2025-11-26 a. Vaststellen Tam-omgevingsplan Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet) - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
23/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
18
van bebouwing. Het aspect water vormt op deze locatie dan ook geen belemmering voor de beoogde functiewijziging. 5.10.3 Conclusie Vanuit het aspect water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw 5.11.1 Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd.
5.11.2 Onderzoek In dit geval wordt enkel opgenomen dat er geen landbouwhuisdieren meer gehouden mogen worden op locatie Paulinaweg 12. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats op het perceel en er worden ook geen nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd. Daarnaast is vanwege de lage archeologische verwachting aan het plangebied in het vigerende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming toegekend. In onderhavig plan is deze dubbelbestemming eveneens niet opgenomen door de lage verwachtingswaarde. Het plan heeft daarmee geen negatieve effecten op cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw. 5.11.3 Conclusie Het aspect cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw vormt geen beperking voor onderhavig planvoornemen.
5.12 Bedrijfsmatige activiteiten 5.12.1 Wettelijk kader Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende functies. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder zoveel mogelijk voorkomen. Indien gevoelige objecten worden gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst geeft richtafstanden waaraan getoetst kan worden. 5.12.2 Onderzoek Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst;
24/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
19
2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. In dit geval is de omgeving te typeren als een rustige woonwijk. De bestaande bedrijfsvoering (houden van rundvee) is onder te brengen in milieucategorie 3.2, met richtafstanden van 100 meter voor geur, 30 meter voor stof en geluid en 0 meter voor gevaar. Onderhavig plan leidt ertoe dat er geen veehouderijactiviteiten meer mogelijk zijn. De resterende activiteiten zijn onder te brengen in milieucategorie 2, met richtafstanden van 10 meter voor geur en stof, 30 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Voor omliggende woningen geldt dat er sprake is van een minder zware milieucategorie. Bij alle omliggende objecten is de afstand tussen woning en rand bouwvlak van locatie Paulinaweg 12 groter dan de richtafstand. Daarmee is er sprake van een aanvaardbare ontwikkeling. Voor omliggende bedrijven geldt dat de toekomstige situatie niet leidt tot een andere beoordeling dan op dit moment het geval is. Deze bedrijven worden daarom niet meer of minder beperkt in hun mogelijkheden dan momenteel het geval.
Daarmee is er sprake van een aanvaardbare ontwikkeling. 5.12.3 Conclusie Het aspect bedrijfsmatige activiteiten vormt geen beperking voor onderhavig planvoornemen.
25/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
20
6 Beperkingengebieden 6.1 Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Ter plaatse van het bouwvlak aan de locatie Paulinaweg 12 is er geen sprake van beperkingengebieden. De meest nabij gelegen beperkingengebieden zijn de volgende: 1. Natura2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe op een afstand van ruim 120 meter richting noordoosten. 2. Daarlangs ligt een strook voor waterstaatswerken. Dit is een strook met enkelbestemming bestemd voor waterstaatkundige voorziening in de vorm van een dijk. Deze ligt op een afstand van ruim 20 meter vanaf rand bouwvlak. 3. Daarlangs loopt nog een “vrijwaringszone dijk”.
Deze is aangeduid voor bescherming van de primaire waterkering en waterstaatkundige voorzieningen en ligt op een afstand van ruim 15 meter vanaf de rand van het bouwvlak. Zie onderstaande uitsnede.
Afbeelding 7: uitsnede bestemmingsplan.
In de huidige en beoogde situatie liggen deze beperkingengebieden op ruim voldoende afstand zodat deze niet leiden tot beperkingen op de locatie Paulinaweg 12.
26/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
21
7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1 Financieel economische haalbaarheid De realisatie van het project geschiedt geheel voor rekening en risico van initiatiefnemer. De gronden waarop het initiatief plaatsvindt zijn in eigendom bij initiatiefnemer. Met onderhavig project zijn de gemeentelijke financiën niet in het geding. 7.1.2 Kostenverhaal Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking zoals blijkt uit artikel 13.18 Omgevingswet. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten, te weten: • Aangewezen bouwactiviteiten; • Aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit (Ob) bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. In artikel 8.13 Ob gaat in op de aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob gaat in op de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal. Artikel 8.15 Ob gaat in op de kostensoortenlijsten. De activiteiten waarvan kosten worden verhaald (artikel 8.13 Ob) zijn: • • • • • •
de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Onderhavig initiatief behelst het aanbrengen van de functieaanduiding “veehouderij uitgesloten”. In onderhavig geval is kostenverhaal dan ook niet aan de orde. 7.1.3 Nadeelcompensatie In dit geval is er geen sprake van een plan waarvan schade wordt veroorzaakt. Het is daarmee ook niet nodig om een nadeelcompensatie analyse uit te voeren.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Advies en instemming De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een lijst opstellen waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies c.q. instemming moet worden gevraagd. Daarbij moet ook aandacht besteed zijn voor de wijze waarop deze advisering kan worden ingepast in het besluitvormingsproces bij wijzigingen van een omgevingsplan. Op basis van artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. Indien gebruik wordt gemaakt van het advies/instemmingsrecht bedraagt de beslistermijn twaalf weken. In onderhavig geval is instemming van de gemeenteraad niet noodzakelijk. De Provincie Zeeland heeft per brief van 28 maart 2025 naar aanleiding van het voorontwerp 2 opmerkingen gemaakt:
27/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
22
1. de opmerking dat er gezien het huidige gebruik van het erf ter plaatse geen waarden te verwachten zijn is onvoldoende om over te kunnen gaan tot sloop. Voor de locatie is ondertussen een quickscan. Flora en Fauna gedaan. Hieruit is naar voren gekomen dat de aanwezigheid van bepaalde soorten niet uit te sluiten is. Daarom is er vervolgonderzoek opgestart. Sloop zal pas plaatsvinden na afronding van het vervolgonderzoek en een eventuele vergunning- danwel ontheffingsprocedure voor N2000 soorten. 2. De eigenaar van de locatie heeft een verzoek gedaan tot gedeeltelijke intrekking van de N2000 activiteit, deze procedure is op verzoek van eigenaar stilgelegd. Deze constatering is correct. Door de zogenaamde Rendac uitspraak was er onduidelijkheid omtrent vergunningverlening voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten. Ondertussen heeft de eigenaar de aanvraag aangevuld en is deze weer in gang gezet. De Provincie Zeeland heeft aangegeven dat er op de wijze is tegemoet gekomen aan de opmerkingen.
