CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-01-21 - bijlage 3 Tnz Centrum, Nieuwstraat-Arsenaalstraat Bijlagen toelichting geanon

gemeenteraad 5 februari 2026, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen herstelbesluit (gewijzigd) bestemmingsplan Terneuzen Centrum, Nieuwstraat-Arsenaalstraat28.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

12

2445571100

ADC

Archeologisch bureauonderzoek in het kader van renovatie kanaal van Gent naar Terneuzen. Geen resultaten gekend in Archis.

13

4013414100

ADC/Deltares

Archeologisch booronderzoek Nieuwe Sluis Terneuzen (2016). In een aantal deelgebieden zijn steentijd vuursteenartefacten (mesolithicum of neolithicum) aangetroffen als ook aardewerkfragmenten uit jongere tijdvakken (late middeleeuwen – nieuwe tijd). Het aangetroffen materiaal lag veelal in verplaatste context. Bij de gebruikte Avegaarboormethode kan vervuiling optreden van de aangeboorde sedimenten.

48

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Figuur 26 Foto van een fundering uit de nieuwe tijd aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek van Erfgoed Zeeland, uitgevoerd in 2021. Bron: Erfgoedrapporten Zeeland, nr. 17: 24.

In onderstaande tabel worden de vondstlocaties kort besproken die in Archis bekend zijn in een straal van 500 m rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers in figuur 23. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

14

1174766

NTL

Hoort bij onderzoek nr. 4. Er zijn resten van vestingwerken aangetroffen.

15

1097828

MEL-NT

Vondsten uit uitgegraven grond afkomstig van de locatie TerneuzenNoordstraat 77, gestort op het erf van de vinder. Opmerkelijk is de grote hoeveelheid Weser en ander Duits witbakkend aardewerk.

16

1100013

NTM-NTL

Archeologische waarnemingen door Erfgoed Zeeland bij de sloop van de panden Vlooswijkstraat 9 en 11 in de binnenstad van Terneuzen. De waarnemingen waren erop gericht om te kijken of de bodem onder de vloeren van de panden louter uit een verwachte grachtbodem van de vestingwerken uit de nieuwe tijd zou bestaan, of dat er eventueel nog andere sporen te voorschijn zouden komen. Onder de betonnen vloeren waren nog enkele waterkelders en een regenbak aanwezig met een diepte van circa twee meter. Beide kelders dateerden op grond van hun uiterlijke kenmerken uit de 20e eeuw. Verder was er nog een kleine gemetselde put aanwezig, die vermoedelijk een welputje is geweest en iets ouder kan zijn. Onder de vloeren bestond de bodem uit een laagje opgebracht zand van 20 cm. en vervolgens uit een dik, homogeen en vettig blauwgrijs kleipakket met daarin hier en daar humeuze vegen. Dit pakket kan als grachtvulling worden geïnterpreteerd.

49

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

17

1242915

NTM-NTL

Hoort bij onderzoek 9. Tijdens het Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven werd aan de Schoollaan 8 te Terneuzen een fundering van het kruithuis aangetroffen.

18

1275842

NTL

Hoort bij onderzoek nr. 10. Er zijn resten van vestingwerken aangetroffen.

19

1088543

NTM-NTL

Archeologische waarnemingen aan de Schuttershofweg. Restanten van een stenen beer uit vermoedelijk de 19e eeuw in grote bouwput i.v.m. aanleg riool. De muur was nog 18,5 m lang aanwezig en kon grotendeels behouden blijven.

20

1083656

NTM

Op 14 december 2006 zijn door de Erfgoed Zeeland archeologische waarnemingen verricht op een braakliggend perceel langs de Steenkamplaan te Terneuzen, waar appartementen gebouwd zouden worden. De heer R. Bauwens van de gemeente Terneuzen had telefonisch melding gemaakt van een fundering en een mogelijk brughoofd in het desbetreffende perceel. Uit een eerste visuele waarneming bleek al dat zich in het profiel in de noordoosthoek van het terrein een grote muur bevond. Waarschijnlijk gaat het om een waterkerende zeer stevige muur, die met tras was gemetseld. De muur bleek in het vlak 2,7 m breed te zijn. De hoogte/diepte kon vanaf het nog aanwezige muurwerk in het vlak tot aan het maaiveld worden gemeten: eveneens 2,7 m. Volgens de heer Van Iersel loopt de muur nog zeker twee meter verder de diepte in. In het vlak was de muur, die een west-oost oriëntatie had, 4,8 m zichtbaar. In het profiel was bijna 9 m verder t.o.v. de eerste muur in zuidwestelijke richting eveneens een vergelijkbare muur zichtbaar. Aan de bakstenen was te zien dat de muur in noordelijke richting had gelopen. Beide nog in de profielen zichtbare resten behoren waarschijnlijk tot een en dezelfde muur. In de bouwput zullen de muren bij elkaar zijn gekomen en maakten naar schatting een haakse hoek.

Het brughoofdrestant in het midden van het terrein had ruwweg een noordwest-zuidoost oriëntatie en liep in de richting van de hoek van de twee muren. Mogelijk gaat het om een waterkerende (kade)muur met een deel van een brughoofd van de vestingwerken uit 1830. Het brughoofd is zeer waarschijnlijk het noordelijke brughoofd van de Ravelijnsbrug geweest. Volgens de heer Bauwens was ook een militair wachthuis aangetroffen, maar dat was voor de archeologische inspectie al geheel gesloopt.

21

1108697

VNEOBLNEOB

Melding van de vondst van een bijl uit het neolithicum bij de bouw van de sluis in 1903.

22

1113250

Prehistorie

Niet nader te determineren aardewerkfragment opgeboord uit het dekzand bij landschappelijk booronderzoek onderzoek 11.

