2026-02-25 - ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet incl bijlagen (geanonimiseerd)
Tekst van het document
verlichtingvan sportvelden , _bedrijfsterreinen , _ reclameverlichting , kassen of evenementen.
—
Gemeenten
verantwoordelijk voor het stellen van regels over lichthinder in hun omgevingsplan. Bij vergunningverlening voor lichtbronnen (zoals sportverlichting of kassen) moet rekening gehouden worden met: — — —
zijn
primair
_omgevingswaarden voor duisternis (indien vastgesteld) , hinder voor omwonenden , _ bescherming van de natuur (bijv. nachtdieren of natuurgebieden).
harde landelijke grenswaarden voor lichthinder. Gemeenten kunnen aansluiten bij zoals die van de Voor richtlijnen , NSVV(Nederlandse Stichting Verlichtingskunde). Lichthinder wordt beoordeeld als onderdeel van een bredere belangenafweging: milieubelasting tegenover economische of maatschappelijke functies. Er
zijn geen
Conclusie
plangebied ligt niet in een natuurgebied of tegen een natuurgebied aan. glasoppervlak t. o. v. de totale schil van het gebouw. De beoogde ontwikkeling zorgt Het aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het
ETFAL
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
Er is relatief weinig niet voor lichthinder.
22
B & ADVIES
4. 9 Luchtkwaliteit Initiatieven dienen getoetst
gemonitord te worden ten aanzien van de luchtkwaliteit en vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of
en
de
achtergrondconcentratie is zo hoog , dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten , als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat , die leiden tot gebruik van wegen , vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5. 51 van het Bkl. Als een initiatief voldoet aan artikel 5. 54 “standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit” hoeft er geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 12, ug/m? of minder als bedoeld in artikel 5. 53 voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van: a.
gebouwen
nevengebruiksfuncties daarvan , met: één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 100. 000 m2; of twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte ten hoogste 200. 000 m2;
1. 2.
met een
kantoorfunctie
en
van
b. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan , met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1. 500 woningen; of 2.
twee
ontsluitingswegen:
gebouwen nevengebruiksfuncties
c.
zowel
1.
met
ten een
hoogste
3. 000
kantoorfunctie
woningen; als
gebouwen
met
een
woonfunctie
en
die gebruiksfuncties , met:
van
één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 00008 en een bruto-vloeroppervlakte van , kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0000012 dat , of samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 12; , twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-
2.
vloeroppervlakte
van
kantoorfuncties;
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling zal niet in hoofdzaak geen extra verkeersbewegingen met zich Toch is ervoor gekozen om een berekening te maken voor het geval dat in toekomst toch meebrengen. sprake zal zijn van verkeersbewegingen. Er is geen sprake van een verhoging die een overschrijding veroorzaakt. Verder Onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig. Worst-case
berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit , GCN2023 Jaar van
Extra verkeer als gevolg van het plan
planrealisatie
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
Maximale
bijdrage
Aandeel vrachtverkeer NO , in pg/m’
extra verkeer
Grens voor " Niet In Betekenende
Mate” in ug/m*
Afbeelding
bijdrage
15 ,
berekening
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
extra
PMo in pg/m?”
verklue en chtekwalrite it
4. 10 Natuur 4. 10. 1 Flora & Fauna
Onder de Omgevingswet (vanaf 1 januari 2024) zijn natuur , ecologie en soortenbescherming niet meer in een aparte Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld , maar geïntegreerd in het stelsel van de Omgevingswet. Hieronder zijn de kernpunten weergeven: 1. Integratie van natuur in de Omgevingswet De oude Wet natuurbescherming (met regels over soorten , gebieden en houtopstanden) is opgegaan in de Omgevingswet. De inhoudelijke regels staan nu in het “Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)” en
het “Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)”. 2.
a)
Hoofdonderdelen Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn juridisch beschermd. Voor activiteiten die significante effecten kunnen hebben op Natura 2000 , is een natuurtoestemming(onderdeel van de omgevingsvergunning) verplicht. Beoordeling gebeurt via een passende beoordeling conform de Europese Habitatrichtlijn.
Het plangebied ligt niet binnen een natuur- of groengebied met een beschermde status , zoals Natura 2000 , en maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie afbeelding 16. Uit het Natuurbeheerplan blijkt dat zich in of direct rond het plangebied geen beschermde landschapselementen bevinden. De dichtstbijzijnde natuurgebieden – Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe en het meest nabije NNN-gebied – liggen op circa 200m afstand.
Afbeelding 16 , uitsnede kaart Natuurnetwerk(bron:geoweb)
Omdat het plangebied buiten beschermde natuurgebieden ligt , zijn directe effecten zoals areaalverlies of versnippering uitgesloten. Gezien de stedelijke ligging en de afstand tot de natuurgebieden zijn ook verstoring en wijzigingen in de waterhuishouding niet aan de orde. Het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe is wel gevoelig voor stikstofdepositie , maar de voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen extra verkeersbewegingen en de nieuwe bebouwing wordt niet verwarmd. Extra stikstofuitstoot is daarmee uitgesloten. Daarom kan worden geconcludeerd dat significante negatieve effecten op beschermde natuurgebieden niet optreden. Zie paragraaf 4. 10. 2
de stikstofberekeningen.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
24
b)
Soortenbescherming Bescherming van inheemse dieren en planten (vogels , vleermuizen , amfibieën , etc. ). Verbod op verstoren , doden , vernielen van verblijfplaatsen/nesten. Mogelijkheid tot ontheffing bij ruimtelijke ingrepen , mits: 1. Er geen alternatief is , 2. Er een dwingende reden van groot openbaar belang is , 3. Er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding.
De beoogde
ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bedrijfsgebouw en daar omheen een verharding. De beoogde uitbreiding vindt grotendeels plaats op agrarische gronden. De volgende werkzaamheden zijn beoogd: bouwrijp maken van het terrein. aan de noordzijde van de buitenopslag wordt de aanwezige inpassing in de winter verwijderd. er is geen sprake van sloopactiviteiten. Het plangebied bestaat uit intensief beheerde agrarische gronden en biedt daardoor beperkt leefgebied voor beschermde soorten. Roofvogels kunnen het terrein incidenteel als jachtgebied gebruiken , maar door voldoende vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving zijn negatieve effecten op deze soortgroep uit te sluiten. Het terrein kan mogelijk voorkomen voor akkervogels zoals fazant en patrijs , terwijl weidevogels door de nabijheid van bebouwing niet worden verwacht. Voor algemene zoogdieren , zoals konijn en veldmuis , kan het gebied enige waarde hebben. Beschermde zoogdiersoorten , waaronder veldspitsmuis , bosmuis en rosse woelmuis , komen hier niet voor; deze soorten zijn afhankelijk van
natuurgebieden zoals Braakman of bosrijke gebieden.
