2025-11-27 a. Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 11 december 2025 Samenleving - Maatschappelijke Ontwikkeling zaaknummer: 796661
2025_Raad_00183 - Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 Portefeuillehouder Laszlo van de Voorde Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 vast te stellen en de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2025 in te trekken met ingang van 1 januari 2026. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit € 155.021 beschikbaar te stellen voor het dekken van de kosten voor de bijzondere bijstand in 2026 en dit bedrag ten laste te brengen van het begrotingsresultaat 2026. Wat is de aanleiding? De wet- en regelgeving verandert. Daarom passen we de Verordening sociaal domein aan. In de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 (bijlage 1) voeren we niet alleen enkele tekst aanpassingen door, maar ook een paar inhoudelijke wijzigingen. Deze veranderingen staan in de Was-wordt-tabel (bijlage 2). In deze vergadering nam u een besluit over het beleidsplan sociaal domein. Dit beleidsplan is de basis voor de verordening. Het geactualiseerde beleidsplan sociaal domein zorgt niet voor extra aanpassingen in de verordening. Ook is er niet genoeg financiële dekking voor de bijzondere bijstand. Wat willen we bereiken? Met de Verordening sociaal domein willen we bereiken dat alle inwoners van de gemeente Terneuzen actief kunnen deelnemen aan de samenleving.
Argumenten 1.1 De Verordening sociaal domein vormt een goede basis voor betere en integrale dienstverlening aan onze inwoners Met deze verordening stemmen we de ondersteuning van inwoners vanuit de verschillende
1/129
wetten beter op elkaar af. 1.2 We stellen de verordening vast voor een jaar We doen dit omdat we verwachten dat er meer wetswijzigingen volgen. 1.3 Een wetswijziging vraagt om aanpassingen in onze verordening De Eerste Kamer besloot op 30 september 2025 over de Participatiewet in Balans. Het bevat ruim 20 wijzigingen om de Participatiewet te vereenvoudigen en gemeenten meer ruimte te geven voor maatwerk. Dit moet leiden tot betere ondersteuning van inwoners met een uitkering richting werk. We pasten de verordening ook aan op de nieuwe Wet van school naar duurzaam werk. 1.4 Deze verordening voldoet aan wetgeving en jurisprudentie Met een geactualiseerde verordening handelen we rechtmatig. 1.5 Sommige artikelen zijn overbodig In de wet staat dit al voldoende beschreven. 1.6 Alle 13 Zeeuwse gemeenten bakenen de jeugdhulp af in de regelgeving We doen dit in Zeeland samen. Dit zorgt voor uniformiteit. 1.7 We gaan uit van normaliseren Dit betekent dat we uitgaan van de eigen kracht en het sociale netwerk. Zo voorkomen we dat er onnodig ondersteuning of hulp geboden wordt. 1.8 Schuldhulpverlening is een belangrijk onderdeel van de integrale aanpak in het sociaal domein We voegen de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) toe waar van toepassing. Deze wet hangt samen met werk, inkomen, gezondheid en wonen.
Door de Wgs op te nemen in de verordening Sociaal Domein bevorderen we integrale samenwerking en sluiten we aan bij de modelverordening. 1.9 De Participatiewet is bedoeld als vangnet voor mensen zonder inkomen Een volledige stopzetting van de uitkering voor een maand (een maatregel van 100%) past niet bij dat doel, omdat het mensen juist in grote problemen brengt. 1.10 Het minima reisproduct stond nog niet in de verordening Alle regelingen waarbij inwoners met een inkomen onder de 120% van de norm recht hebben op vaste ondersteuning staan nu in de verordening. 1.11 De Adviesraad Sociaal Domein staat achter het aanbieden van deze verordening ter besluitvorming De leden van de Adviesraad Sociaal Domein namen kennis van de gewijzigde wet- en regelgeving en de daarbij horende wijzigingen in de verordening. 2.1 Er is minder budget voor de bijzondere bijstand beschikbaar in 2026 In 2025 is er incidenteel meer geld beschikbaar. Voor armoede en schulden ontvingen we in 2025 extra geld van het Rijk. 2.2 De uitgaven stegen licht Er wordt veel gebruik gemaakt van het minima reisproduct. Ook weten steeds meer inwoners 2/129
Stichting Leergeld te vinden. 2.3 We stellen vast dat de armoede problematiek ernstiger is en het aantal werkende armen toeneemt Dit betekent dat er meer mensen een beroep doen op bijzondere bijstand. Kanttekeningen 1.1 Er staan nog steeds maatregelen van 100% korting op de bijstandsuitkering in de verordening De wet is op het onderdeel maatregelen nog niet volledig aangepast. Dat volgt in 2027. Waar in de wet nog een maatregel van 100% staat moeten we die ook in de verordening opnemen. 100% korting van de uitkering bij agressief gedrag veranderden we niet. We accepteren geen agressief gedrag. 1.2 Uiteindelijk is het aan het Rijk om de reikwijdte van de jeugdhulpplicht in te perken Zo zijn gemeenten beter in staat om alternatieven, integrale hulp en bijstand te leveren. 2.1 We kunnen regelingen uit de bijzondere bijstand schrappen of bedragen verlagen We kunnen bijvoorbeeld het minima reisproduct of het zwemabonnement voor de minima schrappen. Het geld dat inwoners kunnen krijgen om mee te doen kunnen we schrappen of verlagen. We bereiken dan niet ons doel: dat alle inwoners van de gemeente Terneuzen actief kunnen deelnemen aan de samenleving. 2.2 We zien hoge kosten voor bewind voering, kan dat anders? We zien dat vroeg signalering een kostenverlagend effect heeft.
