetsingsregel) Toetsingsregel maximale waarde wonen (bij 7 t/m 15 parameters): Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan maximale waarde wonen, mits niet hoger dan maximale waarde wonen + AW en niet hoger dan maximale waarde voor bodemfunctie industrie

Formule bodemtypecorrectie metalen:

Formule bodemtypecorrectie organische verbindingen:

Gehalte(standaardbodem) = Gehalte(y) / { {A + B x %lutum(y) + C x %humus(y)} / {A + 25 x B + 10 xC} Gehalte(standaardbodem) } = Gehalte(y) x { 10 / %humus(y) }

Bij een percentage lutum of organische stof lager dan 2% wordt een minimumpercentage van 2% gehanteerd. Bij PAK(10) wordt bij een percentage organische stof lager dan 10% geen bodemtypecorrectie toegepast. Voor organische verbindingen wordt bij een percentage organische stof hoger dan 30% een maximumpercentage van 30% gehanteerd.

Normen inclusief wijzigingen Regeling bodemkwaliteit per 1 januari 2014 Interventiewaarden uit Circulaire bodemsanering (Staatscourant 2013, 16675)

29 maart 2019

Voor chroom gelden aparte interventiewaarden voor chroom III en chroom IV Voor kwik gelden aparte interventiewaarden voor anorganisch en organisch kwik

A

Marmos . Bodemmanagement

BIJLAGE 2: GRONDSTROMENMATRIX BODEMBEHEERGEBIED ZEEUWS-VLAANDEREN

Toepassingseis ontvangende bodem volgens bijlage 6A t/m 6C (0-2,0 m-mv)

Achtergrondwaarde

Wonen

Industrie

Voldoet niet aan klasse industrie

Geen kwaliteit vastgesteld

Kwaliteitsklasse zone van herkomst volgens bijlage 4A t/m 4C (0-0,5 m-mv) en bijlage 5A t/m 5C (0,5-2,0 m-mv)

Achtergrondwaarde

JA

NEE

NEE

NEE

NEE

Maximale waarden voor wonen

JA

JA

NEE

NEE

NEE

Maximale waarden voor industrie

JA

JA

JA

NEE

NEE

Toelichting: De grondstromenmatrix geldt alleen voor grondverzet tussen onverdachte locaties. Vraag eerst een gewaarmerkte verklaring bij de gemeente aan om na te gaan of er geen sprake is van een uitzonderingslocatie. Indien er geen sprake is van een uitzonderingslocatie, zoek dan de kwaliteitsklasse op van de zone waar de grond wordt ontgraven: zie bijlage 4A t/m 4C voor de bovengrond (0-0,5 m-mv) danwel bijlage 5A t/m 5C voor de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Zoek in bijlage 6A t/m 6C op welke toepassingseis geldt voor de locatie waar de grond wordt toegepast De toepassingseis uit bijlage 6A t/m 6C geldt alleen voor het dieptetraject 0-2,0 m-mv Dieper dan 2,0 m-mv mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarde. In bovenstaande matrix is af te lezen of vrij grondverzet mogelijk is: - Vrij grondverzet tussen onverdachte locaties is mogelijk in de situaties waarbij bovenstaande tabel "JA" staat. - Voor situaties waarvoor bovenstaande tabel "NEE" vermeldt dient men altijd d.m.v. onderzoek de kwaliteit van de partij hergebruiksgrond te bepalen In hoofdstuk 6 zijn voor enkele gebieden lokale maximale waarden (LMW) vastgesteld. Deze zijn in bovenstaande matrix buiten beschouwing gelaten en dienen afzonderlijk te worden beoordeeld.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

11 januari 2019

Bodemfunctiekaart in het kader van het Besluit bodemkwaliteit Bodemfunctieklasse Wonen Bodemfunctieklasse Industrie overig Wegen met bodemfunctieklasse industrie

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 31-05-2018

BIJLAGE:

3A

Bodemfunctiekaart

PROJECT:

