CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-02-25 - Bp Axelse Vlakte, Finlandweg ongenummerd toelichting2

gemeenteraad 10 maart 2026, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Axelse Vlakte, Finlandweg ongenummerd12.977 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.4 Bodem 4.4.1 Kader Bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik (‘functie’) van die bodem, of dat beide alsnog op elkaar kunnen worden afgestemd. Bodemgebruiksfuncties nemen namelijk af naarmate bodemverontreinigingen en gerelateerde risico’s toenemen. Sanerende maatregelen kunnen nodig zijn. Het gemeentelijk bodemkwaliteitsbeleid volgt de kaderwet Wet bodembescherming en daaruit voortvloeiende regelgeving. Uitgangspunten zijn dat de bodem duurzaam geschikt moet zijn voor de beoogde functie en dat de bodemkwaliteit niet mag verslechteren. Verontreinigingen in stabiele eindsituaties worden daarbij niet vanzelfsprekend geaccepteerd. Voor mobiele verontreinigingen moeten maatregelen gericht zijn op verwijderen en soms is het inpassen van immobiele verontreinigingen onder voorwaarden toelaatbaar. De oppervlakte van het plangebied en de conclusie van een vooronderzoek (historisch onderzoek) zijn bepalend voor het uitvoeren van eventueel veld- en laboratoriumonderzoek, op basis waarvan (on)mogelijkheden inzichtelijk worden. Het plangebied valt op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Terneuzen binnen de achtergrondwaarde.

4.4.2 Toetsing Voor het plangebied zijn de volgende onderzoeksrapporten beschikbaar waarmee de huidige bodemkwaliteit afdoende is vastgelegd. De rapporten zijn opgenomen als bijlagen 4a t/m 4c. • MCG Zuidwest B.V., projectnummer 22MCG318.10, d.d. 16-11-2022 • VKBO, Eurofins Lab Zeeuws Vlaanderen BV, Finlandweg (ong) en Industrieweg Zuid (ong) te Westdorpe, projectnummer 16A0189, d.d. 26 mei 2016 • Mitec, projectnummer 16MDL122.10, d.d.9 mei 2017 Het onderzoek uit 2016 concludeerde dat er geen sprake is van verhoogde concentraties van de onderzochte stoffen. In het onderzoek uit 2017 zijn verhoogde concentraties nikkel in het grondwater vastgesteld. RUD heeft hierover geconcludeerd dat deze verhoogde nikkelgehalten niet zijn te relateren aan antropogene activiteiten en dat derhalve sprake is van verhoogde natuurlijke achtergrondwaarden. Alleen in 2022 is (op andere percelen in het plangebied) een geval van bodemverontreiniging vastgesteld maar ook dat er geen sprake is van een noodzaak tot saneren bij het huidige gebruik. Ook is er vanuit milieukundig oogpunt geen belemmering voor het beoogde gebruik (bedrijfsactiviteiten). 31

Figuur 4.2: Onderzochte percelen Door ondeskundig handelen en/of het ontbreken van de juiste bodembeschermende voorzieningen en maatregelen tijdens het gebruik kan verontreiniging van de bodem optreden. Teneinde dat te voorkomen zal over de gehele locatie een blijvend vloeistofdichte vloer worden aangelegd. Gelet daarop zal sprake zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.

4.4.3 Conclusie De huidige bodemkwaliteit biedt daarmee geen belemmering voor realisatie van het plan. Door het treffen van bodembeschermende voorzieningen is er geen sprake van risico’s voor de bodem. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.5.1 Archeologie Voor de Beheersverordening Axelse Vlakte - 1e wijziging is voor het gehele bestemmingsplangebied getoetst aan de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), Archis (Archeologische Informatie Systeem), Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en bodemopbouw. Als gevolg daarvan kent het bestemmingsplangebied van de eerste wijziging van de beheersverordening verschillende besluitsubvakken 'Waarde - Archeologie'. 32

