CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-10-30 - Bijlage 3 Toelichting Het Zand Nwe Karnemelk

gemeenteraad 14 november 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Koewacht, Overslag, Zuiddorpe Het Zand 12 en Nieuwe Karnemelkstraat ong. Koewacht12.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Voor beide locaties is door Adviesbureau Wieland een ‘Quickscan natuurwetgeving’ uitgevoerd. Locatie Het Zand Er zijn geen functionele biotopen voor grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en broedvogels.

27

Het terrein is niet geschikt voor andere beschermde soorten. Het biotoop is ongeschikt door de geïsoleerde ligging in agrarisch gebied en omdat het gebied intensief betreden en beheerd wordt. Essentiële onderdelen van een biotoop zijn niet aanwezig. Er zijn geen overtredingen in het kader van de Wet natuurbescherming te verwachten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Nederland is de Canisvliet. Dit gebied is gelegen op meer dan 7 kilometer afstand. In België ligt het Natura 2000 gebied bossen op zandgrond op circa 3 kilometer afstand. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 gebieden is groot genoeg om geen negatieve effecten van trilling, geluid of optische verstoring te veroorzaken. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden worden niet aangetast. Het plangebied is niet begrensd in het kader van de Natuurnetwerk Zeeland (NNZ, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). Op circa 500 meter afstand ligt het natuurgebied de Plasschaert. De werkzaamheden en activiteiten in het plangebied zijn kleinschalig van aard en op ruime afstand gelegen. Ze tasten de natuurkwaliteiten van dit natuurgebied niet aan. Er wordt geen beplanting gekapt. Het onderdeel houtopstanden in de Wet natuurbescherming is niet van toepassing. Locatie Nieuwe Karnemelkstraat Het betreft een weiland. De omgeving bestaat uit agrarisch gebied (weiland, akkers, kleine bosjes).

Er zijn geen functionele biotopen voor grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Er zijn wel broedvogels te verwachten. Een soort die mogelijk voorkomt in het plangebied is de Steenuil. Er dient nader onderzocht te worden of deze soort daadwerkelijk voorkomt. Indien dit het geval is, is er mogelijk een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk omdat het functionele leefgebied wordt aangetast. Het terrein is niet geschikt voor andere beschermde soorten. Het biotoop is ongeschikt door de geïsoleerde ligging in agrarisch gebied en omdat het gebied intensief betreden en beheerd wordt. Essentiële onderdelen van een biotoop zijn niet aanwezig. Er zijn geen overtredingen in het kader van de Wet natuurbescherming te verwachten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Nederland is de Canisvliet. Dit gebied is gelegen op meer dan 7 kilometer afstand. In België ligt het Natura 2000 gebied bossen op zandgrond op circa 2 kilometer afstand. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 gebieden is groot genoeg om geen negatieve effecten van trilling, geluid of optische verstoring te veroorzaken. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden worden niet aangetast. Het plangebied is niet begrensd in het kader van de Natuurnetwerk Zeeland (NNZ, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Op circa 400 meter afstand ligt het natuurgebied bosjes Karnemelkstraat/Kruispad. De werkzaamheden en activiteiten in het plangebied zijn kleinschalig van aard en op ruime afstand gelegen. Ze tasten de natuurkwaliteiten van dit natuurgebied niet aan. Er wordt geen beplanting gekapt. Het onderdeel houtopstanden in de Wet natuurbescherming is niet van toepassing. Aanvullend onderzoek voorkomen steenuil Nieuwe Karnemelkstraat In de periode 1 februari tot en met 30 april 2024, tijdens het broedseizoen van de steenuil, is door adviesbureau Wieland een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van de steenuil. Deze steenuil is tijdens dit naderonderzoek niet vastgesteld als broedvogel.

28

De volledige quickscans zijn als bijlage 3a bij deze toelichting gevoegd. Het aanvullend onderzoek is als bijlage 3b toegevoegd. Conclusie Op basis van de quickscans en het aanvullend onderzoek naar het voorkomen van de steenuil aan de Nieuwe Karnemelkstraat worden geen nadelige effecten verwacht op de aanwezige flora en faune.

