2025-01-22 a. Vaststelling (gewijzigd) TAM Omgevingsplan Nieuwe Sluis Terneuzen - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Elke keer als een bron niet leidt tot onderzoek, wordt een volgende geraadpleegd. AMK. Volgens de Archeologische monumentenkaart liggen er in het projectgebied geen archeologische monumenten. IKAW. Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden, heeft het projectgebied een lage trefkans. Archis/ZAD. Volgens Archis zijn er in het projectgebied geen archeologische vondsten gedaan. Geologische kaart. Volgens de geologische kaart van Zeeuws-Vlaanderen (figuur 4.7) komt de geologisch econfigurartie Fo.3b voor in het projectgebied: Afzettingen van Duinkerke 3b op oudere Afzettingen van Duinkerke (D3b op D3a op D2) op Hollandveen op Pleistoceen.
34/258
38/263
Figuur 4.7 Ligging projectgebied (rood) op een uitsnede Geologische kaart van Rummelen, 1977 Uit de toetsing aan de geologische kaart volgt dat een onderzoeksplicht geldt bij ingrepen groter dan 1.000m². Vrijstellingsdiepte Uit raadpleging van de gemeentelijke vrijstellingen kaart blijkt dat de vrijstellingendiepte ter plaatste 4 m bedraagt.
Figuur 4.8 Uitsnede vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen met daarin het projectgebied blauw omkaderd (bron: Vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen, 2017)
35/258
39/263
4.7.5 Conclusie Bij toekomstige ontwikkelingen geldt voor een deel van het projectgebied een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 4 m -mv . Hier zal, wanneer de vrijstellingsdieptes worden overschreden, voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning, eerst archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Voor de beoogde bouw van de loods lijkt vooralsnog geen sprake van een overschrijding van de onderzoeksgrenzen.
4.8
Verkeer en parkeren
Verkeersgeneratie Navimar is een specifiek bedrijf dat zowel klanten op afstand bediend als bezoekers ontvangt, maar ook een relatief grote opslag ruimte heeft. Daardoor kan geen gebruik gemaakt worden door de normen uit het CROW. Door Navimar zijn de volgende verkeersgegevens aangeleverd voor de huidige inrichting: Klanten beleveren + service: Bezoekende klanten: Leveranciers: Eigen vervoersbewegingen: Woon-werkverkeer:
40 mvt/etmaal 10 mvt/etmaal 10 mvt/etmaal (vrachtauto) 10 mvt/etmaal 14 mvt/etmaal
Dit betekent 84 mvt/etmaal waarvan circa 12% vrachtverkeer. Met deze uitbreiding worden de mogelijkheden uitgebreid, zo wordt circa 2x zoveel bebouwing toegestaan. Omdat de verkeersgeneratie voor bedrijven op basis van het CROW aan de hand van het aantal m² bvo berekent wordt, gaan we hier in deze situatie ook van uit. Daarom gaan we uit van een verdubbeling van het aantal vervoersbewegingen, in de praktijk zal dit naar verwachting lager liggen. We gaat uit van 100% toename verkeer ten opzichte van de huidige situatie (worst case). Dit betekent 84*1,5 = 126 mvt/etmaal en 15 mvt/etmaal vrachtwagens (12%). Verkeersafwikkeling De locatie bevindt zich aan de Goessekade. De Goessekade heeft een directe aansluiting op de Buitenhaven via een bestaande kruising. Vanaf waar de N252 (gebiedsontsluitende weg 80 km/u) richting de N62 opgedraaid kan worden. De bestaande verkeersintensiteit en de uitbreiding passen binnen de maximale capaciteit van het type weg en het invoeging van het verkeer op de Buitenhaven leidt niet tot problemen. Parkeerbehoefte Voor de beoogde ontwikkeling is de parkeerbehoefte berekend volgens de parkeernormen die zijn opgenomen in de Parkeernota Terneuzen 2023-2033. Parkeerbehoefte Het bedrijf is op basis van de aanleverde verkeersgegevens vergelijkbaar met een arbeidsintensief en bezoekers extensief bedrijf.
In de Parkeernota Terneuzen 2023-2033 is een parkeernorm van 1,05 pp per 100 m² opgenomen
36/258
40/263
voor arbeidsintensieve / bezoekersextensieve bedrijven. Dit betekent bij een bvo van 2.090 m² een parkeerbehoefte van 22 pp. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om in deze behoefte te voorzien. In het omgevingsplan is een regel opgenomen dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid op basis van de parkeernormen uit de parkeernota van gemeente Terneuzen. Daarmee is verzekerd dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.
4.9
Geluid door activiteiten
4.9.1 Toetsingskader Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol: 1. de situatie waarin een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw; 2. de situatie waarin een geluidgevoelig gebouw gerealiseerd zal worden waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat een gemeente het toelaten van activiteiten die geluid veroorzaken of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen waarop geluid wordt veroorzaakt, alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en een goede motivering. Dit vergt dus een goede onderbouwing in de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Hiervoor dient bekend te zijn welke activiteiten geluid veroorzaken en wat de optelsom is van dit geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast zal het omgevingsplan moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan op te nemen.
4.9.2 Toetsing Door Stantec is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege het bedrijf Navimar. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat Navimar op 50 meter afstand kan voldoen aan de standaardwaarden uit tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit betekent dat op grond van 5.78b, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de activiteiten die door Navimar worden uitgevoerd, niet worden gezien als activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Om dit te borgen is in de regels vastgelegd dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van een activiteit binnen het besluitgebied op een afstand van 50 meter vanaf de begrenzing van het besluitgebied niet meer bedraagt dan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De dichtstbijzijnde woningen liggen op een afstand van meer dan 300 meter. Ook op deze woningen kan derhalve worden voldaan aan de standaardwaarden.