Het plangebied ter plaatse van de voorgenomen uitbreiding is aangeduid als een gebied met kreekafzettingen van Duinkerke llb (code Do.3b). Daar waar die aanduiding van toepassing is, geldt geen onderzoeksplicht. Aangezien het gaat om kreekafzettingen is de kans groot dat mogelijke resten zijn verdwenen. Daarbij wordt overwogen dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling ook geen (diepere) lagen behoeven te worden ontgraven dan wel zullen worden verstoord (bijv. door heien oid). Het thema Archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.5.2 Cultuurhistorie Door Antea Group is in mei 2022 een onderzoek naar cultuurhistorie uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 5 bijgevoegd. Navolgend zijn de conclusies van het onderzoek samengevat. In het plangebied ter plaatse van de voorgenomen uitbreiding zijn geen historisch stedenbouwkundige waarden aanwezig. Er zijn geen gemeentelijke monumenten, rijksmonumenten, UNESCO Werelderfgoed aanwezig en geen bouwkunst die anderszins erfgoedwaarde vertegenwoordigt. Dat maakt dat effecten uitgesloten kunnen worden. Het plangebied is gelegen op de overgang van de Smidsschorrepolder (uit 1825) en de Axelse Vlakte die in de periode 1875-1910 tot stand is gekomen. De Smidsschorrepolder is met een dijk ingepolderd. Die dijk, de Ameliadijk, loopt dwars door het plangebied. Aan de noordzijde wordt het plangebied ter plaatse van de voorgenomen uitbreiding begrensd door de Kanaaldijk langs de Axelse Sassing (die in verbinding staat met de Axelse Kreek ten zuiden van Axel). Beide dijken vertegenwoordigen cultuurhistorische onderdeel als onderdeel van de inpoldering van het gebied rondom Axel. De gelaagdheid is door moderne ontwikkelingen lastig te zien, maar de kronkelige dijken herinneren aan de stapsgewijze verovering van land op het Axelse Gat.

De aanleg van de Finlandweg heeft de herkenbaarheid van de Ameliadijk als samenhangend onderdeel met het dijkensysteem ten zuiden van de weg al ernstig aangetast. In de huidige situatie is de Ameliadijk reeds afgegraven, waardoor deze geen enkele cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt. De agrarische geschiedenis is niet meer zichtbaar. Het bestemmingsplan maakt daarmee geen activiteiten mogelijk die de erfgoedwaarde nog verder verslechteren.

4.5.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

4.6 Geluid 4.6.1 Kader De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, was tot 01-01-2024 geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh) en via het via het Aanvullingsspoor geluid, inmiddels geïntegreerd in de Omgevingswet. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen.

33

4.6.2 Toetsing In opdracht van Reko is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Peutz naar geluid in de omgeving (zie bijlage 6). Uit het onderzoek blijkt het volgende: • Bestaande woningen liggen buiten de richtafstand van 200 m ten opzichte van het opslagterrein. Er is aldus om die reden sprake van een goed woon- en leefklimaat. • Als gevolg van het gebruik van de uitbreiding van het op- en overslag vindt er geen uitbreiding van het aantal transportbewegingen naar en van de inrichting van Reko plaats. De geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking verandert dus niet ten opzichte van de huidige situatie van het bestaande bedrijfsterrein, ten oosten van het plangebied; • Het opslagterrein leidt tot een geluidbijdrage op Industrieweg-zuid 23 (dichtstbijzijnde woning) die geheel verwaarloosbaar is ten opzichte van de geluidgrenswaarden uit de vigerende vergunning van het bestaande bedrijfsterrein, ten oosten van de planlocatie. Ook bij andere verder weggelegen woningen is de geluidbijdrage zeer laag en daardoor acceptabel. De maximale geluidniveaus aldaar zijn veel lager dan de vergunde geluidgrenswaarde Op de huidige vergunningspunten van Bnext ten oosten en noordoosten van het bestaande bedrijfsterrein is de geluidbelasting van het opslagterrein niet verwaarloosbaar, maar aldaar zijn geen woningen gesitueerd, waardoor de toename acceptabel is.

4.6.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Risicovolle inrichtingen vanaf een bepaalde omvang vielen tot 01-01-2024 onder het Bevi; vanaf die datum stelt de Omgevingswet rond externe veiligheid, waarbij de strikte, landelijke normen van het Bevi zijn vervangen door decentrale keuzes, verankerd in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. In het Bevi was opgenomen dat binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten zijn toegestaan, voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde. Tevens is vastgelegd dat groepsrisicoverantwoording altijd verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van de risicobron een ruimtelijk besluit genomen wordt. Besluit externe veiligheid buisleidingen Ook voor buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen golden landelijke regels onder het Bevb, die inmiddels zijn vastgelegd in verschillende besluiten en regelingen onder de Omgevingswet (zoals BASL, Bkl en Omgevingsregeling) In het Bevb was opgenomen dat binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten zijn toegestaan, voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde.

