CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-12-11 - Bijlage 1. Omgevingsvisie Terneuzen 251210 hoofdrapport

gemeenteraad 11 december 2025, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsvisie20.746 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Een dergelijk systeem wordt thans al opgezet voor de kwetsbare groepen die geen eigen auto hebben of rijden.

Figuur 28. Bereik van hubs

54

Tijdelijke huisvesting binnen grotere gebiedsontwikkelingen Bij alle grote projecten die op het grondgebied van Terneuzen worden gerealiseerd, worden werknemers ingezet die niet in de buurt wonen. Tot dusverre is er weinig aandacht besteed aan de tijdelijke huisvesting van werknemers. Het laagwaardig deel van de woningvoorraad biedt blijkbaar voldoende ruimte. Dat heeft tot gevolg dat er spanningen ontstaan en de leefbaarheid in wijken op de proef wordt gesteld. Naar de toekomst toe willen we de tijdelijke huisvesting van werknemers beter faciliteren. Daarbij willen we gebruik maken van de grote gebiedsontwikkelingen, waarbij Othene het meeste voor de hand ligt. Daar kan voor de grotere projecten binnen de structuur van het stedenbouwkundig plan huisvesting gerealiseerd worden in 2 vormen. Het kan gaan om tijdelijke huisvesting die later vervangen wordt door permanente huisvesting. Of het kan gaan om permanente huisvesting die in eerste instantie beschikbaar wordt gesteld aan tijdelijk personeel. Voorwaarde is dat de grote projecten meebetalen aan de inrichting van de openbare ruimte. Dat heeft voor ons het voordeel dat de wijk al grotendeels gerealiseerd is, voordat de groei van het aantal inwoners heeft plaatsgevonden. Verder worden daardoor werknemers wellicht verleid in Terneuzen te blijven wonen.

Ten slotte wordt daardoor de vervoersstroom van werknemers naar de grote projecten in goede banen geleid en wordt de reistijd voor die werknemers beperkt.

55

Hoofdstuk 5: Strategie 1. Omgaan met onzekerheden De visie is geschetst. De visie is omgeven met onzekerheden. Gaan de grote projecten wel door? En zo ja, op welke termijn? Hoe snel verloopt de overgang naar een koolstof- en emissiearme economie? Wat betekent dat voor het aantal banen? En daarmee voor de instroom van mensen? En vestigen die nieuwe mensen zich hier? Allemaal vragen waar we geen zekerheid over hebben. Tegelijkertijd hebben we met het gebruik van zonering als instrument en het benoemen van grotere gebiedsontwikkelingen voldoende flexibiliteit ingebracht. De visie is toereikend voor een groei van Terneuzen naar circa 65.000 inwoners. Dat is normaliter genoeg tot 2045. Gaat het sneller, zullen we bij moeten schakelen. Gaat het langzamer, dan is de visie langer houdbaar. 2. Uitwerking op kernniveau Een uitwerking voor de kernen is opgenomen in bijlage 7. Deze uitwerking gaat volgens een vast stramien van beelden en tekst. Eerst de historische context en de kentallen om de bestaande situatie te duiden. De kentallen komen uitsluitend van het CBS. Vervolgens de luchtfoto als beeld van de bestaande ruimtelijke situatie en een analyse van de plek van de kern in het omliggende landschap. Dan volgt een tekening waarop de bestaande voorzieningen in de vorm van een icoontje zijn opgenomen. Deze icoontjes zijn in elke kern hetzelfde.

De uitwerking sluit af met een koersbeeld voor de kern. Daarin komen ontwikkelingen aan bod die in de nabije toekomst in de kern gaan spelen. Tenslotte sommen we de verschillende gebieden in de kernen op die op de strategiekaart digitaal terug te vinden zijn. 3. Het gebruik van strategieën In de structuurvisie Terneuzen 2025 zijn strategieën vastgelegd op de kaart. Met strategieën bepalen we niet het precieze beeld als het af is, maar we geven de richting ermee aan. In de praktijk blijkt deze aanpak goed te werken. Wij gebruiken de aanpak ook in deze omgevingsvisie. We onderscheiden in deze omgevingsvisie vijf strategieën. Elke strategie geven we een aparte kleur op de kaart. De strategieën zijn koesteren, verbinden, veranderen, verbeteren en voortzetten. Op de digitale kaart is elke vierkante meter van een strategie voorzien. Een strategie geeft aan op welke manier de gemeente naar de desbetreffende locatie kijkt. Het is nadrukkelijk géén juridische methode om een ontwikkeling af te dwingen of tegen te houden. De grenzen tussen de strategieën zijn indicatief en kunnen bij nadere planvorming in de toekomst nog wel wat verschuiven. Vanuit de vereisten van digitale vastlegging is het echter noodzakelijk gesloten vlakken aan te geven, zodat er wel lijnen getrokken zijn met de kennis van nu. Figuur 29 geeft een beeld van de hele gemeente. De vlakken zijn digitaal verankerd.

