2024-09-11 001334 BP01 VG02 gewijzigde vaststelling bp bedrijfsverplaatsing-gecomprimeerd (geanonimiseerd)
Tekst van het document
in of in de
nabijheid
van
In de huidige situatie is het plangebied geheel onbebouwd en onverhard. Uitgaande van de planologisch maximale mogelijkheden is het in de toekomstige situatie mogelijk om 15. 000 m 2 aan dakoppervlak toe te voegen. Het overige deel van het bouwvlak mag verhard worden. Dit betekent dat er sprake is van een feitelijke toename 2 van 20. 000maan verharding. Voor deze toename zal watercompensatie benodigd zijn. Er zal 20. 000 x 0,075 = 1500 m 3 aan watercompensatie gerealiseerd moeten worden. Ten zuiden en oosten van het perceel zullen de sloten verbreed worden. Daarnaast is er ten zuidwesten van het bouwvlak ruimte gereserveerd voor het realiseren van de benodigde waterberging. Voor de planologische borging van de waterberging is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen. Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Het hemelwater wordt gebufferd in een ondergrondse Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ opslag van 80 tot 100m 3 voor gebruik op het bedrijf. RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Daarnaast kan hemelwater middels samengestelde Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in drainage op het naastgelegen perceel infiltreren. Het verband met de reductie van hydraulische belasting van overtollige hemelwater wordt afgevoerd naar de de RWZI, het transportsysteem en het beperken van waterberging ten zuidoosten van het plangebied.
Het overstorten. afvalwater wordt middels een septictank gezuiverd. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Juust
Er treden geen veranderingen grondwaterkwantiteit.
op
in
de
van
36
Buitengebied, Graafjansdijk B 99 en Middenweg (Westdorpe)
Grondwaterkwaliteit Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. worden geen uitlogende materialen gebruikt. Er zijn Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. daardoor geen nadelige gevolgen voor de grondwaterkwaliteit te verwachten. Oppervlaktewaterkwaliteit Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase Behoud realisatie van goede worden geen uitlogende materialen gebruikt. Er zijn of oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht daardoor geen nadelige gevolgen voor de het watersysteem. Toepassing van de trits grondwaterkwaliteit te verwachten. van schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid De volksgezondheid is niet in het geding. Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o. a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Er is geen sprake van bodemdaling. Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Natte natuur Er is geen sprake van natte natuur in of in de nabijheid Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en van het plangebied. natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater De beoogde ontwikkeling is niet gesitueerd in of in de Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden nabijheid van een onderhoudsstrook ten behoeve van worden.
Rekening houden met obstakelvrije het onderhouden van oppervlaktewater. onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Anderer belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap
4. 13
Niet van toepassing.
De Middenweg en Eversdam zijn in beheer bij het Waterschap. Ten behoeve van de realisatie van het agrarisch bouwvlak zullen de verkeersstromen van met name landbouwvoertuigen toenemen op de Middenweg en Eversdam. Gelet op de breedte van de Middenweg en Eversdam vormt dit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Milieu Effect Rapportage
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m. e. r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) m. e. r. -beoordelingsplicht geldt. belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m. e. r. -plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m. e. r. -beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m. e. r. .
De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het
Juust
37
Buitengebied, Graafjansdijk B 99 en Middenweg (Westdorpe)
ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m. e. r. -beoordeling. Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die genoemd is in onderdeel D van het Besluit m. e. r. Een beoordeling of besluit is dan ook niet benodigd. .
4. 14
Conclusie
Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
belemmering
Juust
Buitengebied, Graafjansdijk B 99 en Middenweg (Westdorpe)
38
voor
de ontwikkeling. Planologische
Hoofdstuk 5. 1
5
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6. 2. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs. Omdat het voorliggende plan niet voorziet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6. 12, eerste lid, Wro, hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt voor het verhalen van eventuele planschade en overige kosten op de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. 5. 2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3. 1. 1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan, tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, in ieder geval toegezonden aan de provincie en het waterschap. Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Gelet op het bepaalde in artikel 3. 8 Wro in combinatie met afdeling 3. 4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken van [datum] tot en met [datum] ter inzage gelegen. Een ieder is in de gelegenheid geweest zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Juust
39
Buitengebied, Graafjansdijk B 99 en Middenweg (Westdorpe)
Juust
40
Buitengebied, Graafjansdijk B 99 en Middenweg (Westdorpe)
Bijlagen bij toelichting
Juust
41
Buitengebied, Graafjansdijk B 99 en Middenweg (Westdorpe)
Bijlage
Juust
1
Archeologisch onderzoek
42
Buitengebied, Graafjansdijk B 99 en Middenweg (Westdorpe)
|—e Ke) U
le} bo
ARTEFACT!
RAPPORT
Westdorpe Eversdam Gemeente
<1
856
-
LL;
Middenweg
Terneuzen
im ed
G
a6 U N Ln
Archeologisch
Bureavonderzoek
U ke) S
en
Inventariserend Veldonderzoek door middel
van
verkennende
le}
boringen
6
U u
U Ee
>
Ke, kat]
(geanonimiseerd)
Colofon
Titel
Westdorpe
Eversdam
Bureavonderzoek
en
-
Middenweg.
Gemeente Terneuzen.
Inventariserend
Archeologisch
Veldonderzoek door middel
van
verkennende
boringen Auteur(s)
(geanonimiseerd) |
Artefact rapport
AR856
Status
Definitief
rapport
Voorliggend
rapport is voorgelegd onderschreven. Datum
4
Projectcode
2023ART138
ISSN
22137424
Veldwerk
(geanonimiseerd) <
Autorisatie
Naam
en
bevoegde overheid,
deze heeft het advies
(geanonimiseerd) (Senior KNA Prospectors) NN
(geanonimiseerd) En (geanonimiseerd) Senior
KNA
Prospector)
(geanonimiseerd)
Onderzoek in Erfgoed B.V.