Tevens is opgenomen dat bij de aanleg van nieuwe leidingen, de PR 10-6 contour niet buiten de belemmeringenstrook mag komen te liggen (max. 5 meter). 34

Groepsrisicoverantwoording is altijd verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van de buisleiding een ruimtelijk besluit genomen wordt. Wanneer het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of de toename minder is dan 10%, kan volstaan worden met een beperkte verantwoording. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vallen onder het Bevt. In het Bevt is opgenomen dat binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare objecten zijn toegestaan, voor beperkt kwetsbare objecten is dit een richtwaarde. In het Bevt zijn per vervoersas basisnetafstanden vastgesteld, dit zijn maximale PR 10-6 contouren. Daarnaast is groepsrisicoverantwoording verplicht wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Buiten 200 meter van de transportroute, of wanneer het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of de toename minder is dan 10%, kan volstaan worden met een beperkte verantwoording.

4.7.2 Toetsing Ten behoeve van het eerdere plan-m.e.r. heeft Antea Group in mei 2022 een onderzoek gedaan naar de invloed van externe veiligheid. Dit rapport is als Bijlage 7 bijgevoegd. Hieronder worden de resultaten samengevat. De beoogde uitbreiding voorziet niet in de realisatie van beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten. Rondom het plangebied ter plaatse van de voorgenomen uitbreiding zijn meerdere risicobronnen aanwezig. Vanuit de omgeving zijn de volgende risicobronnen relevant voor nadere beschouwing: • Yara Sluiskil BV; • Hogedruk aardgastransportleiding (A-642); • Hogedruk aardgastransportleiding (A-503); • Hogedruk aardgastransportleiding (Z-552-01); • Windturbines; • Spoorlijn route 310; • Spoorlijn route 180; • N62. Yara Sluiskil Yara Sluiskil BV is opgenomen in Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Deze grote producent van kunstmest is aangewezen als risicobron en bevindt zich op circa 650 meter van het plangebied (zie figuur 4.3). Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Omdat de bestemming geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toestaat is er geen verder onderzoek nodig.

35

Figuur 4.3: Yara Sluiskil ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd is het plangebied ter plaatse van de uitbreiding, blauw omlijnd is het plangebied ter plaatse van de bestaande bedrijfspercelen) Hogedruk aardgastransportleidingen Hogedruk aardgastransportleiding (A-642) heeft een invloedsgebied van circa 470 meter. Het plangebied ligt op circa 1.200 meter. Daarmee valt het plangebied buiten het invloedsgebied en is verdere toelichting niet vereist. Hogedruk aardgastransportleiding (A-503) heeft een invloedsgebied van circa 420 meter. Het plangebied ligt op circa 1.200 meter. Daarmee valt het plangebied buiten het invloedsgebied en is verdere toelichting niet vereist. Hogedruk aardgastransportleiding (Z-552-01) heeft een invloedsgebied van circa 200 meter. Het plangebied ligt op circa 90 meter. Daarmee valt het plangebied binnen het invloedsgebied, maar omdat dat de bestemming geen kwetsbare objecten toestaat is er geen verdere verantwoording van het groepsrisico nodig. Er zal geen toename zijn in het aantal aanwezigen in het plangebied. De leiding heeft geen PR-10-6 contour ter hoogte van het plangebied. In figuur 4.4 is de leiding in relatie tot het plangebied weergegeven.

36

Figuur 4.4: Hogedruk aardgastransportleidingen ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd is het plangebied ter plaatse van de uitbreiding, blauw omlijnd is het plangebied ter plaatse van de bestaande bedrijfspercelen) Windturbines Ten noorden van de industrieweg en het kanaal, zijn windturbines gesitueerd. Deze hebben een tiphoogte van 118 meter. Uit de informatie van de signaleringskaart volgt dat de 10 -contour overlapt met het noordelijke deel van het plangebied. De informatie op de signaleringskaart is indicatief. Omdat de beoogde bestemming geen kwetsbare objecten toestaat, is geen berekening uitgevoerd om nauwkeuriger te bepalen wat de omvang van de 10 -contour is. -6