7.2.2 Vaststellingsprocedure Voor het wijzigen van een omgevingsplan moet een gemeente altijd de uniforme openbare voorbereidingsprocedure volgen. De procedure is grofweg in te delen in 3 procedurestappen: 1. Vóór het ontwerp-omgevingsplan: de gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel en milieueffectrapport (MER) op; a. Kennisgeving voornemen wijziging omgevingsplan b. Milieueffectrapport schrijven (indien van toepassing) 2. Ontwerp-omgevingsplan: de gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan en legt het ter inzage. Iedereen kan daarna zienswijzen inbrengen; a. Kennisgeving ontwerpbesluit b. Mededeling in gemeenteblad c. Terinzagelegging ontwerpbesluit d. Aanvulling ter inzage gelegde stukken (indien van toepassing) e. Zienswijzen (indien van toepassing) f. Verslag mondelingen zienswijzen (indien van toepassing 3. Vaststellen omgevingsplan: de gemeente stelt het omgevingsplan vast. a. Termijn vaststelling bij MER (indien van toepassing) b. Vaststelling omgevingsplan c. Termijn tussen vaststelling en bekendmaking d. Bekendmaking, kennisgeving, terinzagelegging e. Mededeling van het besluit f. Inwerkingtreding De regels van het omgevingsplan worden tot slot zichtbaar in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (de LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket. Iedereen kan zo op een kaart zien welke regels waar gelden.
7.2.3 Bezwaar / Beroep Tijdens de ontwerpterinzagelegging van het omgevingsplan kan eenieder zijn of haar zienswijzen kenbaar maken. Het bevoegd gezag moet vervolgens bij de motivering van het definitieve besluit ingaan op de ingediende zienswijzen. Tegen het ontwerpplan zijn gedurende de termijn van inzage geen zienswijzen ingediend. De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de korte/reguliere procedure voor. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Bij sommige besluiten is er geen
28/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
23
beroepsmogelijkheid bij de rechtbank, maar moet iemand meteen naar de ABRvS. Deze besluiten staan in bijlage 2, artikel 2, van de Awb. Dit geldt onder andere in het geval van een besluit ten aanzien van een omgevingsplan.
29/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
24
8 Belangenafweging en conclusie 8.1 Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie? Aan een plan kan alleen dan medewerking worden verleend als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Daarnaast gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). De vraag is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, en 6). Hieruit blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. 8.2 Conclusie Uit de onderbouwing zoals opgenomen in dit document blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie Paulinaweg 12. Alles overwegende is de ontwikkeling aan de Paulinaweg 12 te Biervliet als aanvaardbaar te beschouwen.
30/145
Onderbouwing Tam-omgevingsplan ‘Buitengebied, Paulinaweg 12 (Biervliet)’
25
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 31/145
1
Titel
:
Quickscan natuurwaarden Biervliet, Paulinaweg 12
Status rapport Projectnummer Datum uitgave
: : :
Concept 0181.1 9 december 2024
Opdrachtgever
:
Maatschap Schmitz - Baets
Contact
:
E-mail Telefoon
: :
E. Schmitz Paulinaweg12 Biervliet &
Uitgevoerd en opgesteld door
:
Contact
:
E-mail Telefoon
: :
Mark Dobbelaar Churchillweg 19 4561 WL HULST info@ecomark.nl 06-16.406.440
:
Adviesbureau Wieland
: : : : :
Alex Wieland Liniestraat 13 4561 ZS HULST Apwieland01@hetnet.nl 06-123.52.169
Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 32/145
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................................................................................... 4 1.1. Aanleiding en doel onderzoek ................................................................................................................................... 4 1.2. Kader Soortbescherming............................................................................................................................................ 4 1.3. Afbakening plangebied en werkwijze ....................................................................................................................... 8 1.4. Opzet beoordeling..................................................................................................................................................... 10 2. Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten .................................................................................... 10 3. Soortenbescherming .................................................................................................................................................... 16 3.1. Zoogdieren ................................................................................................................................................................. 16 3.2.
Vogels .......................................................................................................................................................................... 16 3.2.1. Broedvogels ............................................................................................................................................................ 16 3.2.2. Watervogels ............................................................................................................................................................ 17 3.3. Reptielen en Amfibieën ............................................................................................................................................ 18 3.4. Vissen .......................................................................................................................................................................... 18 3.5. Ongewervelden ......................................................................................................................................................... 19 3.6. Vaatplanten ................................................................................................................................................................ 19 4.
Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) ................................................................................................................................................................... 20 5. Conclusies en aanbevelingen m.b.t. de uitvoering ................................................................................................... 40
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 33/145
3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel onderzoek Maatschap Schmitz Baets heeft wegens beëindiging van de melkveehouderij, het voornemen om een aantal opstallen op het erf, aan de Paulinaweg 12, te slopen. Ze maken gebruik van de `Landelijke regeling Beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbs)`. De te slopen opstallen betreffen een melkveestal en een oude schuur voor de opslag van materieel, machines. Voor deze activiteit geldt een onderzoeksplicht in het kader van beschermde natuurwaarden. Deze rapportage bevat de resultaten van een onderzoek naar beschermde natuurwaarden in het kader van soortbescherming. Op basis van de gevonden resultaten is bepaald of significante effecten op de huidige (beschermde) natuurwaarden al dan niet uit te sluiten zijn. In de voorliggende rapportage worden de volgende vragen beantwoord: •
Tot welke (mogelijke) effecten leidt het slopen van bebouwing en het realiseren van bebouwing op beschermde flora en fauna?
•
Wat is de reikwijdte van de mogelijke effecten?