23

1194356

PALEONT

Bij onderzoek 13 zijn 15 fragmenten aardewerk uit de periode middeleeuwennieuwe tijd, 6 fragmenten uit de periode Romeinse tijd-middeleeuwen en 3 fragmenten uit de prehistorie aangetroffen. Verder ook 56 fragmenten dierlijk bot, 2 vuursteenafslagen en 20 fragmenten vuursteen.

Oudere archeologische waarden in de (wijdere) omgeving van het plangebied 86 In de wijdere omgeving van het plangebied zijn ook resten van grotere ouderdom gevonden. Deze worden hieronder besproken. De vroegste getuigen van menselijke aanwezigheid in Zeeuws-Vlaanderen dateren uit het midden-paleolithicum (tot circa 35.000 v. Chr.) en bestaan uit enkele afslagen en werktuigen, waaronder vuurstenen vuistbijlen. Deze relicten van Neanderthalers zijn echter in verspoelde (Cadzand) of in losse context (Nieuw Namen) aangetroffen. Ook van de

86 Informatie in deze paragraaf is grotendeels ontleend aan: Delporte 2020.

50

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

daarop volgende periode, het laat-paleolithicum (35.000 tot 8.800 BC), worden de meeste artefacten in secundaire context waargenomen, bijvoorbeeld rond Nieuw Namen en op het strand van Cadzand. 87 Bij de bouw van een bejaardentehuis in Axel zijn op een paleosol meer dan 100 vuurstenen werktuigen van de Tjongercultuur aangetroffen, die getuigen van menselijke bewoning. Vindplaatsen uit het mesolithicum zijn in Zeeland primair bekend uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij de aanleg van de Middensluis in het Kanaal van Gent naar Terneuzen is in de jaren ’60 van de vorige eeuw een mesolithische pijlpunt aangetroffen. 88 Bij een nieuwbouwwijk in Othene, direct ten oosten van Terneuzen, is in 2010 een zogenaamde tranchetbijl uit het mesolithicum gevonden. Deze bijl is gevonden aan het maaiveld, maar is wellicht opgegraven bij de aanleg van een waterpartij. 89 Bij karterend booronderzoek en micromorfologisch onderzoek bij de Sluiskiltunnel zijn in de top van het dekzand verschillende microchips aangetroffen. 90 In 2016 zijn op drie locaties binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen in totaal drie vuursteenartefacten aangetroffen in de onderzijde van het veen of bovenzijde van het dekzand, deze dateren uit het mesolithicum of neolithicum.

91 Archeologische resten uit neolithicum, bronstijd en ijzertijd zijn schaars, vermoedelijk omdat er lange tijd sprake is geweest van nattere omstandigheden en veengroei. In 1902 is in Terneuzen een geslepen bijl gevonden, vermoedelijk in het veen. 92 Laatstgenoemde vondst toont aan dat het veengebied in die periode door mensen is bezocht, zonder dat dit per se betekent dat hier bewoning heeft plaatsgevonden. Nabij Terneuzen zijn, bij de aanleg van de Zeesluis in 1962, in het veen greppels uit de Romeinse tijd waargenomen. 93 Rond het sluizencomplex zijn meerdere fragmenten Romeins aardewerk uit de 2de/3de eeuw gevonden. 94 Bij karterend en waarderend archeologisch boor-zeefonderzoek in 2016 op drie locaties binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen zijn eveneens verschillende fragmenten aardewerk aangetroffen die wijzen op bewoning in deze periode. 95

Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 17 augustus 2023) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd t.a.v. het plangebied.

Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen soms aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. Dit is echter voor het huidig plangebied, door de aanwezigheid van verharding en bebouwing niet het geval. Eerder in dit rapport zijn reeds luchtbeelden uit de periode tussen 1925 en 1935 opgenomen (zie figuur 19 en 20). In het kader van dit onderzoek zijn daarnaast ook de luchtfoto’s geraadpleegd uit 1959 (Geoloket Provincie Zeeland), 1989 (Foto-atlas Zeeland), 2003 (Luchtfoto-atlas Zeeland) en satellietfoto’s uit 2005 en 2007 t/m 2018 (Esri Nederland, Geoloket Provincie Zeeland). De geraadpleegde foto’s leveren geen andere informatie op over de ontwikkeling in en nabij het plangebied dan deze die reeds uit de voorgaande hoofdstukken gekend is.

87 Kuipers en Swiers, 2005: 15. 88 De Boer, 2013: 28.

51

89 Mondelinge mededeling dhr. R. Lensen, in: D’hondt en Wattenberghe, 2015. 90 Noens et al. 2012: 198.

91 De vondsten zijn opgeboord met een avegaarboor en zijn dan ook gedeeltelijk verplaatst bij het boren, waardoor een exacte bepaling van het vondstniveau niet mogelijk was. Vos et al. 2016. 92 Jongepier, 1995: 50. 93 Munaut, 1967 : 19. 94 ARCHIS3, vondstlocatie 2958350100; Vos et al. 2016. 95 Vos et al. 2016.

ARTEFACT RAPPORT 825

2.5

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Bouw- en cultuurhistorische waarden

Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen of binnen, of direct grenzend aan, het plangebied waardevolle bouwhistorische of cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de provincie Zeeland geraadpleegd. De historische kern van Terneuzen is er aangemerkt als een Stedelijk vestingwerk (GEO-2986). Binnen de historische kern van Terneuzen bevinden zich meerdere Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en MIP-objecten. Een van deze rijksmonumenten betreft het arsenaal uit 1848 dat onmiddellijk ten noorden van het huidig plangebied gelegen is (mon. Nr. 508130). Dit is eveneens MIP Object 3366. Verder is de winkel/woning op de hoek van de Arsenaalstraat en Nieuwstraat (Nieuwstraat 17 96) eveneens opgenomen als een MIP-object (3376). Dit gebouw is echter in 1991 grondig verbouwd waarbij de gevel en binnenruimte op de begane grond volledig vernieuwd is en ook het dak is aangepast (waarbij onder andere de dakkapellen zijn verdwenen).

Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat het plangebied deel uitmaakt van Operatieterrein Breskens, een groot slagveld in Zeeuws-Vlaanderen. In 1944 veroverden de Geallieerden het bruggenhoofd Breskens, een strategisch belangrijk punt in de oversteek naar Walcheren. Archeologisch kan zich dit weerspiegelen in een verspreiding van verschillende munitieartikelen. Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf. Slagvelden zijn echter alleen globaal af te bakenen en de grenzen van moderne slagvelden zijn diffuus. 97 Verder worden op de kaart geen militaire relicten weergegeven binnen, of direct grenzend aan, het plangebied.

96 In het MIP-dossier is huisnummer 19 aangegeven, heden betreft dit huisnummer 17. 97 www.ikme.nl

52

ARTEFACT RAPPORT 825

2.6

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Op basis van de Geologische kaart van Nederland kan gesteld worden dat zich ter plaatse van het plangebied jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke IIIb) op oudere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke IIIa) op veen op pleistoceen dekzand (Formatie van Boxtel) bevinden. Gezien de grote diepteligging van het niveau van de Formatie van Koewacht op 5,5 m -NAP (8 tot 8,5 m -mv), zal deze verwachting niet getoetst worden tijdens het inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen en zal deze ook verder buiten beschouwing worden gelaten. Hieronder wordt per laagpakket de archeologische verwachting besproken. Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn in verwachtingstabellen opgenomen.

Pleistoceen landschap – Formatie van Boxtel (Scheldeafzettingen, Schelderestgeulafzettingen, Laagpakket van Wierden) Het is mogelijk dat zich binnen het plangebied archeologische waarden bevinden uit het paleolithicum. Deze kunnen worden aangetroffen in de Scheldeafzettingen en Schelderestgeulafzettingen in de onderzijde van de Formatie van Boxtel (indien aanwezig). Dit betreft fluviatiele gelaagde afzettingen waarin, vooral in de laatste fase, sprake is geweest van drogere perioden waarin bodemvorming kon optreden. Ook op andere niveaus in de Formatie van Boxtel, zoals in het dekzand van het Laagpakket van Wierden, kunnen eveneens archeologische waarden uit het paleolithicum worden aangetroffen, voornamelijk in de niveaus waarin bodemvorming heeft plaatsgevonden (paleosols). Archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied leveren geen aanwijzingen op voor de aanwezigheid van paleosols; DINO-gegevens evenmin. Omdat er zelden een dergelijk niveau met archeologische resten is gevonden, is de verwachting voor deze periode niet hoog, maar middelhoog. Datering

Paleolithicum

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing

Omvang

Klein (nomadische kampen; <50 m2)

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

In dekzand, dieper dan 7-7,5 m -mv/ 4,5 m -NAP

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities

Mogelijke verstoringen

-

Op basis van de beschikbare geologische informatie van het plangebied bestaat de verwachting dat de top van het pleistocene dekzand kan worden aangetroffen vanaf circa 7-7,5 m -mv/ 4,5 m -NAP. Op basis van de veronderstelde aanwezigheid van mogelijk intact dekzand van het Laagpakket van Wierden, geldt een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit het finaal-paleolithicum tot en met het mesolithicum in de bovenzijde van het dekzand. Daar waar de bovenzijde van het Laagpakket van Wierden aangetast is door erosie vanuit het Laagpakket van Walcheren (mogelijk in het uiterste oosten van het plangebied) vervalt de archeologische verwachting. 53

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Tijdens het neolithicum maakte dit deel van het plangebied mogelijk reeds deel uit van het veenmoeras dat zich op het voormalige pleistocene landschap ontwikkelde. Indien de veengroei pas later is aangevangen kunnen in de top van het dekzand tevens vindplaatsen uit het vroeg-neolithicum worden aangetroffen. Hiervoor geldt echter een lage verwachting vanwege het ontbreken van vondsten uit deze periode in de regio. Datering

Laat-paleolithicum – vroeg-neolithicum.

Complextype

kampementen – losse mobilia.

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing; Vindplaatsen met zowel ondiepe grondsporen als een vondststrooiing; off-site vindplaatsen.

Omvang

5 tot 10 m².

Uiterlijke kenmerken

De archeologische resten zullen zich kenmerken door vuurstenen (werktuigen en afslagen), verbrand bot en verbrande botanische resten. Tevens bestaat de mogelijkheid dat grondsporen (haardplaatsen) kunnen worden aangetroffen, deze kunnen zich kenmerken door de aanwezigheid van houtskool.

Vondstdichtheid

Zeer laag: < 40 per m².

Diepteligging

Top dekzand: circa 7-7,5 m -mv/ 4,5 m -NAP

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

Naar verwachting is het betreffende niveau in het plangebied intact bewaard gebleven. Omdat dit (bij aanvang) geen vochtige niveaus betreft zal naar verwachting de conservering van organische materialen slecht zijn.

Mogelijke verstoringen

Erosie vanuit het Laagpakket van Walcheren kan het uiterste oosten van het plangebied mogelijk een deel van het pleistocene dekzand hebben aangetast.

Gelet op de diepteligging door de aanwezigheid van een antropogeen dek bevindt ook de Formatie van Boxtel zich mogelijk beneden de via een regulier booronderzoek haalbare boordiepte.

Veenlandschap – Formatie van Nieuwkoop In het plangebied vormde zich veen vanaf omstreeks het midden-neolithicum tot en met de midden-ijzertijd. Het zich ontwikkelende veenmoeras zal vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de periode midden neolithicum – midden ijzertijd in (de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties, die moeilijk met geijkte onderzoeksmethoden zijn op te sporen, waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. In de loop van de ijzertijd en in de Romeinse tijd verbeterde de ontwatering van het gebied. Theoretisch kunnen vindplaatsen uit deze periodes worden aangetroffen in de top van het veen. Deze kunnen bestaan uit woningen en erven, maar ook uit grafvelden. Vindplaatsen met huisplaatsen uit deze perioden kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen). Voor wat betreft grafvelden kunnen de sporen uit graven bestaan, maar ook uit grafheuvels, kringgreppels (rond de grafheuvels) en/of palenzettingen.