In bijlage 8 zijn de gebieden per strategie opgesomd. Bij de strategieën koesteren en voortzetten zien we nu geen reden om tot ingrijpende veranderingen te komen. Dat kan in de toekomst anders worden, maar dan zal daar een uitgebreide zelfstandige beleidsvorming en procedure aan vooraf moeten gaan. 56

Figuur 29. Strategiekaart

Bij de strategieën verbinden, veranderen en verbeteren staan we er op voorhand open voor om in de komende pakweg 20 jaar veranderingen door te voeren. Daarmee geven we nu al een signaal af aan de eigenaren in dat gebied om bij grote investeringsbeslissingen al rekening te houden met de gewenste verandering. We kunnen met de strategietoekenning echter niets afdwingen. We zijn wel bereid om het gesprek aan te gaan over de gewenste verandering en de voorwaarden waaronder dat kan plaatsvinden. 4. Koesteren De strategie ‘koesteren’ gebruiken we voor die delen van de ondergrond waar we heel trots op zijn. Koesteren betekent dat je een plek niet ingrijpend verandert, maar veel zorg en aandacht geeft. Zodat je er trots op blijft. De strategie geldt voor: • Binnendijkse natuurgebieden; • Kreken met natuurwaarden; • Ensembles van cultuurhistorisch waardevolle objecten en karakteristieke gebouwen • Rijksmonumentale gebouwen met een (voormalige) maatschappelijke functie. 57

5. Verbinden De strategie ‘verbinden’ gebruiken we niet zozeer voor een plek, maar voor structuren die (her)ontwikkelingen beter aan elkaar moeten gaan koppelen. Het gaat vaak om structuren die nog niet goed zijn ingericht. De strategie geldt voor: • De spoorlijn naar Gent inclusief ruimte voor hubs; • De verbindingen tussen forten en vestingen over de Staatse en Spaanse Linies; • Groene verbindingen tussen natuurlijke gebieden; • Robuuste groene en recreatieve verbindingen door of om stedelijk gebied. 6. Veranderen De strategie ‘veranderen’ gebruiken we voor plekken die we hebben aangewezen om onze visie te realiseren en voor plekken met een gebruik dat of een kwaliteit die niet meer past. We willen er graag vernieuwen, maar we zijn er afhankelijk van andere partijen. Het is dus niet zo dat het toekennen van de strategie transformeren betekent dat de desbetreffende locatie moet veranderen. Bij een verandering is er sprake van het toevoegen van nieuwe functies. De strategie geldt voor: • Woningbouwlocaties die we al hebben aangewezen in en rond de kernen, waarbij ook maatschappelijke voorzieningen kunnen worden ingebracht.

• De ruimte voor ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen, zoals we die in deze omgevingsvisie hebben aangewezen; • Enkele specifieke ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling van de Campus Terneuzen met daaraan gekoppeld de herontwikkeling van de achterblijvende locaties van Scalda en Lodewijk College, de ontwikkeling van Zuidpoort Terneuzen tot een plek van reuring, de ontwikkeling rond de luchtwachttoren in Koewacht, de ontwikkeling rond het Waterlab in Sluiskil en de volledige vernieuwing van recreatiecentrum de Braakman; • De mogelijkheid om verouderde bedrijfslocaties in de kernen aan te pakken, waarbij we alleen locaties van enige omvang hebben aangeduid; • De wens om grotere niet meer in het buitengebied passende activiteiten te kunnen verplaatsen naar bedrijventerreinen, zoals een aantal transport- en constructiebedrijven. 7. Verbeteren De strategie ‘verbeteren’ gebruiken we voor plekken, waarvan we verwachten dat we die in de komende 15 jaar verder gaan verbeteren. Het gaat daarbij om verbeteringen zonder dat we substantieel nieuwe functies toevoegen. De strategie geldt voor: • De hoofdwegen: we verwachten dat de hoofdwegen de komende 15 jaar op één of meer plaatsen wel een keer worden aangepakt.