•
Hoe beïnvloeden de effecten eventueel aanwezige jaarrond beschermde soorten en de kwalificerende natuurwaarden, gelet op de instandhoudingsdoelen?
•
Zijn mogelijke negatieve effecten significant? Al of niet in combinatie met andere projecten in de omgeving?
•
Op welke wijze kunnen negatieve effecten voorkomen of gemitigeerd worden?
1.2. Kader Soortbescherming De Omgevingswet beschermt plant- en diersoorten. Volgens deze wet mag u bijvoorbeeld beschermde dieren niet doden en hun nesten niet beschadigen en mag u de groeiplaats van beschermde planten niet opzettelijk vernielen. De beschermde soorten staan in de Soortendatabase van het Rijk. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). De bescherming van soorten is niet beperkt tot speciaal aangewezen gebieden maar geldt overal. De verbodsbepalingen staan vernoemd in onderstaand kader. Als een (bouw)project gevolgen heeft voor beschermde soorten, is een omgevingsvergunning voor een Floraen fauna activiteit nodig.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 34/145
4
Beschermingsregime Verboden Doden/vangen
Vogelrichtlijn
Habitatrichtlijn
Andere soorten
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Beschadigen rustplaatsen
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen of nesten van vogels weg te nemen Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Eieren rapen
Verstoren
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Plukken en verzamelen
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of vernielen
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of vernielen
Tabel 1: verbodsbepalingen natuurbeschermingswet
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 35/145
5
Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd. Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die significant effect hebben op vogels, is een omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna activiteit nodig. Bij de vergunningverlening wordt aan drie criteria getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en de ontwikkeling ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Habitatrichtlijnsoorten: Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander. Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die significant effect hebben op soorten in dit beschermingsregime, is een omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna activiteit nodig. Bij de vergunningverlening wordt aan drie criteria getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en de ontwikkeling ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’.
Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Andere soorten: Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals Das en Boommarter, algemene amfibieën en reptielen, zoals Alpenwatersalamander en Hazelworm, flora zoals Schubvaren en Bokkenorchis en vissoorten waaronder de Grote modderkruiper. Voor bestendig beheer en ruimtelijke ontwikkelingen die significant effect hebben op soorten in dit beschermingsregime, is een omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna activiteit nodig. Bij de vergunningverlening wordt aan drie criteria getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en de ontwikkeling ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Voor deze soorten kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Per provincie is een lijst opgesteld met andere soorten, waarvoor in de desbetreffende provincie een vrijstelling geldt van een of meerdere verbodsbepalingen. In dat geval is er geen omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna activiteit nodig.
De soorten die in de provincie Zeeland zijn vrijgesteld betreffen: Aardmuis; Bastaardkikker; Bosmuis; Bruine kikker; Dwergmuis; Dwergspitsmuis;;Egel; Gewone bosspitsmuis; Gewone pad; Huisspitsmuis; Kleine watersalamander; Meerkikker; Ondergrondse woelmuis; Ree; Rosse woelmuis; Tweekleurige bosspitsmuis; Veldmuis; Vos; Woelrat
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 36/145
6
Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten (beschermd, vrijgesteld en onbeschermd) geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’. Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan in het wild voorkomend plant- en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allemaal gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan.
Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 37/145
7
1.3. Afbakening plangebied en werkwijze Het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1 en 1.2. Het plangebied is het gebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden (rood aangegeven).
Afbeelding 1.1: Globale plangebied in rode contour (Bron ondergrond kaarten Zeeland)
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 38/145
8
Afbeelding 1.2: Globale plangebied binnen rode contour (Bron Google Earth)
Het plangebied is bezocht op 31 september 2024. Daarnaast zijn lokale verspreidingsatlassen en openbare websites geraadpleegd en zijn gegevens opgevraagd.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 39/145
9
1.4. Opzet beoordeling De opzet van de rapportage is als volgt. In hoofdstuk 2 is een korte beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de te verwachten en de aangetroffen beschermde soorten in het gebied. In het vierde hoofdstuk wordt ingegaan op gebiedenbescherming. Deze gegevens zijn vervolgens geïnterpreteerd en beoordeeld in relatie tot de voorgenomen activiteit.
2. Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie. Het plangebied waar deze beoordeling op van toepassing is, is weergegeven in afbeelding 2.1. De onderzoekslocatie betreft een erf van een melkveehouderij. Omdat de melkveehouderij activiteiten zijn stopgezet worden ook de bijbehorende gebouwen afgebroken. Het erf bestaat uit een woonhuis, twee aan één geschakelde schuren uit verschillende bouwjaren en de melkveestal.
Alleen de melkveestal en één van de aaneengeschakelde oudere schuren worden gesloopt. Het woonhuis en de oude schuur op het erf blijven staan (afbeelding 1.3).
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 40/145
10
Het kavel, waar de 2 te slopen schuren op staan zijn kadastraal bekend als: •
Biervliet, Paulinaweg 12, kadastraal Gemeente Terneuzen, sectie BB 475, 388.780 m².
Afbeelding 2.1: Kadastraal perceel BB 475 (rood kader) met de te slopen objecten op het erf (blauwe kaders), (Bron: waterschap Scheldestromen)
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 41/145
11
Melkveestal
Afbeelding 1.3: overzicht erf (rood) met te slopen objecten (blauw)
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 42/145
12
Foto overzicht:
Foto 1: te slopen veeschuur
Foto 2: te slopen veeschuur
Foto 3: te slopen veeschuur
Foto 4: te slopen vee schuur met nest huiszwaluw
Foto 5: te slopen schuur (links)
Foto 6: te slopen schuur (links)
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 43/145
13
Foto 7: voor aan zicht te slopen schuur (links)
Foto 8: te slopen schuur, houten spanten, asbesthoudend dak met boerenzwaluwnest
Foto 9: te slopen schuur, asbesthoudend dak met boerenzwaluwnest
Foto 10: te slopen schuur, rechts de buitenmuur van de oude schuur die blijft staan
Foto 11: te slopen schuur, rechts de buitenmuur van de oude schuur die blijft staan
Foto 12: te slopen schuur, met op achtergrond de buitenmuur van de oude schuur die blijft staan
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 44/145
14
Foto 13: overgang oude schuur (muur links) met jongere te slopen schuur (rechts)
Foto 14: oude schuur (wordt niet gesloopt)
Foto 15: oude schuur (wordt niet gesloopt)
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 45/145
15
3. Soortenbescherming Hieronder worden soorten vernoemd die in en nabij het plangebied voorkomen. Vervolgens wordt uitgewerkt of er eventueel nadelige effecten te verwachten zijn.