Beschermde amfibieën en reptielen worden niet verwacht; mogelijk zijn alleen algemeen voorkomende soorten aanwezig , zoals gewone pad en bruine kikker. Het terrein is niet geschikt voor vleermuizen door het ontbreken van opgaande vegetatie en bebouwing. Ten slotte kan door het intensieve agrarische gebruik en jarenlange bemesting de aanwezigheid van beschermde flora worden uitgesloten. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering.
of op
4. 10. 2 Stikstofberekening
Door DKConsultancy is een stikstofberekening met daarbij een memo opgesteld. Zie bijlage 4. Voor de nieuwbouw van de machine-opslaghal (circa 2. 400 m²) is de stikstofdepositie beoordeeld voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase , conform de Omgevingswet en met behulp van AERIUS Calculator.
Realisatiefase In de realisatiefase is sprake van een tijdelijke inzet van diesel- en benzineaangedreven bouwmaterieel , waaronder een graafmachine , kniklader , hoogwerker , telekraan en een hybride Spieringskraan. De werkzaamheden bestaan uit grondwerk , funderingswerkzaamheden , het plaatsen van betonplinten en staalconstructie , montage van dak- en gevelbeplating , het inhijsen van bovenloopkranen en de aanleg van verhardingen. De stikstofemissie is tijdelijk van aard en beperkt in omvang. De hoogste berekende stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe bedraagt maximaal 002, mol N/ha/jaar. Deze bijdrage treedt op in een zeer beperkt aantal hexagonen en is beoordeeld als ecologisch
verwaarloosbaar.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
25
Gebruiksfase In de gebruiksfase vindt geen structurele stikstofemissie plaats. Het gebouw wordt uitsluitend gebruikt als opslagruimte. Er zijn geen gasgestookte installaties voorzien en het gebruik leidt niet tot extra verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Daarmee is sprake van nul-emissie van NOx en NH₃ in de gebruiksfase. Conclusie De berekende stikstofdepositie bedraagt maximaal 002mol , N/ha/jaar en ligt ruim onder de grenswaarde van 00, 3mol N/ha/jaar waaronder ecologische doorwerking is uitgesloten. De NDA Westerschelde & Saeftinghe geeft aan dat stikstof voor deze habitattypen geen bepalende drukfactor vormt; met name hydrologie en morfologische dynamiek zijn dominant. De bouwsector levert sinds 2020 geen structurele bijdrage meer aan stikstofdepositie. De achtergrondbelasting wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door landbouw , scheepvaart en industrie , terwijl ongeveer 56-57 % van de totale depositie uit het buitenland afkomstig is. De stikstofbijdrage als gevolg van het project is beperkt tot een tijdelijke en zeer geringe bijdrage in de realisatiefase. De gebruiksfase is emissievrij.
Op basis van de berekeningen en de ecologische duiding kan worden geconcludeerd dat het project geen significante negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe en dat sprake is van een aanvaardbare en zorgvuldig onderbouwde ontwikkeling.
4. 11 Omgevingsveiligheid
Veiligheid kan te maken hebben met de omgang met risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Daarnaast kan het onderdeel veiligheid betrekking hebben op verkeers- en/of waterveiligheid. Wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt die leidt tot verkeersgeneratie en/of ingrepen aan de infrastructuur. Of wordt een ontwikkeling met gevolgen voor de waterveiligheid mogelijk gemaakt , dan moet ook onderbouwd worden hoe hiermee omgegaan wordt. Veiligheid kan ook te maken hebben met omgevingsveiligheid. Op basis van artikel 1. 3 Omgevingswet is het creëren en in stand houden van een veilige leefomgeving een belangrijk onderdeel van het maatschappelijk doel van de wet. De bedrijfsactiviteiten en het gebruik van de infrastructuur kunnen leiden tot risico’s. De initiatiefnemer moet onderzoeken of er sprake is van risico’s op/nabij de locatie van de ontwikkeling. Zo ja , dan moet men motiveren hoe met deze risico’s om wordt gegaan. Daarnaast moet men toelichten of het initiatief risico’s toevoegt. Zo ja , dan moet ook dat worden gemotiveerd en hoe onevenredige effecten op de omgeving voorkomen worden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de regels over het waarborgen van de veiligheid opgenomen in paragraaf 5. 1 Een instrument bij het onderzoeken naar de externe veiligheid is de atlasleefomgeving.
4. 11. 1 Inrichtingen
Afbeelding 17 op pagina 27 geeft een weergave van inrichtingen en Pr-contouren. Hierop staan alle PR=10-6 contouren , brand- en explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden met een afkap van 1500 meter van alle risicobronnen in de omgeving van de uitbreiding. De volgende conclusie kan worden getrokken: de uitbreiding wordt aangemerkt als beperkt kwetsbaar gebouw niet binnen PR=10-6 de uitbreiding contouren en brand- , explosie- en gifwolkaandachtsgebieden van derden ligt.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
26
-
de uitbreiding binnen het brand- en explosieaandachtsgebied van Pladdet ligt , vanwege de propaaninstallatie , maar dat die niet van toepassing zijn op Pladdet. (Voor eigen installatieonderdelen gelden de PR=10-6 contour en aandachtsgebieden namelijk niet).
Het plangebied ligt in de aandachtsgebieden van deze inrichtingen. Deze inrichtingen zijn Katoen Natie Westerschelde , Bertschi , DOW , Maschem en Oiltanking Terneuzen. Zie afbeelding 17. Er moet in dit geval worden ingegaan op de gevolgen van het voorgenomen besluit voor de bestrijdbaarheid bij een ramp en de zelfredzaamheid van de bevolking. Zie paragraaf 4. 12. 3 voor de verantwoording. Wat wel voor Pladdet geldt is dat ze de veiligheidsafstanden uit de PGS 15 tussen de uitbreiding en de propaaninstallatie (tank , afleverpunt en vulpunt/opstelplaats tankauto) in acht moeten nemen.
