2025-03-26 - Ruimtelijke onderbouwing Gasleiding Terneuzen 20241328 (Geanonimiseerd2)
Tekst van het document
RUIMTELIJKE
ONDERBOUWING
GASLEIDING
TERNEUZEN
A-671-02 N. V. Nederlandse 19 december
1/24
2024
Gasunie
RHO
ADVISEURS
DATUM KENMERK
19 december
2024
20241328/180766/
PROJECT PROJECTLEIDER
Gasleiding Tracé
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
N. V. Nederlandse 20241328
AUTEUR STATUS
(geanonimiseerd)‚Msc.
Terneuzen
(geanonimiseerd)
Definitief
Gasunie
DISCLAIMER © Rho Adviseurs B. V.
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk , fotokopie , microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B. V. , behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B. V. . Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden , voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden , persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B. V. , namen , e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s) , zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project , niet geanonimiseerd.
3/24
4/24
INHOUD 1.
2.
Inleiding
7
1. 1 1. 2 1. 3 1. 4
7 7 8 9
Voorgenomen 2. 1 2. 2
3.
4.
5.
6.
5/24
Aanleiding Ligging projectgebied Geldende planologische regeling Leeswijzer
ontwikkeling
10
Huidige situatie Beschrijving voorgenomen ontwikkeling
10 10
Relevant beleidskader
11
3. 1
Rijksbeleid 3. 1. 1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3. 1. 2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3. 1. 3 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) 3. 1. 4 Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035
11 11 12 12 13
3. 2
Provinciaal beleid 3. 2. 1 Zeeuwse Omgevingsvisie 2021 3. 2. 2 Omgevingsverordening Zeeland
13 13 14
3. 3
Gemeentelijk beleid 3. 3. 1 Structuurvisie ondergrondse infrastructuur 3. 3. 2 Structuurvisie 2025
15 15 16
Sectorale aspecten
17
4. 1 4. 2 4. 3 4. 4 4. 5 4. 6
Algemeen: relevantie Externe veiligheid Bodem Water Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie 4. 6. 1 Archeologie 4. 6. 2
17 17 17 20 22 23 23 24
4. 7 4. 8
Ecologie Kabels en leidingen
25 29
Milieueffectrapportage
Economische en maatschappelijke Uitvoerbaarheid
30
5. 1 5. 2
30 30 30 30
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5. 2. 1 Participatie 5. 2. 2 Procedure
Slotconclusie
31
BIJLAGEN Bijlage 1 Routekaart DN500 LEIDING M&R AXEL Bijlage 2 QRA Bijlage 3 Milieukundig bodemonderzoek Bijlage 4 Archeologisch onderzoek Bijlage 5 Stikstofmemo Bijlage 6 Stikstofberekening Bijlage 7 Ecologische quicskcan Bijlage 8 Ecologisch onderzoek veldspitsmuis Bijlage 9 Aanmeldformulier watertoets
6/24
–
HOEK
1.
INLEIDING
1. 1
Aanleiding
Gasunie is voornemens de verlenging van een gasleiding te realiseren ter hoogte van de Kruisweg in Sluiskil. Door aanstaande wijzigingen binnen de gasinfrastructuur in de regio zal de capaciteit op verschillende punten in het netwerk veranderen. Specifiek om te voorkomen dat de leveringscapaciteit van aardgas aan het meet en regelstation Axel (A-128) hierdoor vermindert is het wenselijk om een nieuw leidingdeel te realiseren die de verbinding creëert van afsluiterstation Sluiskil (S-932) aan de noordoostzijde van de Kruisweg richting meet- en regelstation Axel aan de zuidwestzijde (A-128). In deze verbinding zal middels dit project worden voorzien door het verlengen van de aardgasleiding A-671-02 over een lengte van 600 meter. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De gemeente Terneuzen heeft aangegeven te willen meewerken aan de ontwikkeling door middel van een omgevingsvergunning op basis van artikel 2. 12 , eerste lid , sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarvoor dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld , waarin het project wordt toegelicht en wordt aangetoond dat het voornemen om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1. 2
Ligging projectgebied
Het projectgebied is gesitueerd in de Koegorspolder , een 17de -eeuwse polder die is gesitueerd ten oosten van de kern Sluiskil (gemeente Terneuzen). Het betreft een agrarisch gebied dat ingeklemd is tussen het industriegebied van Sluiskil en de Tractaatweg. Het projectgebied ligt langs het noordelijk gelegen deel van de Kruisweg. De Kruisweg heeft in het zuiden een aansluiting op de Industrieweg , in het noorden ter hoogte van het projectgebied loopt de weg dood. Het tracé loopt vanaf het meet- en regelstation Axel aan de Kruisweg langs de Kruisweg door naar het afsluiterstation Sluiskil. Het tracé loopt in eerste instantie ten zuiden van de Kruisweg en verloopt rondom de watergang naar de noordkant van de Kruisweg. Op figuur 1. 1 is de ligging van het tracé weergegeven.
Figuur 1. 1: Ligging van het leidingtracé (bron: N. V. Nederlandse Gasunie).