P17-07

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Bodemfunctiekaart in het kader van het Besluit bodemkwaliteit Bodemfunctieklasse Wonen Bodemfunctieklasse Industrie overig Wegen met bodemfunctieklasse industrie

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 31-5-2018

BIJLAGE:

3B

Bodemfunctiekaart

PROJECT:

P18-08

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Bodemfunctiekaart in het kader van het Besluit bodemkwaliteit Bodemfunctieklasse Industrie Bodemfunctieklasse Wonen overig Wegen met bodemfunctieklasse industrie

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 10-11-2015

BIJLAGE:

3C

Bodemfunctiekaart

PROJECT:

P14-08 P14-09 P14-10

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse bovengrond (0-0,5 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 24-01-2018

BIJLAGE:

4A

Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit bovengrond

PROJECT:

P17-07

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst. Terneuzen en Sluis

Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse bovengrond (0-0,5 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 30-09-2015

BIJLAGE:

4B

Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit bovengrond

PROJECT:

P14-08 P14-09 P14-10

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse bovengrond (0-0,5 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 30-09-2015

BIJLAGE:

4C

Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit bovengrond

PROJECT:

P14-08 P14-09 P14-10

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 24-01-2018

BIJLAGE:

5A

Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit ondergrond

PROJECT:

P17-07

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst. Terneuzen en Sluis

Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 29-12-2008

BIJLAGE:

5B

Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit ondergrond

PROJECT:

P14-08 P14-09 P14-10

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Bodemkwaliteitskaart Kwaliteitsklasse ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Achtergrondwaarde Wonen Industrie Voldoet niet aan klasse Industrie Geen kwaliteit vastgesteld

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 30-09-2015

BIJLAGE:

5C

Bodemkwaliteitskaart: Gemiddelde kwaliteit ondergrond

PROJECT:

P14-08 P14-09 P14-10

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Toepassingseis (0 - 2,0 m-mv) Kwaliteitseis voor toepassing van grond en bagger Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde + gebiedsspecifiek beleid v. grondverzet binnen dezelfde zone Maximale waarden voor Wonen Max. wrd. v. Wonen + gebiedsspecifiek beleid v. grondverzet binnen dezelfde zone Maximale waarden voor Wonen (gebiedsspecifiek beleid voor veerplein Perkpolder) Maximale waarden voor Industrie

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 20-02-2019

BIJLAGE:

6A

Toepassingseis voor grond en bagger

PROJECT:

P17-07

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst. Terneuzen en Sluis

Toepassingseis (0 - 2,0 m-mv) Kwaliteitseis voor toepassing van grond en bagger Achtergrondwaarde Maximale waarden voor Wonen Maximale waarden voor Industrie

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 30-09-2015

BIJLAGE:

6B

Toepassingseis voor grond en bagger

PROJECT:

P14-08 P14-09 P14-10

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

Toepassingseis (0 - 2,0 m-mv) Kwaliteitseis voor toepassing van grond en bagger Achtergrondwaarde Maximale waarden voor Wonen Maximale waarden voor Industrie

SCHAAL: 1:75.000

DATUM: 30-09-2015

BIJLAGE:

6C

Toepassingseis voor grond en bagger

PROJECT:

P14-08 P14-09 P14-10

Nota Bodembeheer Zeeuws-Vlaanderen

OPDRACHTGEVER:

Gemeentes Hulst, Terneuzen en Sluis

BIJLAGE 7: RISICOTOOLBOX 7.1

Gebiedsspecifiek beleid en de risicotoolbox

In hoofdstuk 6 van deze Nota bodembeheer is gebiedsspecifiek beleid opgenomen, waarbij voor een aantal gebieden Lokale Maximale Waarden (LMW) zijn vastgelegd. Een voorwaarde voor het vaststellen van LMW is, dat de gevolgen van deze waarden worden beoordeeld met behulp van de risicotoolbox (www.risicotoolbox.nl). Dit instrument is ontwikkeld om te bepalen welke risico’s de LMW met zich mee brengen bij een bepaald terreingebruik. Deze bijlage bevat de uitkomsten van de toepassing van de risicotoolbox. De berekeningen zijn uitgevoerd met versie 1.1.3.4 van de risicotoolbox. In hoofdstuk 6 zijn voor de volgende situaties hogere LMW vastgelegd dan de generieke toepassingseisen: Gebied LMW Voormalig veerplein Perkpolder MaxWONEN voor alle in de bodemkwaliteitskaart opgenomen stoffen, met uitzondering van kobalt Geldt voor het volgende herkomstgebied: Zeeuwsch-Vlaanderen Zone C: Binnenstad Hulst

bij ongevoelig terreingebruik: MaxINDUSTRIE voor koper, kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie 2x Achtergrondwaarde voor nikkel

Zone H: Hertogin Hedwigepolder

Geldt voor het volgende herkomstgebied: Zone C: Binnenstad Hulst MaxINDUSTRIE voor cadmium en zink MaxWONEN voor arseen, chroom, koper, kwik en lood Geldt voor het volgende herkomstgebied: Zone H: Hertogin Hedwigepolder

Brugse Vaart

gereserveerd

De parameters minerale olie en PCB komen niet voor in de risicotoolbox en zijn derhalve in deze bijlage verder buiten beschouwing gelaten. Er is volgens de risicotoolbox sprake van een duurzaam geschikte bodem indien de risico-index lager is dan 1. Bij een hogere risico-index geldt de bodem weliswaar niet als “duurzaam geschikt”, maar daarmee is de bodem nog niet ongeschikt voor het betreffende gebruik.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

1/10

Bijlage 7: risicotoolbox, 29 maart 2019

Of de bodem al of niet (mogelijk) ongeschikt is voor het betreffende gebruik wordt beoordeeld met een ander risicomodel: Sanscrit. In geval van een ernstige bodemverontreiniging dient men met behulp van Sanscrit te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare risico’s waardoor spoedige sanering van de verontreiniging noodzakelijk is. Hiervan is mogelijk sprake, wanneer de risico-index volgens Sanscrit hoger is dan 1.

De volgende paragrafen behandelen de uitkomsten van de risicotoolbox, met onderscheid in ecologische risico’s en humane risico’s. Om een goed referentiekader te bieden worden de resultaten gepresenteerd voor verschillende bodemfuncties. Deze bodemfuncties komen niet allemaal daadwerkelijk voor in de gebieden met LMW.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

2/10

Bijlage 7: risicotoolbox, 29 maart 2019

7.2

Ecologische risico’s volgens de risicotoolbox

Voor de ecologische risico’s rekent de risicotoolbox met 3 verschillende beschermingsniveaus, afhankelijk van de functie van de bodem. Afhankelijk van het beschermingsniveau toetst de risicotoolbox voor de ecologische risico’s van de somparameter van PAK en de metalen uit NEN5740 aan de Achtergrondwaarde, MaxWONEN of MaxINDUSTRIE 1: Bodemfunctie Ecologisch beschermingsniveau Risicogrenswaarde Natuur Hoog Achtergrondwaarde Wonen met tuin Gemiddeld MaxWONEN * Moestuinen/volkstuinen Gemiddeld MaxWONEN * Landbouw zonder boerderij/erf Gemiddeld MaxWONEN Groen met natuurwaarden Gemiddeld MaxWONEN Plaatsen waar kinderen spelen Gemiddeld of MaxWONEN * of Matig MaxINDUSTRIE Ander groen, bebouwing en industrie Matig MaxINDUSTRIE * Voor cadmium en kwik hogere risicogrenswaarden dan MaxWONEN De risico-index wordt in de risicotoolbox als volgt bepaald: Risico-index = LMW / risicogrenswaarde Verder berekent de risicotoolbox de toxische druk op ecosystemen van (mengsels van) stoffen, uitgedrukt in msPAF. De afkorting PAF staat hierbij voor ‘Potentieel Aangetaste Fractie’, en het voorvoegsel ms duidt aan, dat de risico’s een optelsom van het effect van meerdere stoffen zijn. De msPAF geeft een percentage van het aantal organismen waarop de hogere concentraties een merkbaar/meetbaar effect hebben. De ecologische mengselrisico’s zijn buiten beschouwing gelaten.