Afbeelding 17 Plaatsgebonden risicocontouren en transportroutes(bron:www. atlasleefomgeving. nl)
4. 11. 2 Transportroutes gevaarlijke stoffen
Onder de Omgevingswet wordt het aspect externe veiligheid ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen gereguleerd via het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarbij wordt onder meer gekeken naar de ligging van een plangebied ten opzichte van transportroutes voor gevaarlijke stoffen en de bijbehorende risicocontouren voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de Westerschelde , waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt via de internationale scheepvaart. De Westerschelde is een internationale vaarroute en valt onder het beheer van de Internationale Scheldecommissie , die verantwoordelijk is voor het monitoren en borgen van de veiligheidssituatie op en rond de vaarweg. Dit gebeurt buiten het kader van het voormalige Basisnet Water. Uit eerder uitgevoerd onderzoek (Det Norske Veritas–QRQ Westerschelde) blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour (PR 10⁻⁶) in alle gevallen op of direct boven de vaarweg is gelegen. Buiten de vaarweg is er derhalve geen sprake van een overschrijding van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Tevens blijkt dat het groepsrisico als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Zie afbeelding 18 op de volgende pagina.
In het onderhavige geval is het plangebied gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van de vaarweg , waardoor het buiten het relevante aandachtsgebied voor calamiteiten met gevaarlijke stoffen ligt. Gezien deze afstand is de bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar en is een nadere verantwoording niet noodzakelijk.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
27
Afbeelding 18 Plaatsgebonden risicocontouren voor de Westerschelde voor het prognosejaar 2030
4. 11. 3 Beperkte verantwoording groepsrisico
Groepsrisicoverantwoording is niet nodig. De uitbreiding ligt immers niet binnen aandachtsgebieden. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect veiligheid geen beperkingen voor het initiatief heeft. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect veiligheid geen beperkingen stelt aan de voorgenomen uitbreiding en dat sprake is van een aanvaardbare en verantwoorde externe veiligheidssituatie.
4. 11. 4 NGE Niet Gesprongen Conventionele Explosieven
Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog het Historisch Vooronderzoek met NGE-Risicokaart van REASeuro , kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. De bedoelde locatie valt in relatie tot NGE in een aangemerkt risicogebied. Het gebied in/rondom Biervliet is als conflictzone gedefinieerd en afgebakend als NGE-risicogebied. Dit wil zeggen dat -- in eerste instantie -- rekening dient te worden gehouden met achtergebleven munitie. In 1944 hebben bij de bevrijding van Biervliet en omgeving namelijk zware grondgevechten en artilleriebeschietingen plaatsgevonden. E. e. a. door geallieerde eenheden en door Duits (kust-)geschut. Veel opstallen hebben daarbij schade opgelopen en er werd na de oorlog nog relatief veel munitie gevonden; klein kaliber munitie (KKM) , hand- en geweergranaten , munitie voor granaatwerpers en geschutsmunitie van 2-15 cm zijn aangetroffen. Een aantal munitievondsten is in de omgeving door de EOD opgehaald/geruimd. Ook is in de omgeving sprake van (vermoedelijke) dumplocaties. In dit geval zou de omschreven en naar verwachting kleine munitie zich op , of juist onder de oppervlakte kunnen bevinden. De beoogde ontwikkellocatie is voor/na de Tweede Wereldoorlog tot heden als landbouwgrond in gebruik , met enige grondroering/-verzet aan de oppervlakte tot gevolg.
Grotere oorlogsrestanten zouden redelijkerwijs al zijn opgemerkt. Het aantreffen van munitie is niet ondenkbaar , maar de trefkans is wel klein.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
28
RFASeyro
NGE-Risicokaart
Gemeente
Terneuzen
NGE-Risicokaart deelgebied
Afbeelding 19 uitsnede
HTM > NGE-Risicokaart , (bron:REASeuro)
Conclusie Verder onderzoek
naar
Ke
ast
va
OOG
Horen
«B
1
B
conventionele explosieven is voor het verlenen van de Ter omgevingsvergunning nodig. plaatse , zéker in geval van grondverzet , is/blijft oplettendheid raadzaam. In geval er alsnog munitie wordt aangetroffen , wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol “Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog”. Het aspect explosieven vormt voor de beoogde ontwikkeling geen belemmering.
niet-gesprongen
niet
ETFAL
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
25
B & ADVIES
4. 12
Verkeersgeneratie , -afwikkeling & parkeren
uitbreiding aan de Paulinaweg 6 betreft de realisatie van een opslagloods ten behoeve van bestaande bedrijfsactiviteiten. De loods heeft geen kantoorfunctie , geen publieksfunctie en geen verblijfsruimten. De functie is uitsluitend gericht op het intern opslaan van kranen , graafmachines en bijbehorende De
onderdelen.
beoordeling is aansluiting gezocht bij de kengetallen uit CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie). Opslagfuncties vallen in deze publicatie onder de categorie bedrijf/industrie , opslag/logistiek(zonder detailhandel en zonder personeelsintensieve functies). De verkeersgeneratie hiervan is beperkt en wordt met name veroorzaakt door bedrijfsmatig vervoer (intern transport , sporadisch aan- en afvoer en eigen bedrijfsvoertuigen). Voor
de verkeerskundige
Gelet op: het ontbreken van een kantoor- of publieksfunctie; hetfeit dat sprake is van een uitbreiding op een bestaande bedrijfslocatie; de geringe personeelsaanwezigeid in de loods; _en het gebruik als opslagruimte , wordt de toename zeer beperkt geacht en kan op basis van CROW-kengetallen worden uitgegaan van maximaal 5 tot 10 extra voertuigbewegingen per werkdag (mvt/etmaal). Dit betreft voornamelijk eigen bedrijfsverkeer en incidentele logistieke bewegingen. — — — —
In relatie tot de
de Paulinaweg , een weg in het buitengebied die is ingericht op landbouwen bedrijfsverkeer , toename verwaarloosbaar en leidt deze niet tot capaciteitsproblemen of verslechtering van de verkeersveiligheid. Van knelpunten is ook historisch gezien geen sprake.
capaciteit
van
is deze
Het is aannemelijk dat het Waterschap Scheldestromen in het kader van de benodigde vergunningverlening de bereikbaarheid en verkeerssituatie betrokken heeft bij haar beoordeling en heeft hierin geen belemmeringen gezien voor de uitvoering van het plan. In de overwegingen van de vergunning staat expliciet vermeld: De verkeersveiligheid komt door uitvoering van hierboven genoemde zaken niet in het geding en de werkzaamheden passen binnen het beleid. Dit ondersteunt de conclusie dat het initiatief verkeerskundig aanvaardbaar is.
Op
het
eigen
perceel
is voldoende
in de parkeerbehoefte voor om te voorzien bestaande inrit medewerkers , bedrijfsvoertuigen. blijft ongewijzigd in gebruik en er wordt geen nieuwe ontsluiting gerealiseerd. Parkeren op de openbare weg is niet aan de orde.
bezoekers
ruimte
aanwezig De
en
Conclusie
uitbreiding met een opslagloods leidt slechts tot een zeer beperkte toename van verkeersbewegingen (maximaal circa 5-10 mvt/etmaal) , welke ruimschoots binnen de beschikbare wegcapaciteit valt. De verkeersafwikkeling en parkeersituatie blijven hiermee aanvaardbaar en vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De
4. 13
Trilling
Trillingen is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw , die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in Het
onderdeel
de tabellen
in artikel 22. 88
en 5. 87a
van
de Bruidsschat.