4.7 Verkeer De ontwikkeling leidt tot de bouw van drie extra woning enerzijds, maar anderzijds wordt een bedrijfsbestemming gesaneerd. In de praktijk zal deze ontwikkeling leiden tot een afname van het aantal verkeersbewegingen, met name het aandeel zwaar verkeer zal sterk afnemen. Ontsluiting De woningen aan Het Zand krijgen ieder via een oprit een aansluiting op Het Zand. Gelet op de matige verkeersintensiteit van deze weg, alsmede de overzichtelijke situatie, is dit vanuit de verkeersveiligheid aanvaardbaar. De nieuwe woning aan de Nieuwe Karnemelkstraat wordt bereikbaar via een bestaande duiker. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie voor de extra woning wordt aangesloten bij de kengetallen van de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Voor een vrijstaande koopwoning in het buitengebied gelden kengetallen met een bandbreedte tussen 7,8 en 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Deze extra verkeersbewegingen kunnen eenvoudig via zowel Het Zand, als de Nieuwe Karnemelkstraat met de relatief lage verkeersintensiteit verwerkt worden. Het aspect 'verkeersgeneratie' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Voor het aspect parkeren geldt dat de gemeente Terneuzen hiervoor eigen beleid heeft vastgesteld. Voor woningen in het duurdere segment geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per woning.

Gelet op de omvang van beide percelen en de ligging van de woningen ten opzichte van de weg, waarbij er sprake is van een relatief diepe voortuin, bieden alle toekomstige percelen voldoende ruimte om parkeren op eigen terrein op te lossen.

4.8 Archeologische waarden en cultuurhistorie. Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2024 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumtenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen 29

aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Beleid gemeente Terneuzen De gemeenteraad van Terneuzen heeft op 27 januari 2011 het interimbeleid archeologie ‘de onderste steen boven’ vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. Daar waar de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is op 9 oktober 2017 geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen, dienen aanvragen om een omgevingsvergunning, aanlegvergunning of vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening te worden getoetst. Toetsing dient plaats te vinden op basis van het volgende stroomschema.

Afbeelding 4.9, Stroomschema archeologiebeleid gemeente Terneuzen AMK en IKAW De ontwikkeling is getoetst aan de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden. Het gebied is niet gelegen in een waardevol gebied op basis van de AMK en het gebied is gelegen in een gebied met een hoge trefkans op basis van het IKAW.

30

Afbeelding 4.10, Kaart AMK en IKAW (bron: Archeologie in Nederland) Archgis en Zeeuws Archeologisch Depot Archis (Archeologisch Informatiesysteem) is een databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen vanaf de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd in Nederland. In het plangebied zijn geen vondstmeldingen bekend in Archis. In het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) worden de archeologische vondsten en documentatie die eigendom zijn van de Provincie Zeeland bewaard en beheerd. Hier wordt ook een deel van de archeologische collectie van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen bewaard. Alle Zeeuwse bodemvondsten die het resultaat zijn van archeologisch onderzoek zijn automatisch eigendom van de Provincie en moeten in het ZAD worden gedeponeerd. In het ZAD zijn geen meldingen bekend voor de locaties aan Het Zand en de Nieuwe Karnemelkstraat.

31

Geologische kaart Van Rummelen

Afbeelding 4.11, uitsnede geologische kaart Van Rummelen Het plangebied aan Het Zand heeft op de bodemkaart Van Rummelen de aanduiding TW (Formatie van Twente, ontwikkeld als dekzand dikker dan 2m). Op basis daarvan geldt een onderzoeksverplichting bij een verstoring groter dan 100 m². Het plangebied aan de Nieuwe Karnemelkstraat heeft op de bodemkaart Van Rummel de aanduiding Open Water. Hier geldt geen onderzoeksverplichting. Gemeentelijke vrijstellingenkaart (2017) Volgens de Vrijstellingenkaart van de gemeente Terneuzen (versie november 2017) ligt het plangebied in een rode zone (afbeelding 4.6). Het ligt binnen het bestemmingsplan Koewacht, Overslag, Zuiddorpe, met Waarde-Archeologie 1. Voor deze zones geldt een vrijstellingsdiepte van 50 cm beneden maaiveld en een vrijstellingsoppervlakte van 100 m2.