Om meer grip te krijgen op deze kosten en meer te sturen op de zelfredzaamheid zetten we extra instrumenten voor begeleiding en nazorg in. We volgen de resultaten op. Wat mag het kosten? Er zijn geen financiële wijzigingen in de verordening. Voor bijzondere bijstand is er onvoldoende budget omdat er minder begroot is dan in 2025. In 2025 was er eenmalig extra geld beschikbaar. Het totale tekort is € 268.591. Dit bedrag dekken we voor een deel uit het overgehevelde budget alleenverdienersproblematiek 2025 (€ 30.000), een deel uit het budget alleenverdienersproblematiek 2026 (€ 43.000) en de inzet van de volledige reserve armoedebestrijding kinderen van € 40.570. De overheveling 2025 verwerken we in de 8e perioderapportage 2025. Het resterende bedrag € 155.021 dekken we uit het begrotingsresultaat 2026. Voor dekking vanaf 2027 (tekort € 320.000 bij onveranderd beleid, € 260.000 als er geen mogelijkheden meer zijn voor een minima reisproduct bij de nieuwe vervoerder) werken we meerdere scenario's uit. Wat gaan we ervoor doen? •
We publiceren de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 op overheid.nl.
•
Na besluitvorming geven we vanaf 1 januari 2026 uitvoering aan de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026.
•
We passen de nadere regels, beleidsregels en werkinstructies, waar nodig, aan.
3/129
•
Aan de hand van de modelverordening voor de Participatiewet in Balans gaan we na of de verordening tussentijds aangepast moet worden.
•
Voor dekking vanaf 2027 (tekort € 320.000 bij onveranderd beleid, € 260.000 als er geen mogelijkheden meer zijn voor een minima reisproduct bij de nieuwe vervoerder) werken we meerdere scenario's uit. We nemen extra dekking voor de kosten voor de bijzondere bijstand vanaf 2027 mee in de afwegingen voor de kaderbrief.
Bijlagen 1. Bijlage 1 - Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026.pdf 2. Bijlage 2 - Was-wordt tabel Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026.pdf
4/129
Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026
1
5/129
Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 Hoofdstuk 1 Inleiding Deze ‘Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026’ is een aangepaste versie van de ‘Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2025’. Iedereen moet mee kunnen doen in onze gemeente. In het sociaal domein werken we aan verdere vernieuwing en aan verbetering van de samenwerking tussen organisaties. We zetten in op integraal werken volgens het principe van één gezin, één plan, één regisseur. Ondersteuning en hulp zijn zo snel, adequaat, vroeg en dichtbij mogelijk. We gaan uit van kwaliteit. In deze regeling leest u wat u van de gemeente kunt verwachten maar ook wat wij van u verwachten. De regels gaan over de volgende onderwerpen: • • • •
1.1
werken en participeren; uitkeringen; gezond en veilig opgroeien, en; wonen in een veilige en gezonde omgeving. Waarom deze regels?
Wij willen dat alle inwoners van Terneuzen actief kunnen deelnemen aan de samenleving, gezond en zelfredzaam zijn. We streven ernaar dat inwoners in ieder geval: • • • • • • •
gezond en veilig opgroeien en zich optimaal ontwikkelen; een zinvolle dagbesteding hebben (van betaald werk tot vrijwilligerswerk); een inkomen hebben; hun financiën op orde hebben en houden; een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij (zo lang mogelijk) zelfstandig en veilig wonen; en maatschappelijk participeren.
Het is onze taak om u daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om: • • • • • • •
de Participatiewet (PW); de Jeugdwet; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); de Inkomensvoorziening oudere arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); de Algemene wet bestuursrecht (Awb); de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); 2
6/129
• •
het Burgerlijk Wetboek (BW); de Gemeentewet.
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin we bepaalde zaken uitwerken. Ook dat regelen we in deze verordening. 1.2
Uitgangspunten
De regels in deze verordening: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 1.3
zijn bedoeld om de onder 1.1 genoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; zijn goed leesbaar; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen we goed uitvoeren; zijn duidelijk voor de inwoners; zijn onderling afgestemd op elkaar; respecteren de wettelijke regels; helpen om maatwerk toe te passen. Kernwaarden
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houden we rekening met de doelen van de genoemde wetten. We zorgen ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. We gaan daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1. 2. 3. 4. 1.4
u bent in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren; u zet zich ervoor in om deze doelen te bereiken; wij helpen waar dat nodig is en stimuleren u om zelf oplossingen te vinden voor uw problemen; kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. Nadere regels en beleidsregels
Deze verordening is een algemeen verbindend voorschrift. De verschillende wetten verplichten gemeenten om een aantal zaken in een verordening te regelen. De details staan in de nadere regels en beleidsregels. 1.4.1
Nadere regels
Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn van de verordening. Een aantal artikelen van deze verordening bevatten bepalingen die het college de bevoegdheid geven om nadere regels vast te stellen. Nadere regels kunnen rechten en plichten voor u bevatten. 1.4.2
Beleidsregels
Een beleidsregel beschrijft hoe het college omgaat met een wettelijke bevoegdheid. We leggen geen rechten of plichten voor u vast in een beleidsregel. Wel geven beleidsregels u duidelijkheid hoe het college omgaat met uw hulpvraag en aanvraag. Ook helpt het onze consulenten om uw hulpvraag te beoordelen. 3
7/129
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding en de uitleg van de belangrijkste begrippen die we in deze verordening gebruiken leest u eerst hoe en waar u hulp kunt vragen en hoe wij die hulpvraag oppakken. In hoofdstuk 2 leest u hoe en waar u hulp kunt vragen. En u leest hoe wij uw hulpvraag oppakken. Daarna leggen we in een aantal hoofdstukken uit wat de belangrijkste regels van de gemeentelijke taken zijn. De regels gaan over: • • •
de hulp van de gemeente om een stap naar werk te zetten en minimaregelingen (hoofdstuk 3), ondersteuning voor kinderen en jongeren bij het opgroeien (hoofdstuk 4), ondersteuning bij het wonen in uw eigen leefomgeving (hoofdstuk 5).