Conclusie Het
aspect trilling is niet relevant
ETFAL
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
voor
het realiseren van de beoogde
ontwikkeling. 0
B & ADVIES
4. 14
Water
Onder de Omgevingswet kunnen waterschap , provincie en gemeente beleid maken dat betrekking heeft Het in de Waterschapsverordening beleid van het waterschap wordt vertaald op water. Scheldestromen. De Waterschapsverordening bevat de doelen en maatregelen voor de watersystemen die door het Waterschap Scheldestromen gesteld worden. In het
regionaal waterbeheerprogramma beschrijft de provincie het provinciaal waterbeleid voor de Het en _water-winlocaties. regionale oppervlaktewateren , grondwaterlichamen regionaal waterbeheerprogramma kan ook de grondslag voor instructieregels over de omgang met water in het Omgevingsplan bevatten. Bij alle ontwikkelingen moet gemotiveerd worden hoe rekening wordt gehouden met het beleid van waterschap , provincie en gemeente. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt in artikel 5. 38 dat het toelaten van nieuwe activiteiten slechts mogelijk is als er geen belemmeringen voor een primaire waterkering ontstaan. Wordt voorzien in een ontwikkeling op/nabij een primaire waterkering , dan is het opstellen van een onderbouwing nodig. Het Waterschap bepaalt wat er op/nabij de primaire en regionale waterkeringen wel en niet toegestaan is.
Bij een initiatief wat te maken heeft met water
de waterbeheerder betrokken voor er een onderbouwing opgesteld te worden. Deze ‘weging van het waterbelang’ (voorheen de watertoets) omvat een onderbouwing op welke wijze met de verschillende wateraspecten wordt omgegaan en op welke wijze de wettelijke regelingen en instructieregels worden gerespecteerd , alsmede welke afwegingen er zijn gemaakt. worden
het waterbelang.
En dient
en
watersystemen
moet
omgevingsverordening van de provincie zijn ook omgevingswaarden en instructieregels met betrekking tot water (veiligheid van waterkeringen en waterkwantiteit) gesteld. In het initiatief moet gemotiveerd worden hoe aan deze omgevingswaarden en instructieregels voldaan is. n
de
Thema
en
water(schaps)doelstelling
Veiligheid waterkering Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen en de daarvoor benodigde ruimte.
Uitwerking water
| De voorgenomen ontwikkeling ligt niet binnen beschermingszones. wordt
2400m?
Wateroverlast
aangebracht
in
(vanuit oppervlaktewater)
Daarnaast
wordt
verhard
Er
Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende
situatie(s) ruimte water.
te voorkomen.
voor
vasthouden
Het
plan biedt voldoende / bergen / afvoeren van
de
aan vorm
rekening
verhard van
een
oppervlakte gebouw.
gehouden
van
een
oppervlak rondom het gebouw van ca. 1600m?. Waterschap Scheldestromen heeft een vergunning verleend voor het bouwen binnen de slootzone. Daarbij is niets opgenomen over een Deze wordt wel toegepast. extra waterberging. Verdere uitwerking zal in een andere aanvraag aanbod komen met Waterschap.
Watervoorziening / -aanvoer
functie van (gronden/of oppervlakte) water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. Het
ETFAL
voorzien
van
de bestaande
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
de
Er is geen
sprake
van
vuilwater aansluiting.
dl
ADVIES
Volksgezondheid (water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/risico’s via o. a. de daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling Voorkomen
die (extra)
van maatregelen maaiveldsdalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Grondwateroverlast
Tegengaan / verhelpen
van
grondwateroverlast.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het
Geen
consequenties
Het
plangebied
voor
de volksgezondheid
onderhevig
is niet
aan
zettingen.
In
de toekomst te zijn geen bodemdalingen verwachten. De gebouwen staan immers al jaren binnen het plangebied en zijn niet verzakt. Er is geen
sprake
Er is geen
oppervlaktewater binnen het plangebied
van
grondwateroverlast.
aanwezig.
watersysteem. Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit.
Verdroging (Natuur) Bescherming karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; van belang rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone. Natte
Het grondwater gaat niet achteruit in kwaliteit. situatie wijzigt niet. Hemelwater wordt geloosd
de aanwezige Er is geen in en
nauwelijks
De
natuur
Ontwikkeling/Bescherming rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. van een
Onderhoud
waterlopen Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden kunnen worden.
oppervlaktewater.
sprake
van
verdroging.
beoogde ontwikkeling zorgt
effecten
eventuele
op
aanwezige
natte
in
De situatie
niet voor
de
nabije
De
op
wijzigt
(negatieve) omgeving
natuur.
In de bestaande situatie is sprake van voldoende ruimte voor onderhoud. In de nieuwe situatie is daar ook sprake van. De afstand tussen de watergang en het gebouw is ruim voldoende.
Waterschapswegen
De situatie wijzigt niet. De bestaande inrit wordt Goede bereikbaarheid en in stand houden van gebruikt voor de ontsluiting van het nieuwe gebouw. wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap. Conclusie Waterschap Scheldestromen heeft op 28 mei 2025 de vergunning verleend voor het bouwen langs de waterloop. Zie bijlage 5. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige effecten op de waterhuishouding en vormt geen belemmering voor de eigendommen van de waterbeheerder.
4. 15
Gezondheid
Onder
de
Omgevingswet is gezondheid een belangrijk en integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij om zowel het beschermen als het bevorderen van de gezondheid van mensen. De kernpunten die daaruit zijn te filteren zijn: 1. Brede definitie van gezondheid Niet alleen het voorkomen van ziekten
gezonde
(zoals door luchtverontreiniging of geluid) , maar ook het leefstijl , bijvoorbeeld door ruimte voor bewegen , natuur , en sociale
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
s
bevorderen
van
een
interactie.
ETFAL
2. Afwegingsruimte voor decentrale overheden Gemeenten en provincies moeten in hun omgevingsvisies en -plannen gezondheid. Ze hebben ruimte om lokaal in te vullen hoe ze dit doen. 3. Gezondheid als belangenafweging bij besluiten Bij vergunningverlening en planvorming moet gezondheid worden milieu , veiligheid of economie.
rekening houden
meegewogen
met
als belang , net als
4. Samenhangend beleid (integraal) De wet stimuleert samenwerking tussen domeinen zoals ruimtelijke ordening , milieu , mobiliteit en zorg , om zo een gezonde leefomgeving te bevorderen.