37/258
41/263
4.9.3 Conclusie Geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai 4.10.1 Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). 4.10.2 Toetsing De activiteiten die bij Navimar worden uitgevoerd zijn geen activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Er hoeven geen regels te worden opgenomen voor industrieterreinen. Het bedrijf is geen geluidgevoelige functie. Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de “1,5 dB-toets”, wat neerkomt op een verkeerstoename van 40%. Dit is voor de ontwikkeling niet aan de orde.
4.10.3 Conclusie Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.11 Omgevingsveiligheid 4.11.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij het mogelijk maken van een ontwikkeling spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Maar in het Bkl is het risicobegrip breder: er zal gemotiveerd moeten worden dat bij risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en
38/258
42/263
c. de geneeskundige hulpverlening. 4.11.2 Toetsing Bedrijven zijn beperkt kwetsbare gebouwen conform bijlage Vl Artikel 5.3 van het Bkl. In het projectgebied worden enkel beperkt kwetsbare gebouwen en locaties toegestaan. Uit de informatie op de risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het projectgebied zich binnen het brandaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied van het water bevindt. Ook bevindt het projectgebied zich in het gifwolkaandachtsgebied van Dow. Het bedrijf bevindt zich in de huidige situatie ook binnen deze aandachtsgebieden. In de beoogde situatie neemt het aantal personen niet toe. Het aantal personen blijft dus gelijk. Om deze reden heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op het groepsrisico. In het projectgebied bevinden zich geen PR 10-6 contouren van risicobronnen van bedrijven en transportmodaliteiten (weg, spoor, vaarweg en buisleidingen). Daarnaast heeft de veiligheidsregio advies uitgebracht, zie Bijlage 6. Samengevat staat in het rapport het volgende: Gezien de gebruiksfunctie en de omvang van het object wordt geadviseerd rekening te houden met de bereikbaarheid en een opstelplaats te realiseren die geschikt is voor een redvoertuig. Zorg voor een vrijgemaakte opstelplaats langs het kanaal waardoor we binnen afzienbare tijd water uit het Kanaal kunnen halen.
Deze opstelplaats moet als dusdanig herkenbaar én altijd te bereiken zijn en moet buiten de valschaduw van het object en van de objecten daarnaast liggen. De ontwerptekeningen worden ter goedkeuring voor gelegd aan de brandweer. Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Voor de volledigheid wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen het projectgebied, de bereikbaarheid van het projectgebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied. Omdat er in de huidige situatie al rekening is gehouden met de ligging binnen de aandachtsgebieden, wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf, aangezien de bestrijdbaarheid afhankelijk is van het ongevalscenario. Het is niet nodig om bouweisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico. De bereikbaarheid van het project voor hulpdiensten is goed. De locatie is goed bereikbaar voor de hulpdiensten. De locatie ligt in een bestaande buurt waar reeds voldoende bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn. Er wordt gezorgd voor een vrijgemaakte opstelplaats langs het kanaal waardoor de brandweer binnen afzienbare tijd water uit het kanaal kan halen. Deze opstelplaats zal herkenbaar en altijd te bereiken zijn.
In het projectgebied worden enkel beperkt kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare locaties mogelijk gemaakt (uitgesloten zijn kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen). Kinderen en verminderd zelfredzame personen worden niet verwacht binnen het projectgebied. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert of het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) te handelen. Vanwege de ligging is het goed mogelijk om te vluchten, weg van de calamiteit. Het projectgebied kan vanuit het noorden, zuiden en westen ontvlucht/betreden (hulpdiensten) worden.
39/258
43/263
4.11.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid is geen maatgevend aspect voor de evenwichtige toedeling van functies. Er zijn geen voorschriften en geen regels nodig voor dit aspect mits rekening wordt gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
4.12 Gezondheid 4.12.1 Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. 4.12.2 Toetsing Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid / toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema's samenkomen. Het gaat hierbij om thema's die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. De beoogde ontwikkeling is geen geluid- en geurgevoelig gebouw. Uit de paragraaf 'luchtkwaliteit' blijkt dat aan de omgevingswaarden en WHO waarden voor stikstofdioxide en fijnstof voldaan wordt en dat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is.
4.13 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toetsing Het Bkl geeft geen uitsluitsel wanneer een ontwikkeling moet worden gezien als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Geldende jurisprudentie onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening/Besluit ruimtelijke ordening is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo toevoeging bebouwing, of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is.
40/258
44/263
Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn. Met de ontwikkeling wordt maximaal 3.000 m² extra bebouwing toegestaan ten opzichte van het geldende omgevingsplan en circa 1.250 m² ten opzichte van de verleende (tijdelijke) vergunning. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Deze extra bebouwing is regionaal afgestemd en opgenomen in het regionale bedrijventerreinenprogramma. Het gaat om de verplaatsing van een bedrijf dat verbonden is met de haven van Terneuzen en daarvoor tevens een locatie aan het water nodig heeft. Een locatie elders op een bedrijventerrein is dan ook niet mogelijk. De ontwikkeling voorziet hiermee in een behoefte.
4.14 Niet gesprongen explosieven Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek met NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. De bedoelde locatie aan de Goessekade in Terneuzen valt in relatie tot NGE niet in een aangemerkt risicogebied. Onderzoek naar conventionele explosieven is daarom niet nodig. In geval er t.z.t. ter plaatse alsnog munitie wordt aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.
4.15 Overige omgevingsaspecten Ten aanzien van deze ontwikkeling zijn de relevante omgevingsaspecten getoetst in de paragrafen 4.1 tot en met 4.13. In tabel 4.3 zijn de overige omgevingsaspecten getoetst. Tabel 4.3 Overige omgevingsaspecten Omgevingsaspect Welstand
Toetsing Dit aspect is niet van toepassing.