afbeelding 4.12, vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen

32

Toets archeologie In voorliggend nieuw plan kunnen wel de nieuwe archeologische begrippen uit het geactualiseerde archeologiebeleid worden toegevoegd aan de planregels. In het geldende bestemmingsplan heeft het gebied de waarde ‘Archeologie-1’. Dit is een hoge archeologische verwachtingswaarde. Gelet op de toets van het IKAW, de bodemkaart Van Rummelen en de gemeentelijke vrijstellingenkaart is dit een terechte verwachtingswaarde, die dient te worden gehandhaafd in voorliggend plan. Gelet op de toetsing van de AMK, Archgis en het ZAD zijn er op de locatie geen archeologische vondsten bekend, maar nog wel te verwachten. Cultuurhistorische en aardkundige waarden Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische en aardkundige elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. De gemeente Terneuzen heeft in aanvulling op haar vastgestelde Structuurvisie 2025 cultuurhistorische waardenkaarten vastgesteld.

Bij iedere herziening van het bestemmingsplan dienen de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan te worden vertaald. Cultuurhistorische waarden kunnen op verschillende manieren worden opgenomen in het bestemmingsplan. Cultuurhistorie omvat naast archeologie, veel meer aspecten. Hierbij kan worden gedacht aan beschermde stads- en dorpsgezichten, molens met bijbehorende molenbiotopen, bebouwingsstructuren, beplanting, karakteristieke bebouwing, monumenten, landgoederen, buitenplaatsen, zichtlijnen. In de toelichting dient nu dus naast archeologie ook aandacht te worden besteedt aan gebouwd erfgoed en landschap. Het gaan daarbij om sporen, objecten, patronen en structuren die bepalend zijn voor de geschiedenis en identiteit van een gebied. Er zijn voor drie hoofdstrategieën drie historische waardenkaarten vastgesteld. Toets Voor de woningbouw aan Het Zand en de mogelijke toekomstige woningbouw aan de Nieuwe Karnemelkstraat ong. is getoetst aan de cultuurhistorische waardenkaarten.

33

Afbeelding 4.13, kaartblad ‘Behoud’ Cultuurhistorische Waardenkaarten gemeente Terneuzen Voor beide locaties geldt dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Op ruime afstand van het plangebied zijn afgegraven dijken aanwezig en op nog ruimere afstanden kreekrestanten. De plangebied liggen hemelsbreed op meer dan anderhalve kilometer van de overblijfselen van de Staats-Spaanse Linies.

Afbeelding 4.15, Kaartblad ‘Behoud door Ontwikkeling’, Cultuurhistorische Waardenkaarten gemeente Terneuzen Beide locaties zijn gelegen in het kleinschalig dekzandlandschap. Verder zijn er geen cultuurhistorische relevante waarden aanwezig. De cultuurhistorisch waardevolle boom aan Het Zand staat niet op het perceel uit voorliggend plangebied.

34

Afbeelding 4.16, kaartblad ‘Vernieuwing Mogelijk’, Cultuurhistorische Waardenkaarten gemeente Terneuzen Het gebied is geen onderdeel van een locatie waar vernieuwing mogelijk is, maar kleinschalige ontwikkelingen zoals uit voorliggend bestemmingsplan blijven mogelijk.

afb. 4.17, legenda CHW-kaarten

Handreiking landschap De drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten hebben samen met de provincie Zeeland de Handreiking Landschap opgesteld. Hierin is van relevante cultuurhistorische elementen en objecten beschreven hoe bepalend en leesbaar ze zijn, en op welk bestuurlijk niveau en met welk planologisch instrument regulering plaats zal moeten vinden en welke strategie er aan gekoppeld kan worden. De Handreiking Landschap noemt vier strategieën die gekoppeld kunnen worden aan cultuurhistorische elementen en objecten: 35

