2024-06-19 - Bijlage 2 onderbouwing fysieke leefomgeving (CONCEPT)
Tekst van het document
21
4.6.1. Bewegen Motivering Het plan is gericht op het bevorderen van ontmoeting. Enerzijds tussen verschillende doelgroepen (door verschillende woningtypologieën in het plan) en anderzijds ontmoeting tussen ouderen. Er is in het plan veel verblijfsruimte voorzien en er worden goede (wandel)verbindingen gerealiseerd naar de bestaande maatschappelijke voorzieningen (o.a. het Stropievat) in de nabijheid van het plangebied. Het gebied wordt zodanig ingericht dat het uitnodigt om naar buiten te gaan. De bestaande hondenspeelweide is een schakel tussen het plangebied en de bestaande Molenhof. De stichting die deze weide beheert heeft een belangrijke maatschappelijke functie in het dorp. Conclusie Het aspect ‘bewegen’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.6.2. Groen Motivering Groen draagt bij aan een positieve gezondheid en het welbevinden van mensen. Daarbij zijn kwantiteit, kwaliteit en afstand van invloed. Het plan bevat veel groen, de appartementengebouwen staan vrij in het groen en het centrale hofje wordt groen ingericht. De auto is in het plangebied zoveel mogelijk te gast. Door toepassing van veel groen wordt stress vermindert, waardoor er een rustgevende plek ontstaat die het mentale welzijn verbetert. Door het plan wordt ook het natuurgebied meer het dorp ingetrokken, wat een positief effect heeft.
Hiernaast is door toepassing van veel groen ook minder sprake van hittestress. Conclusie De ontwikkeling vindt plaats in een ruim opgezette setting waarbij in hoge mate groenbeleving aanwezig is. Het aspect ‘groen’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.6.3. Milieuzonering Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Motivering Om de afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies te bepalen, wordt vooralsnog gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er wordt gewerkt aan de milieuzonering ‘nieuwe stijl’, echter deze is nog niet definitief.
Naar verwachting zal de uitkomst van een toetsing op basis van de nieuwe stijl niet wezenlijk afwijken van een beoordeling op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Aan de noordzijde van het plangebied zijn een rioolgemaal en een bergbezinkbassin aanwezig. Voor een rioolgemaal kan worden uitgegaan van een richtafstand van 30 meter tot een woning. Daarbij is het aspect ‘geur’ bepalend. Aan deze afstand wordt ten opzichte van de dichtstbij gelegen nieuwe woning voldaan. Een bergbezinkbassin komt niet specifiek voor in de richtafstandenlijst. De vraag is of de invloed van het bergbezinkbassin vergelijkbaar is met een rioolgemaal en om die reden dezelfde afstand gehanteerd moet worden. De kortste afstand van het bergbezinkbassin tot woningen is 13,9 meter. Geconstateerd is dat het bergbezinkbassin een gesloten systeem betreft. Er komen in het geheel geen geuren vrij. Daarnaast is er ook geen pomp aanwezig die geluid produceert. Om die reden is het aanhouden van de genoemde richtafstand niet nodig, er is ook geen sprake van
22
milieugebruiksruimte. Het bergbezinkbassin vormt geen belemmering voor het leefklimaat in en om de nieuwe woningen. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.6.4. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.
De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. Motivering In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante risicobronnen aanwezig. Het LPG-tankstation aan de Terneuzensestraat en de propaanopslag van een oliehandel liggen op ruime afstand. Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour, en de brand- en explosieaandachtsgebieden van die bedrijven. Er zijn voorts geen routes uit het Basisnet die relevant zijn voor het plan. De route voor gevaarlijke stoffen over de weg ligt op voldoende afstand en er zijn geen relevantie buisleidingen met een risico in de nabijheid van het plangebied.
Afbeelding 6 | Uitsnede risicokaart
23
Conclusie Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.6.5. Geluid Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Motivering Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is van toepassing op verharde gemeentewegen en waterschapswegen met een verkeersintensiteit hoger dan 1000 mtv/etmaal. Voor die wegen worden op grond van de Omgevingsregeling, afhankelijk van de rijsnelheid en het aantal rijstroken, de aandachtsgebieden vastgesteld.