Bijvoorbeeld door de aanleg van een snelfietspad of een rotonde of door de verbreding van de sloot langs de hoofdweg; • De centra van Terneuzen, Axel, Sas van Gent en Sluiskil, waar we een mix van functies willen handhaven en vernieuwen gelijktijdig met het opknappen van de openbare ruimte.

58

•

•

Het verduurzamen van de grootschalige industriële bedrijvigheid op clusters rond de grote bedrijven Dow, Ovet, Yara en Cargill (op weg naar een fossielvrije economie) en op het gebied rond Heros en Zijkanaal C (circulair omgaan met grond- en bouwstoffen). De zorglocaties Lange Akkers in Koewacht en Vremdieke in Hoek die toe zijn aan een stevige modernisering; 8. Voortzetten

De strategie ‘voortzetten’ gebruiken we voor het grootste deel van het grondgebied. In de beschrijving delen we het grondgebied in naar gebruik: het grote water, de kernen, de bedrijventerreinen en het agrarisch gebied. Binnen de strategie ‘voortzetten’ zijn minder belangrijke aanpassingen toegestaan. De aanpassingen in welke zin dan ook moeten wel leiden tot een verbetering van de kwaliteit. Afhankelijk van de locatie zijn aanpassingen sneller meer of minder belangrijk. Het toevoegen van enkele woningen in het agrarisch gebied heeft bijvoorbeeld meer invloed dan in het stedelijk gebied. Het gevolg van uitbreiden van stalruimte op een agrarisch bouwblok is kleiner dan het uitbreiden van een bedrijfshal in een woonwijk. Ook binnen de kernen is er verschil. Het toevoegen van enkele woningen in het stedelijk gebied van Terneuzen heeft bijvoorbeeld minder invloed dan het toevoegen van enkele woningen in Zuiddorpe. De bedrijventerreinen betreffen alleen de grotere collectieve terreinen. Individuele en kleinere bedrijfspercelen worden niet los aangeduid. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen terreinen in beheer bij de gemeente en terreinen in beheer bij North Sea Port. Het gebied van de kernen is begrensd op basis van de definitie van stedelijk gebied inclusief stedelijk groen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Het gaat om het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, stedelijke bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, infrastructuur en aangrenzend stedelijk groen. De kernen zijn apart begrensde eenheden in het omliggende agrarische of industriële landschap. Ook het agrarisch gebied valt in zijn geheel onder de strategie ‘voortzetten’, behalve op kleine plekken waar een van de andere strategieën van toepassing is.

59

Hoofdstuk 6: Aan de slag! 1. Rol van de gemeente De gemeente heeft verschillende rollen bij het uitvoeren van de omgevingsvisie. Welke rol we kiezen, hangt van verschillende zaken af. In sommige gevallen zijn we wettelijk verplicht iets uit te voeren. De situatie en locatie zijn medebepalend. Als gemeente hebben we de volgende rollen: • Regisseren: we werken samen met andere partijen, maar houden wel de leiding. Bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een archeologisch en cultuurhistorische waardevol gebied. • Faciliteren: we stimuleren en adviseren inwoners en bedrijven over nieuwe ontwikkelingen en maken deze mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld door het verlenen van vergunningen, het meedenken over projecten of adviseren over subsidies. • Kaderstellen: we stellen regels in het omgevingsplan of in verordeningen over wat er gebouwd mag worden, waarvoor gronden gebruikt mogen worden en onder welke voorwaarden. • Uitvoeren: we voeren zelf projecten of werkzaamheden uit. 2. Relatie met andere instrumenten De omgevingsvisie is ‘zelfbindend’. Dit betekent dat de gemeente zich inzet voor de gekozen koers en strategie. Om deze koers in de praktijk te brengen, werken we de omgevingsvisie uit in verschillende instrumenten, zoals omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan. Deze helpen ons bij het beoordelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen.