3.1. Zoogdieren Algemene soorten: Egel, Huisspitsmuis, Bosmuis, Ree, Vos. Beschermde soorten: Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis, Steenmarter, Wezel, Bunzing, Hermelijn, Haas, Konijn. Voorkomen / functie van het plangebied: NDFF 15 april 2024 en veldbezoek Er zijn geen sporen aangetroffen van haas en konijn. Er wordt bebouwing en verhard oppervlak gesloopt. Voor marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) is het plangebied niet geschikt vanwege het ontbreken van dekking. De te slopen bebouwing heeft voor deze soorten geen functie. De te slopen bebouwing is geschikt als verblijf, foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Uit te voeren maatregelen: slopen bebouwing Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Nog nader te bepalen n.a.v. het nader onderzoek. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen vernietigd worden. Mitigerende maatregelen / Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Nog niet bekend. Conclusie: De te slopen bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of deze soorten hier daadwerkelijk voorkomen en wat de functie van de bebouwing voor deze soorten is.
3.2. Vogels 3.2.1. Broedvogels De volgende broedvogels zijn in de omgeving van het plangebied vastgesteld: Houtduif, Holenduif, Ekster, Zwarte kraai, Kauw, Winterkoning, Heggenmus, Putter, Groenling, Vink, Merel, Pimpelmees, Koolmees, Zwarte roodstaart, Huiszwaluw, Boerenzwaluw, Zanglijster, Grote lijster, Staartmees, Grote Bonte Specht,
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 46/145
16
Groene Specht, Witte kwikstaart, Gele kwikstaart, Veldleeuwerik, Patrijs, Fazant, Wilde eend, Waterhoen, Meerkoet, Kievit, Scholekster, Gaspieper, Turkse Tortel, Spreeuw, Tjiftjaf, Huismus, Gierzwaluw, Kerkuil, Steenuil. Vetgedrukt zijn soorten waarvan het leefgebied jaarrond beschermd is. Cursief: vogelrichtlijnsoorten uit beschermingscategorie 5 (voor deze soorten geldt dat er voldoende alternatieven moeten zijn). Voorkomen / functie van het plangebied: Vogelatlas van Nederland, NDFF versie 15 november 2024. In de te slopen bebouwing zijn algemene broedvogels te verwachten. Daarnaast is de te slopen bebouwing geschikt als broedplaats voor gierzwaluw en huismus. Uit te voeren maatregelen: slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Nog niet bekend. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of jaarrond beschermde broedvogels voorkomen in de te slopen bebouwing. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Nog niet bekend. Conclusie: De te slopen bebouwing is geschikt als broedlocatie voor de steenuil, kerkuil, huismus en gierzwaluw. Een nader onderzoek dient uit te wijzen of deze soorten daadwerkelijk voorkomen.
3.2.2. Watervogels Er komen geen watervogels voor in het plangebied. Het is gelegen op een erf met veel menselijke activiteiten en opgaande bebouwing en beplanting. De meest nabij gelegen gebieden voor watervogels bevinden zich op meer dan 200 meter afstand. Trekvogels en watervogels Voorkomen en functie van het plangebied: Nederland & Ganzenwerkgroep Zeeland.2022 NDFF versie 15 april 2024; In het plangebied zelf komen geen watervogels voor. Er is geen water aanwezig en er is veel menselijke verstoring. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten):
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 47/145
17
Niet te verwachten. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: In het plangebied zelf komen geen watervogels voor.
3.3. Reptielen en Amfibieën Er komen de volgende beschermde soorten voor in de omgeving: Kleine watersalamander, groene kikker, gewone pad, bruine kikker. Voorkomen en functie van het plangebied: Bron: website www.ravon.nl versie 15 april 2024, NDFF versie 15 april 2024. In het plangebied zijn geen potentiële voortplantingswateren en er is geen geschikt landbiotoop aanwezig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het functionele leefgebied voor beschermde soorten. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Er komen geen beschermde soorten voor. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Er komen geen beschermde soorten voor. Conclusie: Er komen geen beschermde soorten voor in het plangebied. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten.
3.4. Vissen In het plangebied komen geen vissen voor. Voorkomen en functie van het plangebied: (Website Ravon versie 15 april 2024, NDFF versie 15 april 2024. Er is geen water in het plangebied. Het biotoop is ongeschikt. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 48/145
18
Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen negatieve effecten te verwachten.
3.5. Ongewervelden Voorkomen en functie van het plangebied: Vlinder- en Libellenwerkgroep 2003; Geene et. al. 2007; Wagenaar 2007. NDDF versie 15 april 2024. www.verspreidingsatlas.nl versie 15 april 2024 In het plangebied komen geen dagvlinders, nachtvlinders, libellen, sprinkhanen en overige ongewervelde voor die beschermd worden. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen negatieve effecten te verwachten.
3.6. Vaatplanten In het plangebied komen geen beschermde soorten voor. Voorkomen en functie van het plangebied: In het plangebied komen geen beschermde soorten voor. Bron veldbezoek en Flora Zeelandica, NDFF versie 15 april 2024. Er zijn geen geschikte biotopen (voedselarme akkers, schraalgraslanden of moerassen) waar beschermde soorten voor kunnen komen. Er zijn ook geen muren waarop beschermde muurplanten op kunnen groeien. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 49/145
19
Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Er komen geen beschermde soorten voor in het plangebied.
4. Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000 gebied, zie bijlage 1. Het plangebied ligt binnendijks en is gelegen op c.a. 100 meter vanaf het Natura 2000-gebied de Westerschelde en Saeftinghe. De Westerschelde & Saeftinghe is aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied. Kenschets De Westerschelde is de naam van het Nederlandse deel van het estuarium van de Schelde, een van de twee natuurlijke estuaria in ons land en een van de grootste estuaria van Europa. Dankzij de getijdendynamiek en de overgang van zoet naar zout water komt hier, ondanks sterke invloeden van de mens, een scala aan ecosystemen voor met een rijke afwisseling aan planten en dieren. Het estuarium is van belang voor grote aantallen rustende en foeragerende wadvogels, kustbroedvogels van schorren en kale, schelpenrijke zandplaten. In het gebied ligt het Verdronken Land van Saeftinghe, het grootste schor van ons land. Ook liggen enkele kustduinen en inlagen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Landschap De Schelde is een regenrivier die ontspringt in Noord- Frankrijk en over een afstand van ruim 350 km via België naar Nederland stroomt. Het estuarium betreft het gedeelte van de rivier dat onder invloed van het getij staat.
Dit deel strekt zich uit vanaf Gent, waar stuwen en sluizen de getijdenstroom stoppen, tot 160 km verderop bij de monding ter hoogte van Vlissingen. Met een oppervlakte van zo'n 35.000 ha, waarvan zo'n 7.000 ha in België, is het een van de grootste estuaria van Europa. Het Belgische deel staat bekend als de Zeeschelde en is eveneens onder Natura 2000 aangemeld. Na de laatste ijstijd zorgde de Schelde voor de ontwatering van grote delen van Noord-Frankrijk. De rivier stroomde langs de Brabantse Wal tot voorbij Bergen op Zoom, waar ze uitmondde in de Maas. Onder invloed van de stijgende zeespiegel nam de zee zo'n 6.000 jaar geleden bezit van het huidige Zeeland, waardoor een wirwar van geulen, schorren en eilanden ontstond. Omstreeks het begin van de jaartelling had de benedenloop van de Schelde een verbinding met de Noordzee via de huidige Oosterschelde. Eerder mondde de Schelde nog veel noordelijker in zee uit, ter hoogte van de Nieuwe Waterweg. Op de plek waar nu de Westerschelde ligt, lag een smalle geul, de Honte. Deze geul werd vanaf de 11de eeuw steeds dieper en nam
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 50/145
20
op een gegeven moment de functie van hoofdafvoer over. Tot het begin van de 13de eeuw had het estuarium van de Schelde een natuurlijk karakter, maar vanaf dat moment werd het gebied steeds meer door de mens beïnvloed. Een toename van het aantal overstromingen tussen 900 en 1200 leidde tot de aanleg van talloze dijken. In de 12de eeuw werd de sluis bij Gent gebouwd, die de Bovenschelde van de getijdeninvloed afsneed. Door aanhoudende overstromingen braken de dijken echter regelmatig door. Tussen 1350 en 1600 bezat het estuarium hierdoor zijn grootste omvang, waarbij ook oorlogsinundaties tijdens de Tachtigjarige Oorlog een rol speelden. Vanaf die tijd verbeterde het technisch kunnen en werden grotere stukken ingepolderd. Vanaf 1800 is zo'n 15.000 ha van het estuarium door inpolderingen en aanleg van havens en industrie verloren gegaan De indijkingen zijn tot in de jaren 1970 doorgegaan. Nog in de 20ste eeuw nam de oppervlakte van het estuarium met zo'n 5.000 ha af door de afsluiting van de Braakman (een grote zijkreek) en de aanleg van de Sloehaven. Het huidige estuarium bestaat uit een aantal deelgebieden. Het bovenstroomse deel van de Zeeschelde is een zoetwatergetijdengebied, vergelijkbaar met bijvoorbeeld dat van de Oude Maas. Vanaf ongeveer Antwerpen is sprake van een brak estuarium en ten westen van Hansweert wordt het water geleidelijk zout.
Het meest westelijke, buitengaatse deel van het Natura 2000-gebied kenmerkt zich ten slotte door de aanwezigheid van dynamische zandbanken en een omgrenzing met smalle duinen op de kust. Hier is sprake van een open kustzee en overheersen factoren als golfwerking, stroming en zandtransport. Bij binnenkomst in Nederland krijgt de rivier meer ruimte, waarna ze gaat meanderen. Kenmerkend voor dit deel van het estuarium is het meergeulenstelsel: de rivier bestaat hier uit één hoofdgeul met diverse, zich verplaatsende nevengeulen. De geulen vormen een mozaïek met zandplaten, slikken en ondiep water, terwijl langs de randen schorren aanwezig zijn. Op grote zandplaten en op plekken waar doorbraken hebben plaatsgevonden, bevinden zich kleine duingebieden. Het estuarium bevat een afwisseling van diepe en ondiepe wateren, snelstromende en luwe gedeelten, heldere en troebele delen, fijn en grof zandige bodems, hoge en lage schorren. Daarenboven bestaat een gradiënt van oost naar west met toenemende saliniteit en een veranderlijke invloed van de getijden. Het getijverschil is vier meter bij Vlissingen, maximaal zo'n zes meter ten zuiden van Antwerpen, waarna het afneemt tot twee meter bij de sluizen van Gent. Het verschil tussen eb en vloed van gemiddeld bijna zes meter op de grens met België is het grootste getijverschil in ons land.
Door de hiervoor genoemde inpolderingen zijn veel hoog gelegen schorren verdwenen. Vooral in het westelijke deel van de Westerschelde is de oppervlakte aan (zilte) schorren tegenwoordig betrekkelijk gering. Het oostelijke deel herbergt, mede dankzij Saeftinghe, nog steeds een groot areaal aan (brakke) schorren. Door het indijken van kreken als de Braakman en het Zuidsloe zijn ook grote stukken laag dynamische slikplaten verloren gegaan. In het smaller geworden estuarium nam de dynamiek toe, waardoor laag dynamische delen verder afnamen. Een van de belangrijkste bedreigingen van het Natura 2000-gebied vormt tegenwoordig het met regelmaat uitbaggeren van de vaargeul. Dit is nodig omdat steeds grotere zeeschepen de haven van Antwerpen moeten bereiken (tussen 1960 en 2000 zijn de schepen hier een factor tien groter gewor den). Door dit baggeren is de laatste decennia de balans tussen sedimentatie en erosie verstoord. Enerzijds eroderen schorren en slikken, maar tegelijkertijd slibben ze wel hoger op. Dit gaf vervolgens aanleiding tot de aanleg van enkele harde geulrandverdedigingen, waardoor soortenrijke overgangen verdwenen en het geulenstelsel vast kwam te liggen. Door de baggeractiviteiten, bedijking en havenaanleg is sinds de jaren 1970 het aandeel laag dynamische, ondiepe, slibrijke waterdelen met bijna 30 % afgenomen.