Conclusie Onder de Omgevingswet is gezondheid een centraal en breed opgevat aspect. Overheden moeten er actief rekening mee houden in beleid en besluiten , met aandacht voor zowel bescherming tegen risico’s(zoals luchtkwaliteit , geluid , geur) als voor het bevorderen van positieve gezondheid (zoals groen , beweging en sociale verbinding). Gezien de voorgaande paragrafen kan worden gesteld dat qua gezondheid er geen gevolgen zullen ontstaan voor de omgeving of in de buurt gelegen woningen en bewoners. Het aspect gezondheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4. 16 m. e. r. -beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m. e. r) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16. 34 , tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma , als bedoeld in artikel 2 , onder a , van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling) , in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie , een programma , een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Een milieueffectrapportage (m. e. r. )-beoordeling is verplicht voor bepaalde activiteiten die mogelijk belangrijke gevolgen hebben voor het milieu. Dit is geregeld in het Besluit m. e. r. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: -
C-lijst (altijd m. e. r. -plichtig). D-lijst(m. e. r. -beoordelingsplichtig als een drempel wordt overschreden).
Opslagloods voor kranen/graafmachines en onderdelen 2400m². Activiteit: dit is een opslag-/bedrijfsloods voor materieel en onderdelen. In het Besluit m. e. r. gaat het bij dit soort activiteiten meestal om industrie , logistiek of opslag. De relevante categorie is o. a. : o D 11. 2: Industrieterrein , aanleg , wijziging of uitbreiding van een industrieterrein groter dan 75ha. o D 18. 1: Opslaginstallaties (bijvoorbeeld voor olie , chemicaliën of gevaarlijke stoffen) , drempelwaarden afhankelijk van volume en gevaar. Een gewone
omdat: -
opslagloods voor machines/onderdelen van 2400m² valt niet onder deze categorieën ,
Het geen nieuwe industrieterreinontwikkeling > 75ha betreft. Het geen opslag van gevaarlijke stoffen betreft , maar van machines/onderdelen.
Drempelwaarden -
Voor m. e. r. -beoordeling gaat het bij opslagloodsen pas spelen bij zeer grote oppervlakten of
gevaarlijke stoffen.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
33
-
2400m² (0< 25ha) , is ruim onder alle drempels.
Conclusie Onderzocht moet worden of sprake is van aanzienlijke milieueffecten door de kenmerken van het plan , de locatie en soort en kenmerken van de milieueffecten. Gelet op de toetsing aan de diverse milieueffecten in voorliggende paragrafen is hier geen sprake van. Voor de bouw van een opslagloods van 2400m² voor kranen , graafmachines en onderdelen in het buitengebied van Terneuzen geldt dat er géén m. e. r. -(beoordelings)plicht volgens het Besluit m. e. r. is.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
34
ADVIES
5. Participatie 5. 1 Communicatie Ten
behoeve
het vaststellen van het Omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning doorloopt de gemeente Terneuzen niet alleen de uniforme uitgebreide voorbereidingsprocedure (3. 4 Awb) , waarin overheden en belangenorganisaties geraadpleegd worden en belanghebbenden de gelegenheid krijgen om zienswijzen in te dienen. Ook kan in overleg met de aanvrager besloten worden om
een
van
reguliere procedure
dit initiatief is gekozen
doorlopen.
te
de uitgebreide omgevingsprocedure met een verzwaard adviesrecht van de gemeenteraad. Dit betekent dat de besluitvorming niet plaatsvindt via de reguliere procedure , maar via een zorgvuldig en transparant traject waarbij een ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd en belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld zienswijzen in te dienen. Deze procedure wordt toegepast bij initiatieven die planologisch , maatschappelijk of bestuurlijk als gevoelig worden aangemerkt en waarvoor een bredere belangenafweging noodzakelijk is. Voor
voor
procedure is sprake van een verhoogd niveau van bestuurlijke zorgvuldigheid legitimatie. Het initiatief wordt niet alleen ambtelijk en juridisch getoetst , maar ook een politiek-bestuurlijk afgewogen , waarbij de gemeenteraad wezenlijke rol vervult in de besluitvorming. Door
toepassing
en
democratische
5. 2
Informeren
van
deze
directe
omwonenden/belanghebbenden
de participatie worden verschillende partijen en belanghebbenden op en rondom het plangebied gevraagd input te leveren ten behoeve van het plan. De eigenaren/bewoners van Paulinaweg 2a , 4 en 12 zijn persoonlijk op de hoogte gesteld van de beoogde ontwikkeling. Ze hebben allemaal een verklaring getekend niet tegen de beoogde ontwikkeling te zijn. Zie bijlage 6 voor de verklaringen. Daarnaast is er overleg met de provincie Zeeland en Waterschap Scheldestromen geweest. In overleg met de provincie en de gemeente Terneuzen is een aangepast landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Voor
ETFAL
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
a
ADVIES
6. Financiële
haalbaarheid
6. 1. Procedurele
kosten
De
omgevingsvergunning vergunning zijn dan ook
initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de via zullen een overeenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Hiermee zijn de procedure kosten voor de gemeente afgedekt.
6. 2 De
Economische
wordt
op particulier
uitvoerbaarheid het perceel zijn financieel draagkrachtig genoeg
eigenaren van beoogde vergunning is dan ook economisch
ETFAL
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
om
te voorzien
in de
kosten.
De
uitvoerbaar.
50
7. Conclusie evenwichtige
toedeling van functies
De voorgenomen uitbreiding van het bedrijf met een opslagloods vormt een zorgvuldig onderbouwde ontwikkeling die past binnen de kaders van de Omgevingswet en bijdraagt aan een toekomstbestendige groei van het bedrijf en zonder aantasting van de leefomgeving. Uit de integrale beoordeling blijkt dat: -
-
Beperkingsgebieden niet worden geraakt en de bestaande planologische situatie van omringende percelen gehandhaafd blijft; De afstand tot nabijgelegen agrarische bedrijven en gevoelige functies(woningen ect. ) niet wijzigt , en de milieubelasting (geluid , geur , lichthinder , trilling) gelijk blijft aan de bestaande situatie; Er geen
verslechtering optreedt in de thema's luchtkwaliteit , bodemgesteldheid , waterhuishouding of natuurwaarden; De toevoeging van een opslagloods heeft geen negatief effect heeft op omgevingsveiligheid of de gezondheid van omwonenden; Er geen aanvullende belasting ontstaat op het gebied van verkeer en parkeren; Het landschap niet wordt aangetast en er geen sprake is van cultuurhistorische waarden. Er sprake is van aanvullende landschappelijke waarden door de verevening van het perceel Scheldedijk 7 erbij te betrekken.