7/24
1. 3
Geldende planologische regeling
De gasleiding is gelegen binnen drie verschillende bestemmingsplannen en een facetherziening van een bestemmingsplan. Het zuidelijke deel van de leiding valt binnen het bestemmingsplan ‘Sas van Gent Glastuinbouwgebied’ (vastgesteld 26 juni 2008). Het noordelijke deel van de leiding valt grotendeels binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 25 juni 2013). Het meest noordoostelijk gelegen deel van de gasleiding valt binnen het bestemmingsplan ‘Verdubbeling Tractaatweg’ (vastgesteld 12 december 2013). Tevens is bij het noordoostelijke deel ‘facetherziening bestemmingsplannen Terneuzen , waterstofgasleiding’ (vastgesteld 15 maart 2018) van toepassing. Daarnaast geldt nog het bestemmingsplan ‘Glastuinbouw Kanaalzone – herziening 2017’ (vastgesteld 14 december 2017). Dit laatste bestemmingsplan ziet op nadere regels ten aanzien van het voorkomen van lichthinder afkomstig van kassen en heeft daarmee geen relevantie voor de beoogde ontwikkeling van een gasleiding. Dit bestemmingsplan wordt in het voorliggende document daarom buiten beschouwing gelaten. Aanvullend is op 23 oktober 2019 een omgevingsvergunning verleend voor een zonnepark (omgevingsvergunning Glastuinbouw , Zonnepark Tractaatweg). Het zuidelijke deel van de gasleiding loopt door het besluitvlak van de omgevingsvergunning.
Ten slotte is op 11 maart 2015 een gerechtelijke uitspraak vastgesteld over het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De gerechtelijke uitspraak gaat over specifieke gronden van het bestemmingsplan. Dit zijn geen gronden waar de gasleiding is voorzien. De gerechtelijke uitspraak wordt in het voorliggende document daarom buiten beschouwing gelaten.
Figuur 1. 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplannen , ligging leiding aangeduid met rode lijn (bron: ruimtelijke plannen).
8/24
Hierna wordt ingegaan op de vigerende relevante regelingen voor de beoogde ontwikkeling. Het realiseren van de gasleiding is op verschillende onderdelen in strijd met de planologische regimes. Tabel 1. 1: toetsing bestemmingsplan Sas van Gent Glastuinbouwgebied
Bestemmingsplan Sas van Gent Glastuinbouwgebied (vastgesteld Bestemmingen: Type Leidingen - nutsvoorziening enkelbestemming Glastuinbouwdoeleinden enkelbestemming Leidingen dubbelbestemming
26-06-2008) Strijdigheid niet strijdig strijdig strijdig
Tabel 1. 2: toetsing bestemmingsplan Verdubbeling Tractaatweg
Bestemmingsplan Verdubbeling Tractaatweg (vastgesteld 12-12-2013) Bestemmingen: Type Strijdigheid Agrarisch enkelbestemming strijdig Waarde – Archeologie – 2 dubbelbestemming strijdig Leiding – Gas – 7 dubbelbestemming strijdig Leiding – Gas – 10 dubbelbestemming niet strijdig Leiding – Gas – 11 dubbelbestemming strijdig Leiding – Gas – 12 dubbelbestemming niet strijdig Leiding – Gas – 13 dubbelbestemming niet strijdig Leiding – Brandstof – 2 dubbelbestemming strijdig Geluidzone – industrie - 3 dubbelbestemming niet strijdig Tabel 1. 3: toetsing bestemmingsplan Buitengebied
Bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld 25-06-2013) Bestemmingen: Type Agrarisch enkelbestemming Verkeer enkelbestemming Water enkelbestemming Waarde – Archeologie – 2 dubbelbestemming Leiding – Gas – 11 dubbelbestemming Leiding – Gas – Hoogspanning dubbelbestemming Geluidzone – industrie - 3 dubbelbestemming
Strijdigheid strijdig strijdig strijdig
strijdig strijdig strijdig niet strijdig
Tabel 1. 4: toetsing facetherziening bestemmingsplannen Terneuzen , waterstofgasleiding
Bestemmingsplan Facetherziening bestemmingsplannen Terneuzen , waterstofgasleiding
(vastgesteld 15-03-2018)
Bestemmingen: Leiding – Gas – gemengd 2
1. 4
Type dubbelbestemming
Strijdigheid strijdig
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader op verschillende niveaus beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de ontwikkeling beoordeeld aan de hand van verschillende relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
9/24
2.
VOORGENOMEN
2. 1
Huidige situatie
ONTWIKKELING
In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit agrarische gronden. Het projectgebied loopt voor het zuidelijke deel parallel aan het hekwerk van het zonnepark aan de Kruisweg. Vervolgens doorkruist het projectgebied de Kruisweg naar de noordzijde van deze weg. Aan de noordzijde loopt het projectgebied voor een groot deel parallel aan de Kruisweg. Tevens doorkruist een watergang het projectgebied.
2. 2
Beschrijving voorgenomen ontwikkeling
Het verlengen van de bestaande leiding A-671-02 tussen het afsluiterstation en het meet- en regelstation Axel zal in open ontgraving worden aangelegd. Het betreft een DN 500 mm leiding met een ontwerpdruk van 80 bar. Er zullen geen bovengrondse elementen worden gerealiseerd buiten het afsluiterstation en het meet-en regelstation. Het beoogde tracé is op figuur 2. 1 weergegeven. Het tracé is tevens in hogere kwaliteit toegevoegd als bijlage 1.
