CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-10-30 - Bijlage 3 Toelichting Het Zand Nwe Karnemelk

gemeenteraad 14 november 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Koewacht, Overslag, Zuiddorpe Het Zand 12 en Nieuwe Karnemelkstraat ong. Koewacht12.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan KOZ, Het Zand 12 en Nieuwe Karnemelkstraat ong., Koewacht

Versie: definitief

1

Bestemmingsplan

KOZ, Het Zand 12 en Nieuwe Karnemelkstraat ongenummerd, Koewacht

Identificatiecode: Planstatus: Datum: Auteur: Korte omschrijving:

NL.IMRO.0715.BPKOZ27-VG01 Definitief 23-09-2024 Tom de Koster Bestemmingsplan voor het wijzigen van de bestemming Het Zand 12 van ‘bedrijven’ naar ‘wonen’ en het toevoegen van een voorwaardelijke verplichting voor de bouw woning op het perceel aan de Karnemelkstraat ong. voor het gebruik kunnen maken van een ‘bouwtitel’.

2

3

Inhoud 1 Inleiding .................................................................................................................................................6 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................6 1.2 Doel bestemmingsplan ...................................................................................................................6 1.3 Ligging en begrenzing plangebied ...................................................................................................6 1.4 Geldend bestemmingsplan .............................................................................................................7 1.5 Leeswijzer .......................................................................................................................................9 2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................10 2.1 Huidige situatie plangebied ..........................................................................................................10 2.2 Toekomstige situatie plangebied ..................................................................................................11 3.

Beleidskader........................................................................................................................................12 3.1 Rijksbeleid .....................................................................................................................................12 3.2 Provinciaal beleid ..........................................................................................................................13 3.3. Regionaal en gemeentelijk beleid ................................................................................................15 4. Omgevingsaspecten. ...........................................................................................................................18 4.1.

Bodem..........................................................................................................................................18 4.2 Geluid............................................................................................................................................19 4.3 Luchtkwaliteit................................................................................................................................21 4.4 Bedrijven en milieuzonering .........................................................................................................22 4.5 Externe veiligheid..........................................................................................................................24 4.6 Flora en fauna ...............................................................................................................................26 4.7 Verkeer .........................................................................................................................................29 4.8 Archeologische waarden en cultuurhistorie.

................................................................................29 4.9 Kabels en leidingen .......................................................................................................................37 4.10 Overige belemmeringen .............................................................................................................37 4.11 Stikstofdepositie .........................................................................................................................37 4.12 Waterhuishouding ......................................................................................................................38 4.13 Besluit M.E.R.

..............................................................................................................................39 4.14 Niet-gesprongen explosieven (NGE) ...........................................................................................39 Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving .................................................................................................40 5.1 Regels............................................................................................................................................40 5.2 Verbeelding ...................................................................................................................................40 6 Uitvoerbaarheid ...................................................................................................................................41 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................................................41 6.1.1 Vooroverleg ...............................................................................................................................41 6.1.2 Zienswijzen.................................................................................................................................41 6.2 Financiële uitvoerbaarheid

...........................................................................................................41 4

Bijlage 1a | Bodemonderzoek Het Zand 12, Koewacht ..........................................................................43 Bijlage 1b | Bodemonderzoek Nieuwe Karnemelkstraat ong., Koewacht ..............................................44 Bijlage 2 | Akoestisch onderzoek ............................................................................................................ 45 Bijlage 3a | Quickscan natuurwetgeving ................................................................................................46 Bijlage 3b | Aanvullend onderzoek aanwezigheid steenuil Nieuwe Karnemelkstraat............................47 Bijlage 4a | AERIUS Stikstofberekening Het Zand ...................................................................................48 Bijlage 4b | AERIUS Stikstofberekening Nieuwe Karnemelkstraat..........................................................49 Bijlage 5 | Watertoets.............................................................................................................................50

5

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan Het Zand 12 te Koewacht is een voormalig loonwerkbedrijf aanwezig. De activiteiten van dit bedrijf zijn inmiddels gestopt en het perceel is enkele jaren geleden over genomen door een ondernemer die naar deze locatie zijn slachterij die nu in de kern van Koewacht is gelegen, naar toe wou verplaatsen. De slachterij is in de huidige situatie gelegen aan de Nieuwstraat in het centrum van Koewacht en vanwege de omliggende bebouwing beperkt in zijn ontwikkelmogelijkheden. In overleg met de gemeente Terneuzen zou aan Het Zand meer ontwikkelruimte voor deze slachterij mogelijk zijn. De procedure voor het oprichten van deze slachterij is inmiddels afgerond. Vanwege nieuwe wet- en regelgeving en stijgende bouwkosten, is de realisatie van een slachterij van deze omvang vanuit economisch oogpunt niet meer rendabel. Omdat het perceel is gekocht om er een bedrijf te starten, hebben de huidige eigenaren een woningbouwplan opgesteld. Het perceel kan dan toch ontwikkeld worden, maar er wordt afgezien van de bedrijfsbebouwing en de solitaire bedrijfsbestemming komt te vervallen op deze locatie. Per saldo zal de bebouwing afnemen en voor de omgeving de woonkwaliteit verbeteren. Op de voormalige bedrijfslocatie worden twee woningen in het bebouwingslint aan Het Zand ontwikkeld.

