CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-02-25 - Bijlage 2 Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe geanon.

gemeenteraad 10 maart 2026, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Axelse Vlakte, Finlandweg ongenummerd9.855 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe Rapportnummer P-2024-0263 Staro Natuur en Buitengebied

www.starobv.nl

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe Oktober 2024

Projectnummer: In opdracht van:

P-2024-0263 ECD Milieumanagement B.V. Kapellenberglaan 40 6891 AG Rozendaal

Uitgevoerd door:

Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 info@starobv.nl www.starobv.nl

Veldonderzoek:

I. Lustenhouwer

Auteur:

K. Couwenberg

Collegiale toets:

M. den Otter

Onderzoek van Staro Natuur en Buitengebied voldoet aan de eisen die het bevoegd gezag stelt. Staro Natuur en Buitengebied is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen.

© Staro Natuur en Buitengebied, Gemert. Alle rechten voorbehouden. Behoudens uitzonderingen door de wet gesteld, mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbenden niets uit dit document worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale reproductie of anderszins.

Inhoud 1

Inleiding .............................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................4 1.2 Doel ..........................................................................................................................................4 1.3 Geldigheid onderzoek ...............................................................................................................5 1.4 Leeswijzer .................................................................................................................................5

2

Plangebied ........................................................................................................................................6 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ..........................................................................................6 2.2 Voorgenomen plannen .............................................................................................................9

3

Methode ......................................................................................................................................... 10 3.1 Literatuuronderzoek ................................................................................................................10 3.2 Veldbezoek .............................................................................................................................10

4

Natuurwaarden ............................................................................................................................... 11 4.1 Beschermde gebieden ............................................................................................................11 4.1.1 Natura 2000 .......................................................................................................................11 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................12 4.1.3 Houtopstanden ...................................................................................................................12 4.2 Beschermde soorten ..............................................................................................................13 4.2.1 Flora ...................................................................................................................................13 4.2.2 Vlinders ..............................................................................................................................14 4.2.3 Libellen ...............................................................................................................................14 4.2.4 Kevers en weekdieren .......................................................................................................14 4.2.5

Vissen ................................................................................................................................15 4.2.6 Amfibieën ...........................................................................................................................15 4.2.7 Reptielen ............................................................................................................................17 4.2.8 Vogels ................................................................................................................................17 4.2.9 Vleermuizen .......................................................................................................................18 4.2.10 Overige zoogdieren ............................................................................................................19 4.2.11 Rode-Lijstsoorten ...............................................................................................................20

5

Samenvatting ................................................................................................................................. 21 5.1 Beschermde gebieden ............................................................................................................21 5.2 Beschermde soorten ..............................................................................................................21 5.3 Maatregelen en nader onderzoek ..........................................................................................23 5.4 Omgevingsvergunning ............................................................................................................24

Geraadpleegde bronnen........................................................................................................................ 26 Bijlagen .................................................................................................................................................. 27 Bijlage 1 Wet- en regelgeving .......................................................................................................27

1 Inleiding 1.1

Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens het bedrijfsterrein aan de Finlandweg 28 te Westdorpe uit te breiden richting het westen. Op deze locatie zal materiaal (vaste afvalstoffen) opgeslagen worden op een vloeistofdichte vloer. Rond het terrein zal een hek geplaatst worden. Ten behoeve van de voorgenomen plannen is het noodzakelijk een quickscan natuur uit te voeren om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten van de voorgenomen plannen hierop.

1.2

Doel Het doel van onderliggend onderzoek is, op basis van een globale inventarisatie, een beoordeling of de Omgevingswet wordt overtreden door uitvoering van voorgenomen plannen vanwege negatieve effecten die ontstaan op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Indien mogelijk negatieve effecten ontstaan op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden dienen nadere stappen genomen te worden, zoals mitigerende maatregelen, vervolgonderzoek en/of een omgevingsvergunning verkrijgen. Soortbescherming, gebiedsbescherming en beschermde houtopstanden vallen sinds 1 januari 2024 onder de Omgevingswet (OW). Daarnaast is provinciale gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), opgenomen in de Omgevingsverordeningen van provincies. In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek stelt de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) onderdeel van de Omgevingswet vast en op welke wijze rekening gehouden dient te worden met de ‘zorgplicht voor een ieder’ en de ‘specifieke zorgplicht’ (zie kader). Tevens beoordelen we op welke wijze en in welke mate de voorgenomen plannen invloed kunnen hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten.

Op basis van de resultaten kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen dienen te worden en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten wordt overtreden. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen plannen effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden en houtopstanden. Zorgplicht voor een ieder: Art. 1.6 van OW Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Specifieke zorgplichten: Art. 11.6, 11.27 en 11.116 van Bal Voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefgebieden/habitats, Natura 2000gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, en houtopstanden kent de Omgevingswet een specifieke zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor het behoud van beschermde natuurwaarden.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

4

1.3

Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen, waarbij het basisbeginsel van goed onderzoek bestaat uit beschikbare data (NDFF) en literatuur (verspreidingsatlassen), het uitvoeren van een quickscan binnen invloedsfeer van de voorgenomen plannen. De resultaten verkregen uit onderliggende quickscan vormen geen volledige inventarisatie. In de Ow (Art. 7.197j in Omgevingsregeling) wordt de volgende definitie gegeven voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Het natuurwaardenonderzoek bevat gegevens waarvan de jongste gegevens niet ouder zijn dan drie jaar, of korter als in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht ingrijpend zijn gewijzigd.”. Ook wordt het volgende genoemd over de deskundigheid: “Het natuurwaardenonderzoek wordt verricht door een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies versterkt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten.”. Dit rapport gaat in op de effecten van de voorgenomen plannen zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de voorgenomen plannen kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen plannen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode besproken. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden en de effecten van de voorgenomen plannen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies, adviezen en vervolgstappen uiteengezet.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

5

2 Plangebied 2.1

Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt aan Finlandweg 28 buiten de bebouwde kom van Westdorpe. Het betreft een groot terrein van circa 7 hectare, grotendeels bestaande uit open kleigrond met wat reliëf en een klein deel vlak grasland. Tussen het open terrein en het grasland ligt een greppel met troebel water. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door Zijkanaal C. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrenst door een sloot en vervolgens de Finlandweg. Aan de oostkant ligt het bedrijventerrein dat gaat uitbreiden, en aan de westkant ligt een weiland en een terrein met ruigtevegetatie en struiken. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in figuur 1. De globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 2. Foto’s 1 tot en met 14 geven een impressie van het plangebied.