Figuur 2. 1: Nieuw tracé gasleiding (bron: N. V. Nederlandse Gasunie).
10/24
3.
RELEVANT
3. 1
Rijksbeleid
BELEIDSKADER
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3. 1. 1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in De de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden , maar in samenhang. Zo kan in gebieden gekomen worden tot betere , meer geïntegreerde keuzes. De NOVI is op 15 september 2020 vastgesteld. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering , zoals zeespiegelstijging , hogere rivierafvoeren , wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving , bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in de steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte , onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur , maar ook op land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren , voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk.
Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik , en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. De aanleg van zonneparken in het landschap moeten we zoveel mogelijk beperken. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame , circulaire , kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg , spoor , lucht , water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners , zowel met de directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld , ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen , bewegen , recreëren , ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat de economie toekomstbestendig wordt , oftewel concurrerend , duurzaam en circulair.
We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen , zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige , fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen , zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht , voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen , fietsen , sporten , spelen) , ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid , ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en - veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid hieraan stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. Niet alleen groei heeft de aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid.
11/24
4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht , bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering , bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra , is ongewenst en wordt tegengegaan. Toetsing Met het verlengen van de gasleiding wordt de leveringszekerheid van gas zeker gesteld. De ontwikkeling is in overeenstemming met de NOVI. 3. 1. 2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Titel 2.
9 is van belang voor de ontwikkeling: Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Met deze titel in het Barro wordt beoogd te waarborgen dat het leggen van buisleidingen die van nationaal belang zijn ook in de toekomst ruimtelijk mogelijk blijft. Toetsing De ontwikkeling draagt bij aan het nationaal belang van een (hoofd)netwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. Het project is in overeenstemming met het Barro. 3. 1. 3 Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In Nederland ligt ongeveer 300. 000 km buisleiding voor het transport van stoffen waaronder aardgas , brandstoffen , drinkwater en afvalwater. Hiervan is een groot deel bestemd voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is gericht op de buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen , omdat deze categorie een potentieel extern veiligheidsrisico met zich meebrengt. Het Bevb en de bijbehorende regeling zijn van toepassing op buisleidingen met een extern veiligheidsaspect , zoals hogedrukaardgasleidingen , brandstofleidingen categorieën K1 , K2 en K3 en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 juli 2014 geldt de Regeling externe veiligheid buisleidingen ook voor het transport van andere chemische stoffen dan aardgas en aardolieproducten , waaronder stikstof en waterstof.
Het Bevb bevat regels voor het vastleggen van deze leidingen en haar externe veiligheidsaspecten in bestemmingsplannen. Voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen , reeds bestaand of nieuw , geldt dat het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) gemeenten verplicht deze leidingen op te nemen in het bestemmingsplan met een belemmeringenstrook van 5 meter ter weerszijden van de leiding. Verder dient op grond van het Bevb voor alle leidingen rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt. Toetsing Er dient rekening te worden gehouden met de risiconormering die voor buisleidingen voor gevaarlijke stoffen geldt. Hier is nader op ingegaan in paragraaf 4. 3 van deze ruimtelijke onderbouwing.
12/24
Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 3. 1. 4 De Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 is vastgesteld op 12 oktober 2012. In deze visie is opgenomen hoe het Rijk voor de komende 20 tot 30 jaar ruimte wil reserveren in Nederland voor toekomstige buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. In de Structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangegeven waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden , om ook in de toekomst een ongehinderde doorgang van buisleidingtransport van nationaalbelang mogelijk te maken. Hiermee wordt zeker gesteld dat ook de komende 20 à 30 jaar nieuwe doorgaande buisleidingverbindingen kunnen worden gerealiseerd ten behoeve van de levering van aardgas en het vervoer van grondstoffen en chemische stoffen aan en tussen havenen industrieclusters in het binnen- en buitenland. Anderzijds wordt hiermee duidelijkheid geboden aan zowel initiatiefnemers die buisleidingen wensen te realiseren als aan gemeenten , doordat buisleidingen van nationaal belang in een vooraf begrensde buisleidingenstrook dienen te worden aangelegd. In de Structuurvisie zijn tien uitgangspunten gehanteerd: 1. Creëren van optimale randvoorwaarden buisinfrastructuur; 2. Zuinig gebruik van de ruimte; 3. Voorkomen van negatieve gevolgen voor de omgeving; 4. Alleen leidingen van (inter)nationaal belang; 5. Alleen leidingen voor gevaarlijke stoffen; 6.
Alleen aanleg in aangegeven stroken; 7. Gebruik bestaande verbindingen met het buitenland; 8. Geen aankoop van gronden; 9. Geen aanleg van buisleidingen door het Rijk; 10. Aangewezen buisleidingstroken vrijwaren in bestemmingsplannen. Toetsing De leiding die wordt mogelijk gemaakt betreft een uitbreiding in het netwerk van Hoofd Transport Leidingen (HTL). Na het meet-en regelstation wordt het gas op verminderde druk in een Regionale Transport Leiding (RTL) verder getransporteerd.