Omgevingsprogramma’s Een omgevingsprogramma is een beleidsdocument dat de ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving concreet maakt. Het is een uitwerking van de omgevingsvisie en richt zich op specifieke gebieden of thema's, met maatregelen om doelen te bereiken. De gemeente is vanuit de Omgevingswet verplicht om enkele programma’s op te stellen. Daarnaast willen we zelf enkele programma’s opstellen. We zien vooralsnog de volgende combinatie van gebiedsgerichte en thematische programma’s voor ons. Deze kan in de loop van de tijd wijzigen als de omstandigheden vragen om op- of afschaling van programma’s of om toevoegingen. Thematische programma’s zien we voor ons rond: • Het thema milieu en gezondheid (geluid, lucht, externe veiligheid), waar de verplichte programma's actieplan geluid, saneringsprogramma wegen en eventueel programma bij dreigende overschrijding omgevingswaarde onder vallen. • Het thema energie en verduurzaming met circulariteit, koolstoftransitie, energiezuinigheid, energieopwekking, etc. • Het thema mobiliteit met hubs, parkeren, trein, fiets, etc. • Het thema wonen met een koppeling naar de aankomende Wet versterking regie volkshuisvesting. 60

Als een soort tussenvorm tussen thematisch en gebiedsgericht gaat het om: • Het programma ondergrond, waarin bodemverontreiniging, kabels en leidingen, waterberging, ondergronds bouwen, ondergrondse energiesystemen samenkomen. • Het programma groen en water, waarin klimaatadaptatie, biodiversiteit, bosvisie, natuurontwikkeling, hittestress/vermindering verharding en openbare ruimte samenkomen. Een gebiedsuitwerking die daarbij past is de zone tussen Terneuzen, Sluiskil, Philippine en Biervliet met de recreatie/wateropgave. De meer programmatische functies, zoals wonen, werken, recreëren en voorzieningen kunnen beter gebiedsgericht opgepakt worden. Daarin kunnen dan de gedachten uit de voorgaande programma's voor benut worden. Dat zijn strategische gebiedsprogramma's, bijvoorbeeld voor: • Binnenstad Terneuzen inclusief stationsomgeving (herstructureringsgebied), • Knoop rond brug/Sluiskiltunnel met de bedrijventerreinen Oostelijke Kanaaloever, Westelijke Kanaaloever, Zuidpoort en noordzijde Koegorspolder; • Othene met woningbouw inclusief voorzieningen en tijdelijke huisvesting; • Axel met woningbouw, centrumontwikkeling en bedrijfsverplaatsing; • Sas van Gent met vesting, woningbouw, centrumontwikkeling. Omgevingsplan Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft iedere gemeente 1 omgevingsplan voor het gehele grondgebied.

Voor de overgang naar dit nieuwe plan is een overgangsfase ingesteld die loopt tot eind 2031. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen die voorheen verspreid waren over meerdere bestemmingsplannen, verordeningen en rijksregels. Het omgevingsplan bevat regels over onder andere: • Ruimtelijke bouwregels: zoals bouwhoogte, bouwvlakken en het toegestane gebruik van bouwwerken; • Activiteiten: welke activiteiten zijn toegestaan, al dan niet met vergunning, zoals wonen, recreatie en bedrijvigheid; • Milieuregels: voor onderwerpen die niet zijn opgenomen in het landelijke Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); • Lokale regels: bijvoorbeeld regels over het kappen van bomen, graven in de grond of het slopen van een gebouw, toegespitst op wat specifiek van belang is voor onze gemeente. Het omgevingsplan bevat de algemene regels voor de fysieke leefomgeving. De regels beschrijven wat er (maximaal) wenselijk is op een locatie. Nieuwe initiatieven worden aan deze regels getoetst. Omgevingsvergunningen Omgevingsvergunningen kunnen worden verleend voor het veranderen van gebouwen, voor het veranderen van het gebruik van een pand of perceel of het uitvoeren van een activiteit. Als de verandering of activiteit past binnen de regels van het omgevingsplan kan dit met een omgevingsplanactiviteit vergunning (OPA).

De gemeente toetst enkel op basis van het omgevingsplan. De technische toets op basis van bouwkundige kwaliteit vindt plaats door een zogenoemde onafhankelijke kwaliteitsborger.