Gezien het voorgaande is sprake van een verantwoorde
ontwikkeling.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
,
ruimtelijk en milieutechnisch aanvaardbare
37
8. Voorstel voor het opnemen
van
het initiatief in het omgevingsplan
De beoogde ontwikkeling is strijdig met het bestemmingsplan/omgevingsplan omdat er geen sprake is van een bouwvlak met hoogte maatvoeringen en bestemmingsomschrijving. Bij het opstellen van een omgevingsplan waarin de locatie wordt opgenomen dient aan het bouwvlak de maatvoeringen en de bestemming te worden toegevoegd.
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
38
Bijlagen Bijlage 1 Situaties en tekeningen Bijlage 2 Landschappelijke inpassing Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 Stikstofberekening Bijlage 5 Vergunningen Waterschap Scheldestromen Bijlage 6 Participatie Bijlage 7 Besluitvlak
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
39
270 0 5Ogme Bijlage 1
Situatie
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
en
Tekeningen
n
Bijlage 2
Landschappelijke inpassing
ETFAL Paulinaweg 6-10 Biervliet
Landschappelijke Uitbreiding Paulineweg
inpassing 6-10 Biervliet
ADVIES
Datum: 21
januari
2026
Versie:
Auteur:
(geanonimiseerd) B&RO
Advies
|| Etty
Hillesumstraat 39
|| 4335 SB Middelburg || Tel:
+31
(geanonimiseerd)
|| E-mail: info@benroadvies.nl
© B&RO ADVIES Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Landschappelijke inpassing Paulinaweg
6-10
Biervliet
van
druk, fotokopie, elektronisch of op welke
Inhoud 1.
Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1. 1 Aanleiding en doel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1. 2 Ligging en begrenzing plangebied . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 2. Huidige situatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 2. 1 Beschrijving plangebied . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 2. 2 Foto’s bestaande situatie . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 2. 3 Gewenste ontwikkeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 3. Landschappelijke inpassing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 3. 1 Doel en uitgangspunten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 3. 2 Profiel houtsingel (van buiten naar binnen , vanaf akker zijde) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 3. 3 Plantverband en aantallen (richtgetallen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 3. 4.
Bodem & aanlegadvies (specifiek voor klei/zavel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 3. 5. Water en klimaatadaptatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 3. 6. Onderhoud en Beheerplan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 3. 7 Landschappelijk effect . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 3. 8 Extra verevening Scheldedijk 7 Biervliet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 Bijlagen Landschappelijke inpassing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
Landschappelijke inpassing Paulinaweg 6-10 Biervliet
2
ADVIES
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
en
doel
Pladdet B.V,
gevestigd
Biervliet, is een familiebedrijf dat zijn oorsprong vindt in 1943, toen de broers Ko en (geanonimiseerd)t begonnen met agrarisch loonwerk. In de loop der decennia verschoof de focus van landbouw naar grondverzet, waarna het bedrijf uitgroeide tot een toonaangevende producent van aanbouwdelen, machineaanpassingen en grondverzetmachines. Om te blijven kunnen voldoen aan de wereldwijde vraag naar betrouwbare kwaliteitsproducten is een uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk. De provincie en gemeente hebben aangegeven medewerking te willen verlenen onder de voorwaarden dat de nieuwe uitbreiding landschappelijk wordt ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
1.2
en
Ligging
Het
aan
1
de
Paulinaweg
6 in
begrenzing plangebied
bedrijf ligt afbeelding 1 voor
Afbeelding
aan
de
de
Paulinaweg 6-10 en locatie met bebouwing.
locatie, (bron:
Geoweb
de
bebouwing
Zeeland)
Landschappelijke inpassing Paulinaweg
6-10 Biervliet
ligt parallel
aan
de
weg
gesitueerd.
Zie
ADVIES
2.
Huidige
2.1
Beschrijving plangebied
situatie
De locatie aan de
Paulinaweg is gelegen in het open polderlandschap van Zeeuws-Vlaanderen, dat wordt gekenmerkt door grootschalige agrarische percelen, lange zichtlijnen en een overwegend rationele verkavelingsstructuur. De bestaande bedrijfsbebouwing maakt reeds onderdeel uit van dit landschap en is herkenbaar als een functioneel element binnen het buitengebied. De beoogde uitbreiding sluit hier in schaal en gebruik bij aan, maar vraagt, gezien de bouwhoogte, om een zorgvuldige landschappelijke inpassing om de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. ruimtelijke structuur is eigenlijk door de eeuwen heen nauwelijks gewijzigd. Door de eeuwen heen perceel voornamelijk gebruikt als agrarisch akkerland, zoals te zien is op historische kaarten. Zie afbeelding 3 t/m 6 van verschillende periodes. De
is het
(geanonimiseerd) Arbeerding 5 jaar
19/0
(bron:
topouyjdreis
2.2 Foto’s bestaande
situatie
ATDE lding
Afbeelding 7 (bron: streetview)
Landschappelijke inpassing Paulinaweg
6-10 Biervliet
6 jaar
2000
(bron: topotijdreis)
Afbeelding 8 (bron: streetview)
Afbeelding 9 (bron: streetview)
Afbeelding 10 (bron: streetview)
2. 3 Gewenste ontwikkeling Rondom het nieuwe gebouw wordt daarom een houtsingel van minimaal 10 meter breed aangelegd , bestaande uit een gelaagde opbouw met een struweellaag en een boomlaag. De beplanting bestaat uit streekeigen soorten die passend zijn bij de Zeeuwse bodemgesteldheid (klei en zavel) en het karakter van het polderlandschap , zoals meidoorn , sleedoorn , hazelaar , veldesdoorn en zomereik. Deze groene Landschappelijke inpassing Paulinaweg 6-10 Biervliet
5
structuur
zorgt
landschap
en
voor
een
natuurlijke overgang
breekt de visuele massa
van
tussen
bebouwing
en
het
omliggende
agrarische
het gebouw.
De landschappelijke inpassing versterkt daarmee de groenstructuur in het gebied , draagt bij aan de biodiversiteit en verbetert de belevingswaarde van het landschap. Tegelijkertijd blijft het open karakter van het polderlandschap herkenbaar aanwezig , doordat de singel wordt vormgegeven als een duidelijke , lineaire en landschappelijk passende rand rondom het bouwvolume. Met de
voorgestelde landschappelijke inpassing wordt niet alleen voldaan aan de eisen voor zorgvuldige inpassing in het buitengebied , maar wordt de landschappelijke kwaliteit ter plaatse daadwerkelijk versterkt. Daarmee sluit de ontwikkeling goed aan bij de kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap. Zie afbeelding 11 en voor situatie tekening met landschappelijke inpassing een bijlage 1.