3. 2
Provinciaal beleid
3. 2. 1 Zeeuwse Omgevingsvisie 2021 Op 12 november 2021 is de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld door Provinciale Staten en op 15 december 2023 gewijzigd. In deze Omgevingsvisie legt de Provincie Zeeland al haar doelen en ambities voor de lange termijn vast. De Omgevingsvisie vervangt het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018. Per 1 januari 2025 wordt de omgevingsvisie geactualiseerd. De actualisatie bevat geen wijzigingen die invloed hebben op de voorgenomen ontwikkeling. In de Omgevingsvisie is aandacht voor twee soorten ruimtebeleving: 1. De fysieke leefomgeving: dat gaat over wat je van je omgeving ziet , hoort , voelt of ruikt. Is er natuur , biodiversiteit , industrie , woon je vlak aan zee of in een nieuwbouwwijk? Daar horen specifieke geuren en geluiden bij. 2. De sociale leefomgeving: daarmee bedoelen we een onzichtbaar deel van je leefomgeving. Bereikbaarheid valt daaronder , maar ook sociale veiligheid. Is het prettig wonen hier? Mag ik met mijn hond in het bos wandelen? Hoever is het naar de kruidenier , de bibliotheek of het theater? Waar is de dichtstbijzijnde polikliniek? Heb ik toegang tot een
wifinetwerk? Verder staan vier Zeeuwse ambities centraal: 1. Uitstekend wonen , werken en leven in Zeeland; 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; 3. Een duurzame en innovatieve economie; 4. Een klimaatbestendig en CO 2 -neutraal Zeeland. 13/24
Een van de ambities uit de Omgevingsvisie is het creëren van een duurzame en innovatieve economie. Onderdeel hiervan is dat de Zeeuwse infrastructuur modern en betrouwbaar is en ruimte biedt aan CO-neutraal vervoer via verschillende moda2 liteiten. Hierbij is een belangrijke plaats ingeruimd voor buisleidingen van en naar industrieën en bedrijven; ook tussen de verschillende haventerreinen. Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt alleen nog plaats op ruime afstand van woongebieden. In de Omgevingsvisie is ook benoemd dat de toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg , spoor en vaarwegen een aandachtspunt is. Transport van waterstof vraagt bijvoorbeeld om nieuwe normen op het gebied van veiligheid. Toenemende behoefte aan alternatieven vormen voor transport van vloeibare goederen (vloeistoffen/gassen) vraagt om aanpassing van de buisleidinginfrastructuur. Toetsing Het transport door buisleidingen draagt bij aan CO 2 -reductie en aan de bevordering van een gezonde regionale economie. Het gebruiken van een ondergrondse buisleiding voor gas sluit aan bij het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie. 3. 2. 2 Omgevingsverordening Zeeland In de Omgevingsverordening Zeeland (vastgesteld op 15 december 2023) zijn regels opgenomen ter uitvoering van de Zeeuwse Omgevingsvisie 2021. Op 25 juni 2024 is de omgevingsverordening op onderdelen gewijzigd.
Per 1 januari 2025 wordt de omgevingsverordening geactualiseerd. De actualisatie bevat geen wijzigingen die invloed hebben op de voorgenomen ontwikkeling. De omgevingsverordening bevat regels die een directe doorwerking hebben naar ruimtelijke plannen. Voor een aantal thema's , zoals recreatie of glastuinbouw , zijn specifieke regels opgenomen. Geen van de thema's is specifiek gericht op de ondergrondse buisleiding. De verordening bevat de volgende instructieregels aan gemeenten die van toepassing zijn ter plaatse van het projectgebied: Artikel 5. 35 Afwegingszone natuurgebieden In de motivering bij een omgevingsplan waarin regels worden gesteld voor grond die ligt binnen de afwegingszone van 100 meter rond een bestaand natuurgebied , bedoeld in bijlage XII onder 4 , wordt: a. een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurgebied; en b. aannemelijk gemaakt dat geen activiteit wordt toegelaten die nadelige gevolgen heeft voor de bedoelde kenmerken en waarden. Een klein deel van de gasleiding loopt door de ‘afwegingszone natuurgebieden’. Dit betreft een stukje van het oostelijke deel van de leiding (zie figuur 3. 1).
14/24
figuur 3. 1: Afwegingszone natuurgebieden , leidingtracé aangeduid met
paarse lijn (bron: provincie
Zeeland).
Deze afwegingszone is een zone van 100 meter rondom het haagbeuken- en essenbos (beheertype N14. 03). Haagbeukenen essenbos omvat bos- en struweel op basenrijke klei- en leemgronden en/of gronden waar periodiek aanrijking plaatsvindt door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van overstroming van beek en rivier. De gasleiding loopt ondergronds en heeft geen nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het bestaande natuurgebied. De ontwikkeling is in overeenstemming met de omgevingsverordening.
