2024-09-11 - bijlage 2 Concept ruimtelijke onderbouwing flexwoningen Bachlaan-Diepenbrockstraat Terneuzen (geanonimiseerd)
Tekst van het document
herstructureren). De locatie van de voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een prominent gebied met veel cultuurhistorische waarden. In en rondom het plangebied staan behouden en verbinden voorop (zie afbeelding 15). Voor gebieden die vallen onder ‘behouden’ geldt dat er een algemene tevredenheid geldt over de huidige functie en kwaliteit. Kleinschalige aanpassingen zijn mogelijk, maar er is geen sprake van een actieve benadering. Voor ‘verbinden’ geldt dat er een ontevredenheid geldt over de robuustheid van de structuur. Er is onduidelijkheid over de exacte situering en verbinden. Planvorming start waarschijnlijk binnen de termijn van de structuurvisie. ‘Verbinden’ geldt op deze locatie vooral voor de infrastructuur, de gronden van het plangebied vallen vooral onder ‘behouden’.
24
DN
Afbeelding
eN 15 Uitsnede NGE-Risicokaart
(bron: REASeuro, bewerking: (geanonimiseerd)
cultuurhistorische
staat het verlenen
|
Conclusie Het aspect
4.4
MOBILITEIT
EN
waarden
van
de
omgevingsvergunning
niet in de weg.
BEREIKBAARHEID
Nieuwe
ontwikkelingen mogen niet leiden tot verkeersproblemen op de omliggende wegen. Er moeten ook voldoende parkeerplaatsen voor auto's en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie, het type functie en gemeentelijk beleid. Mobiliteit is geen doel op zich, maar een belangrijke randvoorwaarde voor onder meer de woningbouwopgave en de regionale economie. Gemeenten kennen een breed takenpakket op het gebied van mobiliteit. Het gaat niet alleen om het beheer en onderhoud van lokale wegen, maar ook over de mobiliteitstransitie, verkeersveiligheid en toegankelijkheid. Or mobiliteit toekomstbestendig te maken moeten al deze aspecten in onderlinge samenhang beschouwd worden. Gemeenten hebben daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om locaties binnen de gemeente goed bereikbaar te houden. 4.4.1
Verkeersgeneratie Motivering De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers basis voor parkeernormering’. Uitgegaan wordt van stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ en gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. In de CROW-publicatie wordt onderscheid geraakt in type woning en bruto vloeroppervlak (bvo). De grootste flexwoningen hebben een bvo van circa 50 m?, en is daarmee in te passen in de categorie ‘Huur, appartement, sociale huur, <75 m? bvo’. Voor deze categorie geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 3,3 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
—
Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het realiseren van 23 flexwoningen in de sociale huursector. Dit houdt in dat de verkeersgeneratie met 75,9, ofwel 76 motorvoertuigbewegingen per etmaal zal toenemen door het realiseren van de flexwoningen. Voorheen was het pand ter hoogte van het plangebied in gebruik als meubelhal van het Leger des Heils en fungeerde dit als kleinschalige kringloopwinkel welke een paar werkdagen per week open was. Voor een kringloopwinkel is de gemiddelde verkeersgeneratie 20,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 rm? bvo. Het voormalige pand had een bvo van circa 1280 m2, wat een gemiddelde verkeersgeneratie van 260,5, ofwel 261 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedroeg.
25
Naar
verwachting was de feitelijke verkeersgeneratie van de kringloopwinkel lager dan het berekende aantal. De verkeersgeneratie door de realisatie van de nieuwe woningen zal naar verwachting geen noemenswaardige effecten hebben op de bestaande verkeerssituatie. De nieuwbouw heeft geen gevolgen voor de verkeersafwikkeling ter plaatse. Conclusie Het aspect
4.4.2
verkeersgeneratie
Vervoersmodaliteit
Motivering In de omgeving
vormt
en
geen
belemmering
voor
het verlenen
van
de
omgevingsvergunning.
ontsluiting
plangebied zijn mogelijkheden om het openbaar vervoer te gebruiken. Daarnaast is parallel aan de Rooseveltlaan ter hoogte van het plangebied een gescheiden fietspad gelegen, waardoor het fietscomfort hoog is en het plangebied goed bereikbaar is. Langs dit fietspad loopt een voetpad, waardoor het plangebied ook te voet een goede bereikbaarheid heeft. Verder is het plangebied goed te bereiken met de auto aangezien het dicht twee is Het plangebied bij gebiedsontsluitingswegen gelegen. plangebied is dus met meerdere modaliteiten te bereiken vanuit diverse wegen. Vooral de Rooseveltlaan en de Guido Gezellestraat maken het plangebied goed bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer. van
het
Conclusie Het aspect
4.4.3
vervoersmodaliteit
en
ontsluiting
staat
het verlenen
van
de
omgevingsvergunning
niet
in de weg.