Dit zijn juist de deelgebieden met een hoge bodemdiversiteit en daaraan verbonden grote aantallen voedselzoekende wadvogels.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 51/145
21
Andere bedreigingen voor de aanwezige natuurwaarden zijn het gevolg van uitbreiding van economische activiteiten, recreatie, beïnvloeding van de waterhuishouding en vervuiling. De Schelde stroomt door een dichtbevolkt gebied met veel industrie en is daardoor een van de drukst bevaren en meest vervuilde rivieren van Europa. Door allerlei maatregelen is de waterkwaliteit de laatste decennia wel enigszins verbeterd. De laatste jaren wordt heftig gediscussieerd over compensatie voor de baggerwerkzaamheden, waarbij ook het ontpolderen van boerenland als mogelijkheid wordt geopperd voor uitbreiding van zilte natuur. Het toegang geven van de zee tot terreinen achter de dijken stuit echter op grote bezwaren bij een deel van de bewoners van de streek, bij wie de herinneringen aan de watersnoodramp van 1953 nog (te) vers in het geheugen ligt. Voor het herstel van de natuurlijke processen - en daarmee het behoud van de natuurwaarden op langere termijn - is het echter noodzakelijk het estuarium meer ruimte te geven, zodat stroomgeulen zich kunnen verplaatsten en weer voldoende afwisseling ontstaat tussen laag dynamische en hoog dynamische, diepe en ondiepe en droge en natte delen. Een uitdaging ligt ook in het verder verbeteren van de waterkwaliteit.
Natuurwaarden Sinds de voltooiing van de Deltawerken is de Westerschelde het enige gebied in Zuidwest-Nederland waar het habitattype Estuaria (H1130) nog voorkomt. Elders in ons land is dit habitattype alleen aanwezig in de EemsDollard. De invloed van het zoete water is bij de Westerschelde nog tot ver op zee merkbaar, maar om praktische redenen wordt binnen het Natura 2000-gebied de engte Vlissingen-Breskens als grens van het Natura 2000-gebied beschouwd. Het habitattype Estuaria is beschreven op landschapsniveau, als een mozaïek van geulen, wateren, slikken en zandplaten. De schorren en duinen in het Natura 2000-gebied zijn als afzonderlijke habitattypen aangemeld. Hetzelfde geldt voor het zeewaarts gelegen deelgebied, waarvan de onder water staande zandbanken tot habitattype 1110 worden gerekend. Het zoute deel van de Westerschelde herbergt een typische kustfauna, met een grote rijkdom en hoge dichtheid aan plankton en benthische (bodembewonende) diersoorten, waaronder schelpen, wormen, platvissen en kreeftachtigen. Het hier aanwezige fytoplankton bestaat vooral uit relatief grote diatomeeën, een kenmerkend van geëutrofieerd kustwater. Het fytoplankton vormt de basis voor een voedselketen, die verder is opgebouwd uit zoöplankton, bodemdieren, vissen, vogels en zeezoogdieren.
De hoogste aantallen bodemdieren worden aangetroffen in de laag dynamische, ondiepe delen en op droogvallende slikplaten. Kenmerkend zijn soorten als Veelkleurige zeeduizendpoot (Nereis diversicolor), Wadpier (Arenicola marina), Kokkel (Cerastoderma edule), Nonnetje (Macoma balthica) en het Wadslakje (Hydrobia ulvae). De meer dynamische zandbanken herbergen een geheel andere, minder rijke bodemfauna. Hier zijn gravers actief als de kreeftachtigen Bathyporeia en Hasutorius. Het brakke deel van het estuarium is troebeler dan het zoute deel. De hoge aantallen zwevende deeltjes (slib, organisch materiaal) die vanuit de Schelde worden aangevoerd of door de getijdenwerking worden opgewerveld, bezinken vooral daar waar het zoute water het zoete ontmoet. Hoewel dit gebied rijk is aan voedingsstoffen, is de primaire productie laag, omdat in het troebele water slechts weinig zonlicht doordringt. Op veel plaatsen op de bodem is sprake van zuurstofarme condities, met hoge concentraties van bacteriën die onder deze omstandigheden kunnen leven. De aantallen benthische
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 52/145
22
schelpdieren zijn laag. Van de in Europa bekende brakwatersoorten komen er maar weinig in de Westerschelde voor, waarschijnlijk als gevolg van de matige waterkwaliteit. Voorbeelden van brakwatersoorten zijn hier het roeipootkreeftje Eurytemora affinis en de brakwateraasgarnaal Neomysis integer. Deze diertjes leven van fytoplankton en organisch materiaal en bereiken hoge dichtheden in het brakke, zuurstofarme water. Aasgarnalen vormen in het estuarium een belangrijke schakel in de voedselketen, omdat veel van de grotere diersoorten hierop foerageren. Onder de vissen worden in het zoute deel van de Westerschelde vooral mariene soorten aangetroffen. Voor diverse zeevissen, waaronder Tong, Zeebaars, Schol, Sprot, Zeemakreel en Harder, vervult het estuarium de functie van kraamkamer. Enkele vissen brengen het grootste deel van hun levenscyclus in het estuarium door, zoals de Kleine zeenaald, Bot, Driedoornige stekelbaars, Slakdolf en Brakwatergrondel. De laatste soort wordt vrijwel uitsluitend in schorkreken aangetroffen, waarschijnlijk vanwege te lage zuurstofgehalten in het eigenlijke estuarium. Van speciaal belang is het estuarium voor anadrome trekvissen, die de rivier opgaan om te paaien. Op de Schelde gaat het dan om Zeeprik, Rivierprik en Fint. De Fint werd hier in de 16de en 17de eeuw nog intensief bevist.