Wordt er binnen het aandachtsgebied een nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd, dan dient een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de Terneuzensestraat en de Molenstraat. Om die reden is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (bijlage 8, rapportage 27 maart 2024). Het geluid door de twee genoemde gemeentewegen is berekend en getoetst aan de geluidnormen uit het Bkl. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de standaardwaarde van 53 dB. Er is op basis van een kwalitatieve beoordeling van het gecumuleerd geluid overal sprake van een zeer goede akoestische leefomgeving. Een aanvullend (bouw)akoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie is niet nodig. Een goed akoestisch klimaat in de woningen en appartementen is op basis van de minimumeis voor geluidwering van een geluidgevoelig gebouw gewaarborgd. Er is voorts geen sprake van relevante andere geluidbronnen in de omgeving. Een onderzoek naar industrielawaai is daarom ook niet nodig. Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.6.6.
Luchtkwaliteit Bij het toelaten van activiteiten moeten , in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld.. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. Motivering In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10. Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide.
24
De voorgenomen ontwikkeling betreft een woningbouwlocatie met 80 woningen. Dit plan valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.6.7. Milieueffectrapportage De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Motivering Bij de ontwikkeling van woningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan (voorheen de aanmeldnotitie).
Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze motivering wordt gezien als de ‘mededeling’. Of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten is mede afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling en de relatie met andere plannen, projecten of activiteiten en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. In onderhavig plan worden in totaal 80 extra woningen mogelijk gemaakt aansluitend aan een kern. Er zijn in de omgeving geen relevante projecten aanwezig die een cumulatief effect zouden kunnen hebben op deze ontwikkeling. Er zijn op basis van de criteria uit de Europese richtlijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt en lokaal zijn (zie paragraaf 4.1 t/m 4.6). Het plan zal de bijzondere natuurlijke kenmerken van het gebied en het landschap versterken. In de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met mogelijk aanwezige archeologische waarden. Conclusie Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
25
5. CONCLUSIE 5.1. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verkrijgen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan
V ~ X
Bodem Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven
~ V ~
Natuur en water Weging van het waterbelang Natuur
V V
Omgevingskwaliteit Ladder voor duurzame verstedelijking Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit Cultuurhistorische waarden
V V V
Mobiliteit en bereikbaarheid Verkeersgeneratie Vervoersmodaliteit en ontsluiting Parkeren
V V V
Duurzaamheid
V
Gezonde leefomgeving Bewegen Groen Milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage
V V V V V V V
5.2. BELANGENAFWEGING Het plan past binnen het door de overheden vastgestelde beleidskader en draagt bij aan een uniek woonmilieu. Daarbij is het uitvoeren van een nader onderzoek naar archeologische waarden nog wel een aandachtspunt. Nader onderzoek is daarnaast nodig naar het voorkomen van een beschermde plantsoort: de Kleine Wolfsmelk. Voordat het plan wordt uitgevoerd is het gewenst een ecologisch werkprotocol op te stellen om te voorkomen dat beschermde soorten zich tijdens de werkzaamheden in het plangebied vestigen. Er dient gekozen te worden voor amfibievriendelijke straatkolken. Bij uitvoering van het plan dient voldaan te worden aan de regels voor
26
watercompensatie. De realisatie hiervan kan als voorwaarde aan de vergunning worden gekoppeld. Voor de uitvoering kan het in verband met een veilige werkomgeving daarnaast nodig zijn om een beoordeling vanwege niet gesprongen explosieven uit te voeren voordat met de werkzaamheden wordt gestart. Hierover dient voor uitvoering overleg plaats te vinden tussen de initiatiefnemer en de gemeente Terneuzen. Verder voldoen alle thema’s aan de daarvoor geldende (wettelijke) kaders. 5.3. PLANOLOGISCH BASISBESLUIT De omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit waar deze onderbouwing deel van uitmaakt biedt, op grond van artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een juridisch-planologisch kader voor verdere (nader uit te werken) activiteiten. Wanneer nader uit te werken activiteiten voldoen aan de uitgangspunten zoals genoemd in deze paragraaf hoeft bij die nader uit te werken activiteiten niet opnieuw een afweging plaats te vinden of wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze aspecten zijn immers al nadrukkelijk toegestaan in deze onderbouwing. In het kader van de opvolgende omgevingsvergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin deze onderbouwing niet voorziet.