Parkeren
Motivering De parkeernorm
wordt
bepaald
parkeerbeleid van de gemeente Terneuzen. De ‘Parkeernota Terneuzen is geldend vanaf 1 december 2023. Bij nieuwbouw gelden parkeernormen, voor zowel autoparkeren als fietsparkeren. Uitgegaan wordt van stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ en gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Door (geanonimiseerd) | is op 26 maart 2024 een parkeeronderbouwing opgesteld voor de 3). voorgenomen ontwikkeling (zie bijlage Hierbij is uitgegaan van een ontwikkeling zonder parkeerplaatsen. aan
de
hand
van
het
geldende
2023-2033’
Autoparkeervraag In de parkeeronderbouwing is gekeken naar de diverse beoogde doelgroepen voor de flexwoningen, waarbij de maximale parkeervraag uitkomt op 18,8 parkeerplaatsen. Als dit tegenover de aanwezigheidspercentages wordt gezet is er een maximale parkeervraag op een werkdagavond van afgerond 17 parkeerplaatsen. Een acceptabele loopafstand voor parkeerplaatsen is binnen 100 meter voor bewoners en 250 meter voor bezoekers van de bewoners. Aan de hand van een parkeeronderzoek is er in de huidige situatie geen sprake van parkeeroverlast in de directe omgeving van het plangebied. Er is mogelijk sprake van een druk op het aantal parkeerplaatsen wanneer de bezettingsgraad hoger is dan 90%. In de huidige situatie is dat niet het geval. De
bezettingsgraad stijgt als gevolg van de ontwikkeling. Op de werkdagavond en -nacht is er sprake van een bezettingsgraad die hoger is dan 90%. Dit blijkt uit een uitgevoerd parkeeronderzoek. Parkeren binnen 100 meter van de ontwikkeling kan als gevolg van de ontwikkeling leiden tot een knelpunt. De parkeersituatie binnen een oopafstand van 250 meter van de ontwikkeling blijft als gevolg van de ontwikkeling acceptabel. Het
advies
uit
de
parkeeronderbouwing is dat er sprake is van een acceptabele parkeersituatie indien er parkeerplaatsen ontwikkeling worden opgenomen. Hierdoor wordt de parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied verminderd en wordt de bezettingsgraad lager en komt deze onder de 90%. Bij het realiseren van 9 parkeerplaatsen is er sprake van een acceptabele parkeersituatie. Op basis van dit advies zijn er 9 parkeerplaatsen opgenomen in de voorgenomen ontwikkeling, waardoor de omgeving geen overlast ervaart van de realisatie van 23 lexwoningen. Voor de overige parkeerbehoefte is voldoende capaciteit in de openbare ruimte. in de
Fietsparkeervraag n
de
Parkeernota kleiner
woningen volgens deze
26
norm
Terneuzen dan een
75
m2
totaal
2023-2033
zijn naast autoparkeernormen ook fietsparkeernormen opgenomen. Voor geldt fietsparkeernorm van drie fietsen per woning. Voor 23 woningen moeten van 69 fietsparkeerplaatsen voor bewoners gerealiseerd worden. Daarnaast geldt dat een
eigen terrein capaciteit moet zijn voor 0,5 fietsparkeerplaats per woning voor bezoekers. Voor het plan met 23 woningen komt dit neer op 12 fietsparkeerplaatsen voor bezoekers. er op
Binnen het plan is een berging opgenomen die toegankelijk is voor de bewoners van de woningen. De berging heeft een capaciteit van 46 fietsen. Dit komt neer op twee fietsen per woning. De woningen beschikken ook over een vooren achtertuin die voldoende ruimte biedt voor het stallen van fietsen. De volledige fietsparkeervraag kan daarmee opgevangen worden op eigen terrein. Een aandachtspunt daarbij is dat bezoekers van bewoners fietsen kunnen parkeren tegen gevels en straatmeubilair, dit kan voorkomen worden door 12 fietsparkeerplaatsen te realiseren in de openbare ruimte. Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering
voor
het verlenen van de omgevingsvergunning.
4. 5 DUURZAAMHEID Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. Motivering Om een toekomstbestendige ontwikkeling tot stand te brengen is in de planontwikkeling veel aandacht besteed aan duurzaamheidsaspecten. De woningen worden zo energiezuinig mogelijk gerealiseerd. Zo worden de woningen voorzien van zonnepanelen. Om de warmtevraag tot het minimum te beperken worden de woningen goed geïsoleerd. Daarnaast zijn de woningen conceptueel, wat betekent dat deze in een fabriek worden gemaakt en enkel in het plangebied moeten worden geplaatst en aangesloten op de nutsvoorzieningen. De woningen kunnen na 15 jaar verplaatst worden naar een andere locatie. Zo is er sprake van circulariteit en een duurzaam gebruik van materialen. Conclusie Het plan draagt bij aan een duurzame leefomgeving. Het aspect duurzaamheid staat het verlenen omgevingsvergunning niet in de weg.
van
de
4. 6 GEZONDE LEEFOMGEVING Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de kaders van Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Het aspect gezondheid is veelomvattend en zeer divers. Aan de meeste milieuaspecten (o. a. luchtkwaliteit, geluid en geur) zijn in meer of mindere mate immers gezondheidsaspecten verbonden. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. 4. 6. 1 Bewegen Motivering Binnen het plangebied wordt een gezamenlijke buitenruime gerealiseerd. Hier is het voor de bewoners mogelijk om deze ruimte te gebruiken voor diverse sport- en beweegactiviteiten. Deze groene buitenruimte zorgt voor diverse beweegroutes door het plangebied heen, waardoor het bewegen wordt gestimuleerd. Het type woningen is geschikt voor diverse doelgroepen, waardoor ook kinderen kunnen spelen in de buitenruimte. Daarnaast is de berging voor fietsen in het midden van het plangebied gesitueerd, waardoor fietsen wordt gestimuleerd.
De gezamenlijke buitenruimte is in beheer van de woningcorporatie, waardoor er mogelijkheden zijn om deze ruimte in te richten aan de hand van de behoeftes van de bewoners. Verder is er in de omgeving van het plangebied een (veld)sportcomplex gevestigd waar diverse sporten beoefend kunnen worden. Conclusie Het aspect bewegen vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
27
4. 6. 2 Groen Motivering De flexwoningen worden gepositioneerd aan de hand van een groene en open inrichting. Hierdoor kunnen de bewoners vanuit de woningen uitkijken op groen en hier gebruik van maken. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende speeltuintjes en kleinschalige groenvoorzieningen gelegen. Daarnaast lopen er langs de Otheense Kreek, ten oosten van het plangebied, meerdere wandelpaden. Conclusie De ontwikkeling vindt plaats in een setting waarbij groenbeleving aan de orde is. Het aspect van de omgevingsvergunning niet in de weg.
groen
staat het verlenen
4. 6. 3 Milieuzonering Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Motivering Om de afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies te bepalen, wordt vooralsnog gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er wordt gewerkt aan de milieuzonering ‘nieuwe stijl’, echter is deze nog niet definitief. Naar verwachting zal de uitkomst van een toetsing op basis van de nieuwe stijl niet wezenlijk afwijken van een beoordeling op basis van de VNG-publicatie. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering.