Afbeelding 11 inpassing
Landschappelijke inpassing (ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
6
3. Landschappelijke inpassing 3. 1 Doel
en
uitgangspunten
De landschappelijke inpassing is bedoeld om de ruimtelijke impact van het nieuwe bedrijfsgebouw op een zorgvuldige en gebiedseigen manier te beperken en tegelijkertijd de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken. Het gebouw heeft een bouwhoogte van circa 10 meter en ligt in een open polderlandschap met lange zichtlijnen. Om deze massa op een natuurlijke wijze in het landschap op te laten gaan , wordt ingezet op een effectieve en duurzame groenstructuur rondom het gebouw. Een belangrijk uitgangspunt is de visuele verzachting van het relatief hoge bouwvolume. Door het toepassen van een brede , gelaagde groenstructuur (struweel en boomlaag) wordt de harde overgang tussen bebouwing en open landschap doorbroken. De beplanting zorgt ervoor dat het gebouw vanaf grotere afstand minder dominant aanwezig is en zich beter voegt in het omliggende landschap. Daarnaast wordt met de landschappelijke inpassing ingezet op het versterken van biodiversiteit en klimaatadaptatie. De aangelegde houtsingel biedt leefgebied en schuilmogelijkheden voor vogels , kleine zoogdieren en insecten en vormt een ecologische verbindingsstructuur in het verder open agrarisch gebied. Tegelijk draagt de beplanting bij aan het vasthouden en infiltreren van regenwater , vermindering van hittestress en het temperen van windinvloeden.
De singel fungeert daarmee niet alleen als visueel scherm , maar ook als een klimaatrobuuste groenvoorziening. Bij het opstellen van het beplantingsplan is expliciet rekening gehouden met de bodemgesteldheid , die bestaat uit zware kleigrond en zavel , en met periodiek natte omstandigheden. De te kiezen beplanting bestaat uit streekeigen en robuuste soorten die goed gedijen op deze bodem en bestand zijn tegen
wisselende vochtcondities.
Rondom het gebouw wordt een houtsingel met een minimale breedte van 10 meter aangelegd. Deze singel wordt opgebouwd uit meerdere vegetatielagen (struweel en bomen) , waardoor een duurzame , dichte en ruimtelijk effectieve landschappelijke inpassing ontstaat die past binnen de karakteristiek van het Zeeuwse polderlandschap.
3. 2 Profiel houtsingel (van buiten Zone A – Rand/overgang (2-3m) -
naar
binnen , vanaf akker zijde)
Doel: zachte overgang met het agrarisch landschap , bloemrijk en vochtbufferend Inzaai: bloemrijk graslandmengsel (inheems , klei-tolerant) Aanvullend: lage struweelzoom (max. 1–15 , m)
Zone B – Struweel (2–4m) -
Doel: dichte visuele afscherming en windbreking Plantlaag: 1–3m hoog , dicht plantverband Geschikte soorten (kleigrond / zavel): Meidoorn (Crataegus monogyna) Sleedoorn (Prunus spinosa) Veldesdoorn (Acer campestre) Hazelaar (Corylus avellana) Gelderse roos (Viburnum opulus)
Zone C – Boomlaag (3–4m) -
Doel: hoogtewerking → breekt zicht op 10m hoog gebouw
Landschappelijke inpassing Paulinaweg 6-10 Biervliet
7
ADVIES
(streekeigen , kleitolerant , diepwortelend): (Quercus robur) Zwarte els (Alnus glutinosa) geschikt voor natte zones Hollandse linde (Tilia europaea) Es (beperkt i. v. m. essentaksterfte , alleen gemengd toepassen)
Bomen
—
Zomereik
-__
-__
—
-__
-
3. 3 Plantverband Struweel —
(zone B)
rijen , verspringend _Hart-op-hart: 125m ,
Ca. 650-800
Bomen
—
—
—
lengte (bij volle omkadering project afhankelijk
(zone C)
3. 4. Bodem —
struiken per 100m
_1boom per 12-15m Indicatie: 7-8 bomen
—
—
(richtgetallen)
2
— —
aantallen
en
&
per 100m
lengte
aanlegadvies (specifiek
voor
klei/zavel)
_Voorbehandeling: diepwoelen tot 40-60cm om storende lagen te doorbreken englaag aanbrengen: 30% zand + 70% bestaande grond (verbetert structuur) _Plantgaten verrijken met: -__structuurrijke compost -__mycorrhiza (snellere wortelontwikkeling) In natte zones: aanleg ondiepe greppel/wadi in Zone A (waterbuffer)
3. 5. Water
en
klimaatadaptatie
Hemelwater
gebouw > afvoer __Houtsingel fungeert als: natuurlijke waterbuffer
—
—
naar
waterbassin
of nabijgelegen
-
verkoelende groenstructuur windremmer in open polder _Insecten- en vogelvriendelijk beheer (geen
-_
-__ —
3. 6. Onderhoud Jaar 1-3 —
—
—
— —
—
(vestigingsfase) bijplanten (uitval)
(ontwikkelfase)
_Struweel: lichte vormsnoei (om de 2 jaar) Bomen: takvrij maken t/m 25, m hoogte Maaien: extensief (1-2x per jaar)
Na 10 —
Beheerplan
_2-3X per jaar controleren en Water geven bij droogte Maaien Zone A: 2 x per jaar
Jaar 4-10 —
en
bestrijdingsmiddelen)
jaar (onderhoudsfase) __Hakhoutbeheer struweel: om de 8-12 jaar gefaseerd _Boombeheer: regulier controleren op veiligheid
Landschappelijke inpassing (ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
sloten
van
perimeter)
3. 7 Landschappelijk effect Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt niet alleen voldaan aan de eisen voor zorgvuldige inpassing in het buitengebied , maar wordt de landschappelijke kwaliteit ter plaatse daadwerkelijk versterkt. De inpassing breekt de schaal en massa van een 10m hoog gebouw. De statische vorm sluit aan bij het Zeeuwse polderkarakter. Het verbetert de biodiversiteit. Door de inpassing is er sprake van klimaatadaptie. De landschappelijke inpassing sluit goed aan bij de kernkwaliteiten van het Zeeuwse
landschap en verhoogt de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.
3. 8 Extra verevening Scheldedijk 7 Biervliet In overleg met de provincie Zeeland , gemeente Terneuzen en Ruimte&Groen is een extra perceel bij de landschappelijke inpassing opgenomen. Dit betreft het perceel aan de Scheldedijk 7. Kadastraal bekend onder aanduiding TNZ00-BB-1091. Zie afbeelding 12 en de bijlage voor de inpassing van dit perceel
opgesteld door Ruimte&Groen.