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) T
0115851614
E
info@artefact-info.nl
W
_www.artefact-info.nl
© Artefact! Advies
N
X
ES rd
xetsWwag K
%
en
gebruik van de resultaten van
Onderzoek in
te
Dbehe*
Erfgoed B.V., 2024
in Erfgoed
aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.
zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.
A Ûï
x
Artefact! Advies en Onderzoek
Alle figuren
de
april 2024
Paraaf
Artefact! Advies
aan
óy
ARTEFACT RAPPORT 856
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
Inhoud Samenvatting
.. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .
Administratieve Gegevens
. .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . ..
4 5
Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7
1 1. 1
Aanleiding van het onderzoek
1. 2
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
1. 3
Wettelijk kader en beleid
1. 4
Plangebied, onderzoeksgebieden en planvorming
. .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . ..
. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . ..
. .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. .
7
8
10 12
Archeologisch bureauonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
2 2. 1
Methoden
2. 2
Landschap en geologie
2. 3
. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
. .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
2. 2. 1
Landschappelijke ontwikkeling
2. 2. 2
Aardkundige waarden
13 14
. .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
14
.. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
19
.. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
25
2. 3. 1
Historisch-geografische ontwikkeling
. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. .
25
2. 3. 2
Verstoringsgeschiedenis
.. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
35
. .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
36
Historie
2. 4
Archeologische waarden
2. 5
Bouw- en cultuurhistorische waarden
2. 6
Archeologisch verwachtingsmodel
. .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
42
.. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
43
Inventariserend veldonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
3 3. 1
Methoden
3. 2
Geologie en bodem
3. 3
Archeologie
. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
47
.. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
48
. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
50
Conclusie en Advies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51
4 4. 1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
4. 2
. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. .
51
Advies
. .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
52
Lijst met figuren
. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
54
. .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
56
Bronnen Bijlage 1
AMZ-cyclus
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Bijlage 3
Tijdstabel
Bijlage 4
Planvorming
Bijlage 5
Boorstaten
. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
.. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . ..
. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
. .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .
.. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . ..
3
59
60 61 63 64
ARTEFACT RAPPORT 856
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
Samenvatting De initiatiefnemer heeft het voornemen van om een nieuw bouwvlak te realiseren op delen van twee agrarische percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Sas van Gent, Sectie K, Perceel 406 en 407. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 19. 515 m.2 Voor deze percelen geldt heden de enkelbestemming Agrarisch en een dubbelbestemming Waarde archeologie 3 (1. 000 m²/ 0,50 m -mv). In het kader van de benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in opdracht van Juust B. V. een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan het volgende worden gesteld dat: Het Laagpakket van Wierden in het plangebied voor komt vanaf een diepte tussen 0,62 m +NAP en 0,03 m NAP (0,6 en 1,35 m -mv). Plaatselijk in het Laagpakket van Wierden rond 0,17 en 0,3 m -NAP (1,3 en 1,5 m -mv) een paleosol (Allerødlaag) is aangetroffen.
In de bovenzijde van het Laagpakket van Wierden vrijwel geen tekenen van bodemvorming zijn waargenomen, wel is hier sprake van een begraven A-horizont, daterend van vóór de afzettingsperiode van het Laagpakket van Walcheren. Een laatmiddeleeuwse datering is hier het meest waarschijnlijk. De bovenzijde van het profiel bestaat uit schorafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, welke lokaal (bedding smalle schorgeultjes) voor enige erosie van de oudere niveaus heeft gezorgd.
zeer
Er geen aanwijzingen aangetroffen zijn voor mogelijke archeologische vindplaatsen in en op het Laagpakket van Walcheren. Op basis van de resultaten van het booronderzoek geldt binnen het plangebied een hoge verwachting voor resten uit de late middeleeuwen vanaf een diepte van minimaal 0,3 m -mv. Verder geldt ook een middelhoge verwachting voor resten uit het meso- en neolithicum vanaf een diepte van minimaal 0,6 m -mv. Eventuele resten uit het paleolithicum kunnen aangetroffen worden vanaf een diepte van 1,3 m -mv. Gelet op de archeologische verwachting en verwachte diepteligging van mogelijk vindplaatsen wordt ten aanzien van de bestemmingsplanwijziging dan ook geadviseerd een dubbelbestemming inzake archeologie aan te houden met een dieptevrijstellingsgrens van 0,5 m-mv. Deze dieptevrijstelling is ruimer dan de verwachte diepteligging van minimaal 0,3 m -mv maar houdt rekening met de door de gemeente gehanteerde (en huidig geldende) dieptevrijstelling.
4
ARTEFACT
RAPPORT
856
WESTDORPE
Administratieve
EVERSDAM
-
MIDDENWEG
Gegevens
Projectnaam
Westdorpe
Eversdam
Onderzoeksvorm
Archeologisch
Bureavonderzoek
door middel
verkennende
van
-
Middenweg en
Inventariserend Veldonderzoek
boringen
LOCATIE
Provincie
Zeeland
Gemeente
Terneuzen
Plaats
Westdorpe
Adres / Locatie
Eversdam, Middenweg
Hoekpunten coördinaten
RD
coördinaat RD
Centrum Kaartblad
N49.148/ 362.340 Z49.140/ 362.151 49.150/ 362.249 67G
Kadastraal
perceel
Gemeente Sas
Oppervlakte plangebied
Circa 19.515 m°
Vigerende bestemmingsplan
Buitengebied 0,50
BEKENDE
O49.250/ 362.230 Z49.053/ 362.273
Gent,
van
Terneuzen
Sectie
K,‚ deels percelen „06
(2013); Agrarisch;
-Mv)
M
WAARDEN
Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK
Geen
status
Archis vondstlocatie
Geen
Zeeuws
Geen
Archeologisch Depot
(mail helpdesk
23 november
2023)
OPDRACHTGEVER Naam
Juust B.V.
Contactpersoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Adres
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Telefoon
0113-405051
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
BEVOEGDE
OVERHEID
Naam
Gemeente Terneuzen
Contactpersoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Adres
Postbus 35, (geanonimiseerd) WN Terneuzen
Telefoon
zons
(geanonimiseerd) eternevzen.nl Bm
-
06
(geanonimiseerd) EN
Waarde
en
407
archeologie 3 (1.000 m?/
ARTEFACT
RAPPORT
TOETSING
856
NAMENS
WESTDORPE
BEVOEGDE
Gemeente Terneuzen
Contactpersoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) den
Adres
Postbus 35, (geanonimiseerd) MN Terneuzen
Telefoon
(geanonimiseerd) Rr
(geanonimiseerd) mm eterneuzen.nl EN PLAATS
DOCUMENTATIE
Archeologisch Depot
Zeeuws
Contactpersoon
(geanonimiseerd) D.H.
Adres
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Postbus 49, B (geanonimiseerd) Middelburg
Telefoon
0118
(geanonimiseerd) mm eerfgoedzeeland.nl
E-depot
EDNA
van
den Berg
670618
(E-Depot Nederlandse archeologie
via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies
Contactpersoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Adres
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Telefoon
0115
(geanonimiseerd) ml e-.rtefact-info.nl
Certificaat
ARC-010/2
en
Onderzoek
Begin/einddatum
-
BRL40oo
SIKB:
bestemmingsplanwijziging 18 december
Projectnummer Artefact
2023ART138
Archis
5487121100
onderzoeksmelding
Vindplaats(en)
in
Erfgoed
B.V.
851614
ONDERZOEKSGEGEVENS
veldwerk
MIDDENWEG
EN VONDSTEN
Naam
Planologische aanleiding
-
OVERHEID
Naam
BEHEER
EVERSDAM
2023
protocollen 4002, 4003 en 4004
ARTEFACT
(geanonimiseerd) Nevers
RAPPORT 856
(|geano im se rd)
Inleiding
1.1
Aanleiding
opdracht
In
van
Juust
B.V.
van
het onderzoek
heeft Artefact! Advies
inventariserend veldonderzoek
door middel
van
Onderzoek
Erfgoed een archeologisch bureavonderzoek en boringen uitgevoerd naar een plangebied ten noorden Westkapelle (gemeente Terneuzen; figuren 1 en 2). De
en
in
verkennende
Eversdijk en ten westen van de Middenweg te aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om realiseren op delen van de betreffende agrarische percelen. Het plangebied omvat delen van
(geanonimiseerd)
de
adastraal bekend staan onder Gemeente Sas
van
Gent,
Sectie
K‚ Perceel „06
en
407
en
een
nieuw
van
twee
beslaat
een
bouwvlak
te
percelen die oppervlakte van
circa 19.515 m?.
\
/
o
500
21000
M
36250 Westdorpe
N683
Pd Figuura
Ligging
in Nederland. Bron: Esri Nederland,
CR
Plangebied
Community Map Contributors 2023.
plangebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) gesitveerd in een gebied met enkelbestemming Agrarisch. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 3. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 1.000 m? én dieper reiken dan o,5o meter beneden maaiveld (-mv). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze Het
ARTEFACT RAPPORT 856
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Figuur 2 Figuur 3 Projectie van het plangebied Community Map Contributors, 2023.
1. 2
Doel van het onderzoek
op een
en
uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland,
onderzoeksvragen
Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Dit om inzicht te krijgen in de bekende en te verwachten vindplaatsen. Het resultaat is een standaardrapport met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol Inventariserend Veldonderzoek
4003
Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd 1 SIKB,
Protocol 4002, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4. 8
ARTEFACT RAPPORT 856
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de locatie, de aard, de omvang, de uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren), de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden.
Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d. w. z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming.
Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019 4 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 3. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek.
Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld?
2 SIKB,
Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4 Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4-5. 4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 3 SIKB,
9
ARTEFACT RAPPORT 856
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
Wettelijk kader en beleid
1. 3
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.
Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps- en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. De gemeente Terneuzen beschikt sinds 27 januari 2011 over een gemeentelijk interim-beleid archeologie: “De onderste steen boven?”.
Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie 5
Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
6 Provinciaal
10
ARTEFACT
dient
RAPPORT 856
volgens
WESTDORPE
-
MIDDENWEG
vijf criteria te worden getoetst: de Archeologische Monumentenkaart (AMK), Archeologische Waarden (IKAW), Archis, het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en bodemopbouw. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van Erfgoedverordening, zal deze toets het vitgangspunt zijn voor de beoordeling. Indicatieve
In
dit beleid
EVERSDAM
Kaart
dit interim-beleid
ontoereikend was,
Erfgoed
een
de
aan
de
van
concludeerde
de
gemeente
echter
ook
dat
de
kennisstand
van
aantal
een
de
vindplaatsen
het project ‘'Leemten in Kennis’ is gestart. Hiertoe heeft Artefact! Advies en Onderzoek in inventarisatie gemaakt van vindplaatsen waarvan fundamentele kennis ontbreekt? In het kader van dit waarna
project zijn vervolgens
in deze bureavonderzoeken
uitgevoerd. onderzochte gebieden.