De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Er zijn meerdere milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied gelegen. KwikFit De zuidzijde van het plangebied grenst aan het pand wat in gebruik is door KwikFit. KwikFit is een autoservicebedrijf en valt daarmee in de categorie ‘Handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 30 meter op basis van geluid. Het plangebied ligt tegen het bedrijf aan, waardoor niet voldaan wordt aan de richtafstand. Akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd om te bepalen of aan de geluidniveaus wordt voldaan. Bedrijventerrein In zuidwestelijke en westelijke richting van het plangebied zijn diverse geclusterde bedrijven gevestigd. Deze bedrijven hebben ten hoogste de bedrijfscategorie 3. 1, wat inhoudt dat de richtafstand op basis van geluid 50 meter bedraagt. Het plangebied is gelegen op circa 136 meter van de bedrijven. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand. Tuincentrum Aan de noordwestelijke zijde van het plangebied is op circa 155 meter een tuincentrum gelegen. Dit valt onder de categorie ‘bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten’. Hier wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd op basis van geluid. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
Veldsportcomplex Achter het bedrijventerrein en het tuincentrum aan de westelijke zijde van het plangebied is een veldsportcomplex gelegen. Een veldsportcomplex heeft een richtafstand van 50 meter met het maatgevende aspect geluid. De afstand tussen het plangebied en het complex is circa 255 meter, waardoor er ruim aan de richtafstand wordt voldaan. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
28
4.6.4
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een veiligheidsrisico omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. Motivering In Terneuzen
zijn veel kabels, buisleidingen, transportroutes en andere risicobronnen aanwezig op het gebied van omgevingsveiligheid. Het plangebied ligt alleen in het gifwolkaandachtsgebied van de bedrijvigheid aan de noordzijde van Terneuzen ter hoogte van de Westerscheldetunnel. Deze risicobron bevindt zich op circa 4,4 km afstand ten noordwesten van het plangebied. Aangezien het plangebied valt in een gifwolkaandachtsgebied, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico (GR) benodigd.
(geanonimiseerd) Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Het plangebied heeft een goede bereikbaarheid vanaf de grotere doorgaande wegen in Terneuzen. Vanaf de Diepenbrockstraaten vervolgens de Bachlaan is de Rooseveltlaan goed bereikbaar. Vanaf deze doorgaande weg zijn er verschillende mogelijkheden voor hulpdiensten om het plangebied te bereiken. Indien nodig kan het plangebied worden verlaten richting de kern van Terneuzen. Daarnaast kan met een korte afstand het plangebied verlaten worden naar de zuidzijde van Terneuzen.
29
Zelfredzaamheid Gelet op het type woningen, wonen zonder zorgbehoefte en veelal voor 1 of hooguit 2 personen, kan er worden uitgegaan dat de (toekomstige) bewoners volledig zelfredzaam zijn. Kinderen worden beschouwd als verminderd zelfredzaam, maar daarbij mag ervan uitgegaan worden dat deze door ouders/verzorgers worden geholpen in geval van calamiteiten. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt ten behoeve van niet-zelfredzame personen, zoals ziekenhuizen, kinderdagverblijven of verpleegtehuizen. Vanuit het plangebied zijn meerdere vluchtwegen in verschillende richtingen aanwezig. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid staat het verlenen
van de
omgevingsvergunning niet in de weg.
4. 6. 5 Geluid Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc. ) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Wegverkeerslawaai Een akoestisch onderzoek is nodig wanneer de verkeersintensiteit van omliggende wegen met een geluidsaandachtsgebied meer dan 1. 000 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Het plangebied is gelegen aan de Diepenbrockstraat en de Bachlaan. De Diepenbrockstraat is een zijstraat van de Bachlaan, welke een aftakking is van de Rooseveltlaan.
De Rooseveltlaan bevindt zich ten zuiden van het plangebied, aan de andere zijde van het pand van KwikFit, en is een van de doorgaande wegen in Terneuzen. Daarnaast is ten westen van het plangebied de doorgaande Guido Gezellestraat gelegen. De Rooseveltlaan en Guido Gezellestraat zijn wegen met twee rijstroken en een maximumsnelheid die boven 30 km/uur ligt. Hiervoor geldt een geluidsaandachtsgebied van 200 meter. Het plangebied valt binnen het geluidsaandachtsgebied van beide wegen, daarnaast is, gelet op de functie van de genoemde wegen, de verkeersintensiteit hoger dan 1. 000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai benodigd. Motivering Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 4, rapportage 31 juli 2024). Daarin wordt geconcludeerd dat niet overal wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53dB uit het Bkl, waardoor het geluid door wegverkeerslawaai bij nieuwbouw niet zondermeer aanvaardbaar is. De overschrijding bedraagt 1 – 2 dB en vindt plaats aan de voorgevelzijde van de woningen langs de Bachlaan (oostzijde plan), aan de zijgevel van de zuidelijke hoekwoning langs de Bachlaan en op de westgevel van het zuidwestelijk gelegen woongebouw. De grenswaarde van 70dB wordt niet overschreden.
Uit maatregelenonderzoek bleek dat er geen bron- of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn om de overschrijding van de standaardwaarde op te heffen. Op basis van de kwalitatieve beoordeling van het gecumuleerd geluid is van een overwegend (zeer) goede tot redelijke akoestische leefomgeving sprake. Elke woning beschikt over minimaal één geluidluwe gevelzijde. Als de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie ten minste 22dB bedraagt dan kan een goed akoestisch woonmilieu worden gewaarborgd. Bij de woningen langs de Diepenbrockstraat is een gevelconstructie van tenminste 20dB (de minimumeis die ook uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bbl, volgt) al voldoende. Om bovenstaande redenen is er vanuit akoestisch oogpunt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie. Over het algemeen is de genoemde geluidwering bij nieuwbouw relatief eenvoudig te behalen. Een aanvullend (bouw)akoestisch onderzoek wordt daarom op voorhand niet noodzakelijk geacht. Industrielawaai Bij bedrijven in verschillende milieucategorieën kan het voorkomen dat er negatieve effecten op geluidgevoelige objecten plaatsvinden. Voor nieuwe situaties dient daarom bekeken te worden of er sprake is van mogelijk negatieve effecten door en op een geluidsgevoelig object. Het naastgelegen pand wat in gebruik is door KwikFit is direct
30
grenzend aan het plangebied. Met de realisatie van woningen worden geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt, waardoor het naastgelegen bedrijf in de bedrijfsvoering kan worden belemmerd of de woningen negatieve effecten ervaren van de bedrijfsvoering van het naastgelegen pand. Een akoestisch onderzoek naar industrielawaai kan mogelijk negatieve effecten op geluidgevoelige objecten in beeld brengen. Motivering Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek rapportage DATUM) PM Akoestisch onderzoek
naar
industrielawaai uitgevoerd (zie bijlage X,
Conclusie Omdat de grenswaarde niet wordt overschreden en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie vanwege wegverkeerslawaai kan gemotiveerd worden afgeweken van de standaardwaarde. Er is sprake van een aanvaardbaar geluidklimaat, dit aspect vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4. 6. 6 Luchtkwaliteit Bij het toelaten van activiteiten moeten, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO)2 en PM 10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO 2 en PM 10 in de buitenlucht niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en NO.2 Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. Motivering In artikel 5.