-6

Spoorlijn route 310 en 180 Op figuur 4.5 zijn de spoorlijnen 180 en 310 weergegeven. Spoorlijn 310 (Axel – Terneuzen) ligt circa 1.150 meter ten noorden van het plangebied (zie figuur 4.5). De spoorlijn is opgenomen in de Regeling basisnet. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de spoorlijn (>4.000 meter; stofcategorie D4). Hierbij is het toxisch scenario relevant. De spoorlijnroute heeft geen plasbrandaandachtsgebied (PAG). De maximale PR 10 -contour van deze spoorlijn bedraagt conform de Regeling basisnet 0 meter. Beide punten vormen geen directe belemmering voor de locatie. -6

Spoorlijn 180F ligt op circa 1.700 meter ten westen van het plangebied. De spoorlijn is opgenomen in de Regeling basisnet. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de spoorlijn (>4.000 meter; stofcategorie D4). Hierbij is het toxisch scenario relevant. De spoorlijnroute heeft geen plasbrandaandachtsgebied (PAG). De maximale PR 10-6-contour van deze spoorlijn bedraagt conform de Regeling basisnet 0 meter. Beide punten vormen geen directe belemmering voor de locatie.

37

Figuur 4.5: Ligging spoorlijnen ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd is het plangebied ter plaatse van de uitbreiding, blauw omlijnd is het plangebied ter plaatse van de bestaande bedrijfspercelen) N62 Ten oosten van het plangebied ligt de N62 (zie figuur 4.6). Het invloedsgebied van de N62 bedraagt >4.000 meter (stofcategorie: LT3). De afstand tot het plangebied bedraagt circa 1.300 meter en valt daarmee binnen het invloedsgebied. De locatie ligt op meer dan 200 meter van de N62. Er zal geen toename zijn in het aantal aanwezigen in het plangebied. Het groepsrisico hoeft dus niet te worden beschouwd. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van de rijksweg ligt, dient het groepsrisico conform artikel 7 Besluit externe veiligheid transportroutes te worden verantwoord. Dit artikel geeft aan dat wanneer een locatie valt binnen een invloedsgebied van een risicobron er in ieder geval moet worden ingegaan op: • Mogelijkheden op voorbereiding en bestrijding van een incident bij de risicobron (de N62); • De zelfredzaamheid van de personen op de planlocatie. Ten aanzien van de bestrijding van een incident beschikt de veiligheidsregio over protocollen om een dergelijk incident te bestrijden. Ten aanzien van de zelfredzaamheid is relevant dat de ontwikkeling niet het verblijf van zeer kwetsbare groepen beoogt. Gezien de afstand is alleen het toxisch scenario relevant.

Bescherming wordt geboden door na een incident met gevaarlijke stoffen op de N62 ramen en deuren te sluiten en de mechanische ventilatie af te schaken.

38

Figuur 4.6: N62 ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd is het plangebied ter plaatse van de uitbreiding, blauw omlijnd is het plangebied ter plaatse van de bestaande bedrijfspercelen)

4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Kader De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit was tot 01-01-2024 vastgelegd in ‘Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer (Wm), en tegenwoordig in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een project dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kan alleen worden vergund/gerealiseerd wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: a) Er wordt voldaan aan de opgenomen grenswaarden; b) Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) Het besluit draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de jaargemiddelde concentraties 39

stikstofdioxide (NO ) en fijn stof (PM10); d) Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). 2

Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO ) en fijn stof (PM ) in Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. 2

10

Fijn stof (PM2.5) Sinds 1 januari 2015 moet ook aannemelijk worden gemaakt dat voldaan wordt aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM (25 µg/m3). PM en PM zijn sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over de emissies en concentraties PM en PM kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM zal worden voldaan. Het risico dat een overschrijding optreedt voor PM op een locatie waar wel aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan is dan ook verwaarloosbaar. 2,5

10

2,5

2,5

10

10

2,5

2,5

Overige luchtverontreinigende stoffen Voor de overige luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 2 Wm (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat de ruimte tot de grenswaarden zo groot is dat het aannemelijk is dat overschrijding als gevolg van een besluit van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

4.8.2 Toetsing Emissies naar de lucht hangen samen met de verlading van de (afval)stoffen en de opslag ervan, verbrandingsemissies zijn uitsluitend het gevolg van het gebruik van diesel aangedreven materieel, namelijk de shovel (en van dumpers voor aan- en afvoer). Met behulp van de Isl3a-module in Geomilieu, is onderzocht in welke mate het gebruik van het plangebied als (grootschalig) opslagterrein tot grote negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit in de omgeving za leiden (zie bijlage 8). Uit de berekening blijkt dat het voorgenomen gebruik van het planbied (alleen) voor grootschalige opslag nauwelijks effect heeft op de lokale luchtkwaliteit.