Figuur 1. Ligging plangebied (geel omlijnd) (PDOK, 2024)

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

6

Figuur 2. Globale begrenzing plangebied (geel omlijnd) (PDOK, 2024)

Foto 1: Noordoosten plangebied

Foto 2: Noordoosten plangebied

Foto 3: Noorden plangebied, Zijkanaal C

Foto 4: Takkenhoop in noordwesten plangebied

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

7

Foto 5: Plangebied vanuit het noordwesten

Foto 6: Midden van het plangebied

Foto 7: Midden van het plangebied

Foto 8: Zuidwesten van het plangebied, greppel tussen open terrein en weiland.

Foto 9: Zuidwesten van het plangebied

Foto 10: Sloot met riet aan de zuidgrens plangebied

Foto 11: Greppel tussen open terrein en weiland

Foto 12: Plangebied vanuit het oosten

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

8

Foto 13: Zuidoosten plangebied

2.2

Foto 14: Zuidoosten plangebied

Voorgenomen plannen De initiatiefnemer is voornemens het bedrijfsterrein aan de westzijde uit te breiden. Hier zullen vaste afvalstoffen (PAK-houdend asfalt) los gestort opgeslagen worden. De bodem wordt voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het wordt opgeslagen in de buitenlucht, zonder gebouwen/overkapping. Het gehele terrein wordt afgesloten met een hek en mogelijk worden ook lantaarnpalen geplaatst.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

9

3 Methode

Voor een quickscan wordt een literatuuronderzoek gedaan en wordt een veldbezoek uitgevoerd. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage.

3.1

Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden in en nabij het plangebied zijn onderzocht. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Door te kijken naar een combinatie van de natuurlijke verspreiding, het voorkeurshabitat, de bekende waarnemingen en de relevante dispersieafstanden van soorten wordt in beeld gebracht welke beschermde flora en fauna kunnen voorkomen in het plangebied.

3.2

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn alle aanwezige habitats opgenomen binnen het plangebied en de directe omgeving. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van individuen van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, pootafdrukken, vraatsporen en haren of veren. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige habitats worden vergeleken met de habitateisen van beschermde plant- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking, expert judgement en het literatuuronderzoek is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 10 september 2024 in de vroege middag onder de volgende weersomstandigheden: zwaar bewolkt, droog, windkracht 1 en circa 16 ˚C.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

10

4 Natuurwaarden 4.1

Beschermde gebieden Deze paragraaf beschrijft de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en de effecten van de werkzaamheden op deze gebieden. Tevens wordt ingegaan op de beschermde houtopstanden en wordt beoordeeld of deze aanwezig zijn in het plangebied.

4.1.1

Natura 2000 Uit de kaarten van de website van de provincie Zeeland blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 5,2 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied ligt, zie figuur 3. Dit betreft het Natura 2000-gebied Canisvliet.

Figuur 3. Ligging plangebied (zwart omlijnd) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (grijs vlak) (Provincie Zeeland, 2024)

Effectbeoordeling Doordat het plangebied buiten een Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen. Vanwege de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de plannen, kan worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUSberekening.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

11

4.1.2

Natuurnetwerk Nederland Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; in provincie Zeeland bestaande uit Natuurnetwerk Zeeland) heeft als doel om natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Uit de kaarten op de website van provincie Zeeland blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNN ligt op circa 10 meter ten noordwesten van het plangebied. Het NNN-gebied ligt in de berm en betreft een strook kruiden- en faunarijk grasland. De ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 4.

Figuur 4. Ligging plangebied (zwart omlijnd) ten opzichte van het NNN (groene vlakken) (Provincie Zeeland, 2024)

Effectbeoordeling Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gezien de lokale aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.1.3

Houtopstanden De Omgevingswet heeft tot doel om houtopstanden te beschermen (Art. 4.35). De wet werkt vanuit het principe dat de oppervlakte houtopstanden in Nederland behouden moet blijven. Beschermde houtopstanden moeten aan beide voorwaarden voldoen: + de houtopstand ligt buiten de vastgestelde ‘bebouwde kom houtopstanden’; + de houtopstand vormt een zelfstandige eenheid van groter dan 1.000m2 óf de houtopstand betreft een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Indien bomen worden gekapt en de houtopstand voldoet aan deze voorwaarden dient een melding te worden ingediend bij het Omgevingsloket. Gedeputeerde Staten van de provincie is bevoegd gezag. Voor het kappen en vellen van een (deel van een) houtopstand geldt een herplantplicht. Naast eisen vanuit de OW kunnen de provincie en de gemeente extra eisen stellen ten aanzien van de kap en herplant. Ook zijn er scenario’s waardoor de meldplicht en herplantplicht niet aan de orde zijn, zie bijlage 1.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

12

Effectbeoordeling In het plangebied zijn enkele vrijstaande, kleine bomen (wilg en vlier) aanwezig. Deze begroeiing voldoet niet aan bovenstaande voorwaarden. Derhalve zijn beschermde houtopstanden in het plangebied niet aan de orde.

4.2

Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de voorgenomen plannen zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is.

4.2.1

Flora Uit de gegevens van de NDFF (2024) blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen beschermde plantensoorten zijn waargenomen. Binnen 500 meter van het plangebied is de Rode-lijstsoort rode ogentroost waargenomen.