Wel zal een aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten worden aangevraagd omdat de aanvraag immers in beginsel niet voldoet aan het omgevingsplan. Bij toepassing van artikel 8.0a, tweede lid Bkl (alleen verlening bij een ETFAL) is volgens artikel 12.27a Bkl sprake van een ETFAL als de aanvraag niet in strijd is met een eerde verleende omgevingsvergunning. Uitgangspunten Een omgevingsvergunning voor nader uitgewerkte activiteiten kan worden verleend als aan de hieronder genoemde uitgangspunten wordt voldaan. Daarbij geldt de situering in het stedenbouwkundig ontwerp (bijlage 1) als uitgangspunt. Kleine verschuivingen in de situering (maximaal 2 meter vanwege de nadere uitwerking zijn toelaatbaar. Met dit juridisch-planologisch kader worden de volgende omgevingsplanactiviteiten mogelijk gemaakt: Het bouwen, in stand houden en gebruiken van 2 appartementengebouwen met maximaal 54 appartementen. o De appartementengebouwen bestaan uit maximaal 3 bouwlagen en hebben een oppervlakte (buitenwerkse maat) van maximaal XX m². De bouwhoogte bedraagt maximaal 10 meter, exclusief eventuele liftopbouwen, installaties en andere ondergeschikte bouwdelen. Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). Het bouwen, in stand houden en gebruiken van maximaal 10 hofwoningen.
o De hofwoningen bestaan uit 1 bouwlaag met kap en worden geschakeld gerealiseerd. De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 8 meter. Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). Het bouwen, in stand houden en gebruiken van maximaal 6 vrijstaande woningen. o De vrijstaande woningen bestaan uit 1 bouwlaag met kap. De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 8 meter; o De onderlinge afstand tussen de woningen bedraagt minimaal 5 meter. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt in ieder geval 1,5 meter. Bij elke woning is een vrije ruimte tot de zijdelingse perceelsgrenzen van in totaal 5 meter; o De afstand vanaf de voorgevels tot aan de openbare weg bedraagt 4 meter. Dit betreft een vaste maat die als voorgevelrooilijn wordt gezien; o Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). Het bouwen, in stand houden en gebruiken van maximaal 8 twee-onder-één-kapwoningen. o De 4 noordelijk gelegen woningen bestaan uit 2 bouwlagen met kap. De goothoogte bedraagt maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter; o De 4 zuidelijk gelegen woningen bestaan uit 1 bouwlaag met kap.
De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 8 meter; o De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt aan de niet bebouwde zijde van de woningen minimaal 2,5 meter (exclusief aan- en uitbouwen). De afstand vanaf de voorgevels tot aan de openbare weg bedraagt minimaal 2,5 meter. De gekozen maat is daarna van toepassing op alle woningen van dit type; o Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). Het bouwen, in stand houden en gebruiken van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij grondgebonden woningen. Deze voldoen aan de volgende regels: o Maximaal 60 m² bij percelen tot 500 m², waarbij de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal 50% bedraagt van het erf gelegen achter het hoofdgebouw; o Maximaal 90 m² bij percelen groter dan 500 m², waarbij de gezamenlijke oppervlakte van aan- en
27
uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal 50% bedraagt van het erf gelegen achter het hoofdgebouw; o Minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw; o Goothoogte maximaal 3,5 m; o Bouwhoogte aan- en uitbouwen en bijgebouwen maximaal 6 m; o Bouwhoogte overkapping maximaal 3,5 m; o Het realiseren van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij appartementengebouwen is niet toegestaan. Het bouwen en in stand houden van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Deze voldoen aan de volgende regels: o De hoogte van erf- en terreinafscheidingen bij grondgebonden woningen bedraagt maximaal 2 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw en 1 meter voor de voorgevel van het hoofdgebouw; o De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde is maximaal 3 meter. Het realiseren, in stand houden en gebruiken van de openbare ruimte in de vorm van wegen, paden, parkeervoorzieningen, groen, water, natuur en bijbehorende voorzieningen. De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer vindt uitsluitend plaats via de Molenstraat.