Geur
Dit aspect is niet van toepassing.
Trilling
Dit aspect is niet van toepassing.
Schaduwhinder en windhinder
Dit aspect is niet van toepassing.
Duurzaamheid
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. BENG staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen. Deze gelden ook voor het voorziene nieuwe bedrijfsgebouw. Voor het overige gaat het om een zeer beperkte ontwikkeling. Dit aspect is niet van toepassing.
Spuitzones
41/258
45/263
Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de overige omgevingsaspecten niet zorgen voor nadelige gevolgen.
42/258
46/263
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Indien een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. De gemeente is in deze initiatiefnemer. Regels met betrekking tot kostenverhaal in het TAM-omgevingsplan zijn om deze reden niet noodzakelijk.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de procedure van een TAM-omgevingsplan wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan een zienswijze in te dienen. Na vaststelling van het TAM-omgevingsplan staat enkel nog beroep open.
43/258
47/263
Hoofdstuk 6
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 3 en 4. Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Wel dient rekening gehouden te worden met de aanwezig beschermde soorten, dit kan door te werken met een ecologisch werkprotocol. Dit is een voorwaarde voor de ontwikkeling van de bebouwing aan de zuidzijde van het projectgebied.
44/258
48/263
Bijlagen bij de motivering
45/258
49/263
46/258
50/263
Bijlage 1
47/258
Mer-beoordeling
51/263
Mer-beoordeling Nieuwe Sluis Terneuzen Goessekade 2 Gemeente Terneuzen 28 oktober 2024
52/263 1/21
DATUM KENMERK
28 oktober 2024 20240299/159404/
PROJECT PROJECTLEIDER
Terneuzen Goessekade TAM-omgevingsplan mr. ir. H. Wenting
OPDRACHTGEVER Gemeente Terneuzen PROJECTNUMMER 20240299 AUTEUR STATUS
M. Tajqurishi Definitief
53/263 2/21
54/263 3/21
INHOUD 1.
2.
3.
4.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
5 6 6
Aanleiding Mer-beoordeling Leeswijzer
Plaats en kenmerken van het project
7
2.1 2.2 2.3
Plaats van het project Kenmerken van het project Cumulatie
7 10 10
Kenmerken van de milieueffecten
11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11
11 12 12 13 14 15 16 18 19 20 21
Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Bodem Water Ecologie Landschap, cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Duurzaamheid Aanlegwerkzaamheden
Conclusie
21
55/263 4/21
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In het kader van de bouw van de Nieuwe Sluis Terneuzen (hierna: NST) is het bedrijf Navimar BV (scheepsbenodigdheden en installatie/reparatie van scheepsmaterialen) verplaatst van de Schependijk naar de Goessekade. Het bedrijf heeft behoefte aan meer ruimte en bouwmogelijkheden. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld en een tijdelijke omgevingsvergunning verleend in 2016. Met het bedrijf werd een overeenkomst gesloten dat na bouw van de NST het bedrijf kon terugkeren naar de Schependijk. Vanwege de milieutechnische ruimte die het bedrijf Navimar inneemt en de wens voor meer ruimte en bouwmogelijkheden, is besloten het bedrijf definitief te vestigen aan de Goessekade. Figuur 1.1 laat de ligging van het projectgebied zien. Op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Terneuzen, het bestemmingsplan ‘Nieuwe Sluis Terneuzen’, is definitieve vestiging van Navimar niet mogelijk. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren is een wijziging van het omgevingsplan opgesteld.
Figuur 1.1 Ligging plangebied Goessekade
56/263 5/21
1.2
Mer-beoordeling
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (vormvrij, meestal een aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige mer-procedure noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein.
Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een merbeoordeling noodzakelijk bij de wijziging van het omgevingsplan. Deze aanmeldnotitie bevat deze mer-beoordeling.
1.3
Leeswijzer
Deze aanmeldingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft in hoofdstuk 4 de voorlopige conclusie weer voor de mer-beoordeling.
57/263 6/21
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het projectgebied ligt aan de Goessekade, ten zuiden van de ‘westsluis’. Het projectgebied grenst aan de westzijde aan de provinciale weg N252 en aan de oostzijde aan het Kanaal Gent-Terneuzen. De locatie maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel sectie K, nummer 3211. De ligging van het projectgebied wordt weergegeven in Figuur 2.1.
Figuur 2.1 Ligging projectgebied
Beschermde gebieden – milieugevoelige gebieden Het projectgebied bevindt zich niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Het projectgebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’. Dit gebied ligt op circa 2 kilometer afstand van het projectgebied en is stikstofgevoelig (Figuur 2.2). Het projectgebied grenst aan een Natuur Netwerk Zeeland (NNZ)-gebied (Figuur 2.3). Het projectgebied en de omgeving maken geen onderdeel uit van grondwaterbeschermingszones (Figuur 2.4) en stiltegebieden (Figuur 2.5).