3. 3
Gemeentelijk beleid
3. 3. 1 Structuurvisie ondergrondse infrastructuur De gemeenteraad van Terneuzen heeft op 8 mei 2014 de ‘Structuurvisie ondergrondse infrastructuur’ vastgesteld. Onder het grondgebied van de gemeente Terneuzen bevindt zich tientallen kilometers aan ondergrondse elektriciteitskabels , transportleidingen voor chemicaliën , aardgas , stikstof , waterstof alsmede drinkwater- en rioleringsleidingen. De gemeente heeft hiermee een van de hoogste dichtheden aan ondergrondse infrastructuur van heel Nederland. De structuurvisie biedt , onder meer , een ruimtelijk toetsingskader voor de aanleg van nieuwe ondergrondse infrastructuur binnen de gemeente Terneuzen om in de toekomst tot een goede afstemming te komen tussen de ruimtelijke belangen van de boven- en de ondergrond. Verder wordt de noodzakelijke ruimtereservering voor een zogenaamde MUP1-strook op hoofdlijnen vastgelegd , omdat de meeste nieuwe ondergrondse infrastructuur binnen de gemeente in dit kader zal worden aangelegd. Tot slot is het indicatieve tracé uit de Rijksstructuurvisie buisleidingen vertaald binnen het grondgebied van de gemeente Terneuzen. Toetsing De belangen van de ondergrond en de bovengrond worden afgewogen in deze ruimtelijke onderbouwing. De ontwikkeling is in overeenstemming met de structuurvisie.
15/24
Structuurvisie 2025 3. 3. 2 De gemeenteraad van Terneuzen heeft op 16 december 2010 de ‘Structuurvisie 2025’ vastgesteld. In de Structuurvisie is een duurzaam ruimtelijk streefbeeld vastgelegd. In de structuurvisie is het gemeentelijk grondgebied geanalyseerd aan de hand van de lagenbenadering. Eén van deze lagen is de infrastructurele laag , waarbij tevens aandacht is besteed aan de verschillende leidingen die op het grondgebied van Terneuzen lopen. Het gaat hierbij enerzijds om hoogspanningsleidingen ten behoeve van de stroomtoevoer die vanuit de centrales elders in Nederland via Zuid-Beveland naar Zeeuws-Vlaanderen wordt geleid. Anderzijds gaat het om industrieleidingen ten behoeve van het vervoer van uiteenlopende stoffen naar de industrie in Terneuzen. Toetsing Het transporteren van gas door middel van een buisleiding draagt bij aan het beperken van transportbewegingen over de weg. De ontwikkeling is in overeenstemming met de structuurvisie.
16/24
4.
SECTORALE ASPECTEN
4. 1
Algemeen: relevantie
In dit hoofdstuk worden de verschillende sectorale aspecten genoemd en onderbouwd , maar alleen als en voor zover deze relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling , aspecten zoals: geluid , luchtkwaliteit , milieuzonering , trillingen en verkeer en parkeren zijn voor de aanleg en het gebruik van een buisleiding niet relevant.
4. 2
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m. e. r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig , projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m. e. r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen , na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu , gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; ● de plaats van de projecten; ● de kenmerken van de potentiële effecten. ● Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg , wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas project m. e. r. -beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding met een diameter van meer dan 80 centimeter en een lengte van meer dan 40 kilometer. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het aanleggen van een buisleiding met een diameter van 50 centimeter en een lengte van ruim minder dan 40 kilometer. Hiermee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarde. Het Besluit m. e. r.
(artikel 2 , vijfde lid onder b) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieueffectbeoordeling nodig is , waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m. e. r. -beoordeling' noodzakelijk is. Op basis van onderstaande milieuparagrafen wordt voldoende inzicht gegeven in de milieueffecten als gevolg van het project.
4. 3
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken , namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; ● vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen , spoor , water of door buisleidingen. ● Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang , te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval , indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
17/24
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving , en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020 , met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van , en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor , Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten , en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Toetsing Er is een risicoanalyse (QRA) uitgevoerd met als doel om inzicht te krijgen in de externe risico’s van de beoogde buisleiding. De QRA is uitgevoerd met het door de overheid voorgeschreven modelleringsprogramma CAROLA. Met dit modelleringsprogramma zijn zowel het plaatsgebonden risico en het groepsrisico berekend. De rapportage is opgenomen als bijlage 2. Voor het tracé is geen plaatsgebonden risicocontour berekend. Er liggen dus geen kwetsbare gebouwen of locaties binnen de PR 10 -6 per jaar contour. Dit betekent dat wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De populatie binnen het invloedsgebied van de beoogde buisleiding is weergegeven in figuur 4. 1. Er is sprake van een lage populatiedichtheid binnen het invloedsgebied van de leiding. Het groepsrisico is afhankelijk van de bevolkingsverdeling in de E +000 maal de oriëntatiewaarde. , omgeving van de inrichting. Voor het tracé is een maximaal groepsrisico berekend van 0000 Het groepsrisico overschrijdt de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde (=1) niet.
Het groepsrisico neemt door de voorgenomen ontwikkeling niet toe en er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Conform artikel 12 van het Bevb kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
18/24
Figuur 4. 1: Populatie binnen het invloedsgebied van de leiding , volgens de BAG populatieservice (bron: Bilfinger).
Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten' , zoals brand of wateroverlast , als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid , is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het tracé ligt langs de Kruisweg. Deze weg sluit aan op de Koegorsstraat , vanaf waar het verdere wegennetwerk van Sluiskil kan worden bereikt. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. De Graaf Jansdijk , waaraan de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen , biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen , waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Ook kunnen de 2 aanwezige bedrijven van de bron afvluchten.