In deze hoofdstukken leest u wanneer u hulp kunt krijgen, wat die hulp inhoudt en welke rechten en plichten u heeft. In de volgende hoofdstukken gaan de regels over: • • • • •
de vorm die de hulp heeft (hoofdstuk 6), wat we van elkaar kunnen verwachten (hoofdstuk 7), hoe u invloed kan hebben op het beleid (hoofdstuk 8), de kwaliteit van diensten en producten (hoofdstuk 9), de werking van de verordening (hoofdstuk 10).
De hoofdstukken 2 tot en met 6 en hoofdstuk 8 beginnen met een korte inleiding. Hierin staat waarover het hoofdstuk precies gaat. Daarna volgen de regels. De regels zijn gebaseerd op de wetten genoemd in artikel 1.1 van deze verordening. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel geven we aan welke wetten op dat artikel van toepassing zijn. 1.6 Begrippenlijst In deze verordening gebruiken we allerlei begrippen. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening betrekking heeft. Algemeen verbindend voorschrift: een algemene regel waaraan zowel burgers als de gemeente gebonden zijn en/of waaraan zij rechten/bevoegdheden kunnen ontlenen. Algemene voorziening: voorziening die toegankelijk is voor alle inwoners van de gemeente. Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan maatwerkvoorziening/individuele voorziening/uitkering of voorziening. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.
Arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan. Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet. Armoedeval: achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. Basisbaan: een basisbaan is een dienstverband dat het arbeidsintegratiebedrijf in opdracht van de gemeente kan aangaan met een bijstandsgerechtigde. 4
8/129
Benadelingsbedrag: het bedrag dat de gemeente onterecht heeft uitbetaald. Beslistermijn: Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag wordt een beschikking afgegeven. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Bovengebruikelijke hulp: als de zorg die het kind nodig heeft op het gebied van verzorging, verpleging en begeleiding meer vraagt dan de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen nodig heeft. Budgetbeheerder: een persoon uit het sociale netwerk of een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp die voor de budgethouder de taken verbonden aan een pgb uitvoert.
De budgetbeheerder is in staat om de belangen voldoende te behartigen. De taken die bij het pgb horen moeten op een verantwoorde manier uitgevoerd worden. De budgetbeheerder is verplicht om mee te werken aan de beoordeling van zijn pgb-vaardigheden. Budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet. Cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve hulp, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen. Detacheringsbaan: het arbeidsintegratiebedrijf kan in opdracht van de gemeente een detacheringsbaan aangaan met bijstandsgerechtigde. De bijstandsgerechtigde wordt door het arbeidsintegratiebedrijf uitgeleend aan andere werkgevers. Doel: het resultaat. Eigen kracht (Wmo): het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen. Financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.
Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen. Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het doel dat hij wil bereiken bespreekt.
5
9/129
Gespreksverslag: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek uitgevoerd door de toegang. Herzien: het ongedaan maken van een recht op een voorziening over een periode die gelegen is voor het besluit. Er is over die periode wel recht op een voorziening, maar op een andere voorziening dan destijds is toegekend. Hulp: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding of aanvraag heeft. Als het gaat om een hulpvraag van een jeugdige, gaat het om de behoefte van een jeugdige en/of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Individuele voorziening: een op de inwoner afgestemde voorziening. Als het gaat om een voorziening voor de Jeugdwet is dit een voorziening die is afgestemd op de jeugdige en/of zijn ouders. Wij verstrekken dit in natura (zorg in natura) of met een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van artikel 2.3 Jeugdwet. Ingezetene: de inwoner die rechtsgeldig staat ingeschreven in Basisregistratie Personen (BRP). Inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet.
Intrekken: het ongedaan maken van een recht op een voorziening over een periode die gelegen is voor het besluit. Het verschil met ‘herzien’ is dat er bij ‘intrekken’ geen recht is op een voorziening, ook niet op een andere voorziening. Inwoner: de persoon die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Terneuzen. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jongere: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener- en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft. Kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet.
Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Kostprijs: de totale kosten van een product of dienst.
6
10/129
Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. Leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling. Loonwaarde: de waarde (uitgedrukt in euro’s) van arbeid die iemand nog kan uitvoeren. Maatschappelijke participatie: deelname aan het maatschappelijk leven, passend bij het vermogen van de bijstandsgerechtigde en niet per se gericht op betaalde arbeid. Maatwerkvoorziening: een op de inwoner afgestemde voorziening zoals in de Wmo 2015 is omschreven. Hieronder valt ook een financiële tegemoetkoming. Middelen: alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken (zie artikel 31 PW). Minimaregelingen: regelingen voor mensen met een laag inkomen. Ondersteuningsplan: een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. Onderzoeksrapport: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek uitgevoerd door de toegang waarvan een gespreksverslag deel uitmaakt. Ouder: ouder met ouderlijk gezag, adoptieouder, stiefouder of een ander die een jeugdige binnen zijn gezin verzorgt en opvoedt, maar geen pleegouder is.