58/263 7/21
Figuur 2.2 Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
Figuur 2.3 Ligging projectgebied ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: provincie Zeeland)
59/263 8/21
Figuur 2.4 Ligging projectgebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van grondwaterbeschermingsgebieden (bron: provincie Zeeland)
Figuur 2.5 Ligging projectgebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van stiltegebieden (bron: www.atlasleefomgeving.nl)
60/263 9/21
2.2
Kenmerken van het project
2.2.1 Huidige situatie Het projectgebied is in gebruik door Navimar BV, een bedrijf in scheepsbenodigdheden en elektrotechnische scheepsinstallaties, maritieme satelliet-, radiocommunicatie en navigatiesystemen. Namivar levert, installeert, repareert, inspecteert en certificeert scheepsmaterialen en scheepselektro. Het terrein is deels verhard. Aan de noordzijde is een bedrijfshal aanwezig van 40 meter bij 22 meter (880 m²) waarin zich onder andere de winkel bevindt. Aan de zuidzijde van deze hal zijn tijdelijke units met daarin het kantoor en de kantine geplaatst. Aan de zuidzijde is een grasveld aanwezig. Voor de vestiging van het bedrijf is een tijdelijke vergunning verleend. 2.2.2 Beoogde ontwikkeling In de beoogde situatie wordt Navimar BV definitief toegestaan op de huidige locatie, daarnaast worden de bouwmogelijkheden uitgebreid aan de zuidzijde van de bestaande bebouwing, hier is een nieuwe loods van 55 meter x 22 meter voorzien. De tijdelijke units met het kantoor en de kantine worden weggehaald, deze functies komen in de nieuwe loods in twee bouwlagen en met een gezamenlijk oppervlakte van circa 90 m². De ruimte van 20 meter breed tussen de twee loodsen wordt gebruikt voor de opslag van goederen.
De maximale goot- en bouwhoogte zullen aansluiten bij de bouwmogelijkheden die elders in het havengebied ook gelden; namelijk een goothoogte van 6 meter en bouwhoogte van 10 meter. Het bebouwingspercentage wordt daarbij gemaximeerd op 75% van het bouwvlak.
Figuur 2.6 Inrichtingsschets perceel Navimar
2.3
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
61/263 10/21
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN 3.1
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Een plan moet vanuit verkeer uitvoerbaar zijn in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid moeten daarom gemotiveerd worden. Daarnaast is verkeer een onderdeel van de aspecten die in een omgevingsplan worden beoordeeld, zoals veiligheid in de breedste zin van het woord. Ook zijn verkeerscijfers en routes van belang voor de onderwerpen die wel expliciet geregeld zijn en onderzocht moeten worden, zoals geluid en luchtkwaliteit. Beoordeling Verkeersgeneratie Navimar is een specifiek bedrijf dat zowel klanten op afstand bediend als bezoekers ontvangt, maar ook een relatief grote opslagruimte heeft. Daardoor kan geen gebruik gemaakt worden door de normen uit het CROW. Door Navimar zijn de volgende verkeersgegevens aangeleverd voor de huidige inrichting: ● ● ● ● ●
Klanten beleveren + service: Bezoekende klanten: Leveranciers: Eigen vervoersbewegingen: Woon-werkverkeer:
40 mvt/etmaal 10 mvt/etmaal 10 mvt/etmaal (vrachtauto) 10 mvt/etmaal 14 mvt/etmaal
De huidige verkeersgeneratie komt uit op 84 mvt/etmaal waarvan circa 12% vrachtverkeer. Met deze uitbreiding worden de mogelijkheden uitgebreid, waarmee het bebouwingspercentage wordt verdubbeld. Omdat de verkeersgeneratie voor bedrijven op basis van het CROW aan de hand van het aantal m² bvo berekend wordt, is daar in deze situatie ook vanuit gegaan dat het aantal verkeerbewegingen in de beoogde situatie verdubbeld. Er is worst-case uitgegaan van 100% toename ten opzichte van de huidige situatie. Dit betekent dat de totale verkeersgeneratie 126 mvt/etmaal zal zijn waarvan 15 mvt vrachtwagens (12%). De toename bedraagt 84 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling De locatie bevindt zich aan de Goessekade. De Goessekade heeft een directe aansluiting op de Buitenhaven via een bestaande kruising. Vanaf waar de N252 (gebiedsontsluitende weg 80 km/u) richting de N62 opgedraaid kan worden. Het verkeer wordt in het noorden afgewikkeld. De capaciteit van de omliggende wegen is voldoende om het extra verkeer op te vangen. Er zal geen congestie ontstaan in de beoogde situatie. Parkeren Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen is aangesloten op de parkeernormen in de Parkeernota Terneuzen 2023-2033. In de Parkeernota Terneuzen 2023-2033 is een parkeernorm van 1,05 pp per 100 m² opgenomen voor arbeidsintensieve / bezoekersextensieve bedrijven.
Dit betekent bij een bvo van 2.090 m² een parkeerbehoefte van 22 pp. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om in deze behoefte te voorzien. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren worden geen negatieve effecten verwacht.
62/263 11/21
3.2
Geluid
Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor de beoordeling van geluid, dit betreft standaardwaarden, grenswaarden op de gevel en grenswaarden voor het binnengeluid. In de bruidsschat zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten. Huidige situatie Het bedrijf Navimar is op dit moment al in het projectgebied aanwezig. Bedrijven zijn geen geluidgevoelige gebouwen, maar kunnen wel voor geluidhinder zorgen bij omliggende woningen (of geluidgevoelige gebouwen) Voorgenomen plan Door Stantec is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege het bedrijf Navimar. Uit het onderzoek blijkt dat Navimar op 50 meter afstand kan voldoen aan de standaardwaarden uit tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit betekent dat op grond van 5.78b, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de activiteiten die door Navimar worden uitgevoerd, niet worden gezien als activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Om dit te borgen is in de regels van de wijziging van het omgevingsplan vastgelegd dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van een activiteit binnen het besluitgebied op een afstand van 50 meter vanaf de begrenzing van het besluitgebied niet meer bedraagt dan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De dichtstbijzijnde woningen liggen op een afstand van meer dan 300 meter. Ook op deze woningen kan derhalve worden voldaan aan de standaardwaarden. Cumulatief uitstralingseffect In de beoogde situatie is sprake van een verkeerstoename van 84 mvt/etmaal. De toename is minder dan 40% van de intensiteit van de omliggende wegen (boven 40% wordt pas een mogelijke waarneembare geluidtoename van 1,5 dB verwacht). Dit betekent dat de geluidbelasting niet zal toenemen als gevolg van de verkeersgeneratie. Er zijn overigens geen woningen gelegen op korte afstand van de ontsluitende wegen. Conclusie Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is geen belemmering voor de ontwikkeling.