Voor de locatie aan de Nieuwe Karnemelkstraat wordt, met gebruik making van een zogenaamde bouwtitel, de bouw van een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Deze bouwtitel is afkomstig van het perceel voorheen bekend als Hulsterweg 183 te Terhole in de gemeente Hulst. Hier is een woning gesloopt en bij vaststelling van voorliggend bestemmingsplan inmiddels wegbestemd, door middel van een afzonderlijke procedure.

1.2 Doel bestemmingsplan Het doel van dit bestemmingsplan is het planologisch saneren van de bedrijfsbestemming aan Het Zand 12 Koewacht en omzetten naar enkel bestemming Wonen. Als compensatie hiervoor worden twee extra woningen op het perceel en in het bebouwingslint van Het Zand mogelijk gemaakt. Overige bouwtitel(s) kunnen elders binnenstedelijk worden ingezet. De gemeente Terneuzen heeft ingestemd met het realiseren van een extra woning op een perceel aan de Nieuwe Karnemelkstraat. Op deze locatie kan uitsluitend een woning worden gerealiseerd door gebruik making van een zogenaamde passende bouwtitel. Deze bouwtitel is afkomstig uit de gemeente Hulst. Het wegbestemmen van deze bouwtitel is door middel van een separate procedure reeds afgerond.

1.3 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bestaat uit de bedrijfslocatie Het Zand 12 en een perceel aan de Nieuwe Karnemelkstraat ong., dit perceel is kadastraal bekend als AEL O 736 en 738. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Voor een exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de digitale verbeelding.

6

Figuur 1.1: Ligging van beide ontwikkellocaties De begrenzing van de plangebieden zijn wit omkaderd. Zie de digitale verbeelding voor de exacte begrenzing van de plangebieden.

1.4 Geldend bestemmingsplan De locatie aan Het Zand 12 is gelegen binnen de werking van het bestemmingsplan ‘Koewacht, Overslag, Zuiddorpe' van de gemeente Terneuzen en hierin bestemd als ‘bedrijf’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – loon- en grondwerken’. Naast alle vormen van milieucategorie 2 bedrijven, zijn op het perceel tevens zwaardere bedrijven in loon- en grondwerken uit een hogere milieucategorie rechtstreeks toegestaan. Het bestemmingplan is door de gemeenteraad van Terneuzen op 26 januari 2012 vastgesteld. Het bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk. In figuur 1.2 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

7

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Koewacht, Overslag, Zuiddorpe’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Voor de locatie aan de Nieuw Karnemelkstraat gelden de voorschriften van het op 25 juni 2013 en onherroepelijke bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Terneuzen. Het perceel is bestemd als ‘agrarisch met waarden - dekzandgebied’. Omdat op het perceel geen bouwvlak aanwezig is, staat deze bestemming de bouw van een woning niet rechtstreeks toe. Op het perceel is tevens de aanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied’ van toepassing. Binnen het wijzigingsgebied is het onder voorwaarden mogelijk om een nieuw landgoed te ontwikkelen. Op basis van deze regeling acht het college van B&W de locatie geschikt voor het toevoegen van woningen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 8

Verder zijn de voorschriften van het facetbestemmingsplan ‘Parkeren Terneuzen’ van toepassing, dit bestemmingsplan is vastgesteld op 7 februari 2019. En tot slot zijn eveneens de voorschriften van het facetbestemmingsplan ‘Wonen Terneuzen’ van toepassing, vastgesteld op 1 juli 2021. Hoewel het bestemmingsplan aan de Nieuwe Karnemelkstraat een wijzigingsbevoegdheid kent om de bestemming van het perceel te wijzigen van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’ ten behoeve van een landgoed, past deze ontwikkeling niet binnen de uitgangspunten van deze binnenplanse wijzigingsbevoegdheid, vanwege de omvang die een nieuw landgoed moet hebben. Medewerking kan worden verleend door middel van een partiële herziening.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

9

2 Planbeschrijving Om te beoordelen of een bouwplan dat niet rechtstreeks past binnen de regels van het bestemmingsplan, wel past binnen de omgeving is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Met het oog hierop is het plangebied geïnventariseerd en geanalyseerd.