In de wijdere omgeving van het plangebied zijn meerdere resten uit de Romeinse tijd gevonden, ook in het veen. Als gevolg van overstromingen vanaf de het laatste kwart van de 2e eeuw, begin 3e eeuw, kan het veen geërodeerd zijn, maar onderzoeken uit de nabije omgeving van het plangebied hebben uitgewezen dat het veen geregeld nog min of meer intact wordt aangetroffen. Daarom geldt voor de late ijzertijd en Romeinse tijd vooralsnog een middelhoge verwachting. Indien (delen van) het veen geërodeerd is (te verwachten in het uiterste oosten van het plangebied), dan vervalt de verwachting ter plaatse van het geërodeerde gebied.

54

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Datering

Late ijzertijd - Romeinse tijd

Complextype

Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur: grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw

Soort vindplaats Omvang

Vindplaatsen met grondsporen; mogelijk vondststrooiing; Off-site vindplaatsen > 200 m2; de omvang van deze vindplaatsen varieert sterk en is afhankelijk van de aard van de vindplaats

Uiterlijke kenmerken

De archeologische resten zullen zich kenmerken door bewerkt natuursteen (zoals maalstenen), bewerkt organische resten (hout, bot) en aardewerk en bouwkeramiek. Tevens bestaat de mogelijkheid dat er houtskool wordt aangetroffen. Nederzettingsterreinen kunnen zich ook vertalen in een zwak heterogene en/of brokkelige, losse structuur in het veen, soms met bijmenging van klei Zeer laag: < 40 per m²

Vondstdichtheid Diepteligging

De top van het veen kan verwacht worden op een diepte van circa 6 tot 6,5 m -mv (3,5 m -NAP).

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal maar mogelijk deels aangetast door moernering en erosie; omdat dit (bij aanvang) een relatief organisch rijk en vochtig niveau betreft en dit naderhand in een vochtig zuurstofarm pakket gelegen is, zal naar verwachting de conservering van organische materialen redelijk goed zijn

Mogelijke verstoringen

Aantasting door marine erosie (in het uiterste oosten van het plangebied)

Gelet op de diepteligging door de aanwezigheid van een antropogeen dek bevindt ook de het veenpakket zich mogelijk beneden de via een regulier booronderzoek haalbare boordiepte.

Jong getijdenlandschap – Laagpakket van Walcheren (Sluiskil-/Westerscheldeafzettingen) – Formatie van Naaldwijk Uit het bureauonderzoek is gebleken dat vanaf het laatste kwart van de 2de of het begin van de 3de eeuw n. Chr. de invloed van de zee op de omgeving van het plangebied toenam en het gebied werd afgedekt met Sluiskilafzettingen (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk). Dit gebied was in deze vroege periode onbedijkt kwelderlandschap. In de omgeving van het plangebied zijn uit deze periode geen archeologische waarden bekend. Gezien de relatief natte, vrij actieve mariene omstandigheden waaronder de Sluiskilafzettingen zijn ontstaan, wordt de verwachting voor deze periode, de vroege middeleeuwen, in eerste instantie laag ingeschat. Na het hoger opslibben van de kwelder kunnen mogelijk wel vindplaatsen (8ste - 10de eeuw) worden aangetroffen op de hoger gelegen delen in het onbedijkte kwelderlandschap. Het is niet uitgesloten dat dit niveau ten minste deels is geërodeerd bij de vorming van de jongere Westerscheldeafzettingen. Dit zal met zekerheid het geval zijn in het uiterste oosten van het plangebied. Vanaf de 12e eeuw komt het plangebied in bedijkt gebied te liggen. Volgens de oudste beschikbare kaarten is het plangebied dan gesitueerd binnen de Asseneder Ambacht ten westen van de Axelse Vaart.

Vanaf dit tijdstip is het gebied bewoonbaar en ontstaan er meerdere kernen en geïsoleerde wooneenheden in de omgeving van het plangebied. Voor de periode vanaf de indijking geldt dan ook een middelhoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen. De kans op het aantreffen van vindplaatsen uit de late middeleeuwen vanaf de 14e eeuw en nieuwe tijd kan als hoog worden ingeschat. Het is mogelijk dat ter plaatse van het plangebied resten van het laatmiddeleeuwse dorp Terneuzen,

55

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

of resten van aan het dorp gerelateerde infrastructuur, aanwezig zijn. De exacte locatie van deze nederzetting is namelijk niet te bepalen. Vanaf de 16e eeuw worden de vestingwerken van Terneuzen aangelegd, het plangebied maakt deel uit van deze vestingwerken. Tegen de 19e eeuw zijn delen van deze vestingwerken echter reeds geslecht (in het noorden van het plangebied), is er een dijk aangelegd in de Arsenaalstraat, is er bebouwing aanwezig in het zuiden van het plangebied en is ook de Noordstraat reeds in gebruik. Met de constructie van nieuwe vestingwerken in de 19e eeuw komt het plangebied opnieuw integraal binnen de vesting te liggen en komen er deels militaire gebouwen te liggen (waaronder een affuitloods). Ook deze vestingwerken zijn inmiddels geslecht. In de 20e eeuw hebben meerder afbraak- en bouwwerkzaamheden plaatsgevonden in het plangebied. Op basis van de historische situatie en 19e-eeuwse verstoringen geldt er slechts een hoge verwachting voor resten van de 16e-eeuwse vestingwerken (wal) in het westen van het plangebied en voor bewoning/ gebruik van het binnen de vesting gelegen areaal centraal en in het zuiden van het plangebied. In het noorden en uiterste oosten geldt ten gevolge van de 19e-eeuwse slechtingswerkzaamheden slechts een lage verwachting voor resten uit de 16e eeuw.