Passend werk: werk dat past bij uw (lichamelijke) (on)mogelijkheden. Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging. Pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen. Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden. Preferente proces loonkostensubsidie: Vanuit het Breed Offensief hebben gemeenten, de VNG, Divosa, SZW en de Normaalste Zaak gewerkt aan de harmonisatie van het proces rondom de loonkostensubsidie. Als gemeenten hetzelfde proces hanteren, zijn de administratieve lasten voor werkgevers minder ingewikkeld. Zo wordt het eenvoudiger om mensen uit verschillende gemeenten een werkplek te bieden. Bovendien hoeven gemeenten nu niet zelf een proces te ontwikkelen en uit te denken. Gemeenten kunnen gebruik maken van een toolkit, daarin staat onder meer een stappenplan, procesplaten en communicatieset met voorbeeldbrieven, aanvraagformulieren, beschikkingen en andere handige formats.
Dat noemen we het preferent proces Loonkostensubsidie. Het beheer preferent proces Loonkostensubsidie bij VNG. Wij gebruiken dat proces ook in Terneuzen. Problematische schulden: Een schuld is problematisch wanneer te voorzien is dat een inwoner schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. Het gaat dan om een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen betaald kunnen worden. Zo’n situatie vraag om het opstarten van een schuldregeling. 7
11/129
Professional: iemand die beroepsmatig hulp verleent. Regiotaxi: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). Samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. Schending inlichtingenplicht: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers). Sociale omgeving: In de Jeugdwet wordt gesproken over de sociale omgeving van de jeugdige. Dit is buiten het gezin en buiten de school, de relaties in de omgeving van de jeugdige zoals vriendenkring, sportverenigingen, clubhuizen en verenigingen waarvan de jeugdige onderdeel uitmaakt. Toekenningsbesluit: beschikking waarin de toekenning van een voorziening wordt toegelicht en welke voorwaarden gelden. U: wordt verstaan de rechthebbende als bedoeld in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet. Uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering.
Uitkeringsnorm: de voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Voorliggende voorziening: een overheidsregeling of uitkering die voorliggend is aan andere voorzieningen vanuit de overheid. De inwoner kan de kosten op een andere manier vergoed krijgen. Voorziening: zorg in natura dan wel een persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening. Een financiële tegemoetkoming is ook een voorziening. Voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand: een op de inwoner afgestemde voorziening als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet. Vrij toegankelijke hulp: hulp die beschikbaar is zonder verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts of besluit van de gemeente. Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet. Wij: de gemeente Terneuzen. Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
8
12/129
Woonplaatsbeginsel: een hulpmiddel om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp aan de jeugdige. De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (BRP) of in geval van zorg met verblijf de gemeente waar de jeugdige direct voorafgaand aan het verblijf stond ingeschreven. Zelfredzaamheid: het vermogen om voor uzelf te zorgen. Zorg in natura: de hulp die aan inwoners wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd.
9
13/129
Hoofdstuk 2 De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop u aan ons hulp kunt vragen over één of meer onderwerpen uit deze verordening. Ook staat in dit hoofdstuk hoe we uw hulpvraag behandelen en hoe wij tot een besluit komen. Uitgangspunt is dat u alle hulpvragen in één keer kunt stellen. Voor bepaalde hulpvragen geldt een bijzondere route. Dit staat ook vermeld in dit hoofdstuk. 2.1
Aanvraag op grond van de Jeugdwet, PW, IOAW, IOAZ of Wgs Jeugdwet, PW, IOAW, IOAZ, Wgs 1. Een inwoner, waaronder een jeugdige, zijn ouder of een andere belanghebbende (zoals een pleegouder) kan schriftelijk of digitaal een aanvraag voor hulp doen. 2. Wij wijzen de aanvrager op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de hulpvraag van een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of andere voorziening.
2.1.1
Melding op grond van de Wmo Wmo 2015
1. 2.
3. 4.
2.1.2
Als u hulp nodig heeft, kunt u dit melden bij de gemeente. U kunt dit schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Wij bevestigen uw hulpvraag per brief of e-mail. In de bevestiging kunnen wij u uitnodigen voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat: a. waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan; b. informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen van een (onafhankelijke) cliëntondersteuner; en c. informatie over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen. In dit plan legt u uit hoe uw persoonlijke situatie is en wat u wilt bereiken met uw hulpvraag. In sommige situaties kunnen we afzien van een gesprek. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de hulpvraag van een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of andere voorziening. Gegevens Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs
De gemeente verzamelt alle gegevens over uw situatie die nodig zijn voor uw hulpvraag. Soms hebben we gegevens nodig die we niet zelf hebben of kunnen inzien. Dan vragen wij u, om die ontbrekende gegevens binnen een redelijke termijn bij ons aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek maken we duidelijk welke gegevens dat zijn. We geven in deze uitnodiging ook aan binnen welke termijn u deze gegevens moet indienen.
10
14/129
2.2
Het gesprek Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs
1.
Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat u wilt bereiken en van uw persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel als mogelijk plaats na de melding voor de hulpvraag. Bij de start van het gesprek identificeert u zich met een geldig legitimatiebewijs. Wij zijn namelijk verplicht uw identiteit vast te stellen. Als u zelf een plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als u dat wilt, kunt u iemand vragen om bij dit gesprek aanwezig te zijn. Dit kan iemand uit uw sociale netwerk zijn of een onafhankelijke cliëntondersteuner.
2. 3. 4. 5. 2.2.1
Inhoud van het gesprek Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs
1.
2.