54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO)2 en PM.10 Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1. 500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide. De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van 23 tijdelijke conceptuele woningen in de sociale huursector met een gezamenlijke buitenruimte. De ontwikkeling valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Het plan draagt niet in betekende mate bij aan de concentratie van stikstofdioxide. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4. 6. 7 Milieueffectrapportage De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m. e. r) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m. e. r. -beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.
Motivering Bij de ontwikkeling van woningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan (voorheen de aanmeldnotitie). Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze onderbouwing fysieke leefomgeving wordt tevens gezien als de mededeling.
31
Of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten is mede afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling en de relatie met andere plannen, projecten of activiteiten en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. In onderhavig plan worden in totaal 23 woningen mogelijk gemaakt in de sociale huursector. De woningen worden tijdelijk geplaatst op een nu braakliggend terrein in een bestaande woonwijk. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt zijn (zie paragraaf 4. 1 t/m 4. 6). Conclusie Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
32
5. Conclusie 5. 1 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verkrijgen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8. 0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8. 0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan
V ~
X
Bodem Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven
V V V
Natuur en water Weging van het waterbelang Natuur
V V
Omgevingskwaliteit Ladder voor duurzame verstedelijking Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit Cultuurhistorische waarden
V V V
Mobiliteit en bereikbaarheid Verkeersgeneratie Vervoersmodaliteit en ontsluiting Parkeren
V V V
Duurzaamheid
V
Gezonde leefomgeving Bewegen Groen Milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage
V V V V PM V V
5. 2 BELANGENAFWEGING Zoals uit de tabel uit paragraaf 5. 1 blijkt, wordt aan vrijwel alle aspecten voldaan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en wordt de ontwikkeling aanvaardbaar geacht ten aanzien van de leefomgeving.
33
6. Uitvoerbaarheid 6. 1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het verlenen van een omgevingsvergunning met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is gericht op uitvoering van een project. Om te waarborgen dat het project ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd moet aangetoond worden dat het ook financieel uitvoerbaar is. Zo wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die uiteindelijk niet uitgevoerd kunnen worden. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de grondeigenaar (tevens initiatiefnemer) plaatsvindt. De te verhalen kosten voor de gemeente betreffen eventuele nadeelcompensatie en proceskosten. Ten aanzien van deze aspecten is het mogelijk een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten tussen de gemeente en de initiatiefnemer zodat er geen publiekrechtelijk kostenverhaal in het kader van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Deze overeenkomst zal voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. 6. 2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6. 2. 1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn.
Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Motivering Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft op maandag 27 mei 2024 een participatiebijeenkomst plaatsgevonden. Hierbij zijn de omwonenden van de planlocatie uitgenodigd en zijn uiteindelijk 42 personen op het participatiemoment aanwezig geweest. Er is aan meerdere informatietafels uitleg gegeven over de ontwikkeling om zo in gesprek te komen met de omwonenden. De omwonenden staan over het algeheel positief tegenover de ontwikkeling en willen graag op de hoogte gehouden worden bij een definitief plan. Het verslag van de bijeenkomst is bijgevoegd (bijlage 5). Conclusie De omgeving staat positief tegenover de voorgenomen ontwikkeling.
34
Bijlagen
Bijlage 1: Verkennend Bodemonderzoek
Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423 Projectnummer: 23230009 17 maart 2023
MILIEU
EN
RUIMTE
COLOFON Titel:
Eindrapport verkennend
Locatie:
Diepenbrockstraat 423
Datum:
17 maart 2023
Opdrachtgever:
(geanonimiseerd) |
Project Nummer:
23230009
Opgesteld
se (geanonimiseerd) EN
door:
Kwaliteitscontrole:
bodemonderzoek
(geanonimiseerd) |
2001,
SMA
| Heinkenszandseweg
22
| 4453 VG ‘s-Heerenhoek | info@smazeelandbv.nl
| 0113 352
222
2002
Inhoudsopgave SAMENVATTING
.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
CONCLUSIES CONSEQUENTIES EN AANBEVELINGEN
.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
1 1
. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
3
.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
1. INLEIDING
1
1. 1. AANLEIDING EN DOEL 1. 2. REFERENTIEKADER 1. 3. BETROUWBAARHEID
. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
3 3 4
. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
6
. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
2. VOORONDERZOEK
2. 1. ALGEMENE BODEM- EN LOCATIEGEGEVENS 2. 2. HISTORISCHE KAARTEN, LUCHTFOTO’S EN OVERIG BEELDMATERIAAL 2. 3. RELEVANTE BODEMDOCUMENTEN EN VERGUNNINGEN 2. 4. REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE 2. 5. INTERPRETATIE VERWACHTE MILIEUHYGIËNISCHE BODEMKWALITEIT 2. 6. HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE
.. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
6 8 9 10 11 13
.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
15
. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
.. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
3. VELDWERK
4. ANALYTISCH ONDERZOEK
.. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
4. 1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK NAAR CHEMISCHE PARAMETERS 5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
.. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
16
. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
18
5. 1. CONCLUSIES 5. 2. TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESES 5. 3. CONSEQUENTIES EN AANBEVELINGEN
. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
18 18 19
.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
20
. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
ACHTERGRONDDOCUMENTEN
.. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..
BIJLAGE 1 OVERZICHTSKAART LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE BIJLAGE 2 SITUATIETEKENING BIJLAGE 3 BOORBESCHRIJVINGEN EN -PROFIELEN BIJLAGE 4 TOETSINGSTABELLEN BIJLAGE 5 ANALYSERESULTATEN BIJLAGE 6 BODEMINFORMATIE, KAARTEN EN LUCHTFOTO’S BIJLAGE 7 FOTO’S
23230009
16
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
Samenvatting (geanonimiseerd) \s BW
Door
bodemonderzoek
De
Het
aanleiding doel
(grond
van
SMA
aan
B.V.
de
opdracht verstrekt
de Diepenbrockstraat
aan
voor
het bodemonderzoek
het
onderzoek
grondwater)
en
Zeeland
NEN
het
uitvoeren
van
verkennend
een
423.
is de voorgenomen
5740
voor
is
inzicht
te
herinrichting
verkrijgen
in
de
van
de betreffende locatie.
milieuhygiënische
bodemkwaliteit
op de locatie.
Conclusies
Op
het
noordwestelijke
deel
Verder bestaat de bodem
In het
zintuiglijk schone
met
sporen
zijn
geen
baksteen
van
de
locatie
op de locatie
zand
is
een
zijn
boringen gestaakt op een ondoordringbare laag. gehele geboorde diepte (max. 3,0 m-mv) uit zand.
de
over
enkele
zijn geen achtergrondwaarde-overschrijdingen aangetoond.