Voor wat betreft de resten van de 19e-eeuwse vesting en bebouwing geldt een hoge verwachting voor het volledige plangebied. De slechting van de 19e-eeuwse vestingwerken alsook de sloop- en bouwwerkzaamheden in de 19e en 20e eeuw zullen voor een zekere verstoring van de bodem hebben gezorgd. In welke mate dit het geval is echter niet te bepalen, binnen de bestaande bebouwing van het ABC complex bedraagt dit minimaal 0,84 - 1,34 m -mv (funderingsdiepte en diepte tussenliggend kruipruimte). Datering

Late middeleeuwen – nieuwe tijd

Complextype

Resten van bewoning vanaf de 14e eeuw, vestingwerken uit de 16 en 19e eeuw; algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning, ophooglagen, vestingwerken (resten van wallichamen), infrastructuur

Soort vindplaats

Vindplaatsen met grondsporen en bouwresten; mogelijk vondststrooiing; Off-site vindplaatsen; vindplaatsen met een archeologische laag

Omvang

Groter dan het plangebied

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, bouwkeramiek, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen

Vondstdichtheid

Zeer laag tot hoog: < 40 tot 80 per m².

Diepteligging

Direct onder het maaiveld kunnen ophooglagen verwacht worden; de natuurlijke afzettingen van het Laagpakket van Walcheren kunnen verwacht worden onder deze ophooglagen (diepte niet gekend).

Locatie

Late middeleeuwen en 16e-eeuwse vestingwerken: westen en zuiden van het plangebied 19e-eeuwse vestingwerken: hele plangebied

Gaafheid en conservering

Matig: mogelijk aangetast door verstorende invloeden, zoals overstromingen, maar ook door menselijke activiteiten (zie mogelijke verstoringen)

56

ARTEFACT RAPPORT 825

Mogelijke verstoringen

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Verstoring door kabels en leidingen (ook riolering ter plaatse van de wegen); aanleg en sloopwerkzaamheden van vestingwerken in de 19e eeuw; overige bouw- en sloopwerkzaamheden 19e en 20e eeuw

57

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak 98. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

6

Grid

Zoveel mogelijk verspreid over het plangebied rekening houdend met de bestaande bebouwing, bestaande verharding en de aanwezige kabels en leidingen

Dichtheid

8 boringen per hectare

Plaats- en hoogtebepaling

RTK-GNSS (GPS & GLONASS, afwijking circa 3-4 m); AHN

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten - standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

0,2 - 4,5 m -mv/ 2,51 m +NAP – 1,42 m -NAP

Gehanteerde boor Opsporen indicatoren

Edelmanboor (Ø 7 cm), Gutsboor (Ø 3 cm) In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen

De boringen zijn zoveel mogelijk over het plangebied verspreid. Door de aanwezigheid van de bestaande bebouwing en de vele kabels en leidingen in de ondergrond was de zone waarbinnen daadwerkelijk geboord kon worden eerder beperkt. Waar mogelijk zijn de boringen doorgezet tot in het Laagpakket van Walcheren. Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken:  de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment  aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen)  de genese van de laag  bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.)  de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 28, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 6.

98 Delporte, 21-08-2023: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen Terneuzen

Nieuwstraat ABC complex.

58

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Figuur 27 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.

59

ARTEFACT RAPPORT 825

3.2

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Geologie en bodem

Van de zes binnen het plangebied uitgevoerde boringen zijn er slechts twee (boringen 3 en 4) waarin het Laagpakket van Walcheren daadwerkelijk bereikt is. De overige boringen zijn telkens gestuit. Boringen 2 (betongranulaat), 5 en 6 (stabilisatie zand met puin) zijn telkens gestuit in het verhardingspakket onder de straatklinkers, op een diepte tussen 0,2 en 0,45 m -mv (2,51 en 2,39 m +NAP). Boring 1 is gestuit in het opgebrachte pakket dat ook in boring 3 is aangetroffen (zie verder). De binnen het plangebied aangeboorde afzettingen van het Laagpakket van Walcheren bestaan uit kalkrijke geulafzettingen van matig tot uiterst siltige grijze klei met zandlenzen, detristuslagjes en bovenin zwarte organische vlekken. Dit pakket is boringen 3 en 4 aangetroffen op een diepte van 3,25 en 1,95 m -mv (0,67 m -NAP en 0,75 m +NAP). Bovenop het Laagpakket van Walcheren zijn antropogene pakketten gelegen. Dit betreft verschillende pakketten. Bij boringen 1 en 3 bestaat de bovenzijde van deze pakketten uit heterogeen zwak siltig donkergrijs zand. Dit is plaatselijk wat humeus. Op een diepte van 0,9 en 1,55 m -mv (2,05 en 1,03 m +NAP) gaat dit zand scherp over op (donker)grijze matig siltig klei met wat zandvlekjes en zwarte organische vlekjes. Boring 1 is gestuit op puin in dit pakket op een diepte van 1 m -mv (1,95 m +NAP).