3.3
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Onder de omgevingswet zijn er rondom aangewezen agglomeraties aandachtgebieden van toepassing, waarbinnen getoetst moet worden aan de rijksomgevingswaarden. Buiten deze agglomeraties is er alleen een beoordelingsplicht als er een snelweg of tunnel wordt aangelegd. Een gemeente kan in een omgevingsplan een lokale omgevingswaarde opnemen, die ook strenger kan zijn dan de rijksomgevingswaarden. Indien een lokale omgevingswaarde wordt vastgesteld, geldt automatisch ook een monitoringsplicht. Het toepasbaarheidsbeginsel, het blootstellingscriterium en het NIBM-criterium blijven wel gehandhaafd bij de beoordeling van luchtkwaliteit: als hieraan wordt voldaan hoeft geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden. Bij een mer-beoordeling blijft het in het kader van de gezondheidsbeoordeling belangrijk de effecten op luchtkwaliteit inzichtelijk te maken en te beoordelen. Huidige situatie In de CIMLK-viewer is het dichtstbijzijnde relevante toetspunt, te weten ter hoogte van de Westkade geraadpleegd. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.
63/263 12/21
Tabel 3.1 Maatgevend toetspunt luchtkwaliteit
Toetspunt
Locatie: Westkade
Monitoringsronde: 2023 Monitoringsjaar NO2-concentratie
PM10-concentratie
PM10overschrijdingsdagen
PM2,5concentratie 6,9
2025
15,0
13,3
6
2030 Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)
13 40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
12,6 40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
6 6,2 35 25 µg/m³ dagen per kalenderjaar kalenderjaargemiddeld
Voorgenomen plan Het projectgebied valt niet in Artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Conclusie Uit tabel 3.1 blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
3.4
Omgevingsveiligheid
Toetsingskader Bij een mer-beoordeling wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende risicobronnen gekeken, namelijk bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Rondom deze bronnen kan sprake zijn van aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. . De aandachtsgebieden zijn: ● Het brandaandachtsgebied (BAG) ● Het explosieaandachtsgebied (EAG) ● Het gifwolkaandachtsgebied (GAG) Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe categorie te beschermen gebouwen geïntroduceerd: de zeer kwetsbare objecten, dit zijn gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Hieronder vallen bijvoorbeeld basisscholen en ziekenhuizen. Huidige situatie Bedrijven zijn beperkt kwetsbare gebouwen conform bijlage Vl Artikel 5.3 van het Bkl. In het projectgebied worden enkel beperkt kwetsbare gebouwen en locaties toegestaan. Uit de informatie op de risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het projectgebied zich binnen het brandaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied van het kanaal bevindt. Ook bevindt het projectgebied zich in het gifwolkaandachtsgebied van DOW.
Het bedrijf bevindt zich in de huidige situatie ook binnen deze aandachtsgebieden. In de beoogde situatie neemt het aantal personen niet toe. Om deze reden heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op het groepsrisico. In het projectgebied bevinden zich geen PR 10-6 contouren van risicobronnen van bedrijven en transportmodaliteiten (weg, spoor, vaarweg en buisleidingen).
64/263 13/21
Daarnaast heeft de veiligheidsregio advies uitgebracht. Dit advies is opgenomen als bijlage bij de wijziging van het omgevingsplan. Voorgenomen plan Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Voor de volledigheid wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen het projectgebied, de bereikbaarheid van het projectgebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied. Omdat er in de huidige situatie al rekening is gehouden met de ligging binnen de aandachtsgebieden, wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf, aangezien de bestrijdbaarheid afhankelijk is van het ongevalscenario. Het is niet nodig om bouweisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico. De bereikbaarheid van het project voor hulpdiensten is goed. De locatie is goed bereikbaar voor de hulpdiensten. De locatie ligt in een bestaande buurt waar reeds voldoende bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn. Er wordt gezorgd voor een vrijgemaakte opstelplaats langs het kanaal waardoor de brandweer binnen afzienbare tijd water uit het kanaal kan halen. Deze opstelplaats zal herkenbaar en altijd te bereiken zijn. In het projectgebied worden enkel beperkt kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare locaties mogelijk gemaakt (uitgesloten zijn kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen).
De aanwezigen zijn zelfredzaam en in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert of het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) te handelen. Vanwege de ligging is het goed mogelijk om te vluchten, weg van de calamiteit. Het projectgebied kan vanuit het noorden en zuiden ontvlucht/betreden (hulpdiensten) worden. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid worden geen negatieve milieueffecten verwacht mits rekening wordt gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
3.5
Bodem
Toetsingskader In het Bkl worden de regels voor bodem onder de Omgevingswet opgenomen. De regels zij gericht op drie pijlers: ● Voorkomen van nieuwe verontreinigingen (zorgplicht) ● Meewegen van bodemkwaliteit bij toedelen functies (in Omgevingsvisie en Omgevingsplan) ● Beheren van historische verontreinigen De regels gaan over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie en de nazorg na saneren. De milieubelastende activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Milieubelastende activiteiten ten aanzien van bodem zijn onder andere het graven in de bodem met een kwaliteit onder, gelijk aan of boven de interventiewaarde, het op of in de bodem brengen van meststoffen, saneren van bodem en het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Huidige situatie Op basis van historisch kaartmateriaal, luchtfoto’s, digitale bodeminformatie, informatie van het bevoegd gezag en de opdrachtgever kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het projectgebied ten opzichte van 2016 niet verslechterd is. Nader onderzoek is om deze reden niet noodzakelijk. De resultaten van de inventarisatie zijn opgenomen als bijlage bij de motivering. In het projectgebied voor de mer-beoordeling wordt een zeer beperkte bodemdaling verwacht (1 mm/jaar).