61

Wanneer een initiatief niet binnen de regels van het omgevingsplan past, beoordeelt de gemeente of er (onder voorwaarden) een afwijking van het omgevingsplan mogelijk is. Dit kan via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), of door een wijziging van het omgevingsplan zelf. 3. Omgaan met initiatieven Wanneer er een nieuw initiatief wordt genomen voor de bouw of uitbreiding van een gebouw, of voor een ander gebruik van een locatie, kan het zijn dat hiervoor een vergunning of een wijziging van het omgevingsplan nodig is. Voor initiatieven die niet passen binnen het geldende omgevingsplan, organiseren we graag eerst een overleg. Dit overleg vindt plaats voorafgaand aan het indienen van een zogenoemd principeverzoek. In dit verzoek wordt in hoofdlijnen aangegeven wie, waar, wat wil ontwikkelen en waarom. Het voordeel hiervan is dat nog niet alle plannen tot in detail hoeven te zijn uitgewerkt en er toch vroegtijdig een standpunt van het college wordt gevraagd. Wanneer er bij het initiatief ook andere partijen buiten de gemeente betrokken zijn, zoals het waterschap of de provincie, dan betrekken we deze al in deze vroege fase. Dit doen we aan de zogenoemde Omgevingstafel. Het college van burgemeester en wethouders besluit vervolgens of het bereid is medewerking te verlenen aan het initiatief. Dit besluit noemen we een principebesluit.

Dit principebesluit is 1 jaar geldig. Een positief principebesluit is nog geen formele toestemming om met het initiatief te starten. Daarvoor is nog een vervolgprocedure nodig, bijvoorbeeld het aanvragen van een omgevingsvergunning of het wijzigen van het omgevingsplan. Welke procedure gevolgd moet worden, hangt af van de aard van het initiatief en de locatie. 4. Geen omgevingseffectrapport De omgevingsvisie is veelal het eerste formele document dat beleid in de fysieke leefomgeving samenbrengt en daarbij nieuwe ontwikkelingen met mogelijke gevolgen voor milieu aan de orde stelt. Veel gemeenten stellen bij het opstellen van de omgevingsvisie een zogenoemd omgevingseffect-rapport (OER) op. Daar hoort formeel ook een voortoets bij, waarin aangetoond moet worden dat significante negatieve effecten op Natura 2000gebieden zijn uitgesloten. Dat is met de huidige stand van het stikstofdossier vrijwel onmogelijk. Als je die negatieve effecten niet kunt uitsluiten, moet je ook een Passende beoordeling (Pb) maken. In een OER en Pb worden de effecten op milieu en natuur van de gekozen koers in brede zin in beeld gebracht. Daarbij is navolgbaarheid van keuzes op grond van onderliggende data het belangrijkste toetsingscriterium.

Is alle informatie voorhanden en navolgbaar aan de orde gebracht om het besluit te kunnen nemen? De ervaring leert dat een OER voor een omgevingsvisie er zelden in slaagt om relevante informatie naar boven te brengen die tot andere keuzes leidt. Dat komt mede doordat de visie nog onvoldoende concreet is uitgewerkt en effecten niet goed te bepalen zijn. In ons geval komt daar nog bij dat het Rijk in het kader van 4 projectprocedures op dit moment bezig is een omgevingseffect-rapport op te stellen. 62

In een OER worden 5 situaties onderscheiden. Het gaat om: A. De huidige situatie: alles wat op het moment van vaststelling gerealiseerd is. B. De autonome ontwikkeling: alles waarvan we vrij zeker weten dat het gerealiseerd wordt. Omdat er al een planologische procedure is doorlopen, waarin de contouren zijn vastgelegd en omdat er al kredieten zijn gereserveerd voor de realisatie. C. De projecten van hogerhand: alle projecten waarvoor Rijk en/of provincie aan zet zijn en doorzettingsmacht hebben, maar die nog niet tot de autonome ontwikkeling behoren. Deze projecten worden veelal in de vorm van een scenario meegenomen, omdat je als gemeente beperkte invloed hebt op het resultaat. D. De staande beleidskaders: al het beleid waarover al wel is besloten, maar dat nog niet behoort tot de autonome ontwikkeling. E. De nieuwe beleidskaders: al het beleid in ontwikkeling waarover nog niet besloten is, maar waar in de visie wel op ingezet wordt. De situaties A en B leggen de 0-situatie vast (en wanneer die in ieder geval is bereikt), waarmee de ontwikkelingen in de omgevingsvisie vergeleken worden. Om de 0-situatie te beoordelen (goed-matig-slecht) wordt de informatie of vergeleken met normen (bijvoorbeeld luchtkwaliteit) of als er geen normen zijn met andere gebieden.