Door verlies aan paaigebieden en verslechterde waterkwaliteit verdween de soort in het begin van de 20ste eeuw, maar sinds 1996 worden in de Westerschelde weer stijgende aantallen van de soort aangetroffen. Toch lijken er nog geen geschikte paaigebieden aanwezig voor de ontwikkeling van een stabiele populatie. Na de Oosterschelde is de Westerschelde het belangrijkste wadvogelgebied in de Delta. Van Bergeend, Scholekster, Zilverplevier, Bonte strandloper, Rosse grutto, Wulp en Tureluur verblijven in de winter en trektijd vaak duizenden vogels op de wadplaten. Ook voor de Drieteenstrandloper is het een belangrijk gebied. Vooral in de nazomer kunnen overal Kleine zilverreiger en Lepelaar verschijnen. Zandige buitendijkse terreinen vormen een broedterrein voor kustvogels als Kluut, Bontbekplevier, Strandplevier en Visdief. De toppredator Gewone zeehond kwam omstreeks 1900 nog met zo'n duizend exemplaren in de Westerschelde voor. Dit aantal liep echter sterk terug totdat de soort in 1980 vrijwel was verdwenen. Sinds de jaren 1990 is weer sprake van een lichte groei, momenteel tot zo'n 50 exemplaren. De laatste jaren zijn in het gebied ook enkele jongen geboren. De grootste concentratie is aanwezig op de Platen van Valkenisse. De populatie in de Westerschelde is afhankelijk van uitwisseling met populaties elders in het Deltagebied, de Waddenzee, Engeland en Frankrijk.
Voor een verdere toename van de populatie zijn verbetering van de waterkwaliteit en voldoende rust belangrijk. Een ander zeezoogdier van de Habitatrichtlijn, de Bruinvis, wordt slechts incidenteel in de Westerschelde gesignaleerd. Naast het eigenlijke estuarium is de Westerschelde van belang vanwege de diversiteit en omvang van de schorren (H1330). Vooral dankzij het Verdronken land van Saeftinghe is het schorareaal in de Westerschelde verreweg het grootste in het Deltagebied. In tegenstelling tot veel omliggende gebieden is Saeftinghe nooit ingepolderd. Redenen hiervoor zijn de verdeeld eigendommen over Nederlandse en Belgische eigenaren, de betrekkelijk recente opslibbing van het gebied en het feit dat inpoldering mogelijk tot wateroverlast bij Antwerpen zou leiden, gelegen in de trechter van de Schelde. De gradiënt in saliniteit en getijdeninvloed in het estuarium komt fraai tot uiting in verschillen in de schorbegroeiingen. Kenmerkend voor de oostelijke, brakke schorren is het in grote hoeveelheden voorkomen van Heen (Bolboschoenus maritimus), Riet (Phragmites australis) en Zulte of Zeeaster (Aster tripolium). Een zeldzame, kenmerkende soort voor de brakke schorren is Echt lepelblad (Cochlearia offcinalis subsp. offcinalis). Gewone zoutmelde (Atriplex portulacoides) en Zeealsem (Artemisia
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 53/145
23
maritima) worden juist alleen op de schorren in de westelijke, zilte helft van de Westerschelde aangetroffen. Ook onder de ongewervelde dieren zijn de verschillen groot tussen de brakke en de zoute schorren. Onder de mollusken zijn diverse soorten aangepast aan de zoute omstandigheden, maar alleen het Muizenoortje (Ovatella myosotis) en Gray's kustslak (Assiminea grayana) weerstaan tevens de sterke zoutschommelingen in de brakke gebieden. Onder de geleedpotigen zijn de Rietzakspin (Clubiona phragmitis), die is gebonden aan rietvelden, en de loopkevers Dromius longiceps, Bembidion maritimum en Bembidion iricolor nagenoeg gebonden aan brakke omstandigheden, en daardoor landelijk zeldzaam en bedreigd. Een van de meest bijzondere diersoorten van het Natura 2000-gebied is de Schorviltbij (Epeolus tarsalis subsp. rozenburgensis). Dit is een endemische ondersoort voor Zeeland (en dus voor Nederland), die alleen bekend is van de Kaloot en het Verdronken Land van Saeftinghe. Dit bijtje leeft op schorren waar zij parasiteert op nesten van de Schorzijdebij (Colletes hal ophilus). De diversiteit aan schorren gaat trouwens achteruit doordat veel schorren geleidelijk zijn opgehoogd en verruigd met Strandkweek (Elytrigia atherica), zoals grote delen van het Verdronken land van Saeftinghe.
Waar de schorren beweid worden, treedt meer afwisseling in de vegetatie op en komen nog relatief veel lage schorgedeelten voor. Mede door oevererosie en de afname van laag dynamische gebieden is in het gehele Natura 2000-gebied het areaal aan pioniervegetatie met Zeekraal (Salicornia; H1310) al met al sterk achteruitgegaan. Vooral het uitgestreke schorrengebied van Saeftinghe is rijk aan karakteristieke vogels. Op de delen met rietruig ten broeden grote aantallen blauwborsten en de nodige bruine kiekendieven. Voor de Graszanger is Saeftinghe al decennia lang het enige broedgebied van belang in Nederland met in gunstige jaren enige tientallen territoria. Deze soort bereikt in Nederland het noordelijkste puntje van zijn Europese areaal. Na strenge winters kan ze volledig afwezig zijn, waarna het weer de nodige jaren duurt voor zich opnieuw een redelijke populatie heeft opgebouwd. Tureluurs, zilvermeeuwen en visdieven broeden er talrijk. Voor de Visdief worden de favoriete nestlocaties gevormd door pakketten veek, opgespoeld plantenmateriaal dat bij hoge waterstanden gaat drijven. Ook grasetende watervogels zijn in de trektijd en in de winter talrijk op de schorren. In Saeftinghe verblijven vaak duizenden grauwe ganzen, smienten, wintertalingen, wilde eenden en pijlstaarten. Voor de Grauwe gans is Saeftinghe met de omliggende kleipolders het belangrijkste gebied in Nederland.