1. Behoud: hierbij gaat het voornamelijk om monumentale objecten met landschapshistorische waarde (molens, vliedberg e.d.), alsmede de landschapsreservaten en delen van het landschap met zeer hoge mate van bepaaldheid en gaafheid; 2. Behoud ruimtelijke karakteristiek: conservering van de bestaande ruimtelijke kenmerken van het landschap staat voorop. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan die deze ruimtelijkheid veranderen. Het gebied hoeft echter niet bij voorbaat zijn huidige functie te behouden. Deze strategie komt in Terneuzen in de praktijk niet voor; 3. Behoud door ontwikkeling: de bestaande landschapsstructuur en mate van verdichting is richtinggevend voor mogelijk veranderingen. De veranderingen moeten passen in de structuur. Verandering van functie is nadrukkelijk een optie. De mate waarin veranderingen optreden kan per gebied verschillend zijn. Nadere afweging is hierbij noodzakelijk; 4. Vernieuwing: de bestaande landschapsstructuur verandert ingrijpend. Functies veranderen. De veranderingen zijn echter passend binnen het DNA van het betreffende gebied. Uit de Handreiking Landschap kan worden afgeleid dat het plangebied is gelegen in het zuidelijk (dek)zandgebied Zeeuws-Vlaanderen. Dit is een aardkundig waardevol monument. Slechts een klein gedeelte van Zeeland wordt in beslag genomen door dekzand.

Alleen in het uiterste zuiden van Zeeuws-Vlaanderen aan de grens met België komt dit zand, in de vorm van ruggen, aan de oppervlakte. Elders zijn de ruggen bedekt met een dikke laag veen of klei. Tijdens de laatste IJstijd (Weichselien, 73.000 – 10.000 jaar geleden) bestond Nederland uit een poolwoestijn. Het zand werd door de wind in zuidwest-noordoost lopende dekzandruggen afgezet. Deze gronden zijn chemisch relatief arm en worden afgewisseld met lagere, rijkere gebieden, die bedekt zijn geweest met veen dat in de 12e en 13e eeuw is afgegraven.

afbeelding 4.18, kaart landschapstypen uit Handreiking Landschap Zeeland Het dekzandgebied kent over het algemeen een lange en continue bewoningsgeschiedenis die ver voor de jaartelling is begonnen. Omdat de zandgronden van Zeeuws-Vlaanderen tijdens de Tachtigjarige Oorlog of Opstand (1568-1648) kustgebieden waren en dreigden te overstromen, zijn ze toen van dijken voorzien. Op sommige plaatsen is na een dijkdoorbraak het zand bedekt met een laagje slib. Welen en kreken geven in het huidige landschap aan waar de dijken zijn doorgebroken. De ontginning van de zandgebieden vond plaats vanuit enkele wegen en de bewoning concentreerde zich hieraan (zogenaamde wegdorpen). De oorspronkelijke verkaveling van de omliggende veengrond bestond uit strookvormige percelen met houtsingels langs de perceelsgrenzen. Vanwege de omvang van dit gebied, vloeien er geen beperkingen uit in ruimtelijk opzicht. 36

Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

afbeelding 4.19, kaart Cultuurhistorie Zeeland (Historische stedenbouw) Beide percelen zijn niet gelegen in beschermde stads- en dorpsgezichten, er zijn geen Rijks, noch gemeentelijke monumenten in de omgeving aanwezig, of MIP monumenten aanwezig, waarop de ontwikkeling invloed kan hebben. Toets Binnen de omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorische elementen aanwezig, waarop de ontwikkeling invloed kan hebben. Wel is de ontwikkeling gelegen in het kleinschalig dekzandlandschap. Omdat hier sprake is van een dermate groot gebied, zijn binnen dit landschap nog steeds ontwikkelingen mogelijk. De bebouwing op en/of rondom beide percelen zijn niet aangewezen als monument. Verder zijn in en rondom de plangebieden ook geen monumenten aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen in een molenbiotoop.

4.9 Kabels en leidingen Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen.

4.10 Overige belemmeringen Er zijn binnen het plangebied geen overige belemmeringen, zoals een molenbiotoop, of radargebied, bekend.