4.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.9 Kabels en leidingen 4.9.1 Kader De rijksoverheid heeft de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 opgesteld. Met de structuurvisie wil het rijk ruimte reserveren voor toekomstige buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om provincie- en landsgrens overschrijdende ondergrondse buisleidingen waarin bijvoorbeeld chemicaliën, aardolie en gas worden getransporteerd. 40

4.9.2 Toetsing Een groot deel van de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen bevindt zich op of nabij gronden waaronder momenteel het nodige aan ondergrondse infrastructuur is gelegen. Dat betekent dat afstemming tussen het gebruik boven en onder de grond moet plaatsvinden. Deze structuurvisie biedt een ruimtelijk toetsingskader voor de aanleg van nieuwe ondergrondse infrastructuur binnen de gemeente Terneuzen om in de toekomst tot een goede afstemming te komen tussen de ruimtelijke belangen van de boven- en de ondergrond. In onderstaande figuur is een uitsnede van de kaart Structuurvisie Buisleidingen weergegeven. Het gele tracé betreft een indicatief tracé.

Figuur 4.7: Uitsnede kaart Structuurvisie Buisleidingen Het indicatieve tracé langs Terneuzen sluit aan op de grensovergang naar België (Vlaanderen). Dit tracé ligt ten oosten van het plangebied. Bij de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de voorkomende kabels en leidingen in de ondergrond. Binnen het plangebied zijn geen (belemmeringenstroken en veiligheidszones van) kabels en leidingen geprojecteerd waaraan regels gesteld moeten worden op grond van het Bevb. Op de structuurvisiekaart Ondergrondse infrastructuur is het plangebied aangeduid als bestaand/toekomstig industriecluster. In en in de omgeving van het plangebied liggen geen hoofdroutes van buisleidingen, zie figuur 4.8.

41

Figuur 4.8: Uitsnede kaart structuurvisie Ondergrondse infrastructuur (plangebied is blauw omcirkeld) In de omgeving van het plangebied liggen ondergrondse hoogspanningsleidingen. Deze zijn weergegeven op figuur 4.9.

Figuur 4.9: Planologisch relevante ondergrondse 50 kV (rood) en 150 kV (paars) hoogspanningsleidingen De ondergrondse hoogspanningsleidingen hebben geen magneetveldzone waarmee rekening moet worden gehouden. Wel hebben ze een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding. De belemmeringenstrook ligt in alle gevallen buiten het plangebied. 42

4.9.3 Conclusie De kabels en leidingen vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Kader Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse.

4.10.2 Toetsing Verkeer Het voornemen voorziet enkel in een opslagfunctie. Er is geen sprake van extra verkeersbewegingen en dus geen extra verkeer op de Finlandweg. Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen terrein buiten het plangebied. De parkeerbehoefte neemt door de voorgenomen ontwikkeling niet toe.

4.10.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.11 Water 4.11.1 Kader Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Scheldestromen. In de 'Strategienota 2019-2023: Klaar voor de toekomst' laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn.

4.11.2 Toetsing Door Antea Group is in juni 2022 een watertoets uitgevoerd voor het plangebied ter plaatse van de voorgenomen uitbreiding. Het rapport is als Bijlage 9 bijgevoegd. Hieronder is de conclusie kort samengevat. De uitgangspunten van de watertoets van dit bestemmingplan in combinatie met het rapport Aanvraag ontheffing BP t.b.v. verharden van het terrein d.d. 30 september 2021 opgesteld door Bnext Terneuzen vormen de uitgangspunten van deze watertoets. Daarnaast hebben het Waterschap Scheldestromen en Rijkswaterstaat een reactie gegeven. Deze reacties zijn meegenomen in de verwerking van de watertoets. Nadere afstemming met North Sea Port vormt geen onderdeel van deze watertoets. In onderstaande tabel zijn de aspecten opgenomen en is aangegeven op welke wijze uitwerking heeft plaatsgevonden.