3. 4. 2.3
In het gesprek onderzoekt de medewerker: a. uw behoefte: wat is er nodig? b. uw persoonlijke situatie: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste doel? c. uw eigen (on)mogelijkheden: (hoe) kunt u zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? d. uw omgeving: welke hulp kan uw sociale netwerk of kunnen andere organisaties bieden? De medewerker informeert u over de mogelijkheden van de gemeente om uw persoonlijke situatie te verbeteren. Als u een hulpvraag doet voor de Wmo 2015 of Jeugdwet informeert de medewerker u ook over de mogelijkheden van een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag. De medewerker informeert u over het vervolg. In het kader van de hulpvraag bent u verplicht om persoonsgegevens te verstrekken; Het verslag Jeugdwet, Wmo 2015 1. U krijgt een verslag van de gemeente. In dit verslag staan de uitkomsten van het onderzoek naar uw hulpvraag. Voor de Wmo noemen we dit het onderzoeksrapport. Het gespreksverslag is hier onderdeel van. 2. Soms hebben we meer informatie nodig voor het onderzoek. Hierdoor kan het verslag of onderzoeksrapport niet altijd binnen de wettelijk gestelde onderzoekstermijn klaar zijn. 3. Uit het verslag of onderzoeksrapport blijkt welk doel u wilt bereiken en hoe we dit kunnen realiseren. 4.
U ondertekent het verslag of onderzoeksrapport en stuurt dit binnen vijf werkdagen naar de gemeente. Als u het niet eens bent met het verslag of onderzoeksrapport, kunt u dat aangeven.
2.4
Aanvraag Wmo 2015
Na de melding van de hulpvraag en het gesprek met een medewerker van de gemeente, kunt u een aanvraag indienen door het onderzoeksrapport ondertekend terug te sturen. 11
15/129
2.4.1
Aanvraag van een voorziening Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs
1.
2. 3. 4. 2.4.2
Vraagt u om een maatwerkvoorziening (Wmo 2015), een individuele voorziening (Jeugdwet), of een andere voorziening (PW, IOAW, IOAZ), dan kunnen we die hulp toekennen in de volgende situatie: a. De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in artikel 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. U heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. U kunt dit effect ook niet bereiken: • met een algemeen gebruikelijke voorziening • met gebruikelijke hulp • met mantelzorg of met hulp van andere personen uit uw sociale netwerk • met behulp van algemene voorzieningen; en c. De voorziening past bij het door u gewenste effect en persoonlijke situatie. Indien één van de voorwaarden of weigeringsgronden van artikel 2.4.4 van deze verordening van toepassing is, kunnen we de voorziening niet toekennen. De voorziening is voldoende in inzet en kwaliteit, zodat u het gewenste effect kunt bereiken. Bij toekenning van een voorziening krijgt u de goedkoopste passende voorziening. Beschikbare algemene voorzieningen Jeugdwet, Wmo 2015
1. 2.
3. 2.4.3
Een algemene voorziening is een voorziening op basis van de wet, die voor iedereen beschikbaar is. U hoeft meestal geen aanvraag te doen. Soms is er een korte beoordeling nodig. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. Opvoedondersteuning b. Praktijkondersteuner huisarts – Jeugd (POH-Jeugd) c. Regiotaxivervoer d. Onafhankelijke cliëntondersteuning e. Maatschappelijke opvang voor daklozen f. Advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling g. Maaltijdservice h. Activiteiten en ontmoeten in de buurthuizen. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen er zijn en wat deze voorzieningen precies inhouden. Beoordelen van uw aanvraag Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Awb, Wgs
1.
Om te bepalen of wij hulp verlenen, nemen we de volgende stappen: a. Stap 1: Wij stellen eerst vast wat uw hulpvraag is. b. Stap 2: Wij stellen hierna vast welke problemen, beperkingen en/of stoornissen u precies heeft. c. Stap 3: Wij bepalen of en welke hulp, en hoeveel hulp u nodig heeft. Met als doel om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. d. Stap 4: Wij onderzoeken wat u zelf kunt doen om uw probleem op te lossen (eigen kracht). Wij betrekken hierbij: de hulp van huisgenoten, hulp van anderen uit uw 12
16/129
sociale netwerk/sociale omgeving, hulp van mantelzorgers en de inzet van voorliggende en algemene voorzieningen. 2.4.4
Advies Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Awb, Wgs
Bij iedere stap uit artikel 2.4.2, kan de gemeente een (externe) deskundige inzetten voor advies. Dit advies betrekken we bij de beoordeling van uw aanvraag. We stellen u vooraf op de hoogte welke deskundigheid we op welk moment nodig vinden en inzetten. 2.4.5
Voorwaarden en weigeringsgronden Wmo 2015
1.
We verstrekken de voorziening als deze: • veilig is voor uzelf en uw omgeving; • geen gezondheidsrisico’s geeft en; • niet anti-revaliderend werkt. We houden hierbij rekening met uw beperkingen.
2.
3. 4.