+ Rode ogentroost is een plaatselijk vrij algemene soort, onder andere langs de kust. De soort komt voor op vochtige, soms brakke, verstoorde grond in zeeduinen, braakliggende terreinen, graslanden, bermen en oevers. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in het plangebied. Het plangebied biedt voor rode ogentroost geschikt leefgebied. Echter zijn alle waarnemingen van deze soort van de afgelopen 10 jaar gedaan ten noorden en zuiden van de Grote Kreek, op circa 1,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Het is mogelijk dat rode ogentroost groeit binnen het plangebied, maar de kans hierop is niet erg groot. Als het plangebied in gebruik genomen wordt als bedrijfsterrein is het behouden van de mogelijk aanwezige planten niet mogelijk. Het kan redelijkerwijs niet van de initiatiefnemer gevraagd worden om deze planten, als ze aanwezig zijn, te behouden. Tijdens het veldbezoek is Aziatische duizendknoop aangetroffen vlak naast het plangebied, op de noordwestelijke grens van het plangebied met het ruigteperceel. Effectanalyse Aziatische duizendknopen zijn zeer invasieve exoten. De wortels van de plant kunnen tot wel 4 meter diepte groeien en zijn erg sterk. Elk stukje wortel en stengeldeel met knoop woekert onder de grond en groeit weer uit tot een nieuwe plant. Hierdoor kan schade ontstaan aan wegen, rioolbuizen, funderingen, etc.

Eenmaal gevestigd, zijn de soorten zeer moeilijk weg te krijgen. Mitigerende maatregelen Om verdere verspreiding van en schade door de Aziatische duizendknoop te voorkomen, wordt geadviseerd om deze soort te verwijderen. Aziatische duizendknopen dienen geheel, met wortel en tak, verwijderd te worden. Wortels en stengeldelen dienen te worden afgevoerd naar een gecertificeerde verwerker.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

13

4.2.2

Vlinders Uit de gegevens van de NDFF (2024), de Vlinderstichting (2024) en Bos et al. (2006) blijkt dat binnen vijf kilometer afstand van het plangebied teunisbloempijlstaart (§11.2.3 Bal), grote vos en grote weerschijnvlinder (§11.2.4 Bal) zijn waargenomen. Binnen 500 meter van het plangebied is oranje zandoogje waargenomen.

+ Teunisbloempijlstaart is een zeldzame soort die voorkomt in open plekken in +

+

+

vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten zijn wilgenroosje, teunisbloem, bastaardwederik en kattenstaart. Grote vos is een zeldzame en kwetsbare soort die voorkomt in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplanten van deze soort zijn vooral iep, maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. Grote weerschijnvlinder is een tot voor kort zeldzame (nu een niet bedreigde) standvlinder die voorkomt in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De waardplant van deze soort is vooral boswilg, soms grauwe wilg. Oranje zandoogje komt voornamelijk voor op ruige, kruidenrijke graslanden in een bosrijke omgeving, braakliggende terreinen en wegbermen. De waardplanten van deze soort zijn diverse algemene grassoorten.

Tijdens het veldbezoek zijn waardplanten van teunisbloempijlstaart waargenomen, wilgenroosje en teunisbloem. Deze planten zijn tijdens het veldbezoek gecontroleerd op rupsen en tekenen van vraatschade, maar deze zijn niet aangetroffen. In het plangebied ontbreken de geschikte habitats voor grote vos en grote weerschijnvlinder. Van teunisbloempijlstaart zijn geen sporen aangetroffen. Voortplantingshabitat van deze soorten kan in het plangebied uitgesloten worden. Voor oranje zandoogje zijn zowel de waardplanten als de geschikte habitat aanwezig. Het kan redelijkerwijs niet van de initiatiefnemer gevraagd worden om de waardplanten van oranje zandoogje (zeer algemene grassoorten) te behouden.

4.2.3

Libellen Uit de gegevens van de NDFF (2024), de Vlinderstichting (2024) en Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie (2002) blijkt dat binnen vijf kilometer afstand van het plangebied geen beschermde soorten zijn waargenomen. Binnen het plangebied is een greppel aanwezig die geen geschikt voortplantingshabitat biedt voor beschermde libelsoorten. Het voorkomen van voortplantingshabitat van beschermde libellen in het plangebied is uitgesloten.

4.2.4

Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF (2024) en EIS Nederland (2024) komen geen beschermde kevers en weekdieren voor in de omgeving van het plangebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend,

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

14

daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het plangebied kunnen voorkomen.

+ Vliegend hert (§11.2.4 Bal) komt voor in (oude) eikenbossen. + De beschermde houtkevers; vermiljoenkever, heldenbok en juchtleerkever (alle +

+

§11.2.3 Bal) zijn afhankelijk van oude of holle vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. De beschermde waterkever gestreepte waterroofkever (§11.2.3 Bal) is voor het voorkomen afhankelijk van sloten en kanalen met helder water, zeer spaarzame of afwezige drijvende en onderwatervegetatie en komt vooral voor in laagveengebieden. De brede geelgerande waterroofkever (§11.2.3 Bal) komt in Nederland alleen voor in enkele vennen in Drenthe met helder water, blad op de bodem en de aanwezigheid van grote kokerjuffers. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§11.2.3 Bal) is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse stroommossel (§11.2.3 Bal) is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Deze soort is al 50 jaar niet meer waargenomen in Nederland.

Bovenstaande habitats met bossen komen in het plangebied niet voor. Wel is een greppel aanwezig binnen het plangebied. Het water in deze greppel is troebel en voldoet niet aan de habitateisen van platte schijfhoren. De aanwezigheid van alle bovenstaande soorten is derhalve uitgesloten

4.2.5

Vissen Uit de gegevens van Kranenbarg et al. (2022), RAVON (2024) en de NDFF (2024) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissoorten zijn waargenomen. De greppel is ongeschikt als leefgebied voor beschermde vissoorten. Vanwege het ontbreken van geschikt oppervlaktewater is het voorkomen van beschermde vissoorten in het plangebied uitgesloten.