4.11 Stikstofdepositie Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en Natuurherstel in werking getreden. Deze wet regelt dat aan de Wet natuurbescherming een artikel wordt toegevoegd. Op grond van dit artikel worden de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door aangewezen 37

activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing gelaten voor wat betreft vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State van de Raad van State op 2 november 2022 dient inmiddels de stikstofuitstoot van de aanlegfase alsnog te worden berekend. De bouw van twee woningen aan Het Zand 12 en één woning aan de Nieuwe Karnemelkstraat ong. is een voorbeeld van een activiteit die mogelijk onder de vergunningplicht vallen. Dit omvat ook de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden, zoals aan- en afvoer van bouwmaterialen en bouw- en sloopafval, transport van werknemers en werktuigen van en naar de bouwplaats, de emissies van werktuigen op de bouwplaats (aggregaten, bouwmachines, mobiele puinbrekers, en andere effecten als gevolg van de werkzaamheden. Daarnaast dient de gebruiksfase eveneens beschouwd te worden door de initiatiefnemer door middel van een stikstofberekening om na te gaan of de stikstofdepositie vanuit gebruiksfase leidt tot vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Hierbij dient gebruik gemaakt te worden van de landelijke kengetallen van het CROW. Voor beide locaties geldt dat het verkeer zich hoofdzakelijk zal afwikkelen in noordelijke richting naar Axel en in zuidelijke richting naar de Rijksgrens. Waar het verderop opgaat in het normale verkeersbeeld.

Voor de de twee woningen aan Het Zand 12 en één woning aan de Nieuwe Karnemelkstraat ong. te Koewacht zijn voor beide locaties apart stikstofberekeningen uitgevoerd. Uitgevoerd. Naar aanleiding van de AERIUS berekening blijkt dat voor zowel het project aan Het Zand, als het project aan de Nieuwe Karnemelkstraat geen vergunningen aangevraagd dienen te worden in het kader van de Wet natuurbescherming. Toets Voor de realisatie van zowel de twee woningen aan Het Zand 12, als de woning aan de Nieuwe Karnemelkstraat ong. is een stikstofberekening uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat er voor de aanleg- en gebruiksfase geen stikstofemissie op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling hoger dan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar is. Dit betekent dat de activiteiten behorende bij de ingebruikname van de woningen geen Natuurwetbeschermingsvergunning van de Provincie Zeeland is vereist. De omgevingsvergunning kan zonder problemen voor de Natura 2000 gebieden worden verleend. De volledige stikstofberekening voor zowel de aanleg-, als de gebruiksfase zijn als bijlage 4a (Het Zand) en 4b (Nieuwe Karnemelkstraat) bij deze toelichting gevoegd.

4.12 Waterhuishouding Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en water gerelateerde aspecten wordt om gegaan. De relevante aspecten met betrekking tot de waterhuishouding zijn opgenomen in de tabel uit bijlage 5.

38

4.13 Besluit M.E.R. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmerplichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten. Op 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van 100 hectare of meer, of 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De voorgenomen ontwikkeling betreft het saneren van een agrarisch bedrijf met veehouderij en de realisatie van één extra burgerwoning in het buitengebied, door middel van de ruimte voor ruimte regeling. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde voor woningbouw. Tevens zal het beëindigen van de bedrijfsbestemming juist een sterk positieve bijdrage leveren aan de milieu effecten. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Hierin voorziet de toelichting van het bestemmingsplan.

Conclusie Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project, het saneren van een bedrijfslocatie en de kenmerken van de potentiële effecten zoals blijkt uit hoofdstuk 4 van deze toelichting, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

4.14 Niet-gesprongen explosieven (NGE) Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek met NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. De kern Koewacht valt in relatie tot NGE niet in een aangemerkt risicogebied. Dit geldt dus ook voor de twee aangemerkte locaties t.b.v. de beoogde bestemmingsplanwijzigingen. Onderzoek naar conventionele explosieven is daarom niet nodig. In geval bij herontwikkeling ter plaatse alsnog munitie wordt aangetroffen, dient ingezet te worden op het handelen volgens het protocol ‘Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog’.

39

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving Het bestemmingsplan ‘Ruimte voor Ruimte, Het Zand 12 en Nieuwe Karnemelkstraat ong., Koewacht’ kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd ontwikkelingsplan en vormt de juridische regeling voor het saneren van het ter plaatse aanwezige bedrijf en de realisatie van twee extra woningen op het perceel Het Zand 12 en een extra ruimte voor ruimte woning op het perceel Nieuwe Karnemelkstraat ong. De planopzet sluit waar mogelijk aan bij het moederplan ‘Koewacht, Overslag, Zuiddorpe’ van de gemeente Terneuzen, waarbinnen de ontwikkeling is gelegen. Omdat in voorliggende ontwikkeling sprake is van de rood-voor-rood regeling zijn aan de artikelen uit het moederplan nieuwe voorschriften toegevoegd.