Het beleid
Terneuzen
Het
onderhavige plangebied
van
in
gemeente
een
van
is inmiddels verankerd
in de
de gemeente Terneuzen
een
maakt geen deel vit van de
bestemmingsplannen en beheersverordeningen. bestemmingsplan Dubbelbestemming Waarde-Archeologie wordt opgenomen, vormt de toets vit het gemeentelijk archeologiebeleid hiervoor de basis. Hierin wordt doorgaans een vrijstellingsdiepte van 0,5 m -mv gehanteerd. Het toepassen van een grotere vrijstellingsdiepte is alleen weloverwogen mogelijk. De gemeente heeft daartoe in 2014 een vrijstellingenkaart laten ontwikkelen die in 2017 geactualiseerd werd als de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017 (figuur 3).® Op basis van deze vrijstellingenkaart geldt binnen het hele plangebied een vrijstellingsdiepte tot 0,50 m -mv. Wanneer
de
tien bureavonderzoeken
o
250
500
m
Ll
EI
Plangebied
Vrijstellingenkaart
2017
Vrijstelingsdiepte 0,50
-mv
m
1
1,5 2
2,5 3
3,5 4 >4
Figuur4
Ligging van
het
plangebied op de Vrijstellingenkaart Gemeente
Terneuzen
2017. Bron:
en (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | |
2017.
(geanonimiseerd) en WN (geanonimiseerd) zo: (geanonimiseerd) en | (geanonimiseerd) 2017: bijlage 3. 11
ARTEFACT
RAPPORT
|
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) BENN
856
Plangebied, onderzoeksgebieden
(A geanonimise rd)
en
planvorming
plangebied ligt circa 3,2 km ten noordoosten van Westdorpe en van Axel, circa 2,2 km ten noordwesten van Zuiddorpe. Het plangebied bevindt zich ten westen van de Eversdam en ten noorden van de Middenweg. Het gebied is in gebruik als akker. Het
(geanonimiseerd)
(geanonimise rd)
Figuur5
Het
Ligging en maatvoering van
iokdeereng
tn
boren
Setanta
899 EN
GRAAFIAKSDIIK MIDDENKIEG/EVERSEAM
—*
van
bijlage 4). Born: opdrachtgever.
plangebied een nieuw bouwvlak te realiseren. Concrete plannen met oppervlakte en locatie van de toekomstige bebouwing, alsook de verdere inrichting van het gebied is nog niet gekend. Bijgevolg is ook de toekomstige verstoringsdiepte nog niet bepaald. voornemen
is
het plangebied (zie ook
LEGENDA
om
in het
12
ARTEFACT
(geanonimiseerd) Nevers
RAPPORT 856
(geano im se rd)
Archeologisch
2.1
Methoden
voorliggend hoofdstuk omvat uitgevoerd conform protocol 4002
bureauonderzoek
de
resultaten
van
de
Het
onderzoek in de provincie Zeeland 2019.°
KNA
archeologisch bureavonderzoek. Regeling aanvullende richtlijnen de volgende processtappen doorlopen:
van
4.1
en
Hierbij werden
het
Het
de
voor
Specificatie
Processtap Afbakenen
plan/onderzoeksgebied;
(geanonimiseerd)
vaststellen consequenties
toekomstig gebruik
onderzoek
archeologisch
| Hoofdstuk
LSo1
14
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LSo1
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LSo2
14
Beschrijven
LSo3
2
LSo3
2.3.2
historische situatie
Beschrijven mogelijke verstoringen Beschrijven mogelijke aanwezigheid
bouwhistorische waarden
Beschrijven
bekende
aardwetenschappelijke
Beschrijven
bekende
archeologische
ondergrond
LS02-03-04
kenmerken
kenmerken
Opstellen gespecificeerde verwachting
(Landelijke en regionale) bodem-, geologische Paleogeografische Actueel
en
| 2.5
LSo4
2.2.2
LSo4
2.4
LSo5
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd.
is
van
diverse
aard
geomorfologische (overzichts)kaarten
kaarten
Hoogtebestand
Nederland
(AHN)
(Specialistische) literatuur Rapporten
van
eerder
uitgevoerd archeologisch
Inrichtingsplannen en Lucht-
conditionerende
archief
Archeologische
Kaart
Monumenten
Archeologisch
Cultuurhistorie: en
Archief
(CMA)
papieren archieven
gemeentelijke
Informatie
(AMK)
Informatie Systeem (Archis)
Monumenten
omdat deze oude
Data
onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven
topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten
Gemeentelijk en/of provinciaal
Centraal
cultuurhistorisch onderzoek
satellietfoto's
en
Kaartmateriaal:
Het
en
van
Centraal
en na
Archeologisch
de provinciale
waardenkaart en/of
de Nederlandse
Archief (CAA) werden
de introductie door de ROB werden
Ondergrond
ingevoerd
niet
geraadpleegd
in Archis
Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)
(DINO)
Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten Indicatieve
Kaart
Archeologische
Waarden
(IKAW),
maar
enkel
indien
geen
meer
gedetailleerde regionale
kaarten beschikbaar zijn Provinciaal
9
Provinciaal Blad
van
depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
Zeeland
nr.
8080,
12
december
2019.