4.2.6

Amfibieën Uit de gegevens van RAVON (2024), de NDFF (2024) en Creemers & Van Delft (2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied rugstreeppad (§11.2.3 Bal), bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (alle §11.2.4 Bal) zijn waargenomen. Bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander zijn algemene en niet-kritische soorten. Ze hebben geen uitgesproken voorkeur voor specifiek land-, overwinteringsof voortplantingshabitat en kunnen in een grote variatie aan leefgebieden voorkomen waaronder dorpen en steden. +

Meerkikker is een zon- en warmteminnende soort die een voorkeur heeft voor onbeschaduwde wateren en begroeiing op de oevers. Meerkikker prefereert stilstaande of langzaam stromende sloten en beken in een rijk begroeide en

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

15

+

waterrijke omgeving, zoals polders en rivierdalen. Overwintering vindt vrijwel altijd plaats in het water. Rugstreeppad is een pionierssoort van hoog dynamische gebieden en komt onder andere voor in duinen en ruderale terreinen op zonnige plekken met weinig vegetatie. Rugstreeppad plant zich voort in wateren die zich in de pioniersfase bevinden; ondiepe, meestal geheel vegetatieloze, meestal tijdelijke watertjes zoals volgelopen greppels, regenplassen en rijsporen. Het water is snel opgewarmd en de aanwezigheid van vis is geen probleem. Rugstreeppad overwintert ingegraven in de grond, in muizenholletjes en onder materialen zoals tegels en pallets.

In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de greppel, in de sloot langs het zuiden en in regenplassen. Dit is mogelijk voortplantingshabitat voor bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad. De ruigere vegetatie langs de randen van het plangebied kunnen als overwinteringshabitat gebruikt worden door bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Meerkikker kan overwinteren in de greppel en in de sloot. Rugstreeppad kan overwinteren in de vergraafbare grond. De grote takkenhoop kan ook gebruikt worden als overwinteringshabitat door amfibieën. Effectbeoordeling Bij het verwijderen van dekkingbiedende vegetatie of takkenhopen en bij graafwerkzaamheden of egaliseren kan mogelijk het land- en overwinteringshabitat van bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad worden vernietigd en individuen worden verwond of gedood. Bij het dempen van de greppel, sloot en de regenplassen in en langs het plangebied kan mogelijk voortplantingshabitat van amfibieën en overwinteringshabitat van meerkikker vernietigd worden en individuen worden verwond of gedood. Mitigerende maatregelen Voor bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Zeeland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van het Bal onderdeel van de Omgevingswet.

Wel gelden de zorgplichten, zie kader in hoofdstuk 1. In het kader van de zorgplicht dienen de greppel en de sloot aanwezig binnen en langs het plangebied te worden gedempt buiten de voortplantingsperiode van amfibieën (globaal van februari tot en met september). Het verwijderen van vegetatie en takkenhopen dient plaats te vinden buiten de overwinteringsperiode van deze soorten (globaal van november tot en met februari). Op plekken waar amfibieën verwacht kunnen worden (tussen dekkingbiedende vegetatie) dient rustig en in één richting gewerkt te worden, zodat individuen kunnen vluchten in een veilige richting. Voor rugstreeppad geldt deze vrijstelling niet en dienen maatregelen te worden genomen. Het plangebied biedt geschikt land-, overwinterings- en voortplantingshabitat voor rugstreeppad. Derhalve dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van rugstreeppad binnen het plangebied. + Indien rugstreeppad aanwezig is dient een vergunning aangevraagd te worden voor de werkzaamheden. Dan dienen ook mitigerende en compenserende maatregelen te worden getroffen zoals werken buiten de kwetsbare perioden, nieuw leefgebied aanbieden en het wegvangen van individuen in het plangebied.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

16

+ Indien rugstreeppad niet aanwezig is, wordt aangeraden om het plangebied met amfibieënschermen af te zetten zodat de soort het terrein niet in kan lopen tijdens de werkzaamheden. Als rugstreeppad in het gebied aanwezig is gedurende de werkzaamheden dienen deze te worden stilgelegd en is alsnog een vergunning nodig.

4.2.7

Reptielen Uit gegevens van RAVON (2024), de NDFF (2024) en Creemers & Van Delft (2009) blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde soorten zijn waargenomen. Beschermde reptielen komen met name voor in bossen, heiden, veengebieden en uiterwaarden. Door de afwezigheid van soorten in de omgeving en door de afwezigheid van geschikt leefgebied is het voorkomen van beschermde reptielensoorten in het plangebied uitgesloten.

4.2.8

Vogels Uit de gegevens van de NDFF (2024) blijkt dat de volgende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest zijn waargenomen in de wijde omgeving van het plangebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, ransuil, wespendief (alle §11.2.2 Bal). Binnen 500 meter van het plangebied zijn de volgende Rode-Lijstsoorten waargenomen: boerenzwaluw, gele kwikstaart, graspieper, keep, kneu, koekoek, nachtegaal, paapje, patrijs, tapuit, torenvalk, veldleeuwerik, watersnip en wulp. Tijdens het veldbezoek is een buizerd jagend boven het grasland in het plangebied waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen hoge bomen aanwezig en daardoor geen nestgelegenheid voor boomvalk, buizerd, ransuil en wespendief. Daarnaast ontbreekt het aan andere hoge plekken zoals palen, masten of torens en bossen waardoor het ontbreekt aan nestmogelijkheden voor torenvalk. Ook gebouwen zoals huizen, stallen en schuren ontbreken waardoor geen nestgelegenheid aanwezig is voor gierzwaluw en boerenzwaluw. Keep is een soort die vrijwel nooit in Nederland broedt, en als ze dat doen is het in bossen, dus kunnen broedgevallen in het plangebied worden uitgesloten. Voor de Rode-Lijstsoorten gele kwikstaart, graspieper, kneu, koekoek, nachtegaal, paapje, patrijs, tapuit, veldleeuwerik, watersnip en wulp zijn mogelijkheden voor nesten aanwezig in het grasland van het plangebied.