2.1 Huidige situatie plangebied Het Zand Het Zand is een bebouwingslint, dat zich vanuit de kern Koewacht richting noordwesten uitstrekt richting Zuiddorpe. Deze lintbebouwing in het buitengebied is kenmerkend voor de zandgronden in het grensgebied van oostelijk Zeeuws-Vlaanderen. In het lint komen diverse functies voor, zoals wonen, bedrijven en agrarische bedrijven. Aan Het Zand 12 te Koewacht ligt een voormalig agrarisch loonbedrijf. Naast alle vormen van milieucategorie 2 bedrijven, zijn op het perceel tevens zwaardere bedrijven in loon- en grondwerken uit een hogere milieucategorie rechtstreeks toegestaan. De verouderde bedrijfsloodsen op het perceel aan Het Zand 12 te Koewacht zijn inmiddels gesloopt en het perceel is geheel gesaneerd van bedrijfsbebouwing. Voor de locatie is een procedure gevolgd om een nieuwe slachterij op te richten van ten hoogste 1.200 m2. Deze procedure is afgerond en de slachterij is inmiddels volledig vergund. Inclusief omliggende gronden is het totale perceel ongeveer 1 hectare. Op het perceel is nog een bedrijfswoning aanwezig. Deze staat in de oostelijke hoek van het perceel. Nu de overige bebouwing op het perceel is gesaneerd, ontstaat een locatie om organisch in het lint twee woningen toe te voegen.

afbeelding 2.1, inmiddels gesloopte bedrijfsbebouwing aan Het Zand 12 Nieuwe Karnemelkstraat De Nieuwe Karnemelkstraat is eveneens een bebouwingslint dat vanuit de kern Koewacht zich in het dekzandgebied uitstrekt. Aan weerszijden van deze weg liggen korrelig verspreid diverse woningen. Hoe verder van de kern Koewacht verwijderd, hoe lager de dichtheid van de woning. Het perceel uit voorliggend partiële herziening van het bestemmingsplan ligt relatief dicht bij de kern Koewacht. In de omgeving van het plangebied staan relatief veel woningen, waaronder rond het Zandpad. 10

2.2 Toekomstige situatie plangebied Het Zand De bedrijfswoning aan Het Zand is in de uiterste hoek geplaatst, hierdoor is aan de straatzijde een stuk met een lengte van een kleine 50 meter onbebouwd. Omdat ter hoogte van deze locatie de bebouwing een vrij hoge dichtheid kent aan weerszijden van Het Zand is het vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar om het gat in het lint organisch te vullen met de bouw van twee vrijstaande woningen. Ter compensatie komt de bedrijfsbestemming te vervallen en zal de inmiddels vergunde slachterij ook niet meer worden opgericht. De bestaande oprit behorende bij de bestaande bedrijfswoning kan worden verlegd naar de andere zijde van de woning, waardoor er nog meer ruimte ontstaat voor het toevoegen van de twee woningen. Nieuwe Karnemelkstraat Aan de Nieuwe Karnemelkstraat wordt een woning gebouwd. Het perceel doet nu dienst als paardenwei en de omliggende gronden zullen op dezelfde manier gebruikt blijven worden. De toekomstige woning met erfbebouwing wordt vanuit stedenbouwkundig oogpunt tegen de noordelijke kadastrale grens gebouwd, waardoor de locatie goed aansluit bij de bestaande bebouwing in de omgeving. De woning wordt gerealiseerd door middel van het provinciale Ruimte voor Ruimte beleid.

11

3. Beleidskader In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het Rijk, provincie en gemeente.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI): De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: - Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; - Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; - Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Het wijzigen van een solitaire bedrijfsbestemming naar een woonbestemming past binnen een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en hiermee binnen de uitgangspunten van de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO) Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een beperkt aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen, over rijksvaarwegen, zones buisleidingen en zones van hoogspanningsleidingen. Voor het plangebied zijn geen nationale belangen van toepassing.

12

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Wanneer er een procedure moet worden gevolgd voor een ontwikkeling die niet past in het bestemmingsplan, is in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) vastgelegd aan welke eisen de toelichting moet voldoen. Verder is in artikel 3.1.6 van het Bro vastgelegd dat voor stedelijke ontwikkelingen de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gehanteerd. Via de duurzaamheidsladder stimuleert het Rijk zorgvuldig ruimtegebruik en herstructurering van bestaand stedelijk gebied en bestaande gebouwen. In het geval van een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan dient volgens artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) te worden voldaan aan artikel 3.1.6 van het Bro en dus moet voldoen aan de laddertoets. 3.1.3.1 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruime is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van deze ladder is het bevorderen van een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte én het voorkomen van overprogrammering. Om dit te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, tweede lid).

Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De procesvereiste is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten die voorzien in een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht. Realisatie ruimte voor ruimte woningen Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van drie extra woningen, waarven er één wordt gerealiseerd met behulp van de provinciale ruimte voor ruimte regeling. Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor zeer kleinschalige ontwikkelingen. Een ontwikkeling van minder dan twaalf woningen wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Het bouwen van één woning is kleinschaliger dan de ondergrens die in jurisprudentie gehanteerd wordt en zodoende is een nadere laddertoetsing niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid Op 11 november 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft aan de hand van 27 bouwstenen de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Per bouwsteen worden de beleidsdoelstellingen voor 2030 beschreven, de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen. In de Omgevingsvisie zijn de volgende vier Zeeuwse ambities omschreven voor de provincie in 2050. • Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; • Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; • Een duurzame en innovatieve economie; • Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland. Het benoemen en beschrijven van uitdagingen en ambities is geen garantie voor het maken van de beste keuzes voor Zeeland. Bij het kiezen en prioriteren wil de provincie zowel de Zeeuwse 13

kernkwaliteiten behouden als kansen en mogelijkheden benutten. Hiervoor dienen de volgende afwegingsfactoren: • Doe meer met minder grond; • Werk samen en deel kosten en baten; • Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; • Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de kernkwaliteiten van Zeeland. • Genieten en opladen; • Waarderen en beschermen van het mooie Zeeuwse landschap; • We voelen ons verbonden met de historie; • Kernkwaliteitswens: passende werkgelegenheid en ontwikkelmogelijkheden voor iedereen in Zeeland. Toets De ruimte voor ruimte regeling is een manier waarmee de provincie Zeeland nieuwe functies aan voormalige agrarische bedrijven wenst te geven. De regeling gaat leegstand en mogelijke verkrotting tegen. Doordat een solitair bedrijf wordt wegbestemd, is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018 De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is nog steeds de geldende verordening. Deze zal in 2024 worden vervangen door een geactualiseerde Omgevingsverordening. Veel regels uit deze verordening hebben betrekking op het buitengebied. Verder zijn er algemene regels die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van het hanteren van de ruimte voor ruimte regels is vastgelegd in bijlage C behorende bij artikel 2.7 van de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het toevoegen van woningen in het buitengebied is vastgelegd in artikel 2.7 en de voorwaarden bij dit artikel behorende bijlage c. De regeling maakt het mogelijk om in onbruik geraakte objecten in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een woonfunctie. Aan de uitvoer van deze regeling worden de volgende voorwaarden gesteld: •

• •

Er kunnen maximaal 3 compensatiewoningen worden gerealiseerd. Voor de realisatie van een woning/bouwkavel wordt uitgegaan van een te slopen oppervlak van 500 m² schuur of 0,5 ha glas of andere bebouwing van een vergelijkbare grootte. Hiervan kan worden afgeweken indien: o uit een financiële onderbouwing blijkt dat onvoldoende kostendragers kunnen worden gegenereerd voor de sloop van het betreffende object en o dit aantoonbare meerwaarde oplevert voor het landschap. Het dient te gaan om niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Sloop en het voorkomen van heroprichting dienen te worden gewaarborgd

Op het perceel is een vergunning verleend voor 1.200 m2 bedrijfsbebouwing aanwezig. Daarnaast is er geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Nadat de bestemming is gewijzigd naar wonen op het perceel is het niet mogelijk om de bedrijfsbebouwing te heroprichten. Het perceel is gelegen in het buitengebied. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de uitgangspunten uit de provinciale Omgevingsverordening 2018.

14

3.2.3 Beleidsnotitie ‘Ruimte voor Woonkwaliteit’ Op 12 mei 2020 stelden Gedeputeerde Staten van Zeeland de beleidsnotitie ‘Ruimte voor Woonkwaliteit’ vast. De beleidsnotitie maakt woningbouwplannen mogelijk waar qua woningtype en locatie tekorten aan zijn. Momenteel worden deze plannen in sommige gemeenten belemmerd door een overschot aan plannen elders in de woningmarktregio. Op basis van de beleidsnotitie kunnen die gemeenten een plan van aanpak opstellen waarin staat hoe het overschot aan woningbouwplannen wordt teruggedrongen. Vooruitlopend op het wegnemen van oude plannen geven gedeputeerde staten de mogelijkheid om toch nieuwe plannen toe te staan, bijvoorbeeld voor woningen geschikt voor ouderen of woningen in leegstaande gebouwen. De betreffende gemeente en de Provincie Zeeland werken in de tussentijd samen aan het terugdringen van de plancapaciteit. De vraag is wanneer woningbouwplannen in kwalitatief opzicht ‘gewenst’ zijn. Dit hangt namelijk samen met woningtype, woonmilieu en locatie. Dit is in het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland verder uitgewerkt. Ruimtelijke doelen als bundeling en zuinig ruimtegebruik dragen ook bij aan dit begrip.