Deze zijn een optelsom van risico’s voor verschillende stoffen, maar in de praktijk zal de toe te passen grond voor een deel van de stoffen schoner zijn dan de Lokale Maximale Waarden, waardoor de berekening van ecologische mengselrisico’s met alle stoffen tezamen te hoog uit zouden vallen. Voor de zone ‘H: Hertogin Hedwigepolder’ geldt op dit moment een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau. Voor deze zone worden ruimere LMW toegestaan dan de ecologische risicogrenswaarde. Deze LMW zijn beperkt tot hergebruik binnen dezelfde zone. Bij grondverzet wordt een al bestaande verontreiniging over korte afstand verplaatst en wordt binnen het gebied geen extra verontreiniging gecreëerd. Netto leiden de LMW dus niet tot een ecologische verslechtering. Voor de binnenstad van Hulst geldt in het algemeen een matig ecologisch beschermingsniveau. Ook hier wordt bij grondverzet een al bestaande verontreiniging over korte afstand verplaatst en wordt binnen het gebied geen extra verontreiniging gecreëerd. Netto leiden de LMW voor de binnenstad van Hulst dus niet tot een ecologische verslechtering.

[…] gereserveerd Voor het voormalig veerplein Perkpolder zijn de LMW niet hoger dan de ecologische risicogrenswaarde.

1

lood: enigszins afwijkende waarden (540 in plaats van 530 mg/kgds en 214 in plaats van 210 mg.kgds)

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

3/10

Bijlage 7: risicotoolbox, 29 maart 2019

7.3

Humane risico’s volgens de risicotoolbox

7.3.1

Algemeen

De risicotoolbox maakt gebruik van het risicomodel CSOIL. Voor de humane risico’s is in het model CSOIL een maximale blootstellingsdosis vastgelegd, waarbij mensen nog niet ziek worden: het MTR-humaan (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau voor de mens). De mens mag niet meer dan deze dosis in mg per kg lichaamsgewicht per dag ‘binnen krijgen’ van een bepaalde verontreinigende stof (lit. 18). De risico-index is gedefinieerd als: Blootstelling (LMW) / MTR-humaan Bij de humane risico’s is voor het bodemgebruik ‘moestuinen / volkstuinen’ uitgegaan van een gemiddelde gewasconsumptie uit eigen tuin. Dit komt overeen met de consumptie van 50% bladgewassen en 25% knolgewassen uit eigen tuin. In de praktijk is hiervoor een moestuin met een minimale oppervlakte van 100 m2 benodigd (lit. 19). Bij de bodemfunctie ‘wonen met tuin’ rekent het risicomodel met een gewasconsumptie van 10% uit eigen tuin (lit. 19). De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘wonen met tuin’ en ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ zijn voor de humane risico’s identiek. De humane risico’s bij ‘landbouw (zonder boerderijk/erf)’ hebben alleen betrekking op de risico’s voor de agrariër als gevolg van consumptie van gewassen van eigen akker. De Warenwet ziet toe op de voedselveiligheid van landbouwproducten die in de handel worden gebracht.

De uitkomsten voor de bodemfuncties ‘natuur’, ‘groen met natuurwaarden’ en ‘overig groen, bebouwing, industrie’ zijn voor de humane risico’s eveneens identiek.

Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

4/10

Bijlage 7: risicotoolbox, 29 maart 2019

7.3.2

Humane risico’s metalen

In de tabellen op de volgende pagina’s zijn de blootstelling en de bijbehorende risico-index opgenomen [tussen vierkante haken] voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE voor de volgende bodemfuncties: Moestuin / volkstuin (gemiddelde gewasconsumptie) Wonen met tuin (uitkomsten voor terreingebruik ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ zijn voor de humane risico’s identiek) Plaatsen waar kinderen spelen Ander groen, bebouwing en industrie (uitkomsten voor de terreingebruiken ‘natuur’ en ‘groen met natuurwaarden’ zijn voor de humane risico’s identiek) Er is uitgegaan van een standaardbodem (lutum=25%, humus=10%)2. Dit is een worst case benadering, aangezien in alle zones in Zeeuwsch-Vlaanderen de gemiddelde percentages voor lutum en organische stof lager zijn. In het merendeel van de zones zijn de 95-percentielwaarden lager dan voornoemde percentages. De werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE zijn dus lager dan bij een standaardbodem. De blootstelling aan de verschillende stoffen is bij de werkelijke waarden voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE lager dan de in deze bijlage berekende blootstelling. Voor de pH van de bodem zijn geen meetgegevens beschikbaar. Als aanname is een pH-waarde van 6 gehanteerd. Voor de meeste stoffen is de pH niet van invloed op de uitkomsten van de risicotoolbox.

Lood vormt een kritische parameter bij de terreingebruiken ‘moestuin / volkstuin’, ‘wonen met tuin’, ‘landbouw (zonder boerderij/erf)’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’. Bij deze terreingebruiken is de risico-index bij een gehalte van MaxINDUSTRIE hoger dan 1. Dit wordt overigens mede veroorzaakt door de blootstelling aan lood vanuit andere bronnen dan bodem zoals luchtverontreiniging3. De hoge risico-index voor kobalt in onderstaande tabellen wordt veroorzaakt door modelmatige onzekerheden. Voor kobalt is het niet mogelijk om een betrouwbare blootstelling via consumptie van groenten te berekenen (lit. 22). De humaan-toxicologische risicogrens in de landelijke modellen is hierdoor onzeker en conservatief. In de landelijke normstelling is voor kobalt alleen uitgegaan van ecologie en zijn vanwege de modelmatige onzekerheden humane risico’s buiten beschouwing gelaten. De risicotoolbox berekent echter wel een blootstelling op basis van onzekere, conservatieve aannames over blootstelling via gewasconsumptie. Verder zou molybdeen een kritische parameter kunnen zijn bij de bodemfunctie ‘moestuin / volkstuin’, maar gehaltes molybdeen boven MaxWONEN worden in de praktijk niet aangetroffen. Meestal wordt in Zeeuwsch-Vlaanderen voor molybdeen geen gehalte boven de detectiegrens aangetoond.

2

Voor de humane risico’s van de metalen zijn de uitkomsten in het algemeen niet afhankelijk van de ingevoerde waarden voor lutum en humus 3 De risicotoolbox rekent ook de blootstelling vanuit andere verontreinigingsbronnen mee Nota bodembeheer landbodem Zeeuws-Vlaanderen

5/10

Bijlage 7: risicotoolbox, 29 maart 2019

Blootstelling in mg/kg lg/dag voor MaxWONEN en MaxINDUSTRIE (standaardbodem) [Tussen vierkante haken is de risico-index weergegeven] Bodemfunctie: MaxWONEN Blootstelling MaxINDUSTRIE (mg/kgds) (mg/kg lg/dag) (mg/kgds) - Moestuin / volkstuin Arseen 27 1,14 x 10-4 76 [index 0,16] Cadmium 1,2 1,14 x 10-4 4,3 [index 0,41] Chroom (III) 62 2,59 x 10-4 180 [index 0,06] Koper 54 0,00388 190 [index 0,04] Kwik 0,83 8,02 x 10-5 4,8 [index 0,04] Lood 210 0,00322 530 [index 1,79] Nikkel 39 0,00161 100 [index 0,04] Zink 200 0,0137 720 [index 0,05] 190 Kobalt 35 0,0172 [index 15,66] Molybdeen 88 0,00497 190 [index 0,83] Bodemfunctie: - Wonen met tuin Arseen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9598118/2