Ook voor algemene vogelsoorten is nestgelegenheid aanwezig in het plangebied. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vogelsoorten met en zonder jaarrond beschermd nest. Effectbeoordeling Door het uitbreiden van het bedrijfsterrein kunnen nesten in het grasland vernietigd worden en broedende vogels worden verstoord. Zoals nesten van gele kwikstaart,

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

17

gaspieper, kneu, koekoek, paapje, tapuit, veldleeuwerik, watersnip en wulp. Bij het verwijderen van ruigte, struiken en bomen kunnen nesten van algemene vogels worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Door de uitbreiding van het bedrijfsterrein zal het plangebied minder geschikt worden als foerageergebied voor vogels. In de directe omgeving blijft voldoende, even geschikt foerageergebied behouden, waardoor de voorgenomen plannen geen negatief effect zullen hebben op het foerageergebied van vogels. Mitigerende maatregelen Door de werkzaamheden in het plangebied uit te voeren buiten het broedseizoen van vogels worden negatieve effecten op broedgevallen voorkomen. Als het niet mogelijk is buiten het broedseizoen te werken dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Als hieruit blijkt dat geen broedgevallen aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden starten. Als wel broedgevallen aanwezig zijn dienen de werkzaamheden alsnog te worden uitgesteld tot de jonge vogels niet meer afhankelijk zijn van het nest. Een andere optie is om het terrein broedvrij te houden.

Hierdoor wordt, zo goed als mogelijk is, voorkomen dat vogels in het plangebied gaan broeden. Broedvrij houden is een langdurige en arbeidsintensieve maatregel.

4.2.9

Vleermuizen Uit de gegevens van de NDFF (2024) en de Zoogdiervereniging (2024) blijkt dat de soorten baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (alle §11.2.3 Bal) voorkomen in de wijde omgeving van het plangebied. Door het ontbreken van grote bomen met boomholten en gebouwen binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Vleermuizen kunnen foerageren boven het plangebied. Het plangebied is niet erg geschikt als foerageergebied voor vleermuizen doordat er geen windluwe plekken zijn. Het kanaal ten noorden van het plangebied kan gebruikt worden als vliegroute door vleermuizen. Vliegroutes liggen langs lijnvormige elementen zoals watergangen en laanbomen. Effectbeoordeling Door de uitbreiding van het bedrijfsterrein zal foerageergebied van vleermuizen verdwijnen. In de directe omgeving blijft voldoende, even geschikt foerageergebied behouden, waardoor de voorgenomen plannen geen negatief effect zullen hebben op het foerageergebied van vleermuizen.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

18

Door het plaatsen van verlichting op het terrein (tijdens de werkzaamheden en/of in de nieuwe situatie) kunnen vleermuizen verstoord worden. Vleermuizen zijn zeer gevoelig voor licht verstoring. Mitigerende maatregelen Aangeraden wordt om geen extra verlichting te plaatsen in het plangebied (tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie). Indien dit wel nodig is wordt aangeraden om gebruik te maken van ‘vleermuisvriendelijke’ verlichting. Dit is verlichting met een zo ‘warm’ mogelijke lichtkleur en met afschermende armatuur. Bij voorkeur een lichtbron met lichtwarmte <2700K en golflengte >540 nm. Door het armatuur kan het licht naar beneden gericht worden, en niet richting het kanaal en de percelen ten westen van het plangebied.

4.2.10 Overige zoogdieren Uit gegevens van Broekhuizen et al. (2016), Zoogdiervereniging (2024) en NDFF (2024) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende soorten zijn waargenomen: bever (§11.2.3 Bal), algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, haas, konijn, ree en vos (alle §11.2.4 Bal). Tussen één en twee kilometer afstand van het plangebied zijn bunzing, eekhoorn, steenmarter en veldspitsmuis (alle §11.2.4 Bal). Tussen twee en vijf kilometer afstand van het plangebied zijn hermelijn en wezel (beide §11.2.4 Bal) waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn konijnenkeutels waargenomen in het plangebied. Het grasland binnen het plangebied biedt geschikt habitat voor algemene spits-, woel-, en ware muizensoorten, konijn, haas en veldspitsmuis. Van deze soorten kunnen ook verblijfplaatsen aanwezig zijn in het plangebied. Binnen het plangebied is een grote takkenhoop aanwezig. Rondom de takkenhoop is geen verbinding in de vorm van struiken of dekkingbiedende, ruigte vegetatie aanwezig. Het wordt hierdoor niet verwacht dat de takkenhoop dient als verblijfplaats voor marterachtigen. Mogelijk zijn wel verblijfplaatsen van algemene muizensoorten aanwezig in de takkenhoop.