43

Thema

Toelichting

Waterkering (veiligheid)

Aan de noordzijde van het plangebied ligt een regionale waterkering, waarop de Industrieweg-Zuid is gelegen. De beschermingszone van de waterkering ligt in het plangebied. De waterkering is in juridisch beheer bij Rijkswaterstaat en de Waterwet is hier van toepassing. Rijkswaterstaat is ook de beheerder van het oppervlaktewater van Zijkanaal C. Het technisch beheer van de waterkering, inclusief damwanden en taluds ligt bij North Sea Port. In de huidige situatie is de hoogte van de waterkering ter plaatse van het plangebied NAP +3,50. De toekomstige hoogte voor de waterkering dient NAP +4,20 te zijn. De maaiveldophoging van het westelijk gebied sluit aan op eerdere maaiveldophoging van het oostelijke zijde. Het plangebied wordt circa 2,5 tot 3,0 m hoger aangelegd (NAP +3,8 m tot maximaal NAP +5,2 m) ten opzichte van huidig maaiveldniveau en de omgeving. Door de hoge ligging wordt wateroverlast in het plangebied door inundatie vanuit oppervlaktewater voorkomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden twee secundaire watergangen gedempt, gelegen op de percelen M629, M630 en M1121 om het bedrijventerrein op elkaar aan te sluiten. In november 2024 heeft afstemming plaatsgevonden met het Waterschap Scheldestromen. Daaruit is gebleken dat het watertoetsformulier uit 2021 -zoals opgenomen in Bijlage 9- nog actueel is. Alleen het dempen van twee waterlopen verandert in één waterloop.

Daarvoor zal tzt vergunning van het waterschap worden aangevraagd.

Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)

Grondwaterkwantiteit en verdroging

Hemel- en afvalwater Opmerking over extra verharding en riolering

Er is in Bijlage 9 overigens gesteld dat om de demping te compenseren een westelijk gelegen waterloop wordt verruimd. Dat is niet noodzakelijk omdat in het plan is voorzien om al het HWA af te voeren naar zijkanaal C. Zijkanaal C is geen onderdeel van het ‘polderwatersysteem’ in beheer bij het waterschap. De berging die verloren gaat door de demping hoeft daarom niet gecompenseerd te worden. Dat zal tzt worden aangegeven bij de vergunningsaanvraag Het plangebied wordt circa 2,5 tot 3,0 m hoger aangelegd (NAP +3,8 m tot maximaal NAP +5,2 m) ten opzichte van huidig maaiveldniveau en de omgeving. Door de hoge ligging wordt grondwateroverlast in het plangebied voorkomen. Er is geen sprake van het onttrekken van grondwater, waardoor verdroging hier niet aan de orde is. Er is voornamelijk geen belvorming van zoetwater aanwezig. Alleen in de zuidwestelijke hoek van het plangebied is er sprake van geringe belvorming van zoetwater. Doordat het plangebied verhard wordt en hemelwater in de toekomstige situatie niet meer zal infiltreren binnen het plangebied zal de zoetwaterbel in geringe mate minder gevoed worden. Er zijn in of nabij het plangebied geen RWZI's en persgemalen van Waterschap Scheldestromen aanwezig, waarmee rekening dient gehouden te worden. Aan de zuidoostzijde van het plangebied ten zuiden van de Finlandweg tussen genoemde weg en het spoor ligt een persleiding.

Dit is buiten plangebied. Er vinden hier geen wijzigingen plaats als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Derhalve vormt dit geen belemmering. Om de waterafvoer bij extreme neerslagsituaties te kunnen reguleren is de trits "vasthouden, bergen en dan pas afvoeren" richtinggevend voor het waterbeheer bij nieuwe ontwikkelingen. Insteek voor het plangebied is zo veel als mogelijk hergebruiken van hemelwater binnen het plangebied voor besproeien van het terrein (o.a. nathouden bulkopslag tegen verstuiving

44

Thema

Toelichting

Volksgezondheid Bodemdaling

Er is geen sprake van risico's voor de volksgezondheid. Op basis van de waterkansenkaart van de provincie Zeeland is de bodem in het plangebied weinig zettingsgevoelig. Bij voorgenomen ontwikkeling vinden geen veranderingen plaats in het peilregiem die voor bodemdaling kunnen zorgen. Het plangebied ligt niet in of nabij een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, waarmee rekening dient gehouden te worden. Het hemelwater wat in de toekomstige situatie valt in het plangebied wordt zo veel mogelijk op het terrein zelf geborgen. In het kader van de aanvraag Omgevingsvergunning (milieu) zal verder worden uitgewerkt of en welke zuiveringtechnische, danwel opslagvoorzieningen worden gerealiseerd. In of in de omgeving van het plangebied is geen kwetsbaar gebied of bufferzone rondom een kwetsbaar gebied gelegen of natte natuur.

Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit

Natte natuur

Onderhoud oppervlaktewater

Langs de nieuw te graven watergang (<8 m) wordt een onderhoudspad van 5 m gerealiseerd. Dit wort in de nog aan te vragen watervergunning geregeld.

4.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan, mits mitigerende maatregelen worden getroffen als voorgesteld in de watertoets.

4.12 Niet-gesprongen explosieven 4.12.1 Kader In de Tweede Wereldoorlog hebben in Nederland oorlogshandelingen plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat er in en om het plangebied nog niet gesprongen explosieven (NGE) in de bodem aanwezig zijn.

4.12.2 Toetsing Het plangebied is op de NGE-risicokaart van REASeuro uit 2018 niet aangeduid als verdacht gebied of aandachtsgebied.

4.12.3 Conclusie Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.

45

Hoofdstuk 5 Juridische regeling 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de bestemming en de bijbehorende regels toegelicht. Daarnaast zal, daar waar dat verduidelijkend werkt, ook de systematiek van de verbeelding worden toegelicht. Daarbij wordt aangeven op welke wijze de binnen het plangebied voorkomende functies in het bestemmingsplan zijn geregeld. Met het bestemmingsplan wordt een zodanig plan beoogd dat enerzijds rechtszekerheid wordt geboden aan omwonenden en anderzijds voldoende mogelijkheden worden geboden om het voorgenomen tracé mogelijk te maken. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De wijze waarop de regeling juridisch is vormgegeven, wordt bepaald door de Wro en het Bro. De juridische regeling wordt vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding wordt de bestemming vastgelegd en in de regels per bestemming de bouw- en gebruiksmogelijkheden. De verbeelding en regels zijn opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van wat in het bestemmingsplan wordt geregeld en om de uitleg daarvan.

5.2 Juridisch systeem In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten hun juridische vertaling in het eigenlijke plan hebben gekregen. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de tekst van de regels en in beeld op de verbeelding. Verbeelding en regels zijn één geheel en niet afzonderlijk leesbaar. SVBP 2012 Het bestemmingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan. Deze digitale versie is onder andere bedoeld om de burger via het internet informatie te verschaffen over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. Regels De regels bevatten allereerst een bestemmingsomschrijving. Hierin is per bestemming uitgewerkt voor welk doel of doeleinden de gronden gebruikt mogen worden. Naast de bestemmingsomschrijving zijn in de regels bouwregels, afwijkingsmogelijkheden (middels een omgevingsvergunning) en gebruiksregels opgenomen. In de bouwregels zijn - gerelateerd aan de toegelaten gebruiksfuncties - eisen gesteld aan de hoogte, aard, nadere situering, diepte, aantal bouwlagen etc.

van gebouwen en bouwwerken. Bij uitzondering kan door middel van een omgevingsvergunning worden toegestaan dat van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, wordt afgeweken. Het gaat dan om incidentele gevallen, waarbij het om bouwtechnische redenen en/of redenen van doelmatigheid noodzakelijk wordt geacht en aantoonbaar is, dat in geringe mate van de gegeven maten moet worden afgeweken. 46

5.3 Toelichting op de bestemmingen De bestemmingsregels betreffen de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (=het gebruik). De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsregels. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen. Hoofdstuk 1 van de regels omvat de begripsbeschrijvingen en de wijze van meten. Dit zijn de inleidende regels. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Binnen het plan worden de volgende bestemmingen gebruikt: Bedrijventerrein - Haven B Het plangebied ter plaatse van de reeds bestaande bedrijfspercelen met de bestemming 'Bedrijventerrein - Haven B' behouden hun huidige bestemming. Het plangebied wordt volgens dezelfde systematiek bestemd. Binnen deze bestemming is door middel van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – haven b, opslag van PAK-rijk asfalt’ de mogelijkheden voor ontwikkeling ingeperkt tot de opslag van (PAK-rijk) asfalt. Aldus wordt geborgd dat geen andere milieubelastende activiteiten worden toegestaan, die: • zouden kunnen leiden tot andere of grotere milieueffecten dan nu zijn onderzocht en specifiek • die op zich zelf kunnen leiden tot overschrijding van de KDW voor stikstof in het kader van gebiedsbescherming.