In
de
achtergrondwaarde-overschrijding
het
grondwater
voor
lood
aangetoond.
In
lood
in de
grond geeft
geen
zandlaag
streefwaarde-overschrijdingen aangetoond.
Consequenties
aanbevelingen
en
Aanvullend onderzoek De op de onderzoekslocatie het uitvoeren
geconstateerde verhoogde gehalte
aanleiding
tot
aanvullend of nader bodemonderzoek.
van
Grondverzet
alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring op grond) nodig zijn. Dit is afhankelijk van onder andere -maar niet uitsluitendde afzetlocatie, de partijomvang, de aangetroffen gehalten en de bodemvreemde In
geval
het
nuttig
De
eventuele
bevoegd
gezag
Besluit
milieuadviesbureau worden
bepaald.
van
bijmengingen. met
het
herbestemmen
noodzaak
uitkomende
van
tot
keuring en mogelijkheden hiervoor kunnen in overleg bodemkwaliteit (veelal de ontvangende gemeente) en/of een
Echter is de exacte
ligging onbekend. Op
de
van
enkele
buiten)
de
moesten
basis
worden
gestaakt
op
gebied
worden
geen
peilbuis
vooralsnog
onbekend.
De
in dit
grondresultaten
De
van
liggen.
kon
23230009
locatie
locatie
Zodoende
kan
verdere
Mogelijke aanwezigheid ondergrondse tank Op basis van de voorinformatie zou op de noordwesthoek
grond
nog
die
in dit
1,3
1,7
m-mv
áà
uitgevoerd
en
aanleiding
bodemonderzoek
aanwezig
zijn.
mogelijk in (enkele gebied zijn uitgevoerd inpandig
boringen
Milieu Advies Zeeland
Eindrapport verkennend
brandstoftank
de best beschikbare informatie
geven geen
Sagro
ondergrondse
een
vanwege is hier de
zou
een
ondoordringbare
kwaliteit
tot vermoeden
van
B.V.
Diepenbrockstraat 423
de tank
van een
het
laag.
grondwater
verontreiniging.
1
Tijdens voorliggend onderzoek kon niet nader worden aangetoond of de ondergrondse tank hier daadwerkelijk ligt. Mocht de tank bij ontwikkeling van de locatie op een ander gedeelte van de locatie worden aangetroffen dan dient door een erkende bodemintermediair te worden geëvalueerd of bodemonderzoek noodzakelijk is óf dat het voorliggend onderzoek voldoende wordt geacht.
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
2
1.
Inleiding
1.1. Aanleiding
en
(geanonimiseerd) \s BW
aan
Door
bodemonderzoek
De
aanleiding
Het
doel
(grond
van
doel
SMA
B.V.
voor
het bodemonderzoek
het
onderzoek
grondwater)
en
Zeeland
de
opdracht verstrekt
de Diepenbrockstraat
aan
NEN
het
voor
uitvoeren
van
een
verkennend
423.
is de voorgenomen
5740
is
inzicht
te
van
de
NEN
5740.
herinrichting
verkrijgen
in
de betreffende locatie.
van
de
milieuhygiënische
bodemkwaliteit
op de locatie.
1.2. Referentiekader
Onderzoeksopzet De
onderzoeksopzet
afgeleid
is
veldonderzoek,
chemische
Toetsingskader
verkennend
De
voor
grond
analyses, interpretatie bodemonderzoek
de standaardbodem conform
worden
interventiewaarden.
de
De
(lutum Wet
25%
bodembescherming
analyseresultaten
van
het
betrekking
op
onderzoek
chemische
naar
organische
en
Het
bestaat
uit:
vooronderzoek,
toetsing.
en
stof
parameters
10%) gecorrigeerde analyseresultaten
getoetst
de
aan
grondwater
van
de
(AW2000)
en
streefwaarden
en
achtergrondwaarden
worden
getoetst
de
aan
interventiewaarden.
De
achtergrondwaarden of op
voorkomen,
hebben
detectiegrenzen bij
onbeïnvloede
bodemkwaliteit.
milieukwaliteit
op
de
interventiewaarden voor
mens,
voor
het
Er
is
dier
lange termijn,
bodemsanering plant ernstig
en
verontreinigingsniveau
sprake
gemiddelde
van
een
geval
die niet
streefwaarden
uitgaande geven
aan
nature voorkomen.
grondwater
geven
of 100
de interventiewaarde.
plaatsen
waar
wat
voor
de
ecosysteem.
De
het
ijkpunt het
voor
eigenschappen
die de bodem
zijn representatief
verminderd.
geval
ernstige (bodem) verontreiniging.
een
van
Ze
In enkele
specifieke
in
en/of in de
het
geval
situaties kan
onverzadigde
Sagro
van
voor
zijn
bodem
in
bodemonderzoek
het
onder
één
stof
geval
de van
grondwaterverontreiniging, hoger
een
bij gehalten
Milieu Advies Zeeland
Eindrapport verkennend
heeft
te worden
sprake is
bodemvolume
is
een
van
vluchtige verbindingen aanwezig
grondwaterstanden
23230009
van
van
m°
nature
van
dreigen
sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Dit geldt -_moestuin/volkstuin, -
die
In principe is sprake
risico's
de functionele
wanneer
of
aan
verwaarloosbare
van
zijn verminderd waarboven
van
stoffen
van
ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste van m°_bodemvolume concentratie minimaal 25 in het
gemeten
grondverontreiniging, dan
De
stoffen
achtergrondgehalten
de
onder de interventiewaarden
is
ook
zogenaamde gevoelige functies:
grondwater
in
combinatie
met
hoge
bebouwing.
B.V.