We verstrekken geen voorziening: a. als u niet woont in de gemeente Terneuzen; b. als u voor uw probleem een beroep kunt doen op een andere wet; c. als u de gevraagde voorziening zelf al aanschaft voordat u een melding doet bij de gemeente. Deze regel geldt niet voor een acute noodsituatie; d. als u de gevraagde voorziening zelf aanschaft ná de melding en vóór de datum van ons besluit. Deze regel geldt niet als we daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven; e. als de gevraagde voorziening al eerder aan u is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan u zijn toe te rekenen of u de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; f. als deze voorziening niet specifiek op u gericht is; g. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer u rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; h. als u aanspraak heeft op zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat u daarvoor in aanmerking komt en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover. Deze regel geldt niet als artikel 8.6a van de Wmo 2015 van toepassing is. i.
de voorziening niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; Als we een vervoersvoorziening verstrekken houden we alleen rekening met de verplaatsingen in uw directe woon- en leefomgeving. De vervoersvoorziening bestaat uit maximaal 3.000 kilometer per jaar. We verstrekken geen woonvoorziening als: a. de beperkingen komen: • door de aard van de in de woning gebruikte materialen, • door de slechte staat van onderhoud, of • doordat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; 13
17/129
b. u uw hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarvoor u de melding doet of waaraan de voorziening wordt getroffen en ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; c. het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten die bij het gebouw horen waarin u woont; d. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; e. u niet verhuist naar de voor uw beperkingen meest geschikte beschikbare woning. Deze regel geldt niet als we daarvoor vooraf schriftelijk toestemming hebben gegeven; f. u een indicatie hebt voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg; g. u de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kan meenemen. 2.4.6
Voorwaarden individuele voorzieningen Jeugdwet
1. Jeugdigen en/of ouder(s) kunnen een individuele voorziening krijgen als: de gemeente of een andere verwijzer vaststelt dat: a. er problemen zijn met opgroeien, opvoeding, psychische klachten of een stoornis bij de jeugdige. b. inzet nodig is zodat de jeugdige: • gezond en veilig kan opgroeien; • kan leren zelfstandig te worden; • zichzelf kan redden en mee kan doen in de samenleving en c. de jeugdige en/of ouder(s) zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht). en d. een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag; en e. de jeugdige en/of ouder(s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen. 2. Een algemene of andere voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. goed past bij de hulpvraag. 3. Als een individuele voorziening nodig is, kiezen we voor de goedkoopste en passende oplossing die op tijd beschikbaar is. 4. We verstrekken alleen een individuele voorziening als in de praktijk is aangetoond dat die hulp ook echt helpt. We kijken of de hulp goed past bij de vraag en of het een bewezen effectieve aanpak is. 5. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als ‘erkend’ in: a.
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 14
18/129
6. Als ouder(s) hulp nodig hebben door hun eigen problemen (zoals psychische of relatieproblemen), en er is geen hulpvraag voor de jeugdige, dan verstrekken we geen individuele voorziening via de Jeugdwet. Dit geldt niet als er naast de hulpvraag van de ouder(s) ook sprake is van meervoudige problematiek in het gezin. 7. Als de aanvraag gaat over kosten voor jeugdhulp die al is gestart vóór de aanvraag, dan vergoeden we die alleen als het om een crisissituatie ging en we achteraf nog kunnen beoordelen of de hulp nodig en passend was en de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. 2.4.7 Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding Wmo 2015 1. U komt pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als u zelf geen oplossing kan vinden voor de hulpvraag met gebruikelijke hulp. 2. Gebruikelijke hulp is hulp die mag worden verwacht van: a. de inwonende echtgenoot; b. inwonende ouders c. inwonende kinderen d. of andere huisgenoten Het is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat ze samen een huishouden voeren en een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar. 3. We maken bij de beoordeling of de (gebruikelijke) hulp van de huisgenoot gebracht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
4. 5. 6.
7.
a. Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Het gaat hierbij over een periode van maximaal zes maanden in één jaar. b. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan zes maanden nodig is. We verwachten van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties de benodigde hulp bieden. Het gaat hierbij ook om hulp die meer omvat dan alleen de gangbare gebruikelijke hulp. We verwachten van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de gebruikelijke hulp bieden. Wat gebruikelijke hulp is staat in lid 6,7 en 8. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houden we in ieder geval rekening met het volgende: a. De aard van de relatie met de huisgenoot b. De mate van hulp die u nodig heeft c. De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit d. De mate van planbaarheid van de hulp e. Uw behoeften en mogelijkheden Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houden we in ieder geval rekening met de volgende factoren van de huisgenoot: a. De leeftijd van de huisgenoot b. De woonsituatie c. De beschikbaarheid om de hulp te bieden d.
De kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden e. De lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot 15
19/129
f.
Of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot (zoals relationele problemen of schulden) g. Welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen h. Het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgen i. De vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp 8. Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende: -
Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de cliënt. - Als de (over)belasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de cliënt om, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. - Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijken we wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. - Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht. 9. Als sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp door een huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp. 2.4.8 Onderzoek, advies en functiescheiding Wmo 2015 1. Wij vragen een aangewezen adviseur met de benodigde kennis om advies, als wij denken dat dit nodig is voor het doen van een zorgvuldig onderzoek rond een melding, aanvraag of heronderzoek. 2. Wij dragen zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen. 2.4.9 Eigen kracht Jeugdwet 1.
Jeugdigen of ouders komen alleen in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder verstaan we in ieder geval: • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar zijn en de noodzakelijke hulp kunnen bieden, dit niet zorgt voor (dreigende) overbelasting en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten 2. Gebruikelijke hulp is hulp die mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de minderjarige jeugdigen in/van hun gezin te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. 16
20/129
Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Als 1 van de ouders dat niet kan bieden neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Ook als ouders gescheiden zijn. Wij houden dan rekening met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3. Om vast te stellen of er sprake is van gebruikelijke hulp beoordelen wij of de benodigde hulp verder gaat dan de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Wij houden hierbij rekening met: a. de leeftijd van de jeugdige; b. hoeveel zorg een jeugdige van die leeftijd nodig heeft bij activiteiten en handelingen en hoeveel toezicht en hoeveel begeleiding/stimulans; c. de soort en de duur van de hulp en hoe intensief de ondersteuning van de jeugdige moet zijn; d. kan de hulp goed gepland worden; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekken wij geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 5.