Het betreft derhalve geen zettingsgevoelig gebied ofwel kwetsbaar gebied vanuit oogpunt van bodem en is hierdoor een geschikte locatie voor de beoogde ontwikkeling.
65/263 14/21
Figuur 3.1 Bodemdaling (bron: www.bodemdalingskaart.nl)
Voorgenomen plan Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie Vanuit het aspect bodem worden negatieve effecten uitgesloten.
3.6
Water
Toetsingskader In het Bkl is een aantal instructieregels opgenomen ten borging van de rijksbelangen. Dit betreft met name bescherming van primaire waterkeringen en behoud van waterveiligheid van kust en grote rivieren. Daarnaast zijn er omgevingswaarden vastgesteld voor onder andere de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en zwemwaterkwaliteit. Aangezien deze omgevingswaarden voortkomen uit Europese normen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn, kan een afwijkende omgevingswaarde daarom alleen strenger zijn In de Provinciale omgevingsverordening staan algemene regels over het watersysteem (waterkeringen, watergangen en grondwater) binnen het beheergebied van een waterschap. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterkwaliteit; ● Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● Effecten op waterketen; Huidige situatie Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Scheldestromen. Het projectgebied is gedeeltelijk verhard. Het projectgebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering of watergang.
In het gebied is op dit moment geen sprake van wateroverlast bij hevige buien, zie onderstaande figuur.
66/263 15/21
Figuur 3.2 Waterdiepte bij hevige regenbui (140 mm/2 uur) (bron: www.klimaateffectatlas.nl)
Voorgenomen plan Het verhard oppervlak neemt ten opzichte van de oude situatie toe met 1.600m². Dit genereert bij een maatgevende neerslag van 75 mm een opgave aan waterberging van 120 m3. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse, mits de vereiste waterberging wordt aangelegd.
3.7
Ecologie
Toetsingskader In de Omgevingswet zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten opgenomen. Deze zijn geïmplementeerd vanuit diverse Europeesrechtelijke regelingen, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Omgevingswet kent verschillende soorten beschermde natuurgebieden, te weten: ● Natura-2000 gebieden: Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Regels hiervoor zijn vertaald in de omgevingswet ● Natuurnetwerk Nederland (NNN): in de omgevingswet is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verdere uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming In de omgevingswet wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
67/263 16/21
●
overige soorten.
Beoordeling Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland; ● soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden. Huidige situatie gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe bevindt zich op 2 kilometer afstand van het projectgebied. Het dichtstbijzijnde NNZ-gebied grenst aan het projectgebied. Voorgenomen plan gebiedsbescherming Om te onderzoeken wat de effecten van het plan op aanwezige natuurwaarden is, is een zogenoemde quickscan natuurwaarden uitgevoerd, waarin tevens de effecten de ontwikkeling op omliggende NNZ en Natura-2000 gebieden is onderzocht. Deze quickscan is opgenomen als bijlage bij het omgevingsplan. De conclusies uit deze quickscan voor het onderdeel gebiedsbescherming zijn de volgende:
Natuurwetwerk Nederland Het project gaat niet ten koste van de oppervlakte van NNN-gebied. Gezien de aard van het gebruik van het Bedrijventerrein Goessekade en de korte duur van (eventuele) aanleg-, rooi-, sloop- en bouwwerkzaamheden, kunnen negatieve effecten van het project op de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden in de omgeving redelijkerwijs worden uitgesloten. Dit geldt ook voor NNN-gebied Westelijke Rijkswaterleiding, waarvan het projectgebied binnen de ‘afwegingszone’ van 100m valt. Natura 2000-gebieden Significant negatieve effecten van het project op kwalificerende soorten en beschermde habitats van Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Directe negatieve effecten van dit project op de beschermde natuurgebieden zijn niet te verwachten, vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd, zie de bijlagen van de bopa.
Uit de berekening met AERIUS Calculator (2023.2) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stik-stofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. Huidige situatie soortenbescherming In de quickscan natuurwaarden zijn ook de aanwezigheid van soorten onderzocht. De conclusies uit deze quickscan voor het onderdeel soortenbescherming zijn de volgende:
Zoogdieren Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van (al dan niet wettelijk beschermde) kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten, mits wordt gewerkt conform het ecologisch werkprotocol voor de haas en het konijn.
68/263 17/21
Vogels Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van (al dan niet wettelijk beschermde) vogels kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten onder de volgende voorwaarden: kap en rooiwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd in de periode 15 augustus-1 maart (dus buiten het broedseizoen). Met inachtneming van het ecologisch werkprotocol is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Amfibieën Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van de kamsalamander en rugstreeppad zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Deze soort ontbreken in het projectgebied. Ongewervelde dieren Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van (al dan niet wettelijk beschermde) vlinders, libellen en overige ongewervelde dieren kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Er komen geen wettelijk beschermde soorten voor. Planten In het projectgebied komen geen wettelijk beschermde plantensoorten voor. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Invasieve en ‘lastige’ planten ontbreken in het projectgebied.