Het grasland en de randen van het plangebied met dekkingbiedende ruigtevegetatie kunnen door egel, bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel gebruikt worden als onderdeel van het grotere leefgebied en mogelijk zijn verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig. Voor ree en vos ontbreken verblijfplaatsen in het plangebied. Deze soorten kunnen wel incidenteel het plangebied doorkruisen. Het ontbreekt binnen het plangebied aan grote bomen met aaneengesloten boomkronen, hierdoor is geen geschikt leefgebied aanwezig voor eekhoorn. Voor bever ontbreekt het geschikte habitat in het plangebied met wateren, bomen en struiken. De aanwezigheid van bever en eekhoorn kan worden uitgesloten in het plangebied.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

19

Effectbeoordeling Door de werkzaamheden wordt mogelijk leefgebied en verblijfplaatsen van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, veldspitsmuis, konijn, haas, egel, bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel vernietigd en kunnen individuen worden gedood. De werkzaamheden hebben geen effect op vos en ree. Individuen kunnen zich makkelijk verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden (indien ze hiervoor de mogelijkheid krijgen). Mitigerende maatregelen Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel geldt in provincie Zeeland een vrijstelling van de verbodsbepalingen van het Bal onderdeel van de Omgevingswet. Wel gelden de zorgplichten, zie kader in hoofdstuk 1. In het kader van de zorgplicht dient bij het verwijderen van de vegetatie rustig en in één richting te worden gewerkt. Als gewerkt wordt richting het westen geeft dit aanwezige individuen de mogelijkheid te vluchten in een veilige richting (dus niet richting de weg of het water). Bij voorkeur wordt ook gewerkt buiten de overwinteringsperiode van egel, deze loopt van november tot en met half mei. Deze vrijstelling geldt in Provincie Zeeland niet voor veldspitsmuis, konijn, haas, bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel. Voor deze soorten dient de aanwezigheid te worden uitgesloten middels nader onderzoek.

Als de aanwezigheid niet uitgesloten kan worden dient voor deze soorten een vergunning te worden verkregen voordat de werkzaamheden van start kunnen gaan.

4.2.11 Rode-Lijstsoorten Alle Rode-Lijstsoorten aangetroffen binnen 500 meter van het plangebied zijn behandeld in paragraaf 4.2.1 ‘Flora’, paragraaf 4.2.2. ‘Vlinders’ en paragraaf 4.2.8 ‘Vogels’. Waarnemingen van andere Rode-Lijstsoorten zijn niet bekend in de omgeving van het plangebied.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

20

5 Samenvatting 5.1

Beschermde gebieden Gezien de kleinschalige aard van de voorgenomen werkzaamheden en de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (5,2 kilometer) is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Vanwege de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de plannen, kan worden aangenomen dat geen negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden optreden. Dit is echter alleen uit te sluiten middels een AERIUS-berekening. Ten aanzien van het NNN hebben de voorgenomen plannen geen negatief effect tot gevolg op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In het plangebied zijn enkele vrijstaande bomen aanwezig. Deze begroeiing voldoet niet aan bovenstaande voorwaarden. Derhalve zijn beschermde houtopstanden in het plangebied niet aan de orde.

5.2

Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, onderdeel van de OW, of soorten die staan op de Rode Lijst. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, vissen en reptielen voorkomen. Voor alle aanwezige soorten in het plangebied gelden de zorgplichten, zie kader in hoofdstuk 1. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 11.2.2 van het Bal Het grasland en de bomen en struiken binnen het plangebied bieden nestmogelijkheid voor vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren worden nesten niet vernietigd en broedgevallen niet verstoord. Als gedurende het broedseizoen wordt gewerkt is voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck nodig waaruit blijkt dat geen vogels aan het broeden zijn, of dient het gebied broedvrij gehouden te worden. Binnen het plangebied verdwijnt foerageergebied voor vogelsoorten. In de omgeving blijft genoeg foerageergebied over. Soorten van paragraaf 11.2.3 van het Bal Het plangebied fungeert mogelijk als foerageergebied voor vleermuizen.

Langs het kanaal kan een vliegroute van vleermuizen liggen. Door ‘vleermuisvriendelijke’ verlichting toe te passen wordt verstoring van vleermuizen zoveel mogelijk voorkomen. De aanwezigheid van rugstreeppad in het plangebied kan niet uitgesloten worden. Derhalve is nader onderzoek nodig naar de soort. Als hieruit blijkt dat rugstreeppad aanwezig is dient voor het uitvoeren van de werkzaamheden een vergunning te worden verkregen. Als rugstreeppad

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

21

niet aanwezig is wordt aangeraden om een amfibieënscherm rond het gebied te plaatsen om te voorkomen dat rugstreeppad alsnog het gebied betreedt. Soorten van paragraaf 11.2.4 van het Bal Werkzaamheden hebben negatief effect op voortplantingshabitat en land- en winterhabitat van bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. De volgende maatregelen dienen te worden genomen in het kader van de zorgplicht. Potentieel geschikt voortplantingswater dient gedempt te worden buiten de voortplantingsperiode. Dekkingbiedende vegetatie en de takkenhoop dienen te worden verwijderd buiten de winterrustperiode. In het grasland en de ruigtevegetatie aan de randen van het plangebied kunnen verblijfplaatsen en leefgebied aanwezig zijn van algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, veldspitsmuis, egel, konijn, haas, bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel. Voor algemene muizen en egel geldt een vrijstelling, en dient in het kader van de zorgplicht buiten de winterperiode te worden gewerkt. Tevens is het aan te raden om de werkzaamheden rustig op te starten en in één richting (veilige richting) te werken. Zodat individuen op eigen kracht het plangebied kunnen verlaten, bij voorkeur richting het westen en niet richting de weg of het water. Op deze manier kunnen ook ree en vos die incidenteel het plangebied doorkruisen op eigen kracht wegkomen.