Gaat het om hulp die verder gaat dan de gebruikelijke hulp, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Wij beoordelen dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat geschreven. Wij kijken dan naar kortdurende en langdurende situaties: - Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids-)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. - Langdurend: het gaat om langdurige situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 6. Wij verwachten van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, behalve als dit rekening houdend met de soort hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 7. Bij de beoordeling in langdurige situaties houden wij rekening met de volgende onderdelen: a. de soort en de duur van de hulp en hoe intensief de ondersteuning van de jeugdige moet zijn b. of de inzet van de hulp goed te plannen is c.
het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen h. het belang van ouders om te kunnen werken en zo geld te verdienen en het eventueel ontstaan van financiële problemen i. de woonsituatie 17
21/129
j.
de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) k. is er een sociaal netwerk en zo ja, kan het sociaal netwerk de ouders of de jeugdige helpen l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht 8. Als bovengenoemde onderdelen niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders verwachten we dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Wij verstrekken dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 9. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: - Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. - Als de overbelasting komt door bijvoorbeeld spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere oorzaken die niet ontstaan door de zorg van de jeugdige, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. - Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijken wij wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. - Het verlenen van hulp aan het kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. - Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt gestopt als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 10. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Wij verstrekken hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 11. Het college kan van de ouder(s) verwachten het belang van hun kind voor het belang van hun (werk)carrière te stellen, mits dit geen financiële problemen oplevert. 12. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering heeft/hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Wij verstrekken dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 2.5
Besluit
2.5.1
Inhoud van het besluit Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Awb, Wgs
1.
Wij stellen u per brief op de hoogte van ons besluit. Deze brief is een beschikking. Wij nemen een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag. Als we hulp geven, staat in het besluit ook in welke vorm we de hulp geven: 18
22/129
a. hulp in natura; b. pgb; c. geld. 2.
Geven we hulp in natura, dan staat in het besluit in ieder geval: a. wat de hulp inhoudt en hoeveel en waarvoor u de hulp krijgt; b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. wie de hulp geeft en hoe de hulpverlener de hulp geeft; d. wat de gestelde doelen zijn; e. welke voorwaarden en verplichtingen gelden; f. indien van toepassing de termijn van drie maanden waarbinnen u zich bij de aanbieder moet hebben gemeld; g. waarom we tot dit besluit komen, en h. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.
3.
Geven we hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval: a. voor welk doel u een pgb krijgt; b. hoe hoog het pgb is; c. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; d. hoe u de besteding van het pgb moet verantwoorden; e. welke voorwaarden en verplichtingen gelden; f. welke kwaliteitseisen gelden; g. indien van toepassing de termijn van drie maanden waarbinnen u het pgb moet besteden; h. motivatie van het besluit, en i. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.
4.
Geven we hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval: a. voor welk doel we het geld geven; b. hoeveel geld u krijgt; c. wanneer we het geld betalen; d. hoe vaak we het geld betalen; e. welke voorwaarden en verplichtingen gelden; f. motivatie van het besluit, en g. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.
5.
Geven we geen hulp, dan staat in het besluit in ieder geval: a. motivatie waarom we geen ondersteuning geven, en b. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.
6. Wij kunnen tussentijds onderzoeken of er aanleiding is om het besluit te heroverwegen. 2.5.2
Verval van recht Jeugdwet, Wmo 2015
Het recht op ondersteuning vervalt als u zich niet binnen drie maanden na het besluit heeft gemeld bij de zorgaanbieder of het pgb niet binnen 3 maanden besteedt aan het doel waarvoor het pgb is verstrekt. Dit geldt niet als u kunt aantonen dat u een dringende reden heeft waardoor u niet binnen de termijn van drie maanden gebruik kunt maken van de hulp.
19
23/129
2.5.3
Terugwerkende kracht Jeugdwet, Wmo 2015
1. 2.
We kennen een aanvraag niet met terugwerkende kracht toe. Lid 1 is niet van toepassing als de wet of deze verordening het wel mogelijk maakt.
2.5.4
Spoedeisende gevallen Jeugdwet, Wmo 2015, PW, Wgs
1. In spoedeisende gevallen zorgen wij ervoor dat u, in afwijking van de hierboven geschreven procedure, de hulp krijgt die u nodig heeft. 2. Achteraf doen wij een (verkort) onderzoek. 3. Wij nemen de beslissing over de inzet van hulp, zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp. We leggen dit vast in een beschikking.
Hoofdstuk 3 Participeren en inkomen Dit hoofdstuk gaat over (maatschappelijke) participatie en minimaregelingen. Wij vinden het belangrijk inwoners die geen werk hebben te helpen bij het vinden van werk. In dit hoofdstuk leest u voor wie dit geldt, hoe wij u hierbij kunnen helpen en wat wij van u verwachten als u een uitkering ontvangt. 3.1
Participatie – voor wie PW, IOAW, IOAZ
1. 2.
3.2
U bent in de eerste plaats zelf, met de hulp van de mensen om u heen of met de hulp van uitzendbureaus en andere organisaties, verantwoordelijk om werk te vinden. Als u dat niet lukt, kunnen wij u helpen. Daarbij gebruiken wij de voorzieningen genoemd in dit hoofdstuk. Wij kunnen u een voorziening aanbieden als: a. u een uitkering van ons ontvangt; b. u geen uitkering van ons ontvangt en geen hulp krijgt van instanties zoals UWV, SVB of werkgevers; c. u jonger bent dan 27 jaar. Werkwijze PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3.3
Bij het vinden van werk of een opleiding die bij u past, werken wij samen met UWV, regiogemeenten en organisaties. Wij ondersteunen werkgevers die werk hebben voor inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen. Voorzieningen PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3. 4. 5.