Door deze inperking ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan en de daarop gebaseerde Aeriusberekening is gebleken dat eventuele stikstofdepositie in Natura200 gebieden niet significant zijn. In de planregels is voorts opgenomen dat het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning kan afwijken van de planregels om andere activiteiten en voorzieningen die met een industrieterrein samenhangen, zoals bedrijfspercelen en droge en natte infrastructuur zonder dat de exacte positionering daarvan wordt vastgelegd. Het gaat hier om activiteiten die behoren tot categorieën vanaf 3.1 tot en met 4.2. De functieaanduiding 'laad- en losplaats' is in afwijking van het ontwerpbestemmingsplan niet opgenomen. Dit eveneens vanwege de hierboven beschreven inperkingsreden. Verder is de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrieterrein Axelse Vlakte II' en 'geluidzone - industrieterrein Sluiskil-Oost en Stroodorpe-Oost' opgenomen. Water Het water van het Zijkanaal C is bestemd als water. Binnen deze bestemming kunnen haven- en afmeervoorzieningen en waterstaatkundige voorzieningen gebouwd worden. Waterstaat – Waterkering Het plangebied ter plaatse van de reeds bestaande bedrijfspercelen met de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' behouden hun huidige bestemming. De kade langs het bedrijventerrein dient ter bescherming van het achterliggende gebied.

In dat kader heeft de strook langs de kade ter plaatse van de voorgenomen uitbreiding eveneens de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering' gekregen. Deze bestemming is bedoeld om de waterkerende functie in stand te houden. De breedte van de dubbelbestemming is afgestemd op de kernzone zoals aangegeven in de Keur van het Waterschap Scheldestromen. De bescherming van de waterkering volgt uit de Keur van het waterschap. Omdat de keur voldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de 47

waterkering wordt het opnemen van aanvullende regels in het bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht. Dubbele regelgeving wordt hiermee voorkomen. Hoofdstuk 3 van de regels bevat algemene regels ten aanzien van gebruik, afwijkingen en wijzigingsbevoegdheden. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotregels opgenomen.

48

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid In de 'Grondexploitatiewet', welke onderdeel uitmaakt van de Wet ruimtelijke ordening, staat aangegeven dat de gemeente een exploitatieplan moet vaststellen, indien kosten worden gemaakt (bijvoorbeeld voor aanleg van openbare voorzieningen en/of plankosten). Van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien op vrijwillige basis een overeenkomst wordt aangegaan (anterieure overeenkomst). In dit geval is hiervan sprake. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is (9 maart 2023) een overeenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de te maken kosten. Hiermee wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht.

49

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft over het concept ontwerpbestemmingsplan vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties om hen in de gelegenheid te stellen te reageren op het voorontwerp bestemmingsplan. De Provincie heeft daarop gereageerd. De reactie is verwerkt in de toelichting. Bij de uitwerking van voorliggend plan heeft participatie plaatsgevonden, vooral met de bedrijven in de directe omgeving van het plangebied. Zo zijn de omliggende bedrijven al eerder in de procedure de omliggende bedrijven door Bnext schriftelijk benaderd over het geplande voornemen. Bedrijven konden hierop reageren als ze een gesprek wensten. Dat is ook met enkele bedrijven gebeurd. In maart 2023 is Bnext een inspanningsverplichting overeengekomen met de Stichting Glastuinbouw Terneuzen (SGT). Ook na de overname van het terrein door REKO zijn diverse gesprekken gevoerd tussen SGT en REKO, onder andere over de ontwikkeling van het terrein. Tijdens de gesprekken is het begrip voor elkaar en elkaars bedrijvigheid toegenomen en is het vertrouwen gegroeid.

Daarnaast was een belangrijk aspect tijdens de gesprekken de onderlinge kennismaking en de uitwisseling van contactinformatie zodat contact adequaat en via korte lijnen kan verlopen In het kader van die procedure wordt het bestemmingsplan na vaststelling door de gemeenteraad van Terneuzen gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd, waarbij de mogelijkheid is geboden tot het indienen van eventueel beroep bij de AbRS.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16582923/1