Diepenbrockstraat 423
3
Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is sprake aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren.
van een
potentieel risico dat
De achtergrond-, streef- en interventiewaarden worden in het vervolg, samenvattend, toetsingswaarden genoemd. De norm voor barium in grond is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds (interventiewaarde barium voor een standaardbodem). Handelingskader PFAS De analyseresultaten van de op PFAS geanalyseerde monsters worden aanvullend getoetst aan het 13 december 2021 gepubliceerde Handelingskader PFAS. Dit rapport voldoet niet aan de onderzoekseisen voor nuttige toepassing van grond elders onder de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met het Handelingskader PFAS. De toetsing aan deze normwaarden is daarom indicatief van aard en bedoeld voor eventuele afvoer van grond naar een erkende grondverwerkingsinrichting. 1. 3. Betrouwbaarheid Het hier gerapporteerde bodemonderzoek is uitgevoerd op zorgvuldige wijze, in overeenstemming met de geldende richtlijnen en de gebruikelijke inzichten en methoden. SMA Zeeland B. V.
beschikt over een kwaliteitsmanagementsysteem (NEN-EN-ISO 9001: 2015) en veiligheidsmanagementsysteem (VGM Checklist Aannemers) waarbinnen de kwaliteit van de werkzaamheden dusdanig wordt beheerst en gewaarborgd dat haar diensten zo goed mogelijk aan de eisen en doelstellingen van de opdrachtgever voldoen. Het veldwerk is uitgevoerd door SMA Zeeland B. V. Het milieukundige veldwerk ten behoeve van het grond- en grondwateronderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen van de BRL SIKB 2000 en conform de hierbij van toepassing zijnde protocollen. De uitvoerende partij beschikt hiertoe over het procescertificaat “Veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek” op basis van de Beoordelingsrichtlijn SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002, 2003, 2018. Dit procescertificaat is uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundige veldwerk, beginnend bij de acceptatie van het veldwerk, en eindigend bij de overdracht van de veldwerkgegevens en monsters. Eventueel onderzoek aan asfaltverharding, halfverhardingen en funderingsmaterialen valt niet onder de scope van de BRL SIKB 2000. In het kader van de waarborging van de onafhankelijkheid verklaart de hierboven genoemde partij dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de in dit kader gestelde eisen van de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen.
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
4
De laboratoriumanalyses van dit onderzoek Accreditatie geaccrediteerd laboratorium.
zijn uitgevoerd door
een
daartoe door de Raad
van
Een bodemonderzoek is erop gericht met beperkte middelen vast te stellen of er bodemverontreiniging aanwezig is. Dit impliceert dat de conclusies van het bodemonderzoek slechts een beperkte reikwijdte hebben. Door beperkt aantal boringen, proefgaten, proefsleuven en analyses, betekent dit concreet dat een mogelijk aanwezige verontreiniging over het hoofd gezien kan worden. Het bodemonderzoek garandeert derhalve nooit dat de onderzochte locatie geheel schoon is of anderszins, dat met het bodemonderzoek alle eventueel aanwezige verontreinigingen worden gedetecteerd. Verder geldt dat de resultaten van het onderhavige onderzoek een momentopname vormen van de bodemkwaliteit. Na de uitvoering en rapportage van dit onderzoek zouden activiteiten kunnen plaatsvinden die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater op de onderzoekslocatie kunnen beïnvloeden. Voorbeelden hiervan zijn het bouwrijp maken van de locatie of het aanvoeren van grond van elders. Een andere factor kan bijvoorbeeld zijn het transport van verontreinigende stoffen via het grondwater van buiten de onderzoekslocatie. Gezien deze overwegingen, dienen de hier gerapporteerde onderzoeksresultaten met meer voorzichtigheid gebruikt en geïnterpreteerd te worden naarmate de tijd toeneemt die verlopen is na de uitvoering van het onderzoek.
Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan geen uitspraak worden gedaan over de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van asbest en/of het gehalte aan asbest in lagen waarop geen specifiek veld- en analytisch onderzoek is verricht. Dit betreft met name als “onverdacht voor verontreiniging met asbest” aangemerkte lagen. Hiervoor kan (aanvullend) onderzoek plaatsvinden conform de NEN 5707 (Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond) en/of de NEN 5897 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan in principe geen uitspraak gedaan worden over de toepassingsmogelijkheden van eventueel van de locatie af te voeren grond. Hiervoor dient onderzoek plaats te vinden conform het Besluit bodemkwaliteit. SMA Zeeland B. V. kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade of anderszins voor eventuele gevolgen die voortkomen uit het gebruik en de interpretatie van de in dit rapport gepresenteerde onderzoeksgegevens. Dit rapport mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd, tenzij met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van SMA Zeeland B. V.
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
5
2. Vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt het voormalige, het huidige en het toekomstige bodemgebruik besproken. Dit zal leiden tot een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie van de onderzoekslocatie. In NEN 5725:2017 zijn zeven mogelijke aanleidingen voor vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. In onderhavig onderzoek is of zijn de volgende generieke aanleiding(en) van toepassing: A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. 2. 1. Algemene bodem- en locatiegegevens De algemene locatiegegevens samengevat:
algemene
en
gegevens
met betrekking tot de bodem worden als volgt
Het gebouw op de locatie is in 1970 gebouwd. Eerst was het te onderzoeken terrein onderdeel van een herstelinrichting voor motorvoertuigen. Vanaf 1975 was een deel van de locatie in gebruik als bibliotheek en fonotheek. Vanaf de jaren ‘90 werd de locatie grotendeels gebruikt als zonnecentrum met schoonheidssalon, timmerwerkplaats, kapsalon en dansschool. In 1995 is de locatie uitgebreid met een sportcentrum waarbij een zwembad is aangelegd. Het sportcentrum was tot ca. 2006 in gebruik. Hierna is de locatie verhuurd aan het Leger des Heils voor het verkoop van tweedehandshuishoudelijke spullen. Hierbij is het zwembad met beplating dichtgelegd. Tabel 2. 1. Overzicht algemene aspecten
van
de onderzoekslocatie
Algemene onderzoeksaspecten
Bron(houder)
Locatiegegevens en ligging Adres en plaats
Diepenbrockstraat 423
Kadaster
Burgerlijke gemeente
Terneuzen
Kadaster
Kadastrale gemeente
Terneuzen
Kadaster
Sectie(s)
N
Kadaster
Nummer(s)
333, 234, 1378 en gedeeltelijk 2741
Kadaster
2. 553
Opdrachtgever
2
Oppervlakte (m)
SMA Zeeland B. V. Kadaster 1
Gemiddelde hoogte (m t. o. v. NAP)
+1,4
AHN
Ligging op kaart
Zie bijlagen 1 en 2
Kadaster, SMA Zeeland B. V.
Verhardingen
Buiten bestrating, binnen beton
Opdrachtgever SMA Zeeland B. V.