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie wordt een gasleiding gerealiseerd. De populatie binnen het invloedsgebied van de gasleiding wordt in principe als zelfredzaam beschouwd. Aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen , in het kader van effectieve zelfredzaamheid , de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
19/24
De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen , waaronder de calamiteitenzenders , de sirenes , crisis. nl , NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat het groepsrisico niet toeneemt en dat er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid , bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied en de omgeving ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4. 4
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie , de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie
(functiegericht saneren). Toetsing Er is een milieuhygienisch vooronderzoek uitgevoerd , zie bijlage 3. De doelstelling van het milieuhygiënisch vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over onder andere het voormalige en huidige gebruik , alsmede de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem om zodoende een beeld te krijgen van potentieel verdachte activiteiten en/of bekende bodemverontreinigingen. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek kan worden beoordeeld of en waar een doelgericht veld- en bodemonderzoek noodzakelijk is in een vervolgfase (verkennend of nader bodemonderzoek). Het geplande tracé is tijdens het vooronderzoek onderverdeeld in drie deellocaties. Uit het vooronderzoek komen de volgende resultaten:
Tracé rondom afsluiterstation Sluiskil (S-932) ●
● ● ● ● ●
20/24
De geplande werkzaamheden worden nabij twee afsluiterschema’s uitgevoerd S-081 (=AS-M. &R. AXEL) en S-932 (=ASSluiskil Kruisweg). Bij werkzaamheden aan afsluiterschema ’s bestaat de kans op lekken van aardgascondensaat. Het afsluiterschema is daarom verdacht op bodemverontreiniging met minerale olie , vluchtige aromaten (BTEX) en tetrahydrothiofeen (alleen in het grondwater); Ter plaatse van S-081 (=AS-M. &R. AXEL) zijn onderzoekgegevens bekend. Dit betreft een sanering van eerder aangetoonde grondwaterverontreiniging. De onderzoekgegevens zijn verouderd en geven geen informatie over de actuele milieuhygienisch kwaliteit van de bodem; Dit deel van het trace is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart; Voor het onderzoeksgebied is geen asbestkansenkaart beschikbaar; Er zijn geen verdachte asbest verdachte locaties ter plaatse of nabij het beoogde leidingtracé aanwezig; Er bevinden zich geen PFAS-verdachte activiteiten binnen een tracé-buffer van 100 meter aan weerszijden van het beoogde leidingtracé.
Tracé tussen de afsluiterschema’s (landbodem) ●
● ● ● ●
Op basis van reeds uitgevoerde onderzoeken direct aangrenzend aan de onderzoekslocatie zijn in de bovengrond geen verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond zijn maximaal gehalten minerale olie en koper aangetoond wat voldoet aan kwaliteitsklasse ‘Industrie’’ , In het grondwater zijn concentraties barium , molybdeen , nikkel en xylenen gemeten onder de signaleringsparameter; Op basis van bodemkwaliteitskaart geldt voor de beoogde leidingtracé voor zowel de boven- en ondergrond de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’; Voor het onderzoeksgebied is geen asbestkansenkaart beschikbaar; Er zijn geen verdachte asbest verdachte locaties ter plaatse of nabij het beoogde leidingtracé aanwezig; Er bevinden zich geen PFAS-verdachte activiteiten binnen een tracé-buffer van 100 meter aan weerszijden van het beoogde leidingtracé.
Perceelsloot (waterbodem) ● Er is één watergang (sloot) aanwezig die het beoogde leidingtracé kruist; ● Op basis van de Waterbodemkwaliteitskaart van Waterschap Scheldestromen voldoet de kwaliteit van de waterbodem aan de kwaliteitsklasse Verspreidbaar (industrie); ● Op basis van afstand tot het tracé zijn er geen relevante PFAS verdachte locatie binnen het zoekgebied aanwezig Op basis van de resultaten volgen enkele aanbevelingen. Aanbevelingen Tracé rondom afsluiterstation Sluiskil (S-932) Aanbevolen wordt om de mate en omvang van de mogelijk aanwezige bodemverontreiniging ter plaatse van het geplande tracé nader te onderzoeken. Op basis van een verkennend bodemonderzoek kan de voorlopige veiligheidsklasse van de werkzaamheden worden bepaald.
Tracé tussen de afsluiterschema’s (landbodem)
Voor grondwerkzaamheden is de voorlopige veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’ (geen verhoogde veiligheidsklasse) van toepassing conform de CROW-publicatie 400. De definitieve veiligheidsklasse wordt vastgesteld door een veiligheidskundige van de aannemer. Daarnaast geldt dat bij alle grondwerkzaamheden rekening gehouden moet worden met het vrijkomen van verontreinigde grond waarmee conform de geldende wet‐ en regelgeving (Besluit Bodemkwaliteit) op milieuhygiënisch verantwoorde wijze mee moet worden omgegaan. Er is vanuit het aspect bodemverontreiniging geen verplichting tot meldingen en informatieplicht zoals is aangegeven in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Perceelsloot (waterbodem) Voor grondwerkzaamheden is de voorlopige veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’ (geen verhoogde veiligheidsklasse) van toepassing conform de CROW-publicatie 400. De definitieve veiligheidsklasse wordt vastgesteld door een veiligheidskundige van de aannemer. Daarnaast geldt dat bij alle grondwerkzaamheden rekening gehouden moet worden met het vrijkomen van verontreinigde grond waarmee conform de geldende wet- en regelgeving (Besluit Bodemkwaliteit) op milieuhygiënisch verantwoorde wijze mee moet worden omgegaan. Er is vanuit het aspect bodemverontreiniging geen verplichting tot meldingen en informatieplicht zoals is aangegeven in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Conclusie Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect bodemverontreiniging geen belemmeringen naar voren komen voor de deellocaties tracé tussen de afsluiterschema’s en de perceelsloot. Voor de locatie tracé rondom afsluiterstation Sluiskil is een verkennend bodemonderzoek nodig. Dit onderzoek wordt uitgevoerd en de resultaten van het onderzoek worden hier te zijner tijd betrokken.