13
ARTEFACT
(geanonimiseerd) Nevers
RAPPORT 856
(m2 geanonimise rd)
Landschap
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling
Zeeland
maakt deel vit
en
(geanonimiseerd)
geologie
zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische en sedentaat (veen). afzettingen, Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, een vormt vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen loopt een dekzandrug als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd. mariene
Omdat
de
van
het
sedimenten
locatiekeuze
bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse zijn ustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door (geanonimiseerd) B en (geanonimiseerd) | van en kaarten ontwikkeld door de hoeveelheden bodemdata gepubliceerd.*° Paleogeografische zijn analyse grote bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende omgeving andschappelijke gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt 6. afgebeeld op figuur van
die het
De
afzettingen in het Zeeuwse gebied zijn ontstaan tijdens de laatste koude fase van het Weichselien, ook wel het Dryas stadiaal genoemd. Tijdens dit stadiaal worden vanuit het droogliggende Noordzeebekken eolische zanden behorende tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden) afgezet. Omdat het windafzettingen zijn bestaan deze sedimenten hoofdzakelijk uit fijne zanden. In het zandpakket komen ook ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes voor.“ Het Dryas stadiaal verloopt namelijk gefaseerd met tussentijdse warmere fasen, de zogenaamde interstadialen. Tijdens de interstadialen kan zich vegetatie ontwikkelen aan het op dat moment bestaande oppervlak. Hierdoor zijn de gedurende deze interstadialen ontstane niveaus, die in de volgende koudere fasen opnieuw ondergestoven raken met een vers pakket zand, vaak goed herkenbaar in het bodemprofiel. Het Dryas kent twee interstadialen, met name het Bölling interstadiaal (14.650 tot 14.000 BP) en Allergd interstadiaal (13.9oo tot 12.850 BP), waarin zich dergelijke vegetatieniveaus hebben gevormd. Het
bovenzijde
van
de Pleistocene
dekzandlandschap
welvingen Dekzandrug is. Deze is ontstaan tussen Maldegem en Stekene (Oost-Vlaanderen, België) waar deze eolische zanden tegengehouden worden door hoger gelegen tertiaire klei. Dit tegengehouden zand hoopt zich steeds verder op waardoor zich uiteindelijk een uitgestrekte brede dekzandrug vormt. Deze strekt zicht uit van Gistel (West-Vlaanderen, België) via Maldegem tot Stekene (OostVlaanderen, België). Vanaf Stekene buigt de rug meer naar het noorden af, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (dit deel wordt ook de Rillandrug genoemd). Deze Rillandrug verhinderd dat de toenmalige Scheldeloop een westelijke richting kan nemen. Deze stroomt op dit tijdstip nog via het doorbraakdal van Hoboken naar het noorden om uit te monden in de Rijn-Maasvallei. waarvan
10
n=
van
de voornaamste
het
in de
Laagpakket
van
Wierden
omgeving de zogenaamde
(Formatie
van
Boxtel)
vertoont
verschillende
Grote
(gBeanonimise rd) en (geanonimiseerd) AN 2-5. Van Rummelen, 1977b: 12. 14
ARTEFACT
RAPPORT
856
WESTDORPE
EVERSDAM
MIDDENWEG
-
Roosendaa e
Bergen op
/
)
Zoom
|
zw
€
TE
Temeuzen
ard
ns
, |
-
eas
De
Oudenburg >
mm:
astel
Í
waangen
;
ek
Loen
E
0
20
van
ed.4Sen
passe
COEN
gemeen
®
Cuesta
Zomergem-Oodelem
ag!
)
m
AR
Pd
van
Hulst le
Geert
Njet
5
d
df b
Rillandrug
De
\,
Doet
Z Kalle ®Verretcoer
MD z
Commens
BE
EE
Moervaartdepressie
N
Cuesta van hot Land van Waas
Cuesta van het Land van Boom
NH,
Km
mmm
Figuur 6 Ligging van de pleistocene cuesta's (asymmetrische heuvels) en dekzandruggen. Bron: (geanonimiseerd) MN oo.
Vanaf het
ijskap,
ten
begin van het Holoceen verandert het klimaat ingrijpend, het wordt warmer. Door het afsmelten van de gevolge van de toegenomen temperatuur, zal vanaf het Laat-Atlanticum de zeespiegel sterk beginnen te
stijgen. Onder invloed
stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 6.950 v. Chr.) stijgt namelijk de zeespiegel en gaat hierdoor het Pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. Plantaardig materiaal wordt als een gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken. Eerst op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeit laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei doet zich eerst voor in het westen van Zeeland, maar de grens verschuift door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. In ZeeuwsVlaanderen is het Basisveen enkel als duidelijk te onderscheiden laag aangetroffen in het noordelijk deel van OostZeeuws-Vlaanderen.*? Hier bevindt het veen zich tussen het dekzand en de mariene afzettingen van de Formatie van Naaldwijk (Laagpakket van Wormer, zie onder). Aan
van
de
het veenvormingsproces
(vanaf
—
komt
grootste deel
12
3
v.
wordt
namelijk
van
door
Zeeland de
een
einde
in het
midden
tot
Laat-Atlanticum
zeespiegelstijging en getijdenwerking de strandbarrièêre die het veenlandschap van de zee afschermt opgeruimd en loopt het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstaat hierbij een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude Pleistocene landschap en Basisveen worden door getijdengeulen Buiten deze worden de aanwezige veen- en /of dekzandpakketten bedekt met dikke uitgeschuurd. getijdengeulen 5.500
Chr). Gaandeweg
in het
sterke
Van Rummelen, 1977b: 36. Van Rummelen ,1977b: 62-64
15
ARTEFACT
(geanonimiseerd) Nevers
RAPPORT 856
(geanonimiseerd)
lagen marien sediment. (Bgeanonimise rd) De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan vit kleiplaatgronden.* Enkel de lagergelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en het noordelijk deel van Oost-ZeeuwsVlaanderen worden tijdens het holoceen maximum overstroomd door de zee. In de overige delen van ZeeuwsVlaanderen vindt door de hoge ligging van het pleistoceen landschap geen overstroming plaats en kan het Basisveen zich verder ontwikkelen. Vanaf het subboreaal
zeespiegelstijging dermate af dat er zich een westelijke richting uitbouwden. De zeegaten in deze barrière waarlangs het zeewater het achterliggende gebied in stroomt sluiten zich geleidelijk waardoor de getijdenwerking landinwaarts afneemt. Er vormen zich hierbij in het getijdengebied meer kleiige afzettingen. Gaandeweg houden in het getijdengebied achter de kustbarrière de sedimentatie en stijging ten gevolge van de verminderende marine invloed elkaar in balans. Op de hoger opgelslibde kwelders in het getijdengebied groeit daardoor een dichte rietvegetatie en plaatselijk gaat zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het Midden-Subboreaal achter de inmiddels quasi gesloten kustbarrière een groot veenlandschap ontstaat dat bestaat uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes.* Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. In de hoger gelegen delen van ZeeuwsVlaanderen, waar de getijdeafzettingen geen invloed hadden, ontwikkelt het veen zich rechtstreeks op de dagzomende Pleistocene dekzandafzettingen of het reeds aanwezige Basisveen. nieuwe
Het
kustbarrière
veenmilieu
(circa
v.