Houtopstanden Omdat het bij dit project gaat om het vellen van populieren als beplanting langs een waterweg, is er voor deze bomen geen sprake van een meldingsplicht, noch van een herbeplantingsplicht. Voorgenomen plan soortenbescherming Er zijn geen maatregelen en/of vergunning nodig om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Wel dient te worden gewerkt met een werkprotocol voor de haas, het konijn en broedvogels. Conclusie Vanuit het aspect ecologie worden geen negatieve effecten verwacht mits de mogelijke maatregelen worden genomen.
3.8
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Toetsingskader Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, die zijn opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Cultuurhistorie Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Op grond van dezelfde waardenkaart valt de locatie niet binnen één van de strategieën van de structuurvisie om cultuurhistorische waarden te behouden of te beschermen. Wel ligt de locatie binnen een gebied waar verbreding wenselijk is, is tevens aangewezen als onderdeel van de strategie herstructureren. Het planvoornemen sluit aan op deze strategieën als onderdeel van de herstructurering van het havengebied door de realisatie van de Nieuwe Sluis.
69/263 18/21
De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in de onderstaande figuur is te zien dat er ten zuiden van het projectgebied een historische dijk aanwezig is geweest: de Wulpenbek die toebehoorde aan de Vlooswijkpolder uit 1608, de dijk is niet meer aanwezig. Voor het overige zijn in de directe omgeving geen historisch waardevolle elementen aanwezig waar de ontwikkeling invloed op kan hebben.
Figuur 3.3 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, projectgebied rood omkaderd (bron: Provincie Zeeland)
Archeologie Bij toekomstige ontwikkelingen geldt voor een deel van het projectgebied een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 4 m -mv . Hier zal, wanneer de vrijstellingsdieptes worden overschreden, voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning, eerst archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Voor de beoogde bouw van de loods lijkt vooralsnog geen sprake van een overschrijding van de onderzoeksgrenzen.
3.9
Gezondheid
Uit de paragraaf 'luchtkwaliteit' blijkt dat aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof voldaan wordt en dat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. In de onderstaande tabel wordt getoetst of voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. Dit is gedaan door de maximale planbijdrage toe te voegen bij de achtergrondconcentraties. Voor de maximale planbijdrage is de NIBM-tool ingevuld (zie Tabel 4.1). Door de ontwikkeling is sprake van een verkeerstoename van 84 mvt/etmaal. Hiervan is 12% vrachtverkeer. Als jaar van planrealisatie is 2024. Uit NIBM-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstofdioxide in de lucht van 0,10 µg /m³ van en van fijnstof van 0,02 µg /m³.
70/263 19/21
Tabel 3.1 Nibm-tool resultaten
Tabel 3.2 Toetsing aan WHO-advieswaarden
Stofcategorie
Maximale planbijdrage Hoogste achtergrond (µg/m3) concentratie (µg/m3) volgens CIMLK-viewer 2030 (Westkade)
NO2 PM10 PM2,5
0,10 0,02 0,02
17,7 15 7,5
Maximaal optredende WHO-advieswaarconcentratie (µg/m3) den (µg/m3) 17,8 10 15,02 15 7,52 5
Uit tabel 3.2 blijkt dat niet voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. De maximale planbijdrage is nihil. Zonder de beoogde ontwikkeling werd ook niet voldaan aan de WHO-advieswaarden. Er wordt echter wel voldaan aan de omgevingswaarden. De luchtkwaliteit is om deze reden wel aanvaardbaar.
3.10 Duurzaamheid De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het Activiteitenprogramma Klimaat en Duurzaamheid Gemeente Terneuzen. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. De gemeente Terneuzen draagt bij aan de doelstellingen van Parijs en Het Nationale Energieakkoord. Het advies “Zeeland In Stroomversnelling” van de commissie “Structuurversterking en Werkgelegenheid”, de duurzaamheidsvisie “Duurzaamheid werkt!” van de Zeeuwse Havens voor 2030 en het Zeeuws Energieakkoord vormen de basis voor de ambities van de gemeente Terneuzen voor klimaatbeleid en duurzame ontwikkeling. De gemeente Terneuzen heeft veel ambities. De gemeente streeft ernaar om de CO2-uitstoot zoveel mogelijk te beperken. De gemeente streeft daarnaast naar aardgasvrij wonen. Daarnaast zullen de woningen in de toekomst niet meer met aardgas worden verwarmd. De energieneutrale woningen zijn ook een goede oplossing voor hittestress. De gemeente streeft er naar om in 2050 voldoende waterberging te hebben zodat ze bestand zijn tegen extreem weer. De gemeente versterkt de natuur. Met de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de ambities van de gemeente Terneuzen.
71/263 20/21
3.11 Aanlegwerkzaamheden Voor de aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze aanmeldnotitie blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de ontwikkeling zijn geen mitigerende maatregelen bekend. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
72/263 21/21
Bijlage 2
69/258
Bodem
73/263
Adres:
Tel: Email: Website: IBAN: BIC code: Kamer van Koophandel: BTW nummer:
MCG Zuidwest B.V. Schouwersweg 9 4451 HS Heinkenszand Nederland 0113-567926 info@mcgzuidwest.nl www.mcgzuidwest.nl NL28INGB0106562843 INGBNL2A 22049175 NL818122468B01
Briefrapportage RHO Adviseurs T.a.v. mevr. L. ten Braak Segeerssingel 6 4337 LG Middelburg
Projectnummer: Onderwerp: Datum:
24MCG223.10 Briefrapport historisch onderzoek – Goesse Kade 2 te Terneuzen (v.01) 26 juni 2024
Geachte mevrouw Ten Braak, In opdracht van RHO Adviseurs heeft MCG Zuidwest B.V. een historisch onderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd op de locatie Goesse Kade 2 te Terneuzen. Deze briefrapportage bevat de resultaten. 1. Locatiegegevens De locatie is gelegen aan de Goesse Kade 2 te Terneuzen, kadastraal perceel Terneuzen, sectie K, nummer 3211 (gedeeltelijk). Het terrein van Goesse Kade 1 heeft reeds de bestemming ‘bedrijf’. In onderstaande figuur is het plangebied weergegeven.