Voor konijn, haas, veldspitsmuis en de marterachtigen geldt geen vrijstelling. Voor deze soorten wordt aangeraden om nader onderzoek uit te voeren naar de aan- of afwezigheid in het plangebied. Voor de soorten die aanwezig blijken te zijn is een vergunning nodig om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Rode-Lijstsoorten Rode ogentroost en oranje zandoogje kunnen voorkomen in het gebied. Het is niet redelijkerwijs van de initiatiefnemer te vragen om rode ogentroost planten en de waardplanten van oranje zandoogje te behouden in het plangebied. Voor de vogelsoorten die op de Rode Lijst staan worden al afdoende maatregelen genomen, deze zijn genoemd in ‘Soorten van paragraaf 11.2.2 van het Bal’. Exoten Tijdens het veldbezoek is Aziatische duizendknoop aangetroffen. Dit is een zeer invasieve exoot die schade kan aanbrengen aan rioolbuizen, funderingen, etc. Aangeraden wordt de Aziatische duizendknoop geheel, met wortel en tak, te verwijderen. Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied Soort(groep)

Bescherming

Functie plangebied

Mogelijk

Vergunning

effect

nodig Nee, mits

§11.2.2 Bal Vogels

(inclusief

Nestgelegenheid

Ja

Rode Lijst)

Vogels

§11.2.2 Bal

maatregelen worden uitgevoerd

Foerageergebied

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

Nee

-

Maatregelen

Werken buiten broedseizoen. Of binnen broedseizoen na een check of door broedvrij houden. -

22

Soort(groep)

Bescherming

Functie plangebied

Mogelijk

Vergunning

effect

nodig Nee, mits

Vleermuizen

§11.2.3 Bal

Foerageergebied en vliegroute

Ja

maatregelen worden uitgevoerd

Maatregelen

Toepassen van ‘vleermuisvriendelijke’ verlichting. Nader onderzoek uitvoeren.

Voortplantingshabitat Rugstreeppad

§11.2.3 Bal

en land- en overwinterings-

Indien aanwezig Ja

Mogelijk

vergunning verkrijgen. Indien niet aanwezig,

habitat

plangebied ontoegankelijk maken.

Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander

§11.2.4 Bal

en meerkikker

en land- en overwinterings-

Ja

habitat

Algemene spits-, woel- en ware

Water dempen en

Voortplantingshabitat

§11.2.4 Bal

muizen en egel

Verblijfplaatsen en leefgebied

Nee,

verwijderen vegetatie

algehele

en takkenhopen

vrijstelling

buiten kwetsbare perioden.

Nee, Ja

algehele vrijstelling

Konijn, haas,

§11.2.4 Bal

bunzing, hermelijn

Verblijfplaatsen en leefgebied

Ja

Mogelijk

5.3

buiten kwetsbare periode.

uitvoeren. Indien aanwezig vergunning verkrijgen.

en wezel

Vos en ree

en takkenhopen

Nader onderzoek

veldspitsmuis, steenmarter,

Verwijderen vegetatie

§11.2.4 Bal

Incidenteel onderdeel leefgebied

Werkzaamheden Nee

-

rustig opstarten en richting veilige uitweg.

Rode ogentroost

Rode Lijst

Habitat

Ja

Nee

-

Oranje zandoogje

Rode Lijst

Voortplantingshabitat

Ja

Nee

-

Maatregelen en nader onderzoek De ontwikkelingen in het plangebied leiden mogelijk tot een overtreding van de OW. Voor vogels, vleermuizen, algemene amfibieën, verschillende algemene grondgeboden zoogdieren kan dit voorkomen worden door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor rugstreeppad, konijn, haas, veldspitsmuis, en marterachtigen kan door middel van nader onderzoek in beeld gebracht worden of de soorten aanwezig zijn, wat de effecten van de ontwikkeling zijn en of een activiteitenplan en omgevingsvergunning nodig is. Mitigerende maatregelen + Niet starten met de werkzaamheden voordat alle onderzoeken zijn afgerond en de benodigde maatregelen zijn getroffen. + Vleermuisvriendelijke verlichting toepassen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

23

+ Door de werkzaamheden in het grasland, de struiken, bomen, ruigtevegetatie en + + + +

takkenhopen uit te voeren tussen 1 augustus en 1 november kunnen negatieve effecten op vogels, algemene amfibieën en egel worden uitgesloten. Werken gedurende het broedseizoen is alleen mogelijk als vooraf vastgesteld is dat hier geen vogels broeden door een broedvogelcheck of door het broedvrij houden van het terrein. Door werkzaamheden aan de greppel, sloot en diepe plassen uit te voeren tussen 1 oktober en 1 februari kunnen negatieve effecten op algemene amfibieën worden uitgesloten. Aangeraden wordt om rond het terrein een amfibieënscherm te plaatsen zodat rugstreeppad het terrein niet kan betreden, mits deze soort nu nog niet aanwezig is. Werkzaamheden rustig opstarten en werken in een veilige richting (niet richting water of weg) zodat dieren op eigen kracht kunnen vluchten.

Nader onderzoek + Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van rugstreeppad, konijn, haas, veldspitsmuis, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel binnen plangebied. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken dienen de benodigde maatregelen uitgevoerd te worden. Mogelijk houdt dit in dat een vergunning verkregen dient te worden voor verschillende soorten om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. + Middels een AERIUS-berekening kan worden uitgerekend of de plannen een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden met betrekking tot stikstofuitstoot.

5.4

Omgevingsvergunning Indien uit het nader onderzoek blijkt dat essentieel onderdelen van het leefgebied aanwezig zijn voor rugstreeppad, konijn, haas, veldspitsmuis, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel dient voorafgaand aan de werkzaamheden een vergunning te worden verkregen om de verbodsbepalingen te overtreden van de Omgevingswet. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan bij het Omgevingsloket worden ingediend. De aanvraag kan pas worden ingediend als het nader onderzoek helemaal is afgerond. Bij de aanvraag dient ook een mitigatieplan/activiteitenplan ingediend te worden. Hierin staat onder andere welke mitigerende en compenserende maatregelen genomen zullen worden. De beslistermijn voor de beoordeling van de aanvraag is acht weken, gerekend vanaf het moment dat u uw aanvraag heeft ingediend, en kan éénmalig verlengd worden met zes weken. Als niet alle gevraagde informatie bij de aanvraag is meegestuurd, kan de afhandeling langer duren. Een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten kan alleen worden verkregen als aan de volgende vijf punten wordt voldaan (Omgevingsregeling artikel 7.197 j-r, Besluit Kwaliteit Leefomgeving artikel 8.74 j-l): 1. Bestudeerde alternatieven worden aangeleverd voor de activiteit en een onderbouwing waarom er geen andere bevredigende oplossing is dan het verrichten van de activiteit; 2.