De volgende soorten woningbouwplannen kunnen over het algemeen gezien worden als kwalitatief wenselijk als er sprake is van: • Woningen in het middenhuursegment binnen de grens bestaand stedelijk gebied of centrumdorps woonmilieu; • Appartementen of nultredenwoningen binnen de grens bestaand stedelijk gebied of centrumdorps woonmilieu; • Woningen in een centrum stedelijk woonmilieu, in dit geval de binnenstad van de kern Terneuzen; • Invulling van leegstaand vastgoed binnen de grens bestaand stedelijk gebied of centrumdorps woonmilieu; • Herstructurering door sloop en nieuwbouw; • Woningbouwinitiatieven bedoeld voor de instandhouding van Rijksmonumenten of beeldbepalende gebouwen. Toets Op de locatie is sprake van een herstructureringslocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Een solitaire bedrijfsbestemming aan Het Zand wordt gesaneerd, waardoor er sprake is van een kwaliteitsverbetering voor de omgeving. De ontwikkeling leidt tot een verbetering van de omgevingsaspecten in de directe omgeving. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn vrijstaande grondgebonden woningen passend in de omgeving. Dit type woning is tevens passend bij het dorpse en landelijke karakter van de kern Koewacht. Herstructurering van het perceel Het Zand 12 past binnen de uitgangspunten van de beleidsnotitie ‘Ruimte voor woonkwaliteit’.

3.3. Regionaal en gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Terneuzen 2025 Op 16 december 2010 heeft de gemeenteraad van Terneuzen de ‘Structuurvisie Terneuzen 2025’ vastgesteld. In de structuurvisie Terneuzen wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De locatie Het Zand 12 is gelegen in het gebied dat de structuurvisie aanmerkt als coulisselandschap. Vergrijzing, ontgroening en krimp zorgen voor een terughoudend beleid als het gaat om het toevoegen van nieuwe woningen. Omdat de bevolkingssamenstelling verandert, verandert ook de vraag naar woningen. Nieuwe woningen dienen vooral te voldoen aan de vraag. Het opknappen van woningen dient te worden gestimuleerd. In het goedkopere segment wordt een overschot aan woningen verwacht, welke niet meer aan de vraag zullen voldoen. Woningen in dit segment 15

verdienen extra aandacht. Koewacht kent een relatief hoog voorzieningenniveau. Om de leefbaarheid en de voorzieningen te behouden, dient de bestaande woningvoorraad te worden vernieuwd, zodat de kern aantrekkelijk blijft als woonkern. De projectlocatie valt binnen het gebied dat in de structuurvisie is aangemerkt als ‘behouden’. De functie en de kwaliteit van de gebieden is goed en behoeft geen grootschalige ingrepen. Kleine invullingen binnen de bestaande structuur zijn mogelijk. Op het perceel Het Zand 12 worden twee woningen toegevoegd en aan de Nieuwe Karnemelkstraat wordt één woning toegevoegd. Dit zijn kleinschalige ingrepen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling aan Het Zand 12 en de Nieuwe Karnemelkstraat ong. past binnen de doelstellingen van de ‘Structuurvisie Terneuzen 2025’.

Afbeelding 3.2 | Visiekaart Structuurvisie Terneuzen 2025

Afbeelding 3.3 | Kaart strategie behouden

3.3.2 Regionale woningmarktafspraken Op basis van het Omgevingsplan Zeeland (2012-2018) zijn er regionale woningmarktafspraken gemaakt met de gemeenten in Zeeland. De drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten vormen één woningmarktregio. Landelijk wordt deze regio ook als COROP gebied aangemerkt. Op 19 juli 2016 zijn samen met de provincie Zeeland de nieuwe ‘Woningmarktafspraken Zeeuws – Vlaanderen 20162025’ vastgesteld. Deze vervangen de woningmarktafspraken 2013. In de nieuwe woningmarktafspraken zijn regionale spelregels vastgelegd waarin gemeenten actief aan de slag gaan met monitoring, planning en het terugdringen van plancapaciteit. Het doel van de hernieuwde woningmarktafspraken is het krijgen van een evenwichtige, toekomstbestendige woningmarkt, met een betere afstemming van vraag en aanbod. In deze nieuwe woningmarktafspraken is ook een planningslijst opgenomen. In deze planningslijst is een onderscheid gemaakt tussen kleinschalige- en grootschalige plannen. Dit is om flexibiliteit te creëren voor goede, wenselijke en kleinschalige ontwikkelingen die vanuit de markt spontaan ontstaan. Dit soort kleinschalige initiatieven zijn niet altijd op voorhand bekend en hoeven daarom niet op de lange termijn op de planningslijst opgenomen te zijn. De ontwikkeling aan Het Zand 12 voegt een beperkt aantal woningen toe, ter compensatie vanwege het saneren van een bedrijfsbestemming.