21/24
4. 5
Water
Toetsingskader Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen , verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten , waaronder veiligheid , wateroverlast , watertekort , waterkwaliteit en verdroging , en om alle wateren: rijkswateren , regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf , maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding , allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's , waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) ● Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) ● Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ● Waterwet ● Provinciaal: Provinciaal Waterplan ● Provinciale Structuurvisie ● Verordening Ruimte ● Waterschapsbeleid Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor het beheer van het binnendijkse oppervlaktewater in Zeeland. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater , zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. Voor het plangebied van dit bestemmingsplan is het plan van het voormalige waterschap Zeeuwse Eilanden van toepassing. Het gaat hierbij om 'integraal waterbeheer': waterzuiveringsbeheer en watersysteembeheer. Het waterschap streeft met haar beleid , beheer en onderhoud naar een optimale status en aanwezigheid van oppervlaktewater en grondwater dat van geschikte kwaliteit is voor mens en omgeving. Dit wordt bereikt met veilige en duurzame systemen voor wateraanvoer , -afvoer en -berging. Het waterschap draagt zorg voor een veilig en goed bewoonbaar gebied met gezonde en duurzame watersystemen. Recreatief medegebruik en 'beleving' van het water hebben daarbij ook de aandacht.
Toetsing Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Scheldestromen , verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het aanmeldformulier voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 9). Dit aanmeldformulier is voorgelegd aan het waterschap.
22/24
4. 6
Cultuurhistorie en archeologie
4. 6. 1 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Hiermee is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Naast archeologie moet ook het aspect historische bouw worden opgenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Handreiking landschap De gemeente Terneuzen heeft samen met de gemeenten Sluis en Hulst de Handreiking Landschap Provincie Zeeland opgesteld. Hierin is van relevante cultuurhistorische elementen en objecten beschreven hoe bepalend en leesbaar ze zijn , op welk bestuurlijk niveau en met welk planologisch instrument regulering plaats zal vinden en welke strategie eraan gekoppeld kan worden. De Handreiking Landschap noemt vier strategieën die gekoppeld kunnen worden aan cultuurhistorische elementen en objecten: 1. Behoud: hierbij gaat het voornamelijk om monumentale objecten met landschapshistorische waarde (molens , vliedberg e. d. ) , alsmede de landschapsreservaten en delen van het landschap met zeer hoge mate van bepaaldheid en
gaafheid; 2. 3. 4.
Behoud ruimtelijke karakteristiek: conservering van de bestaande ruimtelijke kenmerken van het landschap staat voorop. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan die deze ruimtelijkheid veranderen. Het gebied hoeft echter niet bij voorbaat zijn huidige functie te behouden. Deze strategie komt in Terneuzen in de praktijk niet voor; Behoud door ontwikkeling: de bestaande landschapsstructuur en mate van verdichting is richtinggevend voor mogelijk veranderingen. De veranderingen moeten passen in de structuur. Verandering van functie is nadrukkelijk een optie. De mate waarin veranderingen optreden kan per gebied verschillend zijn. Nadere afweging is hierbij noodzakelijk; Vernieuwing: de bestaande landschapsstructuur verandert ingrijpend. Functies veranderen. De veranderingen zijn echter passend binnen het DNA van het betreffende gebied.
Cultuurhistorische Hoofdstructuur en Cultuurhistorische waardenkaart De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) zet karakteristieke landschappelijke kenmerken letterlijk op de kaart. Het bevordert de beleving van het landschap door aan te geven waar cultuurhistorische waardevolle aspecten van het landschap binnen en buiten de bebouwde kom gevonden kunnen worden. De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud' , 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. Toetsing en conclusie De belangrijkste relevante elementen op de cultuurhistorische waardenkaart bij het tracé zijn de nabijheid ligt van een historische boom (kaart behoud door ontwikkeling) en dat het tracé ligt binnen het gebied Transformeren (kaart Vernieuwing mogelijk). Mede gelet op de ondergrondse ligging van de leiding en het feit dat het tracé op enige afstand ligt van de historische boom , zijn er vanuit de cultuurhistorische waardenkaart op voorhand geen belemmeringen voor de leiding. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.
23/24
4. 6. 2 Archeologie Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen , waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord , naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interim-beleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden , waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011.
Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m 2 voor de zogenaamde kruimelgevallen. Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen , ontgrondingen , wegcunetten , rioleringssleuven , bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd. Toetsing en conclusie Het tracé van de leiding kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’. Er is een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd , zie bijlage 4. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: ● In , en op , de intacte dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden dat voorkomt vanaf 139, tot 182, m -NAP (tussen 245, en 300, m -mv) een lage tot middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Mesolithicum (donkerbruin of geel gemarkeerd op figuur 4.