We hebben de 0-situatie in kaart gebracht in hoofdstuk 2, gecombineerd met bijlage 4, waarin we Terneuzen vergeleken hebben met Nederland en met 20 vergelijkbare gemeenten. Situatie D geeft een inkijk in het 0-alternatief: wat gebeurt er als we beleidsmatig niets wezenlijks veranderen. Situatie E geeft een inkijk in het voorkeursalternatief, dat wat je met de visie wil bereiken. Het achterliggende idee van OER is om alternatieven te definiëren die de hoeken van het speelveld bepalen. Niet zozeer alternatieven die we zo moeten uitvoeren, maar alternatieven die inzicht geven in gewenste en ongewenste effecten. Door dat inzicht wordt het gemakkelijker situatie E te definiëren, omdat je daarmee gewenste effecten kunt vergroten en ongewenste effecten kunt verminderen. In onze situatie zijn we sterk afhankelijk van de projecten van hogerhand. In elk project is er het scenario wel/niet en in sommige projecten vervolgens nog meer locatie-opties. Dat vermenigvuldigt bij de 6 grote projecten met een eigen dynamiek en de spoorlijn al minimaal naar 27 ofwel 128 scenario’s. Dat is ondoenlijk. We hebben ervoor gekozen de projecten van hogerhand zo objectief mogelijk weer te geven en daarna vanuit ons perspectief daarop te reageren. Het is ondoenlijk om te bepalen welke effecten aan een van deze grote projecten is toe te schrijven en welke effecten aan onze omgevingsvisie.

Om die reden achten wij het opstellen van een omgevingseffect-rapport in dit stadium niet zinvol en hebben wij besloten hiervan af te zien. Wij zijn er wel van overtuigd dat de keuzes die we maken ook voor milieu en natuur zeer positief zijn. We hebben al duidelijk gemaakt dat onze landbouw nauwelijks bijdraagt aan de stikstofemissie. Als we erin slagen om onze grote industrie te verduurzamen (koolstof- en emissiearm) dan maken we een grote sprong naar klimaatneutraliteit en naar vermindering van de belasting van natuurgebieden. De groei van het aantal inwoners en de daarmee samenhangende uitstoot valt daarbij in het niet. Uiteraard is dat een saldobenadering en ligt de weg ernaartoe nog vol met juridische voetangels en klemmen. Maar wij zijn ervan overtuigd dat onze stroomopwaartse aanpak de beste manier is. 63

5. Bewaken van onze koers In hoofdstuk 2 van de omgevingsvisie hebben we de huidige situatie beschreven en de kwaliteit van onze fysieke leefomgeving beoordeeld. In bijlage 4 hebben we een vergelijking gemaakt met 20 vergelijkbare gemeenten. Hoofdstuk 2 en bijlage 4 gebruiken we als referentiepunt om onze koers te bewaken.

64

Hoofdstuk 7: Financiële doorvertaling Het uitvoeren van de koers uit deze omgevingsvisie brengt kosten met zich mee. Om de ambities te realiseren, zijn financiële middelen nodig. Daarbij gaat het niet alleen om de kosten en baten, maar ook om de wijze waarop deze worden gedekt, met oog voor de beperkte beschikbare middelen. De gemeente beschikt over verschillende financieringsbronnen: • Eigen middelen: budgetten die beschikbaar zijn vanuit het gemeentefonds; • Kostenverhaal: het verhalen van kosten op initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen die voordeel hebben van gemeentelijke investeringen, denk aan de aanleg van wegen, openbaar groen of riolering; • Financiële bijdragen: bijdragen van initiatiefnemers aan ontwikkelingen die bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, zoals de aanleg van parken of verbeteren van de leefbaarheid; • Leges; de inkomsten uit bijvoorbeeld vergunningen; • Subsidies en fondsen: bijvoorbeeld van het Rijk of andere overheden. Om de uitvoering van de ambities uit deze visie mogelijk te maken, zetten we de volgende instrumenten in: • Omgevingsplan: hierin leggen we regels vast over het verhalen van kosten en het vragen van financiële bijdragen; • Programma’s: we stellen specifieke programma’s op om doelen te behalen en kosten te verhalen. Verschillende programma’s zijn de basis voor het vragen van financiële bijdragen.

Ook de Nota Kostenverhaal, waarin vrijwillige financiële bijdragen worden vastgelegd, wordt een programma onder de omgevingsvisie. • Overeenkomsten: we sluiten kostenverhaalovereenkomsten met initiatiefnemers, waarin afspraken worden vastgelegd over de financiële bijdrage aan ontwikkelingen.

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16370250/1