Het college van B&W van de gemeente Terneuzen heeft in principe reeds ingestemd met deze relatief kleinschalige ontwikkeling, omdat een solitaire bedrijfslocatie komt te vervallen en de ontwikkeling in ruimtelijke zin een verbetering zal zijn. 16

3.3.3 Toetsingskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven, 1e wijziging Op 4 april 2023 heeft het college van B&W het toetsingskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven opnieuw vastgesteld. Doel is om alle nieuwe woningbouwinitiatieven eenduidig te kunnen toetsen in met name ruimtelijke zin en minder in aantal en type woning. In beginsel dient er sprake te zijn van een zogenaamde ‘compensatie’ situatie. Dit houdt in dat nieuwe woningen zijn toegestaan, op plekken waar er een ruimtelijke kwaliteitswinst valt te behalen. Dit kan met name zijn het slopen van detonerende bebouwing, het vervallen van een niet passend gebruik, of het behoud van een karakteristiek pand. Op de locatie aan Het Zand 12 is sprake van een solitaire bedrijfslocatie. Op de locatie is een nieuwbouw slachterij vergund. In de toekomstige situatie vervalt de bedrijfsbestemming, komt hierdoor de nieuwbouw van het bedrijf te vervallen en ontstaat een compensatie situatie. Artikel 4 van het toetsingskader is op deze ontwikkeling van toepassing. De gemeente Terneuzen kan medewerking verlenen wanneer: a. de sanering van het eigenlijke bedrijf en de bedrijfsbestemming via een privaatrechtelijke overeenkomst is gegarandeerd; b. sprake is van het omzetten van een bestemming ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ en; 1. het aantal toe te voegen wooneenheden in verhouding staat tot de omvang van het pand/perceel; 2.

de noodzaak van het aantal toe te voegen wooneenheden financieel wordt aangetoond. Toets Ad a. Met de eigenaar is een overeenkomst afgesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de sanering van het bedrijf en de bedrijfsbestemming. Tevens wordt de geldende bedrijfsbestemming wegbestemd middels voorliggende herziening van het bestemmingsplan. Ad b. De bestemming ‘bedrijf’ komt te vervallen en wordt omgezet naar ‘wonen’. Ad 1. In het bestaande bebouwingslint aan Het Zand worden twee extra woningen toegevoegd. In stedenbouwkundige zin zijn twee extra woningen ruim opgezet en hiermee passend in de omgeving. Ad 2. Een financiële onderbouwing is aangeleverd, getoetst en akkoord bevonden door de gemeente Terneuzen. De eventuele woning aan de Nieuwe Karnemelkstraat is gelegen in het buitengebied. De toetsingsvoorwaarden zijn vastgelegd in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en niet in dit toetsingskader.

17

4. Omgevingsaspecten. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1. Bodem Overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid van het plangebied. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek, te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaats gevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).

4.1.1 Bodem- en grondwateronderzoek Het Zand 12 Door het adviesbureau MCG Zuidwest is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zoals uit eerdere oudere bodemonderzoeken ook bleek is de situatie rondom de voormalige wasplaats vervuild. Hier worden de achtergrondwaarden overschreden Ook op overige locaties, of bodemlagen op het terrein worden zijn lichte vervuilingen waar genomen. Dit zijn echter lichte vervuilingen, waarbij er geen sprake is van overschrijdingen van de achtergrondwaarden. Voor wat betreft het grondwater is ter hoogte van de voormalige wasplaats geen verontreiniging aangetoond. Wel is nabij de voormalige bestrijdingsmiddelenopslag een verontreiniging met drins aangetoond. Om te bepalen of er sprake is van belemmeringen voor het toekomstig gebruik dient de locatie nader onderzocht te worden. In de planregels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het volledige verkennend bodemonderzoek voor de locatie Het Zand 12 is als bijlage 1a bij deze toelichting gevoegd.

4.1.2 Bodem- en grondwateronderzoek Nieuwe Karnemelkstraat ong. De locatie aan de Nieuwe Karnemelkstraat is altijd als landbouwgrond in gebruik geweest. Op basis van historisch onderzoek is de locatie van een voormalig pad en een voormalige watergang specifiek bezocht. Op deze locaties, maar ook elders op het perceel zijn geen overschrijdingen aangetroffen. De locatie is geschikt voor het toekomstige woongebruik. Het volledige bodemonderzoek voor deze locatie is als bijlage 1b bij deze toelichting gevoegd.

18

4.1.3 Conclusie Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek zijn op het perceel aan Het Zand een aantal verdachte locaties aangetroffen, op basis van het voorgaande gebruik. Deze locaties dienen nader onderzocht te worden met een aanvullend onderzoek. Uit dit onderzoek dient te blijken of de locatie geschikt is voor de nieuwe functie wonen, of dat er eerst maatregelen genomen dienen te worden, zoals een sanering. In de planregels behorend bij dit bestemmingsplan is deze verplichting opgenomen. Op basis van het bodemonderzoek aan de Nieuwe Karnemelkstraat, is de locatie geschikt voor de functie wonen en hoeft het aspect bodem voor deze locatie niet nader onderzocht te worden.