Chr.)
kan
in het
Subboreaal
NAP.
Omstreeks
opgroeien ook het
gebied
rond
duidelijk.
Daarna
treedt
breder wordende
Nieuw-namen
geulen.
gebeurt geleidelijk en
een
van
brak
5oo
v.
naar
Chr.
zoet
bereikt
en
vervolgens
het veenkussen
af, of hierbij ook de Pliocene opduiking
geleidelijk verval
Hierdoor wordt
de
mariene
in Zeeuws-Vlaanderen en
Cadzand
in. Water
vit dit
invloed
is die evolutie
in oostelijke
eutroof
zijn
maximale
volledig
veengebied het achterliggende
op
verweven
met
naar
bedekt
zoekt zijn weg
nauw
in
2
(an geanonimise rd)
15
Van
HN
(geanonimiseerd) 007: MN
Rummelen, 1977b:
oligotroof en
kan
dekt
het
omvang
en
raakt is niet
richting
de
zee
geheel
in steeds
land
opnieuw geactiveerd. Dit de zeearm, de Honte, die zich vanaf
vorm
het achterland gaat
van
een
5:
53
25. (geanonimise rd) 2e (geanonimiseerd) 07 NN and ( g e a n o n i m i s e r d ) (geanonimiseerd) 1997: 7m | Kaartbijlage 2
richting
van
insnijden. Deze zeearm moet al in de de pré-Romeinse tijd aanwezig zijn geweest getijdengeul” en zal een belangrijk economisch gegeven in de middeleeuwen vormen. Via geulen in het veen en vermoedelijk ook ontwateringskanalen die door mensen in het veenlandschap gegraven zijn wordt deze getijdengeul gevoed. Deze ontwikkelt zich in de loop der tijd geleidelijk tot een zeegat die de Schelde met de zee verbindt. Gedurende de Romeinse tijd kan, door de geleidelijke daling van het veenlandschap ten gevolge van het inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van het veen, het zeewater steeds verder het binnenland indringen. In de loop van de 2% of 3% eeuw verandert het veenlandschap dan ook geleidelijk opnieuw in een getijdenlandschap. Dit proces wordt in het laatste kwart van de 3% eeuw versneld door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur aangelegd in de Romeinse tijd.*®. Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich in het bestaande landschap insnijden worden zandige pakketten afgezet, buiten deze geulen worden de hoger gelegen veengronden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei.
Deze afzettingen, die benoemd zijn als het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak. voor
Knokke
de
van
die zich sterk in
vormen
boven
ruim
de snelheid
neemt
verandert
tot
de strandwal
3.750
strandwallen
van
1.
Deze
getijdengeul
is wellicht wat
in historische
bronnen
uit de volle middeleeuwen
omschreven staat als de Sincfal.
(geanonimiseerd) en (geanonimiseerd) | 2009: 30. | 16
ARTEFACT
RAPPORT
856
(geanonimiseerd) Nevers
EN
(geanonimiseerd)
KK
& Wen EUT EADS Ss
NEN
(geanonimise rd)
ARTEFACT
RAPPORT
856
WESTDORPE
EVERSDAM
-
MIDDENWEG
Binnenwater Buitenwater
(geanonimise rd) Figuur7
Paleogeografische ontwikkeling
Zeeland. Blauwe
5
3
ea
Strandwallen
en
lage duinen
Strandwallen
en
lage duinen
Strandvlakten
en
duinvalleien
Wadden
en
Kwelders
en
Gebieden
met
Pleistocene zandgebieden, beneden 16
boven Ea
kwelderwallen
BB
Droogmakerij
EN
Stedelijk gebied
stip: ligging plangebied.
om.
-NAP
om.
NAP
Riviervlakten
en
beekdalen
Rivierduinen mm
Lössgebied
mm
Gestuwd gebied
EB
Gebieden met Tertiaire oudere afzettingen
za
Stuifzand
Bedijkte kwelders en Bedijkte kwelders en
en
Pleistocene zandgebieden,
slikken riviervlakten
Pleistocene zandgebieden, beneden 16m. -NAP
en
Buitenland
GB Plangebied
Bron:
(geanonimiseerd) en (geanonimiseerd) | | 2018.