Antropogene lagen
Niet bekend
Opdrachtgever
Bodemopbouw
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
6
Algemene onderzoeksaspecten Dempingen
Bron(houder) Niet bekend
Provincie Zeeland (Geoloket of Bodem Informatie Systeem, BIS) Kadaster
Grondwaterbeheersplan
Niet gezoneerd
Waterschap Scheldestromen
Geohydrologie
Zie § 2. 4
DINOloket
Zonering bodemkwaliteitskaart
A Buitengebied en naoorlogse
Nota bodembeheer
(BKK)
woonwijken (NEN5740+OCB)
gemeente Terneuzen
Verwachting t. a. v. de bodemkwaliteit
PFAS Zeeuws-Vlaanderen (PFAS) BKK klasse bovengrond
Achtergrondwaarde (NEN5740+OCB)
Nota bodembeheer
Achtergrondwaarde (PFAS) BKK klasse ondergrond
Achtergrondwaarde (NEN5740+OCB)
Nota bodembeheer
Achtergrondwaarde (PFAS) BKK functieklasse
Wonen
Nota bodembeheer
BKK Toepassingseis PFAS
Natuur/landbouw/overig
Nota bodembeheer
Boomgaardenkaart (periode)
1930 & 1960
’t Zeeuws bodemvenster (Provincie Zeeland)
Aandachtsgebied lood
Nee
’t Zeeuws bodemvenster
Aandachtsgebied arseen in
Ja, verhoogde kans
Provincie Zeeland (Geoloket)
Asbestkansenkaart
Niet gezoneerd
Provincie Zeeland (BIS)
Voormalig stortplaats bekend
Nee
Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)
Opslagtanks bekend
Afgewerkte olietank (ondergronds),
Gemeente (BIS)
grondwater
exacte ligging onbekend. Geval van ernstige
Nee, wel op ca. 15 m ten zuiden van de
bodemverontreiniging bekend
locatie - aan de straatzijde van de
Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)
Rooseveltlaan (pand KwikFit direct aansluitend aan huidige onderzoekslocatie) . Wbb-beschikkingen bekend
Nee
Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)
Bodemdocumenten bekend
Zie §2. 3
Gemeente (BIS) Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)
Gebruik en beïnvloeding van de locatie Voormalig gebruik
Showroom/werkplaats garage,
Gemeente (BIS)
bibliotheek, fitnesscentrum met zwembad. Huidig gebruik
Tweedehandswinkel
Toekomstig gebruik
Wonen
Opdrachtgever SMA Zeeland B. V.
23230009
Opdrachtgever
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
7
Algemene onderzoeksaspecten Geplande werkzaamheden
Bron(houder) Sloop gebouw, herinrichten terrein met
Opdrachtgever
nieuwbouw woningen Aard bebouwing
Bedrijfspand
Kadaster, BAG
Periode bebouwing
1970
Kadaster, BAG
Bedrijventerrein
Nee
Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)
Calamiteiten bekend
Nee
Opdrachtgever Gemeente (BIS) RUD Zeeland (BIS)
Relevante vergunningen
Zie §2. 3
beschikbaar
Gemeente (BIS) RUD Zeeland
Bodembedreigende activiteiten
Kleine chemicaliënopslag (in het
SMA Zeeland B. V.
bekend (anders dan bovenstaand)
zuidwestelijk gedeelte van het gebouw).
Gemeente (BIS)
De locatie is naast een garage gelegen (KwikFit, Rooseveltlaan 1). Toepassing asbestverdachte
In bodem onbekend, wel bekend van in
Asbestinventarisatie BRL 5052,
materialen
het gebouw.
SMA Zeeland B. V. , kenmerk: 2383009, d. d. 19 februari 2008
Terreinverkenning Bijzonderheden
Aan de buitengevel geen indicatie van
SMA Zeeland B. V. , 23 januari 2023
een ontluchting kunnen vinden van een
ondergrondse tank voor afgewerkte olie. Het voormalige zwembad is met beplating dichtgelegd voordat de locatie in gebruik werd genomen als winkel.
2. 2. Historische kaarten, luchtfoto’s en overig beeldmateriaal Uit historische kaarten (bronhouder: Kadaster) en luchtfoto’s (bronhouder: Provincie Zeeland (Geoloket)) kan worden opgemaakt dat de locatie tot omstreeks de jaren ’70 gelegen was in agrarisch gebied. De locatie was al vanaf begin de 20 ste eeuw bebouwd (agrarische schuur met buitenterrein (ca. jaren ’60 gesloopt). Sinds de bouw van het huidige pand in 1970 lijkt de situatie op de locatie niet te zijn veranderd. Zie verder Bijlage 6.
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
8
2. 3. Relevante bodemdocumenten
en
vergunningen
Op de onderzoekslocatie zijn drie verschillende huisnummers geregistreerd (421, 423 en 425). Hiervan zijn de onderstaande bodemrapporten beschikbaar: Verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 421 te Terneuzen, Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium “Zeeuws-Vlaanderen” B. V. kenmerk: onbekend, d. d. 13 februari 1995 o Het onderzoek werd uitgevoerd t. b. v. de aanleg van een zwembad op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie was in de noordoosthoek van het gebouw. o In de bovengrond werden geen overschrijdingen van de streefwaarde aangetoond. In het grondwater werd de streefwaarde voor tolueen en xylenen overschreden. Verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423 + 425 te Terneuzen, Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium “Zeeuws-Vlaanderen” B. V. kenmerk: 07A1176, d. d. 11 december 2007 o Tijdens het onderzoek zijn vijf locaties onderzocht; (i) voormalige opslagruimte chloor/zoutzuur, (ii) voormalige olie- en benzine afscheidingsput, (iii) voormalige autowasserette, (iv) voormalige hefbrug en (v) onverdacht terreingedeelte. o In de bovengrond werden OCB’s licht verhoogd en lood matig verhoogd aangetoond. o Ter plaatse van de voormalige wasserette werd xylenen licht verhoogd in de grond aangetoond. o Ter plaatse van de overige verdachte deellocaties werden geen verhoogde waarden van de risicostoffen aangetoond in de grond en/of het grondwater.
o Middels het onderzoek is de eindsituatie vastgelegd van de risicopunten van de activiteiten < 2007. Briefrapport Diepenbrockstraat 425 Terneuzen, SMA Zeeland B. V. kenmerk: RvdW/WP/2380012, d. d. 22 februari 2008 o Aanleiding tot het onderzoek was aangetoonde matig verhoogde gehalten lood in 2007. o Verdeeld over de locatie zijn de bovengrond (0-50 cm) en ondergrond (50-100 cm) onderzocht op lood. In geen van de monsters werden verhoogde gehalten aangetoond. ,
,
,
Verder zijn van de locatie onderstaande vergunningen bekend: o Hinderwetvergunning, kenmerk: onbekend, d. d. 16 april 1974, voor het oprichten en in werking brengen en houden van een herstelinrichting voor motorvoertuigen. o Wet milieubeheer vergunning, kenmerk: 931170 d. d. 7 mei 1993, voor het oprichten en inwerking hebben van een zonnecentrum, schoonheidssalon, timmerwerkplaats, kapsalon en dansschool. o Wet milieubeheer vergunning, kenmerk: 950295/wm95013 d. d. 11 april 1995, voor het uitbreiden van het sportcentrum met een fitnessruimte, zwembad, bar en sauna. Voor gedetailleerdere informatie m. b. t. de voormalige herstelinrichting voor motorvoertuigen en het sportcentrum wordt kortheidshalve verwezen naar het verkennend bodemonderzoek met kenmerk 07A1176 (d. d. 11 december 2007).