4.2 Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Beide locaties zijn niet gelegen in een zone industrielawaai, of in de nabijheid van spoorwegen. Nader onderzoek naar industrie- en spoorweglawaai wordt voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk geacht. Locatie Het Zand Door Van Kooten Akoestisch Advies een geluidsonderzoek uitgevoerd voor de nieuwe woningen aan Het Zand in Koewacht. De geluidsbelasting op de gevel blijkt maximaal 54 dB te bedragen. Hiermee wordt wel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar niet de maximaal vast te stellen geluidsbelasting van 63 dB overschreden. Maatregelafweging Er kunnen uiteenlopende maatregeltypen worden toegepast. Als bronmaatregel komt de toepassing van een stiller wegdektype of snelheidsverlaging in aanmerking. Het vervangen van het huidige wegdek door een stiller wegdektype kan een reductie opleveren tot maximaal ongeveer 3 dB. Het is echter niet aannemelijk dat de wegbeheerder in deze situatie bereid is te investeren in een stiller wegdektype.

Voor de te onderzoeken locatie zou het stillere wegdek namelijk over een lengte van circa 120 meter kunnen worden aangelegd. Met de aanleg van stil wegdek over een dergelijke beperkte lengte zou een lappendeken van verschillende wegdektypen ontstaan. Dit is vanuit beheer en onderhoud gezien een bezwaarlijke situatie, omdat het onderhouds- en strooiregime normaal gesproken uiteenlopen voor verschillende wegdektypen. Gezien deze bezwaren moet er vanuit worden gegaan dat de aanleg van een stil wegdektype op het Zand niet haalbaar is. Het verlagen van de maximumsnelheid is in theorie mogelijk, maar dit zou betekenen dat een 30 km/uur zone moet worden ingericht. Het is aan de wegbeheerder om dit af te wegen, maar daarbij zullen verkeerskundige argumenten wellicht zwaarder wegen dan de invloed van geluid op het woonen leefklimaat. Het toevoegen van een tweetal nieuwbouwwoningen heeft geen invloed op deze afweging. Al met al is het niet aannemelijk dat de wegbeheerder over zal gaan tot het toepassen van deze maatregel. Behalve bovengenoemde bronmaatregelen dienen ook overdrachtsmaatregelen te worden onderzocht. De mogelijkheden hiertoe zijn het oprichten van een geluidsscherm en het vergroten van de afstand van de nieuwe woningen tot de weg. Het oprichten van een scherm stuit op bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard. Daarnaast is de bouw een aaneengesloten scherm niet

19

mogelijk door de aanwezigheid van een of meer inritten, die dient als ontsluiting van de woningen. Het bouwen van een scherm is in deze situatie daarom niet realistisch. Het vergroten van de afstand van de woningen tot de weg is in beginsel mogelijk. Om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde zou de afstand tot de weg echter meer dan verdubbeld moeten worden. De afwijking van de rooilijn van naastgelegen woningen en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Daarom dient er vanuit te worden het in voldoende mate vergroten van de afstand tot de weg niet haalbaar is. Er zijn al met al geen doelmatige en acceptabele mogelijkheden voorhanden om de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning te reduceren. Van belang is ook dat de woningen aan de achterzijde een geluidsluwe gevel hebben en dat daarmee ondanks de geluidsbelasting een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Om de woningen te realiseren dient een hogere grenswaarde te worden vastgesteld. Locatie Nieuwe Karnemelkstraat In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. De Nieuwe Karnemelkstraat kent een maximumsnelheid van 60 km/u. De Nieuwe Karnemelkstraat is een straat met weinig doorgaand verkeer, de verkeersintensiteit is hierdoor relatief laag.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe burgerwoning opgericht. De gevelbelasting op een woning mag niet hoger zijn dan de wettelijke norm van 48 deciBell (dB). Hiervoor is ontheffing mogelijk tot 53 dB (verhoogde grenswaarde). Middels de Standaard Rekenmethode I van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 is in beeld gebracht wat de gevelbelasting op de nieuwe woning wordt. Dit rekenmethode is bedoeld om voor eenvoudige situaties de geluidberekeningen uit te voeren, aan de Nieuwe Karnemelkstraat is hier sprake van. Uit de berekening zijn in de dag-, avond- en nachtperiode intensiteiten opgenomen voor personenauto's en zwaar vrachtverkeer. De Nieuwe Karnemelkstraat is echter een dusdanig rustige landweg, dat de ingevulde intensiteiten niet of uitsluitend in zeer incidentele gevallen zullen voorkomen. In de praktijk zal er aanzienlijk minder verkeer zijn. Volgens artikel 110 Wgh en volgens artikel 3.5 van het reken- en meetvoorschrift geluid 2012 mag een correctie toegepast worden van 5 d(B)A. De Lden wordt dan 42.454. Dat is ruim onder de toegestane waarde van 48 dB. Hiermee kan worden gesteld dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.