Verreweg de hoogste aantallen van deze soort worden geteld in november. Naast de schorren kent de Westerschelde terrestrische habitats in de duingebieden van de Kaloot, de Hooge Platen, Rammekensduinen en de Verdronken Zwarte Polder. De Kaloot is een restant van een schor- en duingebied dat is ontstaan door verstuiving van een grote zandplaat die direct voor de wind lag. Hier worden Biestarwegrasduintjes (H2110), Helmduinen (H2120) en een kom met schorvegetatie (H1330 en H1310) aangetroffen. In het vloedmerk van de embryonale duinen komt de zeldzame Gelobde melde (Atriplex laciniata) voor, in het duin groeit Zeewinde (Convolvulus soldanella) in grote aantallen. Ook is in dit gebied de zeer zeldzame en uiterst giftige Dodemansvingers (Oenanthe crocata) aangetroffen. De eerder genoemde Schorviltbij vindt hier een geschikt leefgebied dankzij de combinatie van open duin (voor bijennesten) en zoutvegetatie met Zeeaster (voedselplant). Ten westen van de lijn Breskens-Vlissingen ligt een groter gebied met duinen, waaronder de voormalige, sterk verzande slufter van de Verdronken Zwarte Polder. Hier is een fraaie afwisseling te zien van duintjes met pioniervegetatie van het Zeevetmuurverbond (Saginion maritimae, H1310) en laagten met zilte graslanden (H1330) en Zeekraalbegroeiingen (H1310).
In de Verdronken Zwarte Polder en de iets westelijker gelegen duinen bij Cadzand is de Nauwe korfslak (Vertigo angustior) aangetroffen. In de duintjes bij Rammekens zijn,
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 54/145
24
na vele jaren van verwaarlozing, in 1999 herstelmaatregelen uitgevoerd, waarbij een achtergelegen strandvlakte werd opgeschoond en weer een verbinding kreeg met het estuarium. De duintjes van Rammekens zijn trouwens pas na de Tweede Wereldoorlog ontstaan, vermoedelijk vanuit een oud en opnieuw ingericht zanddepot (de dijk bij Rammekens was tijdens de oorlog geheel kapot gebombardeerd). De Hooge Platen in de monding van de Westerschelde vormen het belangrijkste broedterrein voor de Grote stern in de Delta, en ook andere kustvogels als Bontbekplevier, Strandplevier, Visdief en Dwergstern komen hier tot broeden. Door de hoge mate van rust is het bij hoog water ook een belangrijke hoogwatervluchtplaats voor overtijende wadvogels. Een voor de natuurwaarden positief resultaat van de vele menselijke ingrepen in de Westerschelde vormt de inlaag Hoofdplaat. Dit gebiedje is omstreeks 1800 ingedijkt en in 1921 grotendeels afgegraven voor dijkversterkingen. Hierdoor kwam een zandige, kalkrijke ondergrond vrij, waarop zich een soortenrijke, duinvalleiachtige begroeiing ontwikkelde. Helaas werd het grootste deel van deze inlaag in de jaren 1970 door dijkverzwaring vernietigd, maar in het resterende deel heeft de vegetatie zich goed weten te herstellen. De soortenrijke begroeiing hier is vanuit Europees oogpunt vooral van belang door een populatie van de Groenknolorchis (Liparis loeselii).
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 55/145
25
Oppervlakte?
Kwaliteit?
Relatieve bijdrage?
Noordzeekustzone
definitie f
=
=
B1
definitie f
>
>
A3
H1130 - Estuaria
H1140B - Slik- en zandplaten
Noordzeekustzone
definitie f
=
=
C
H1310A - Zilte pionierbegroeiinge n
zeekraal
definitie f
>
=
A1
Kernopgave?
Status doel?
H1110B Permanent overstroomde zandbanken
Habitatsubtype?
Habitattype?
Voor de hieronder genoemde habitattypen is de Westerschelde en Saeftinghe aangewezen:
1.05,SB, W
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 56/145
26
Status doel?
Oppervlakte?
Kwaliteit?
Relatieve bijdrage?
zeevetmu ur
definitie f
=
=
C
definitie f
=
=
B2
H1320 Slijkgrasvelden
Kernopgave?
Habitatsubtype?
Habitattype? H1310B - Zilte pionierbegroeiinge n
H1330A - Schorren en zilte graslanden
buitendijk s
definitie f
>
>
A1
1.16,W
H1330B - Schorren en zilte graslanden
binnendijk s
definitie f
=
=
B1
1.19,W
definitie f
=
=
C
1.13
H2110 Embryonale duinen
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 57/145
27
H2190B - Vochtige duinvalleien
kalkrijk
definitie f
=
=
C
definitie f
=
=
C
definitie f
=
=
C
definitie f
=
=
C
Kernopgave?
Relatieve bijdrage?
H2160 Duindoornstruwel en
Kwaliteit?
kalkrijk
Oppervlakte?
H2130A* - Grijze duinen
Status doel?
Habitatsubtype?
Habitattype? H2120 - Witte duinen
De genoemde habitattypen ondervinden geen negatieve effecten van de sloopwerkzaamheden.
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 58/145
28
Aantal broedparen?
Omvang leefgebied?
Kwaliteit leefgebied?
Relatieve bijdrage?
A081 - Bruine kiekendief
definitief
20
=
=
C
A132 - Kluut
definitief
2000*
=
=
B1
1.13; 1.19,W
A137 Bontbekplevier
definitief
100*
=
=
B1
1.13
A138 Strandplevier
definitief
220*
=
=
B2
1.13
A176 Zwartkopmeeuw
definitief
400*
=
=
B1
Soort?
Status doel?
Kernopgaven?
Voor de hieronder genoemde broedvogelsoorten is de Westerschelde en Saeftinghe aangewezen:
1 november 2024
Quickscan natuurwaarden Biervliet Paulinaweg 12 59/145