18
ARTEFACT
RAPPORT 856
hernieuwde
De
WESTDORPE
invloed
mariene
landschap getijdendynamiek
bij de vorming van Getijdegeulen
het
Zeeuws-Vlaanderen.
van
gaan
steeds
verder
Honte
een
vlechtwerk
heeft
landwaarts
grote impact
insnijden
op
door
mogelijk
de min of
Vanaf de 10%
meer
is er
droogvallende schorren
koloniseren
een
de kolonisatie
en
te
van
merkbaar.
gebruiken
als weidegronden
voor
het
schapen.
bevolkingstoename in Vlaanderen en de kustgebied systematisch wordt ingepolderd ten behoeve van van de 11% eeuw worden de getijdengeulen hier systematisch wat leidt tot de van het stormvloedniveau in het ingedijkt, uiteindelijk verhoging buitendijkse gebied. De ervoor dat de Honte zich kan ontwikkelen tot een brede bedijkingen zorgen getijdenstroom waarlangs weinig overstromingsbuffers resteren. Dit zorgt er op zijn beurt voor dat het binnendijkse gebied gevoelig wordt voor stormvloeden die vanaf de 11° eeuw opnieuw frequenter zullen gaan voorkomen en die leiden tot dijkdoorbraken. eeuw
intensivering
te
en
schorren
het deze
het
van
slikken
en
zullen uitgroeien tot grotere eilanden. Omstreeks 750 n. Chr. bereikt dit proces zijn maximale effect en neemt dynamisch karakter enigszins af. De landschappelijke stabiliteit die met deze afname gepaard gaat maakt
van
geulen,
een
MIDDENWEG
later
ontstaat
de
Walcheren
van
zich
-
die
om
in het estuarium
Laagpakket
EVERSDAM
De
de steden zorgt er namelijk voor dat het groei andbouw. Tussen het einde van de 10% en het einde van
De bekendste 1421. De
dijkdoorbraken
voor
nieuwe
een
hiervan zijn de stormvloeden van 1014, 1134, 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en zorgen voor een inundatie van de achterliggende polders en zorgt waar deze zich voordoen
exponenten
sedimentatie
en
het
tevens
ontstaan
van
diepte ondergrond insnijden.°° het Laagpakket van Walcheren gerekend. van
meer
dan 30
m
in de
Aardkundige
2.2.2
een
aantal brede
Ook deze nieuwe
geulen
sedimenten
waarvan en
sommige zich tot
geulafzettingen
een
worden tot
waarden
Geologie Op de Geologische Overzichtskaart Dit betekent
dat hier
van
Nederland (niet afgebeeld)
volgens deze kaart sprake van Nieuwkoop.
is van
ligt het plangebied in een zone met code Na8. zeeklei behorende tot het Laagpakket van Walcheren op veen
behorende tot de Formatie
Op de fijnmaziger Geologische
Kaart
(figuur 8) ligt het plangebied binnen een zone met code Fo.3b, Duinkerke IIIb (volgens de nieuwe nomenclatuur: Laagpakket hetgeen betekent dat hier sprake is afzettingen van Walcheren) op Hollandveen op Pleistoceen (dekzand, Formatie van Boxtel). Ten oosten van het plangebied bevindt zich een meanderende zone met code Do.3b. Hier is sprake is van kreekafzettingen van Duinkerke IIIb. Volgens de bijbladen van de Geologische Kaart kan het pleistocene dekzand in het plangebied worden aangetroffen op een diepte van o tot 1 m -NAP en bedraagt de dikte van het Hollandveen o tot 0,5 m. van
van
Nederland”?
van
|(geanonimiseerd) 2010: 91. Rummelen, 1977b: 26-48.
2o
Van
22
TNO 2010,
22
Van
naar
de
(geanonimiseerd) | et al, 2003.
Rummelen, 1977a. 19
ARTEFACT RAPPORT 856
Figuur 8
Projectie van het plangebied (rode polygoon)
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
op een
uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen,
1977a.
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) is bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens (GeoTOP 1. 6) in het DINO-loket 23 leert dat binnen het plangebied geen geologische boring bekend is. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende boringen bekend die echter steeds zeer weinig informatie bevatten (geen stratigrafie toegekend). Voor het huidig plangebied is dan ook gebruik gemaakt van het in het DINO-loket aanwezige ondergrondmodel. Dit leert dat ter plaatse van het plangebied tot 1,5 m -mv (0,25 m -NAP) afzettingen van het Laagpakket van Walcheren worden verwacht. Hieronder is volgens dit model geen basisveen of Hollandveen aanwezig. Het Laagpakket van Walcheren rust volgens dit model namelijk rechtstreeks op de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden).
Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 24 (figuur 9) maakt het plangebied deel uit van een code Mn25A. Dit wil zeggen dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit zware zavel.
dinoloket. nl, geraadpleegd op 21 november 2023. Stichting voor Bodemkartering 1980a.
23 www. 24
20
ARTEFACT RAPPORT 856
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
Figuur 9 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1980a.
Bij het bepalen van het grondwaterregime wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. Deze trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebieden met een goede ontwatering zijn zeer geschikt voor landbouw. Mede daarom, met name in het verleden, vormden goed ontwaterde gebieden mogelijk een aantrekkelijk vestigingsgebied. In het hele plangebied is sprake van een grondwatertrap VI. Dit betekent dat hier in het algemeen sprake is van een goede ontwatering. Tabel 1 Indeling grondwatertrappen grondwatertrap I II III IV V VI GHG in cm -mv ( < 20) ( < 40) < 40 > 40 < 40 40 - 80 < 50 > 120 > 120 GLG in cm -mv 50-80 80-120 80-120 GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand
VII > 80 ( > 160)
21
ARTEFACT
RAPPORT
856
WESTDORPE
EVERSDAM
-
MIDDENWEG
Geomorfologie Op de Geomorfologische
(figuur 20) ligt het plangebied in een zone met code 2M35, hetgeen getijafzettingen. In de zuidwesthoek van het plangebied staan enkele hoogteverschillen aangegeven. Het naar rechts wijzende pijltje geeft aan dat hier sprake is van plaatselijk vergraven en/of geëgaliseerd terrein. Ten oosten van de Eversdijk (aangegeven als een roze lijn) is met een zwarte stippellijn de ligging van een smalle geul aangegeven. betekent dat
Kaart
van
Nederland?