De activiteit doet geen afbreuk aan het streven de populaties van de betrokken soort(en) in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 3. Mitigerende maatregelen worden getroffen om schade aan de soort te voorkomen en compenserende maatregelen worden getroffen om onvermijdelijke schade aan de soort te herstellen.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

24

4. 5.

Een natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd, waarbij gegevens en onderzoeksresultaten bevat jonger dan drie jaar. Er is sprake van een in de wet genoemd belang. Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (waaronder rugstreeppad) kan een vergunning worden verkregen op grond van de volgende belangen: + In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; + Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; + In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Voor andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (waaronder de hierboven genoemde grondgebonden zoogdieren) kan een vergunning worden verkregen op grond van onder andere de volgende belangen: + De belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd; + In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden; + Ter voorkoming van schade of overlast; + In het kader van bestendig beheer of onderhoud; + In het algemeen belang.

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

25

Geraadpleegde bronnen Literatuur

+ Bos F., Bosveld, M., Groenendijk, D., van Swaay, C., Wynhoff, I., & De Vlinderstichting. (2006). De

+

+ + +

dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea) (Nederlandse Fauna 7). Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C., & Zoogdiervereniging. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Natuur van Nederland 12). J. van Tol (Naturalis Biodiversity Center), R. Kleukers (EIS kenniscentrum insecten en andere ongewervelden) & B. van der Hoorn (Naturalis Biodiversity Center). Creemers, R.C.M., van Delft, J.J.C.W., & RAVON. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland (Nederlandse Fauna 9). Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey Nederland. Kranenbarg, J., Herder, J.E., van Emmerik, W.A.M., Groen, M. (2022). Visatlas van Nederland. RAVON, Sportvisserij Nederland, Noordboek. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. (2002). De Nederlandse libellen (Odonata) (Nederlandse Fauna 4). J. Krikken (Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis).

Internet

+ Bij12. (2024). Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming

+ De NDFF Verspreidingsatlas. (2024). NDFF Verspreidingsatlas. www.verspreidingsatlas.nl + De Vlinderstichting. (2024). De Vlinderstichting. www.vlinderstichting.nl + EIS Kenniscentrum insecten en andere ongewervelden. (2024). EIS kenniscentrum. www.eisnederland.nl

+ Observation International. (2024). Waarneming.nl. www.waarneming.nl + PDOK. (2024). PDOK Viewer. https://app.pdok.nl/viewer/ + Provincie Zeeland. (2024). Atlas van Zeeland. https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland + RAVON. (2024). RAVON. www.ravon.nl + Stichting NDFF. (2024). Nationale Databank Flora en Fauna. Geraadpleegd op 30 september 2024 09:30 van www.ndff-ecogrid.nl

+ Zoogdiervereniging. (2024). Zoogdiervereniging. www.zoogdiervereniging.nl

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

26

Bijlagen Bijlage 1

Wet- en regelgeving

Omgevingswet In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2024 geregeld in de Omgevingswet. Deze wet regelt de bescherming van de fysieke omgeving, en daaronder vallen beschermde natuurgebieden, leefgebieden van beschermde soorten en houtopstanden. Deze wet combineert een groot aantal wetten, waaronder de Wet natuurbescherming die sinds 2017 van kracht was. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland is geconcretiseerd in de omgevingsverordeningen van de provincies. Zorgplicht voor een ieder Art. 1.6 van OW Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat diens activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: + alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, + voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, + als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Het is verboden een activiteit te verrichten of na te laten, als door het verrichten of nalaten daarvan aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Specifieke zorgplichten: Art.

11.6, 11.27 en 11.116 van Bal Voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefgebieden/habitats, Natura 2000- gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, en houtopstanden kent de Omgevingswet een specifieke zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor het behoud van beschermde natuurwaarden. Deze worden behandeld in onderstaande kopjes. Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Omgevingswet dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan middels een vergunning; het ‘nee, tenzij-principe’. De Omgevingswet kent de volgende drie categorieën beschermde soorten (zie tabel 1): 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor een vergunning voor het overtreden van de verboden.

De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden

Quickscan natuur Finlandweg 28 te Westdorpe, oktober 2024

27

verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een vergunning moet aan drie criteria zijn voldaan: + Er geen andere bevredigende oplossing bestaat; + Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; + De activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een vergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 §11.2.2 Bal

Categorie 2 §11.2.3 Bal

Categorie 3 §11.2.4 Bal

Art 11.37 Lid 1 a

Art 11.46 Lid 1 a

Art 11.54 Lid 1 a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te

natuurlijke verspreidingsgebied

doden of te vangen

vangen

opzettelijk te doden of te vangen

Art 11.37 Lid 1 b

Art 11.46 Lid 1 b

Art 11.54 Lid 1 b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden dieren opzettelijk te

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

verstoren

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

vernielen of te beschadigen, of nesten

Art 11.46 Lid 1 c

van dieren opzettelijk te beschadigen

van vogels weg te nemen

Het is verboden eieren van dieren in

of te vernielen

Art 11.37 Lid 1 c

de natuur opzettelijk te vernielen of te

Art 11.54 Lid 1 c

Het is verboden eieren te rapen en

rapen

Het is verboden plantensoorten in hun

deze onder zich te hebben

Art 11.46 Lid 1 d

natuurlijke verspreidingsgebied

Het is verboden de

opzettelijk te plukken en te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

verzamelen, af te snijden, te

van dieren te beschadigen of te

ontwortelen of te vernielen

Art 11.37 Lid 3 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van

vernielen

instandhouding van de desbetreffende

Art 11.46 Lid 1 e

vogelsoort

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16582912/1