Afbeelding 12 inpassing(bron: Ruimte&Groen) De landschapsontwikkeling aan de Scheldedijk betreft een voormalig boerenerf en vormt een kansrijke locatie voor versterking van landschap , natuur en recreatieve beleving. In lijn met de uitgangspunten
Landschappelijke inpassing Paulinaweg 6-10 Biervliet
9
B & ADVIES een integrale landschappelijke inrichting van het volledige perceel recreatief (nr. 1091) , waarbij gebruik , maar ook biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit centraal staan. Het inrichtingsvoorstel gaat verder dan een enkel groene picknickplaats en voorziet in een samenhangend geheel van open en gesloten landschapselementen. De entree aan de Scheldedijk vormt een laagdrempelige toegang voor recreanten (langs belangrijke wandel- en fietsroutes) met een rustplek , picknickvoorzieningen en natuurlijke spelaanleidingen. Via een infopaneel wordt de cultuurhistorie van de Paulinapolder (met het voormalige haventje) en de natuur langs de kust beleefbaar gemaakt. van
de provincie wordt
ingezet op
niet alleen
Voor
het
gehele
perceel wordt gekozen voor een natuurvriendelijke inrichting en beheer. Open graslanden kruidachtige vegetatie , een poel met knotbomen en verspreide solitaire bomen dragen bij aan ecologische diversiteit. Kleine bosjes met een kern-mantel-zoomstructuur zorgen voor beschutting , ecologische verbindingen en een zorgvuldige landschappelijke inpassing van bebouwing. Langs de westzijde accentueert een streekeigen populierenrij de kaarsrechte polderstructuur en versterkt deze de leesbaarheid van het landschap , terwijl belangrijke zichtlijnen richting het open polderlandschap behouden blijven. met
Landschappelijke inpassing (ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
ADVIES
Bijlagen Landschappelijke inpassing
Landschappelijke inpassing (ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
NN
Legenda af had
B BO
Dn eeen
ne
me
jet
an
OD
ain:
w:i ns es Te
Doorsnede houtsingel Nieuwe inpassing minimaal 10m breed 543m lengte
ENeS IN
hm
B
Profiel houtsingel (van buiten naar binnen , vanaf akker zijde) Zone A — Rand/overgang (2-3m) Doel: zachte overgang met het agrarisch landschap , bloemrijk en vochtbufferend Inzaai: bloemrijk graslandmengsel (inheems , klei-tolerant) Aanvullend: lage struweelzoom (max. 1-15, m) Zone B - Struweel (2-4m) Doel: dichte visuele afscherming en windbreking Plantlaag: 1-3m hoog , dicht plantverband Geschikte soorten (kleigrond / zavel): = Meidoorn (Crataegus monogyna) =_Sleedoorn (Prunus spinosa) Veldesdoorn (Acer campestre) -_… Hazelaar (Corylus avellana) =__ ‘Gelderse roos (Viburnum opulus) Zone C — Boomlaag (3-4m) Doel: hoogtewerking — breekt zicht op 10m hoog gebouw Bomen (streekeigen , kleitolerant , diepwortelend): -__Zomereik (Quercus robur) -__Zwarte els (Alnus glutinosa) - geschikt voor natte zones -__Hollandse linde (Tilia europaea) -___Es (beperkt i. v. m. essentaksterfte , alleen gemengd toepassen) Totale lengte 543m bij 10m. 0543ha , groen aanplant.
N
N
DN
Nieuwe inpassing minimaal 10m breed 543m lengte
Opslagterrein Bestaande
bluswatervoorziening
6-10 Bestaand gebouw
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd)) (geanonimiseerd)
ruimte &groen landschapsarchitectuur
(geanonimisee(rdg)eanonimiseerd)
referentiebeelden
compensatiegebied
perceel Scheldedijk 7-Biervliet
270 0 5Ogme Bijlage 3
Bodemonderzoek
((ggeeaannoonniimmiisseeeerrdd))
n
MILIEUCONSULT BODEM
& ASBEST
VERKENNEND BODEMONDERZOEK VOLGENS NEN 5740 PAULINAWEG
Opdrachtgever
1_Aannemingsbedrijf Fraanje Nieuwe Kraaijertsedijk 37 4458
NK te
:_ABO-Milieuconsult B.V. Amundsenweg 29 4462 GP Goes Tel.: +31 (0)113 362280
Projectnummer
:_ANL25-10057 : Mei juni 2025 : 12 juni 2025 —
B.V.
(geanonimiseerd) mi Arendskerke
Vestiging
Periode onderzoek Datum rapportage
ONG.
TE
BIERVLIET
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 1 INLEIDING . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 2 VOORONDERZOEK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 2. 1 2. 2 2. 3 2. 4 2. 5 2. 6 2. 7
Algemene bodem- en locatiegegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 Historische kaarten , luchtfoto’s en overig beeldmateriaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 (Historische) milieubelastende (bedrijfs)activiteiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Interpretatie verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Conclusies met betrekking tot het vooronderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 3 VELDWERKZAAMHEDEN. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 3. 1 Opzet veldwerkzaamheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 3. 2 Resultaten veldonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 4 LABORATORIUMONDERZOEK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 4. 1 Opzet laboratoriumonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 4. 2 Toetsingstabellen grond en grondwater . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 5. 1 Conclusies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 5. 2 Aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 TABELLEN Tabel 1: Samenvatting onderzoeksresultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Tabel 2: Algemene bodem- en locatiegegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 Tabel 3: Regionale bodemopbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Tabel 4: Conclusie en hypothese vooronderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 Tabel 5: Verrichte veldwerkzaamheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Tabel 6: Peilbuisgegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Tabel 7: Overzicht samenstelling (meng)monsters en analyseparameters. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 Tabel 8: Overschrijdingstabel grond . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 Tabel 9: Overschrijdingstabel grondwater . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
BIJLAGEN BIJLAGE 1a: Aanduiding locatie op topografische ondergrond BIJLAGE 1b: Historische kaarten en luchtfoto BIJLAGE 1c: Foto’s onderzoekslocatie tijdens uitvoering BIJLAGE 2: Situatietekening onderzoekslocatie BIJLAGE 3: Boorprofielen BIJLAGE 4: Analysecertificaten BIJLAGE 5: Toetsingstabellen grond en grondwater BIJLAGE 6: Toetsingskader BIJLAGE 6. 1: Toetsingskader Omgevingswet BIJLAGE 6. 2: Toelichting Toetsingskader Regeling Bodemkwaliteit 2022 BIJLAGE 7: Vooronderzoek