het zich bevindt in
een
vlakte
van
48000
50000
LE
Figuur1o
Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd (geanonimiseerd) B en de Lange, 1987.
op
een
uitsnede
van
de
Plangebied
Geomorfologische
Kaart
van
Nederland. Bron:
Actueel
Hoogtebestand
Nederland
Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in de omgeving van het plangebied (figuur 11). Omdat het plangebied vrij dicht bij de grens met België gelegen is, voor het voorliggend onderzoek ook het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHMV) gebruikt. Op het hoogtebastanden is te zien dat het plangebied gelegen is ter plaatse van het laaggelegen polderlandschap. Deze lager gelegen delen van het landschap zijn in blauwtinten weergegeven. Hierin zijn de verschillende kleine en grote geulen die onderdeel vitmaken van het Laagpakket van Walcheren herkenbaar als donkerblauwe, vertakkende lijnen. Het
25
Actveel
(geanonimiseerd) BM en de Lange 1997. 22
ARTEFACT RAPPORT 856
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
De verschillende polders en inpolderingsdijken (rode lijnen) zijn eveneens van elkaar te onderscheiden. In het kaartbeeld tekenen zich ook enkel hoog gelegen gebieden af (roodtinten). Ten noorden van het plangebied betreft dit het havengebied bij Sluiskil met ten oosten hiervan het met zand opgespoten gebied Drieschouwen. Links onderaan het beeld is een deel van de hoger gelegen Grote Dekzandrug te zien. Ten zuiden van het plangebied tekenen zich in het poldergebied enkele lijnvormige smalle dekzandruggen af. Tussen deze ruggen zijn in het lagergelegen gebied meerder kreken zichtbaar (egaal donkerblauw) die ontstaan zijn bij inundatie van het gebied in de nieuwe tijd (zie verder).
Figuur 11 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland en het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen. Bron: www. pdok. nl en download. vlaanderen. be (AHN3 0,5 meter raster DTM, DHMV, 5 meter raster DTM).
In figuur 12 is het beeld verfijnd en beperkt tot een kleiner gebied. Deze afbeelding laat in de omgeving van het plangebied verschillende beperkte hoogteverschillen zien, tussen 1,1 en 2,1 m +NAP. Uitgesproken reliëf is niet aanwezig, anders dan de aanwezige dijken en de opgehoogde gebieden net noorden van het plangebied. Op het zuidoostelijke einde van de Eversdam tekent zich de vierkante gracht af rondom de hier gelegen Fort Sint Jan uit de 17 e eeuw. Binnen het plangebied bedraagt de maaiveldhoogte 1,13 tot 1,4 m +NAP.
23
ARTEFACT RAPPORT 856
Figuur
12 Projectie van het plangebied www. pdok. nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).
WESTDORPE EVERSDAM - MIDDENWEG
(in zwart)
op
bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron:
24
ARTEFACT
(geanonimiseerd) Nevers
RAPPORT 856
(m3 geanonimise rd)
Historie
2.3-1
Historisch-geografische ontwikkeling
(geanonimiseerd)
Het
beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 19° eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. eventueel
Het
plangebied ligt centraal in Zeeuws-Vlaanderen, ten zuidwesten van Axel. Het landschap kenmerkt zich door de lage pleistocene dekzandruggen. In de lager gelegen delen tussen deze ruggen liggen uitgestrekte veengebieden. Het veengebied komt vanaf de tweede helft van de 8°* eeuw opnieuw onder invloed van de zee te staan. Dit zorgt voor enkele grotere noord-zuid georiënteerde inbraakgeulen in dit deel van Zeeuws-Vlaanderen. Gaandeweg slibt het schorrengebied rond de geulen langzaam op, waardoor deze kwelders niet meer regelmatig overstromen. Dit schorrengebied blijft aanvankelijk onbedijkt maar worden reeds vanaf de g%° eeuw gebruikt als weidegronden voor schapen. Mogelijk is er ook in die vroegste periode kleinschalige bewoning geweest in de vorm van verhoogde woonplaatsen: terpen. Vanaf de 10% eeuw vermelden historische bronnen plaatsen als Axel, Boterzande en Ostholt.°*
loop van de 10% eeuw neemt de invloed van de zee op het Zeeuws Vlaamse kustgebied dan opnieuw gestaag aanleiding hiervan worden vanaf de late 10° eeuw de eerste defensieve bedijkingen aangelegd.” Deze bedijkingen, gecombineerd met de ontwatering van het gebied door de zeearmen en het aanleggen van ontwateringssluizen, laten een voortdurende economische exploitatie van het kustgebied toe. De systematische bescherming van dit gebied neemt een vlucht vanaf de 12% eeuw, na de stormvloed van 1134. Deze toename van dijkaanleg hangt samen met de sterke bevolkingsgroei en de opkomst van de stad (geanonimiseerd) BW als belangrijkste en grootste Vlaamse stad. Om deze groei te voeden worden voordien economisch weinig belangrijke gebieden tot grotere productiviteit gebracht, waaronder ook de moeren op en langs de hoger gelegen dekzandruggen waar het veen als (hoofdzakelijk) brandstof wordt gewonnen. De economische expansie zorgt voor een bevolkingstoename binnen dit nieuw ontgonnen gebied wat zich weerspiegelt in het toenemende aantal stichtingen van nederzettingen, kerken en apellen.°® Het nabijgelegen Axel heeft een rechtstreekse toegang tot de Honte via de Blijde en groeit uit tot een handelsstad.°° Het ontginnen van de moeren resulteerde ook in het ontstaan van moerdorpen en (moer)vaarten voor In de