5.1 Regels De regels sluiten aan bij het bestemmingsplan ‘Koewacht, Overslag, Zuiddorpe’ en bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. Tevens zijn de voorschriften van het facet bestemmingsplan ‘Parkeren Terneuzen’ toegevoegd. Artikel 2 Wonen Hierin is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voor de nieuw te realiseren voldoende waterberging op eigen perceel dient te worden gerealiseerd. Voor het overige sluit het artikel aan bij het moederplan ‘Koewacht, Overslag, Zuiddorpe’ en zijn de voorschriften uit de parapluherzieningen ‘Parkeren Terneuzen’ van toepassing verklaard.

5.2 Verbeelding Beide locaties worden bestemd als ‘wonen’ en voor de locatie van de woning is een bouwblok toegevoegd.

40

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Provincie Zeeland In haar vooroverlegreactie heeft de provincie Zeeland een opmerking gemaakt over de bouw van de woning aan de Nieuwe Karnemelkstraat en de provinciale rood voor rood regeling.

Waterschap Scheldestromen Het waterschap Scheldestromen had geen opmerkingen tijdens het vooroverleg.

6.1.2 Zienswijzen Op grond van het bepaalde in artikel 3.8, lid 1, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met afdeling 3:12 van de Algemene Wet Bestuursrecht heeft het ontwerpbestemmingsplan van 21 december 2023 tot en met 31 januari ter inzage gelegen. Binnen deze periode is door de provincie Zeeland een zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft aanleiding gegeven om de benodigde bouwtitel voor de te bouwen woning aan de Nieuwe Karnemelkstraat concreter te maken. Hiervoor is een bouwtitel gevonden die vrij is gekomen bij de sloop en het wegbestemmen van een woning in het buitengebied van Terhole. De planregels zijn naar aanleiding van deze zienswijze aangepast.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid De financiële uitvoerbaarheid van het project wordt aan de gemeente Terneuzen aangetoond. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. De zogenaamde grexwet regelt verplicht kostenverhaal door de gemeente. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgezien door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. t/m 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. De wetgever heeft de volgende verschillende bouwplannen vastgesteld. • Bouw van één of meer woningen; • Bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; • Uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² of met één of meer woningen; • Verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht worden, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; • Verbouwing van een of meer gebouwen voor andere doeleinden mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; • De bouw van kassen tot 1.000 m². In dit bestemmingsplan wordt een 'bouwplan' mogelijk gemaakt dat voorziet in de bouw van drie woningen.

Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in de grondexploitatiewet waarvoor 41

kostenverhaal verplicht is. De gemeente heeft met de grondeigenaren een anterieure overeenkomst gesloten over eventueel kostenverhaal voor de woning. De kosten die de gemeente op een ontwikkelaar kan verhalen staan vermeld in 6.2.3, 6.2.4 en 6.2.5 Bro. De gemeente is dan ook niet genoodzaakt op basis van 6.12 Wro een exploitatieplan vast te stellen. In de anterieure overeenkomst zijn ook afspraken vastgelegd over het verhalen van eventuele planschade. De eigenaar van het perceel, danwel de toekomstige eigenaren voorzien in de financiering van de bouwplannen. Conclusie Geconcludeerd mag worden dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan afdoende is gewaarborgd en dat geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld.

42

Bijlage 1a | Bodemonderzoek Het Zand 12, Koewacht

43

Bijlage 1b | Bodemonderzoek Nieuwe Karnemelkstraat ong., Koewacht

44

Bijlage 2 | Akoestisch onderzoek

45

Bijlage 3a | Quickscan natuurwetgeving

46

Bijlage 3b | Aanvullend onderzoek aanwezigheid steenuil Nieuwe Karnemelkstraat

47

Bijlage 4a | AERIUS Stikstofberekening Het Zand

48

Bijlage 4b | AERIUS Stikstofberekening Nieuwe Karnemelkstraat

49

Bijlage 5 | Watertoets

50

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14620164/1