1); ● Op het Basisveen dat voorkomt vanaf 07, 9 tot 11, 2 m -NAP (19, 0 en 23, 0 m -mv) een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd en/of Romeinse tijd (donkerbruin gemarkeerd op figuur 4. 1); Binnen die delen van het plangebied waar het veen en/of het dekzand is geërodeerd door jonge getijdenkreken geen ● verwachting meer bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit bovengenoemde periodes; In , en op , de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren , zowel voor de Sluiskil- als Braakmanafzettingen , een lage ● verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit respectievelijk de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Op basis van het onderzoek wordt geadviseerd om de mogelijk aanwezige archeologische waarden te ontzien door geen graafwerkzaamheden uit te voeren die dieper reiken dan de op figuur 4. 2 vermelde NAP waarden. Voor die delen van het projectgebied die niet (geel of donkerbruin) zijn gemarkeerd geldt verder geen beperking. Indien dat niet mogelijk , dan wel wenselijk is , en alsnog graafwerkzaamheden worden uitgevoerd die dieper reiken dan bovenvermelde dieptes , wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht (binnen die delen die verstoord worden).
24/24
Figuur 4. 2: Advieskaart met de hoogste NAP waarden waarop de archeologische lagen voorkomen (bron: Arcadis).
Exacte inrichtingsdetails zijn nog niet bekend maar met de aanleg van de nieuwe leiding wordt wellicht dieper gegraven dan de bovenvermelde waarden. Indien dat daadwerkelijk het geval is , wordt vervolgonderzoek in delen van het tracé noodzakelijk geacht. Voor het dekzand wordt geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren , voor het basisveen is een proefsleuvenonderzoek de meest aangewezen methode. Gezien de aard van de ingreep (smal en langgerekt tracé met diepe ontgraving) wordt voorgesteld om voorafgaand geen karterend booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek uit te voeren maar de civiele graafwerkzaamheden onder Archeologische Begeleiding uit te voeren (Opgraving – variant Archeologische Begeleiding). Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
4. 7
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving , zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden , te weten: ● Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). ●
25/24
Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied , kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verdat het het de kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze kregen plan , onderscheidenlijk project natuurlijke zekerheid niet is verkregen , kan het plan worden vastgesteld , indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: e alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; e het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang , met inbegrip van redenen van sociale of economische aard , en e de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
bescherming van deze gebieden heeft externe werking , zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden storing kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. De
ver-
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee , tenzij! principe , wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruim-
telijke ontwikkelingen mogen
plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb e
wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
e
overige
e
De Wnb
bevat
soorten.
onder andere
verbodsbepalingen
ten aanzien
opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten , eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten , genoemd in bijlage IV , onderdeel a , bij de Habitatrichtlijn , bijlage Il bij het Verdrag van Bern of bijlage | bij het Verdrag van Bonn , in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. van
het
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Toetsing Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt buiten beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Polders (België) bevindt zich op circa 56, kilometer van het projectgebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied is (geanonimiseerd) en GN
26/24
Saefinghe’ en bevindt zich op circa 64, kilometer van het projectgebied. Omdat het projectgebied buiten beschermde gebieden ligt , zijn directe effecten zoals areaalverlies en versnippering uitgesloten. Tevens kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevindt zich op circa 50 meter van het projectgebied.
Een negatief effect van het project op Natura 2000-gebieden door stikstof valt echter niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd , zie bijlage 5. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2024. 0. 1) voor de aanlegfase en de gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 000, mol/ha/jr. Dit betekent dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Omdat de aanleg van de leiding door middel van een open ontgraving zal plaatsvinden is een ecologische quickscan van de betreffende gronden en de directe omgeving noodzakelijk zodat kan worden uitgesloten dat beschermde plant- en diersoorten worden aangetast bij de aanleg van de leiding. Arcadis heeft een ecologische quickscan uitgevoerd. De eerste bevindingen uit de quickscan zijn opgenomen in een memo , zie bijlage 6. Uit de eerste bevindingen volgt dat het niet mogelijk is om aanwezigheid van alle beschermde soorten op voorhand uit te sluiten voor de voorgenomen werkzaamheden. Het gaat om de volgende soorten: vleermuizen , haas , klein marterachtigen , veldspitsmuis , kamsalamander , grote vos en teunisbloempijlsaart. Vervolgstappen zijn aan de orde.
Voor de ontwikkeling is een onderbouwing nodig in de vorm van een nadere onderzoeksrapportage of aanvullende memo waarin staat toegelicht waarom met het nemen van maatregelen alsnog negatieve effecten worden voorkomen. De genoemde soorten worden in 2025 onderzocht. In de volgende tabel zijn de onderzoeksperiodes van de veelvoorkomende soortengroepen (waaronder ook de bovengenoemde soorten vallen) globaal weergegeven.
Figuur 4. 3: Indicatie (optimale) onderzoeksperiodes soortenonderzoek , te onderzoeken soorten in projectgebied aangeduid met paars kader (bron: Antea Group).
27/24
Er is al een nader onderzoek naar de veldspitsmuis uitgevoerd in de periode 19 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024. In figuur 4. 4 zijn de conclusies weergegeven.