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
9
2. 4. Regionale bodemopbouw
en
geohydrologie
Op basis van in de nabijheid van de onderzoekslocatie gelegen boringen en daarvan afgeleid kaartmateriaal, afkomstig van onder andere TNO en de voormalige RGD (bronhouder: DINOloket), is het geformuleerd. en onderstaande vereenvoudigde bodemmodel De werkelijke bodemopbouw van grondwaterstand ter plaatse de onderzoekslocatie kan hiervan afwijken.
Figuur 1. Gemodelleerde bodemopbouw tot 5 m-mv.
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
10
2. 5. Interpretatie verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit In NEN 5725:2017 zijn per generieke aanleiding zoals benoemd in het begin van dit hoofdstuk, diverse te beantwoorden onderzoeksvragen geformuleerd. Na het verkrijgen van de gegevens beschreven in voorgaande paragrafen dienen in onderhavig onderzoek nog de volgende vragen te worden beantwoord om een onderzoekshypothese te vormen: A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? De horizontale begrenzingen van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in Bijlage 2. Het grondonderzoek beperkt zich tot een maximale diepte van 2,0 m-mv. Het grondwateronderzoek beperkt zich tot een diepte van 1,5 m- de grondwaterstand die tijdens het veldwerk zal worden aangetroffen. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? Vermoedelijk is sprake van diffuse, antropogene bodembelasting met heterogene verdeling op schaal van monstername als gevolg van het jarenlange gebruik van de locatie. Concrete puntbronnen zijn niet aan te wijzen. De risicostoffen betreffen de parameters uit het standaardpakket voor landbodem.
Chemicaliënopslag zuidelijk gedeelte van het gebouw. De risicostoffen betreffen in eerste instantie de parameters uit het standaardpakket voor landbodem (grond en grondwater). Mogelijk is onder het noordwestelijk gedeelte van het gebouw nog een olietank voor opslag van afgewerkte olie aanwezig van onbekende omvang en met onbekend ligging. In dit gebied zullen meerdere diepe boringen worden uitgevoerd waarvan één wordt afgewerkt als peilbuis. De risicostoffen betreffen minerale olie in grond en minerale olie en vluchtige aromaten in het grondwater. De risicopunten van de voormalige herstelinrichting voor motorvoertuigen en het sportcentrum zijn in 2007 reeds onderzocht en maken verder geen deel meer uit van het voorliggend onderzoek. Is de bodem asbestverdacht? De bodem is op voorhand niet asbestverdacht. Indien tijdens de veldwerkzaamheden asbestverdachte materialen of asbestverdachte bijmengingen (puin, beton of afval) in de bodem worden aangetroffen, dient wel te worden uitgegaan van een locatie verdacht voor bodemverontreiniging met asbest.
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
11
Wat is de bodemopbouw en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? Op basis van eerder onderzoek is de verwachting dat de bodem over de gehele onderzoeksdiepte bestaat uit (kleiig) zand. Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving op de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn (zeer) zorgwekkende stoffen die al vele decennia worden gebruikt in vele processen en producten. Deze stoffen worden niet enkel lokaal bij puntbronnen (b. v. teflonproducende en -verwerkende bedrijven, galvanisatiebedrijven, brand(oefen)plaatsen) aangetroffen, maar zijn inmiddels ook als diffuse verontreiniging in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetroffen. Voor deze stoffen is een handelingskader opgesteld en gepubliceerd op 13 december 2021. In 2020 en 2021 zijn Zeeuwse bodemkwaliteitskaarten voor PFAS gepubliceerd die een regionaal beeld geven van de bodemkwaliteit m. b. t. PFAS. De huidige locatie kent geen puntbronnen en ligt niet in één van de aandachtsgebieden. Er is geen aanleiding voor veld- en analytisch onderzoek naar PFAS28+2; de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart biedt voldoende informatie.
Echter zal gezien de beoogde ontwikkeling van de locatie en mogelijk afvoer van grond toch onderzoek naar PFAS worden meegenomen in het voorliggend onderzoek. Als gevolg van natuurlijke bodemprocessen worden arseen, barium, chroom en molybdeen in Zeeland regelmatig in van nature verhoogde concentraties aangetroffen in het freatische grondwater. In de grond zijn dan niet altijd verhoogde gehalten aantoonbaar en concentraties kunnen fluctueren. Voor barium en chroom geldt dat de natuurlijke achtergrondconcentraties in brak grondwater doorgaans wat hoger zijn dan in zoet grondwater (RIVM briefrapport 20170125). Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord. Veld- en analytisch onderzoek is noodzakelijk. De beschikbare gegevens geven te weinig concrete informatie over de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (bovengrond, ondergrond en grondwater) op de locatie. Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)? Zie § 2. 6.
23230009
Sagro Milieu Advies Zeeland B. V. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Diepenbrockstraat 423
12
2. 6. Hypothese
en
onderzoeksstrategie
Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende (gestandaardiseerde) onderzoekshypotheses geformuleerd waarbij in voorkomende gevallen onderscheid is gemaakt tussen separaat te onderzoeken deellocaties. Er wordt tevens onderscheid gemaakt tussen de verwachte bodemverontreinigingssituatie met betrekking tot chemische parameters en de verwachte verontreinigingssituatie met betrekking tot asbest. Tabel 2. 2. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar chemische parameters Bodemcompartiment /
Hypothese (NEN 5725)
Analyseparameters
traject
Strategie (NEN 5740)
Gehele locatie* Bovengrond
verdachte locatie, diffuse
standaard parameters voor
bodembelasting en heterogene
landbodem (pakket A), OCB
VED-HE-NL
verdeling op schaal van monsterneming Bovengrond
verdachte locatie, diffuse