Bij boring 3 gaat dit kleipakket op een diepte van 1,8 m -mv (0,78 m +NAP) scherp over op matig humeuze matig siltige donker bruingrijze klei met zware vlekken en plantenresten en vervolgens op circa 2,35 m -mv (0,23 m +NAP) geleidelijk naar matig zandige donkergrijze klei. De onderzijde van dit pakket is gelegen op 3,25 m -mv (0,67 m -NAP). Bij boring 4 bestaat het antropogeen pakket bovenin uit vrij schoon matig siltig grijsbruin zand. Dit gaat op 0,75 m – mv (1,6 m +NAP) over op een heterogeen pakket van zwak zandig grijze klei, op 1,65 m -mv (0,4 m +NAP) gevolgd door uiterst siltige grijze klei tot 1,95 m -mv (0,4 m +NAP). De bovenzijde van het boorprofiel bestaat bij boringen 1, 2, 4, 5 en 6 telkens uit recente verhardingen met (beton)klinkers, bouwzand 99, repac en betongranulaat. Zoals eerder aangegeven zijn boringen 2, 5 en 6 gestuit in deze recente lagen. In boring 1 ligt de onderzijde van dit recente pakket op 0,75 m -mv (2,2 m +NAP) en bij boring 4 op 0,45 m – mv (1,9 m +NAP). Boring 3 is gezet in een groenstrook. Hier bestaat de bovenzijde van het profiel tot een diepte van 0,25 m – mv (2,33 m +NAP) uit opgebrachte teelaarde met daaronder tot 0,85 m -mv (1,73 m +NAP) bouwzand.

3.3

Archeologie

Tijdens het veldwerk zijn in de antropogene pakketten verschillende archeologische indicatoren aangetroffen. In het opgebrachte zandpakket in boringen 1 en 3 betreft dit puinbrokjes. In de onderliggend kleilagen puin, kalkmortel en dakpan en bij boring 3 onderin ook wat dierlijk bot. In het antropogene pakket dat in boring 4 is aangeboord zijn eveneens meerdere indicatoren aangetroffen. Dit betreft sporen van baksteen en houtskool. De bovenzijde van deze opgebrachte lagen is vrij schoon en vormt mogelijk het restant van de voormalige vestingwal.

99 Opgebracht matig grof licht bruingrijs zand, dit zand is aangevoerd en opgebracht bij bouw- en verhardingswerkzaamheden en

is niet lokaal van oorsprong.

60

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

4

Conclusie en advies

4.1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek werd een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen worden beantwoord en kan het verwachtingsmodel worden bijgesteld en verfijnd.  Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? In het onderzoeksgebied zijn geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen onder een antropogeen opgebrachte laag. Deze opgebrachte laag wordt op zijn beurt afgedekt door recente pakketten die te relateren zijn aan de huidige bouw en verharding binnen het plangebied. De top van de geulafzettingen is aangetroffen op een diepte tussen 1,95 en 3,25 m -mv (0,75 m +NAP en 0,67 m -NAP), dit betreft geen intacte top.  Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? De bovenzijde van het boorprofiel bestond telkens uit een recent pakket dat met de verharding en bouwwerkzaamheden binnen het plangebied is aangebracht. De onderzijde van dit recent opgebrachte pakket kon in boringen 2, 5 en 6 niet bereikt worden. Bij boringen 1, 3 en 4 lag dit op en diepte tussen 0,45 en 0,85 m -mv (2,2 en 1,73 m +NAP). Hierbij is naar verwachting de bovenzijde van het oudere antropogene dek verstoord.

Omdat grote delen van het plangebied bebouwd zijn mag aangenomen worden dat de bovenzijde van het antropogeen pakket ook elders in het plangebied verstoord zal zijn door het aanbrengen van vloeren en funderingen. Ter plaatse van het ABC complex zijn funderingen en kruipruimte aanwezig tot een diepte van 1,66 m +NAP (1,14 m peil, circa 0,84 tot 1,34 m -mv/ gemiddeld 1,1 m- mv) en zijn in de diepere ondergrond funderingspalen aangebracht. Ook de realisatie van de vele kabels en leidingen in en langs de wegen zal hier voor een verstoring van de bodem gezorgd hebben.  Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? In alle boringen zijn antropogene pakketten aangetroffen onder de recente verstoringen/lagen. Deze antropogene pakketten zijn te relateren aan het historische gebruik van het gebied (vestingwerken en bewoning uit de nieuwe tijd) en bevinden zich vanaf een diepte tussen 0,45 en 0,85 m -mv (2,2 en 1,73 m +NAP).

 Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Voor het plangebied kan de hoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de nieuwe tijd behouden blijven. Dit betreft hier een verwachting voor opgebrachte lagen en bewoning binnen de 16e-eeuwse vestingwerken in het zuiden van het plangebied en resten van de vestingwerken (wal) zelf in westen van het plangebied. Ook de hoge verwachting voor resten van bewoning en militaire gebouwen uit de 19e eeuw blijft hoog en geldt voor het volledige plangebied. Archeologisch resten kunnen ter plaatse van het bestaande ABC complex verwacht worden vanaf de onderzijde van de bestaande funderingen en kruipruimte, dit is 1,66 m +NAP (tussen 0,84 en 1,34 m -mv, gemiddeld 1,1 m -mv). In de overige delen van het plangebied is dit onder de bestaande verstoringen binnen de aanwezige wegen en trottoirs en onder de funderingen van de bestaande gebouwen langs de Nieuwstraat (huisnummers 13, 17, 21, 25, 27). De diepte van deze bestaande verstoringen is moeilijk te bepalen, hiervoor wordt op basis van de resultaten van het 61

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

booronderzoek een gemiddelde van 0,65 m -mv aangehouden. De onderzijde van de niveaus met resten uit de 16e en 19e eeuw zijn tijdens van het booronderzoek vastgesteld tussen 1,95 en 3,25 m -mv (0,75 m +NAP en 0,67 m -NAP). Elders in het plangebied kunnen deze echter ondieper of net dieper door lopen.

Figuur 28Verwachtingskaart voor wat betreft resten die samenhangen met de 16e en 19e-eeuwse vestingwerken (en bewoning). Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.

Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van sporen uit de vroege of late middeleeuwen, de verwachting voor resten uit deze periode is dan ook laag. Oudere niveaus (Hollandveen laagpakket en de Formatie van Boxtel) konden door hun grote diepteligging niet bereikt worden. Voor deze niveaus dient de verwachting uit het bureauonderzoek dan ook aangehouden te worden. Concreet betreft dit een middelhoge verwachting voor resten uit het paleolithicum tot mesolithicum/ vroeg neolithicum dieper dan 7-7,5 m -mv (4,5 m -NAP) en een lage verwachting voor het midden-neolithicum tot midden-ijzertijd en een middelhoge verwachting voor de late ijzertijd tot Romeinse tijd vanaf een diepte van 6/6,5 m -mv (3,5 m -NAP).  Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Binnen het plangebied wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden twee woonblokken met ondergrondse garage en een hotel voorzien. Buiten de geplande bebouwing wordt de openbare ruimte opnieuw ingericht. Concrete plannen met de omvang en diepte van de bodemverstorende werkzaamheden zijn nog niet beschikbaar. Vast staat wel dat met de aanleg van de ondergrondse parkeergarages onder de woonblokken de bodem met zekerheid

62

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

vergraven zal worden dieper dan de bestaande verstoring. Of ook elders het aanwezige archeologische niveau verstoord wordt met de realisatie van de plannen is vooralsnog niet te bepalen.

 Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Deze vraag wordt beantwoord in paragraaf 4.2.

4.2

Advies

In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Samengevat kan worden gesteld dat er binnen het plangebied een hoge verwachting geldt op ophooglagen en resten van bewoning, militaire gebouwen en vestingwerken uit de 19e eeuw. In het westen en zuiden van het plangebied geldt tevens een hoge verwachting voor resten van de 16e-eeuwse vesting. Archeologische resten zijn te verwachten onder de bestaande funderingen en kruipruimte ter plaatse van het ABC complex (op 1,66 m +NAP/ gemiddeld 1,1 m -mv). In de overige delen van het plangebied is dit eveneens onder de bestaande verstoringen (gemiddeld vanaf circa 0,65 m -mv). Er geldt verder binnen het plangebied ook een middelhoge verwachting voor resten uit het paleolithicum tot mesolithicum/ vroeg neolithicum dieper dan 7-7,5 m -mv (4,5 m -NAP) en een lage verwachting voor het middenneolithicum tot midden-ijzertijd en een middelhoge verwachting voor de late ijzertijd tot Romeinse tijd vanaf een diepte van 6/6,5 m -mv (3,5 m -NAP). Dit is op een diepte die met de regulier onderzoeksmethoden niet bereikbaar is. Om die reden wordt geadviseerd om binnen het plangebied een dubbelbestemming archeologie aan te houden. Wel wordt een bijstelling van de ondergrenzen aanbevolen.

Ter plaatse van het huidig ABC complex (gebouwen) wordt een vrijstelling tot de onderzijde van de bestaande funderingen/kruipruimte (1,66 m +NAP/ gemiddeld 1,1 m- mv) geadviseerd (donkerblauw op figuur 29). In de overige delen van het plangebied is dit tot een diepte van 0,65 m -mv (lichtblauw op figuur 29). Verder geldt binnen delen van het plangebied reeds een vrijstelling tot 1,5 m -mv (oranje op figuur 29) en meer dan 4 m -mv (wit op figuur 29) op basis van het gemeentelijk beleid (zoals opgenomen in de Vrijstellingenkaart 2017).

63

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Figuur 29 Advieskaart: geadviseerde vrijstellingsdiepte en bestaande vrijstellingen op basis van de Vrijstellingenkaart 2017. Bron ondergrond: Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.

Hieruit volgt dat geadviseerd wordt geen graafwerkzaamheden uit te voeren die dieper reiken dan de hierboven genoemde grenzen. Indien toch graafwerkzaamheden worden voorzien die dieper reiken dan de in figuur 29 aangegeven vrijstellingsgrenzen kan vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Conform de AMZ-cyclus (Archeologische Monumenten Zorg cyclus) dient het vervolgonderzoek te bestaan uit een karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek. Echter, vervolgonderzoek is slechts zinvol indien het over voldoende grote oppervlakte en diepte kan plaatsvinden en hieruit een substantiele kenniswinst te halen valt. Het wordt dan ook aangeraden dom nadat de concrete plannen opgesteld zijn de exacte verstoringsoppervlakte, -diepte- en locaties eerst te toetsen aan de betreffende verwachting (voor de 16e en/of de 19e eeuw). Daarenboven dient ook door de gemeente de waarde van de eventueel te verstoren resten voor de gemeente bepaald te worden. De gemeente Terneuzen beschikt namelijk niet over een onderzoeksagenda archeologie waardoor niet eenduidig is te bepalen in welke mate de gemeente naast de 16e-eeuwse resten ook belang hecht aan de resten uit de 19e eeuw.

Op provinciaal niveau geldt dat in de laatste versie van de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie (POAZ) resten van vestingwerken tot en met de Tweede Wereldoorlog als kernthema zijn opgenomen, terwijl in het verleden vooral aandacht is besteed aan vestingwerken tot en met de 16e – 17e eeuw. Ook bij het bepalen van de AMK-terreinen zijn in het verleden de 19e-eeuwse vestingweken van Terneuzen buiten beschouwing gelaten.

64

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Indien de gemeente op basis van de concrete plannen en het belang die het hecht aan de bedreigde archeologische waarden een vervolgonderzoek noodzakelijk acht dient dit op basis van de AMZ-cyclus te bestaan uit een karterend en waardeerden inventariserend veldonderzoek. Gezien de aard van de verwachte vindplaatsen (vindplaatsen met grondsporen, muurwerk en antropogene lagen) is het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (protocol 4003 IVO-P, karterende en waarderende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode. Tijdens een dergelijk gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, vastgesteld worden. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. Een dergelijk onderzoek kan echter pas uitgevoerd worden na de sloop van de bestaande bebouwing. Gelet op het gegeven dat het hier een complex betreft binnen de bebouwde kern van Terneuzen, dat delen van het plangebied deel uitmaken van de openbare ruimte en de aanwezigheid van diep reikende funderingspalen binnen delen van het plangebied is een dergelijk proefsleuvenonderzoek mogelijk moeilijk uitvoerbaar.