Wij kijken welke hulp u nodig heeft. Wij beoordelen welke voorziening passend is voor u. Wij bepalen welke voorziening we inzetten en voor hoe lang. Wij kijken naar uw omstandigheden, uw mogelijkheden en eventuele beperkingen, zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. Wij stemmen de hulp aan u af gelet op uw positie op de arbeidsmarkt. 20
24/129
6. 7.
8. 9. 3.3.1
Het doel van de voorziening is het vinden of behouden van passend werk. Wij kunnen in ieder geval de volgende voorzieningen inzetten: • participatieplaats • beschut werk • proefplaatsing • werkervaringsplaats/stage • detacheringsbaan • basisbaan • maatschappelijke participatie • vrijwilligerswerk • diagnostische instrumenten • werkgeverssubsidie • loonkostensubsidie • scholing, cursussen, trainingen • begeleiding, ondersteuning • jobcoaching • jobhunting, bemiddeling • nazorg • kinderopvang • andere voorzieningen en vergoedingen, maatwerk In een plan van aanpak leggen wij vast welke hulp u krijgt en welke afspraken wij met u maken. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitwerking van dit artikel. Participatieplaats PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 3.3.2
Wij kunnen deze voorziening inzetten als u een uitkering krijgt, ouder bent dan 27 jaar en uw kans op werk klein is. Wij kunnen voor een periode van maximaal twee jaar een participatieplaats aanbieden. Het doel is de kans op betaald werk te vergroten en werkervaring op te doen. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De premie, bedoeld in artikel 10a lid 6 PW, bedraagt per 6 maanden maximaal 25% van de gehuwdennorm van artikel 31 lid j van de PW op basis van fulltime dienstverband of bij parttime dienstverband naar rato van het aantal gewerkte uren. Voor toepassing van lid 5 is de gehuwdennorm van 1 januari van dat kalenderjaar van toepassing. Een voorwaarde is dat u voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van uw kans op werk. Beschut werk PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3.
Wij kunnen u een beschutte werkplek aanbieden, als het UWV heeft vastgesteld dat u alleen kan werken als het werk en de omgeving zijn aangepast aan uw mogelijkheden. Het doel is om u een veilige werkplek te bieden. Wij bieden de volgende aanpassingen aan, zodat u beschut kunt werken: a. het aanpassen van uw werkplek of de omgeving waarin u werkt; b. uitsplitsing van taken; 21
25/129
4.
5.
3.3.3
c. het aanpassen van werktempo, het aantal uren dat u werkt en de begeleiding die u krijgt; d. jobcoaching. Als u in aanmerking komt voor beschut werk, kunnen wij helpen om de stap naar beschut werken makkelijker te maken. Wij kunnen de volgende voorzieningen aanbieden: a. helpen bij de invulling van uw dag; b. vrijwilligerswerk; c. scholing; d. schuldhulpverlening. Wij zetten ons in om iedereen die voor beschut werk in aanmerking komt te plaatsen. We streven er naar om in ieder geval het door het rijk opgelegde minimum aantal beschutte werkplekken per jaar te realiseren. Proefplaatsing PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 3.3.4
Wij kunnen u, bij wijze van proef, tijdelijk en met behoud van uw uitkering een proefplaatsing aanbieden bij een bedrijf om werkervaring op te doen. De plaatsing duurt drie maanden, maar stopt eerder als het doel eerder bereikt is. Het doel is dat u kennis en vaardigheden opbouwt. Het uiteindelijke doel is dat u voor minimaal zes maanden in dienst komt bij het bedrijf. Tijdens de proefplaatsing kan het bedrijf een beeld krijgen om te zien of u geschikt bent voor het werk. De werkgever moet u goed begeleiden. Een voorwaarde is dat dit niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. Werkervaringsplaats/stage PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3. 4. 5. 3.3.5
Wij kunnen u bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering een werkervaringsplaats/stage aanbieden bij een re-integratiebedrijf. De plaatsing duurt drie maanden, maar stopt eerder als u het doel heeft behaald. Wij kunnen de plaatsing na drie maanden verlengen, maar met verlenging duurt de plaatsing maximaal zes maanden. Het doel is om werknemersvaardigheden te leren en daarmee de kans op betaald werk te vergroten en werkervaring op te doen. Een voorwaarde is dat dit niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties Detacheringsbaan PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3.3.6
Wij kunnen u via een andere organisatie een baan aanbieden bij een werkgever. Het doel is dat u uiteindelijk bij de werkgever in dienst komt. Basisbaan PW, IOAW, IOAZ
1.
Een basisbaan kunnen wij enkel aanbieden als u: • een bijstandsuitkering ontvangt; 22
26/129
ouder bent dan 27 jaar; niet in aanmerking komt voor een indicatie banenafspraak en/of niet in aanmerking komt voor het doelgroepenregister; • nog niet in staat bent regulier arbeid te verrichten. Wij kunnen u een basisbaan aanbieden als na afloop van een werkervaringsplaats en/of participatieplaats blijkt dat er geen werk voor u is, terwijl u wel uw doelen heeft behaald. Het doel is u te helpen naar betaald werk zodat u niet meer afhankelijk bent van een uitkering. Voor een basisbaan krijgt u het wettelijk minimumloon. Bij de invulling van de basisbaan gaan we uit van maatwerk. • •