20

Afbeelding 4.5, Standaard Rekenmethode Wegverkeerslawaai (bron: Infomil)

Toets Nieuwe Karnemelkstraat De nieuwe woning wordt gebouwd op een afstand va zo’n 25 meter vanuit de as van de weg. Het aanhouden van deze rooilijn levert geen problemen op ten aanzien van wegverkeerslawaai. De toekomstige woning voldoet aan de voorschriften uit de Wet geluidhinder.

4.3 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; 21

•

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen, zoals in voorliggend plan, is geen gevoelige bestemming. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. De ontwikkeling is eveneens niet gelegen binnen genoemde zones van de rijks- en provinciale wegen. Toets De ontwikkeling gaat uit van de realisatie van drie woningen. Voor de berekening voor de bijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit wordt uitgegaan van 25 extra verkeersbewegingen per dag, waarvan een aandeel van 5% vrachtverkeer. De landelijke CROW kengetallen gaan uit van een vrijstaande woning in het buitengebied van zo’n acht verkeersbewegingen per dag.

In figuur 4.8 is de berekening weergegeven.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2024

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m3

0,02

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

25

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.6: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en 22

recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', omdat er sprake is van de aanwezigheid van agrarische percelen, bedrijven, bedrijfswoningen en burgerwoningen. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.7: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets Het Zand 12 In de nabijheid van het plangebied liggen de volgende inrichtingen: Bedrijf

SBI

Geur

Geluid

Gevaar

LPG-tankstation De Schepper, Het Zand 21

473

10

10

30

23

Werkelijke afstand 60

Nutsgebouw hoek Het Zand/Molenweg Detailhandel, Het Zand 7a

35

0

10

0

70

47

0

0

0

30

Voor LPG tankstations geldt een grootste afstand van 50 meter, gemeten vanaf de grens van de inrichting, voor nutsgebouwen van 30 meter en voor detailhandel van 10 meter. Omdat Het Zand aangemerkt kan worden als een gemengd gebied, mogen deze afstanden met één afstandsstap worden verkleind naar respectievelijk 30, 10 en 0 meter. De afstand gemeten vanaf het tankstation is 60 meter tot de toekomstige woning op het perceel aan Het Zand 12. De detailhandel is gelegen aan de overzijde van de weg en het nutsgebouw ligt op 70 meter vanaf de grens van het plangebied. Alle werkelijke afstanden zijn ruim boven de landelijke richtafstanden. Andersom geldt dat met het vervallen van de bedrijfsbestemming de woon- en leefkwaliteit voor de omliggende woningen zal verbeteren. Nieuwe Karnemelkstraat ong. In de omgeving van de Nieuwe Karnemelkstraat is één nabijgelegen bedrijf. Alle overige bedrijven liggen op een afstand van meer dan 300 meter. Bedrijf

SBI

Geur

Geluid

Gevaar

Loonbedrijf Veko, Nieuwe Karnemelkstraat 15

014

30

50

10

Werkelijke afstand 70

Ten noordwesten van het plangebied is een bedrijfslocatie gelegen op het perceel Nieuwe Karnemelkstraat 15. Er is op basis van het handelsregister van de Kamer van Koophandel sprake van een Loonwerkbedrijf in de landbouw en verhuurbedrijf van machines voor landbouw- en grondverzetwerkzaamheden. Dit is een milieucategorie 3.1 inrichting met een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. De toekomstige woning wordt ruim buiten deze richtafstand gebouwd en vormt derhalve geen belemmering voor de werking van dit bedrijf.

4.5 Externe veiligheid Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) van kracht Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit.

24

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening.

Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied aan Het Zand en de Nieuwe Karnemelkstraat. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen transportroutes gevaarlijke stoffen. Het LPG tankstation aan Het Zand 21 is de dichtstbijzijnde en enige BEVI-inrichting in de omgeving. In figuur 4.7 is een uitsnede van de risicokaart te zien waarop de locatie Het Zand 21 is opgenomen. De nieuwe woningen worden op ruime afstand van de risicocontouren gebouwd.

Figuur 4.8: uitsnede Risicokaart Het Zand 21 Toets 25

Uit de inventarisatie blijkt dat de ontwikkelingslocatie: • In en nabij het plangebied bevindt zich één inrichting waar gevaarlijke stoffen worden open/of overgeslagen, het betreft het LPG tankstation aan Het Zand 21. (bron: Risicokaart, website provincie Zeeland). Zowel de contouren voor het PR, als het GR vallen niet over het perceel Het Zand ong. Deze inrichting vormt derhalve geen risico voor de beoogde ontwikkeling. • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.6 Flora en fauna Soortbescherming De soortbescherming is per 1 januari 2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield.

Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. 26

De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten 27 worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd.

De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Wet natuurbescherming (Wnb) overgenomen. Stikstof Zie de aparte paragraaf 4.11. Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Zeeland, vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Zeeuwse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het maakt onderdeel uit van het Nederlandse netwerk. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14620164/1