Desgewenst kan dit onderzoek dan ook onder de variant Archeologische Begeleiding worden uitgevoerd waarbij de civiele werkzaamheden gecombineerd worden met het archeologisch onderzoek. Het doel van deze Opgraving is het ex-situ veiligstellen (documenteren van gegevens en veiligstellen van vondsten en monsters) van de archeologische resten die met de geplande nieuwbouw en herinrichting worden verstoord en die van belang zijn voor de kennisvorming over het verleden.

65

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ......................................... 7 Figuur 2 Ligging in van het plangebied. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ............................ 8 Figuur 3 Ligging van het plangebied (in lichtblauw) op de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017. Bron: de Visser en de Weerd 2017. ........................................................................................................................................... 12 Figuur 4 Ligging van de bestaande (te slopen) en nieuw te bouwen panden. Bron: ondergrond Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. .......................................................................................................................... 13 Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos en de Vries 2018. ..... 18 Figuur 6 Kaart van Oost-Zeeuws-Vlaanderen met de verschillende inbraakgeulen ten gevolge van stormvloeden en militaire inundaties in de 16de eeuw. De rode ster markeert de ligging van het plangebied. Bron: de Kraker 1997: 213, naar van Rummelen 1977a. ........................................................................................................................................

21 Figuur 7 Projectie van het plangebied (in rood) op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: van Rummelen 1977a. 22 Figuur 8 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM)............................................................................................................... 23 Figuur 9 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM). ............................................................................................................ 24 Figuur 10 Uitsnede uit een 17de-eeuwse kopie naar de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. De verschillende ambachten zijn met kleuren ingedeeld (geel = IJzendijker Ambacht, lichtgroen = Boekhouter Ambacht, rood = Asseneder Ambacht en wit = Axeler Ambacht). De ligging van de toegevoegde nieuw Ter Neusen. Bron: RAG-065-7.26 Figuur 11 Reconstructie van de omvang van de inundatie in de Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe omstreeks 1530. De rode stip geeft de globale ligging van het plangebied weer. Bron: de Kraker 1997: 68................ 28 Figuur 12 Figuratieve kaart van de polderstreek tussen Biervliet, de Westerschelde, Axel, Assenede, Boekhoute en een deel van Zuid-Beveland, opgemaakt door Francoys Velden. Kort na 1548.

Terneuzen bevindt zich centraal in het beeld. Bron: RAG VZ 2643......................................................................................................................................... 29 Figuur 13 Plattegrond van de 16e-eeuwse vestingwerken van Terneuzen. Opgetekend door Caspar Merian, naar Johann Merck (circa 1654). De kaart is zuid gericht, de Honte ligt onderaan het beeld. Het huidig plangebied is hierop globaal te projecteren. Bron: Rijksmuseum Amsterdam. ........................................................................................... 31 Figuur 14 Uitsneden van de Zelandiae comitatus novissima tabula door Visscher, circa 1656. Bron: Nationale Bibliotheek Frankrijk. ................................................................................................................................................. 32 Figuur 15 Projectie van het plangebied (in rood) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuutkaart, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland. .................................................................................................. 33 Figuur 16 Projectie van het plangebied (in rood) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuutkaart, omstreeks 1830. De nummers betreffen de kadastrale perceelsnummers van de betreffende bebouwde percelen. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

............................................................................................................................. 34 Figuur 17 de vestingwerken in 1840. Tekening door D. Keur (origineel gepubliceerd in het Orgaan van de Technisch Ambtenaren van den Rijkswaterstaat in 1953, in deze figuur is de tekening zoals deze is overgenomen in Wesseling, 1959 afgebeeld). ........................................................................................................................................................ 35 Figuur 18 Topografische Militaire kaart uit 1916. Bron: Esri Nederland/Kadaster. ....................................................... 36 Figuur 19 Luchtfoto van de vesting Terneuzen, gezien vanuit het noord-oosten. Beeld uit de periode tussen 1925 en 1935. Bron: NIMH, 2011-1107. .................................................................................................................................... 37 Figuur 20 Luchtfoto van de vesting Terneuzen, gezien vanuit het noorden .Bron: NIMH, 2011-1108. ......................... 38 Figuur 21 Uitsneden van de topografische (militaire) kaarten uit 1950 tot 2005. Bron: Esri Nederland, Kadaster. ....... 39 Figuur 22 Uitsnede van de topografische kaart met daarop de datering van de bestaande bebouwing binnen het plangebied. Bron: ondergrond Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.

................................................ 40 Figuur 23 Uitsnede van de topografische kaart met daarop de datering van de in 1988 aanwezige bebouwing binnen het plangebied. Bron: ondergrond Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. .......................................... 42

66

ARTEFACT RAPPORT 825

TERNEUZEN NIEUWSTRAAT ABC COMPLEX

Figuur 24 Uitsnede van de topografische kaart met daarop de funderingen en funderingspalen van het ABC complex. Bron: ondergrond Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ..................................................................... 43 Figuur 25 AMK-terreinen, onderzoeken en vondstlocaties in de omgeving van het plangebied. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ................................................45 Figuur 26 Foto van een fundering uit de nieuwe tijd aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek van Erfgoed Zeeland, uitgevoerd in 2021. Bron: Erfgoedrapporten Zeeland, nr. 17: 24. ............................................................... 49 Figuur 27 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ..........................................................................................................................59 Figuur 28Verwachtingskaart voor wat betreft resten die samenhangen met de 16e en 19e-eeuwse vestingwerken (en bewoning). Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ................................................. 62 Figuur 29 Advieskaart: geadviseerde vrijstellingsdiepte en bestaande vrijstellingen op basis van de Vrijstellingenkaart 2017.

Bron ondergrond: Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. .............................. 64

67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16428420/1