Figuur 1: Plangebied (linksonder: Goesse Kade 2)
74/263
Projectnummer 24MCG223.10 Goesse Kade 2 te Terneuzen v.01
2. Aanleiding en doel Aanleiding voor het onderzoek is de functiewijziging van de gronden op het perceel van het bedrijf Navimar. Dit met als doel de definitieve vestiging van Navimar ter plaatse mogelijk te maken en de bouwmogelijkheden te vergroten. Het doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen of er in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden op de locatie en op basis hiervan na te gaan of bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. In het kader van de NEN 5725 wordt voor onderhavig onderzoek uitgegaan van aanleiding A: uitvoeren van een bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie. 3. Resultaten Ten behoeve van het historisch onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: - kadastrale, topografische en historische kaarten; - Geoloket Zeeuws Bodemvenster; - Bodemloket; - Zeeuws Archief; - nazca-i provincie Zeeland; - informatie van het bevoegd gezag (gemeente Terneuzen); - eerder onderzoek. 3.1 Kadastrale, topografische en historische kaarten De onderzoekslocatie ligt aan het Kanaal van Gent naar Terneuzen, ten zuiden van het sluizencomplex Terneuzen. Uit kaartmateriaal van topotijdreis.nl blijkt dat de locatie vanaf 1920 aan het Kanaal is gelegen. De ontwikkeling van het Kanaal van Gent naar Terneuzen is op de historische kaarten goed zichtbaar.
De loodsen en overige opstallen zijn in 2018 gerealiseerd (bron: BAG-Viewer). 3.2 Terreinverkenning Uit het locatiebezoek d.d. 18 juni 2024 blijkt dat er in de loods op de locatie sprake is van opslag van onder andere verf, schoonmaakmiddelen en diverse maritieme benodigdheden (consumentenverpakkingen). Deze worden verhandeld aan voornamelijk bedrijven, maar ook aan particulieren. De vloer van de loods bestaat uit betonplaten, de vloer is niet vloeistofkerend. Ten zuiden van de loods zijn een bovengrondse gastank en een kleine afvalcontainer voor oliehoudend afval aanwezig. Op het meest zuidelijk deel van het terrein ligt een gronddepot, op basis van informatie van Navimar is deze grond vrijgekomen bij de nieuwbouw van de loods in 2018. Op het aangrenzend terrein ten noorden (Goesse Kade 1) is een mobiele brandstoftank waargenomen op een aanhanger, de tank heeft zodoende geen vaste plaats op het terrein. De globale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1. 3.3 Bodemgebruik Uit de nazca-i rapportage en de informatie van www.bodemloket.nl blijkt geen informatie van eventuele bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. Uit informatie van de opdrachtgever blijkt dat er in eerste instantie geen vermoeden bestaat dat er bodembedreigende activiteiten plaatsvinden op de onderzoekslocatie.
Op basis van informatie van Navimar hebben bij de opslag van de in paragraaf 3.2 genoemde verpakkingen nooit incidenten of lekkage plaatsgevonden. 3.4 Bodemkwaliteitskaart en boomgaardenkaart De locatie is gelegen in zone A ‘Buitengebied en naoorlogse woonwijken’ van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Terneuzen. Zowel de boven- als ondergrond zijn te classificeren als bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’.
2
75/263
24MCG223.10
Projectnummer 24MCG223.10 Goesse Kade 2 te Terneuzen v.01
Op basis van de boomgaardenkaart, geraadpleegd op het Geoloket Zeeuws Bodemvenster, is de onderzoekslocatie niet gelegen in een voormalig boomgaardengebied. 3.5 Asbest Voor de bepaling of de locatie verdacht is voor bodemverontreiniging met asbest, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat asbest grootschalig is toepast in de periode vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot circa 1995. De loodsen en overige opstallen ter plaatse op het adres zijn gebouwd in 2018 (bron: BAG-viewer, Basisregistraties Adressen en Gebouwen) en vallen dus buiten de periode waarbij tijdens de bouwprojecten asbesthoudend materiaal (grootschalig) is toegepast. Het wordt derhalve niet waarschijnlijk geacht dat tijdens de bouw asbesthoudend materiaal is toegepast en in de bodem terechtgekomen is. Op basis van de asbestkansenkaart is de locatie niet asbestverdacht. In algemene zin wordt gesteld dat puinlagen en/of grondlagen waarin bijmenging van puin en/of ander sloopafval voorkomt worden verdacht voor aanwezigheid van asbest. Mogelijk is sprake van verontreiniging met asbest, tenzij de betreffende lagen zijn toegepast voordat grootschalig met asbest werd gewerkt (en dit aantoonbaar kan worden gemaakt) en/of het tegendeel is bewezen. Dit laatste is alleen mogelijk door middel van asbestonderzoek conform NEN 5707 (grond) en/of NEN 5897 (bouw- en sloopafval en recyclingsgranulaat).
3.6 Bodemopbouw en geohydrologie Op basis van in de nabijheid van de onderzoekslocatie gelegen boringen en daarvan afgeleid kaartmateriaal, afkomstig van onder andere TNO en de voormalige RGD (bronhouder: DINOloket), is het onderstaande vereenvoudigde bodemmodel geformuleerd. De werkelijke bodemopbouw en grondwaterstand ter plaatse van de onderzoekslocatie kan hiervan afwijken.