Daarbij geldt voorts: De 2 appartementengebouwen met 54 woningen, de 10 hofwoningen, de 6 vrijstaande woningen en de 8 tweeonder-één-kapwoningen worden uitsluitend gebruikt ten behoeve van Wonen, zoals omschreven in het “Facetbestemmingsplan Wonen Terneuzen" met IMRO-code NL.IMRO.BPFWT01-VG01, vastgesteld op 1 juli 2021, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning (planologisch basisbesluit); De aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd ten dienste van Wonen, zoals omschreven in het “Facetbestemmingsplan Wonen Terneuzen" met IMRO-code NL.IMRO.BPFWT01-VG01, vastgesteld op 1 juli 2021, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning (planologisch basisbesluit); Voor de begrippen en de wijze van meten wordt aangesloten bij het bestemmingsplan “Hoek, Windlust II" met IMRO-code NL.IMRO.0715.BPHK02-VG01, vastgesteld op 28 september 2023, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning (planologisch basisbesluit); Kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in een woning zijn toegestaan conform artikel 7.6 van het bestemmingsplan “Hoek, Windlust II" met IMRO-code NL.IMRO.0715.BPHK02-VG01, vastgesteld op 28
september 2023, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning (planologisch basisbesluit).
28
6. UITVOERBAARHEID 6.1. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het verlenen van een omgevingsvergunning met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is gericht op uitvoering van een project. Om te waarborgen dat het project ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd moet aangetoond worden dat het ook financieel uitvoerbaar is. Zo wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die uiteindelijk niet uitgevoerd kunnen worden. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de ontwikkelaar plaatsvindt. De te verhalen kosten voor de gemeente betreffen eventuele nadeelcompensatie en proceskosten. Ten aanzien van deze aspecten is het mogelijk een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten tussen de gemeente en de initiatiefnemer zodat er geen publiekrechtelijk kostenverhaal in het kader van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Deze overeenkomst zal voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. 6.2. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen.
De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Motivering In de gemeente Terneuzen is er een overzicht van gevallen voor verplichte participatie en adviesrecht van de gemeenteraad. Voor het toevoegen van extra woningen voor permanente bewoning buiten de bebouwde kom is door de gemeenteraad participatie verplicht gesteld. Tevens is er advies nodig ten behoeve van de omgevingsvergunning. Vastgelegd is dat belanghebbenden geconsulteerd moeten worden volgens participatieniveau 3 uit de handreiking participatie. Het initiatief heeft veel impact op de omgeving, waardoor het belangrijk is om de belanghebbenden goed te informeren en mee te laten denken. In dit kader is een participatieplan opgesteld (bijlage X, toevoegen?). De participatie is tot nu toe ook uitgevoerd conform dat participatieplan. Het participatieverslag is bijgevoegd. (bijlage 9). Met het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning voor het realiseren van het plan is de participatie niet afgerond. Ook richting de uitvoering wordt de omgeving …….wat is het plan?.... Conclusie Naar aanleiding van inbreng van omwonenden bij de initiatiefnemer en bij de gemeente Terneuzen is het plan aangepast. Op onderdelen kon tegemoet worden gekomen aan wensen vanuit de omgeving. Participatie betekent in zijn algemeenheid niet dat iedereen tevreden gesteld kan worden.
Geconcludeerd wordt wel dat er voldoende draagvlak is om het plan te realiseren. PM 6.2.2 Omgevingstafel Bij een positieve grondhouding ten aanzien van ontwikkelplannen worden deze voorgelegd aan de Omgevingstafel. Bij een Omgevingstafel is er een gesprek met alle belangrijke gesprekspartners van de gemeente om samen te kijken naar de beste manier om een initiatief mogelijk te maken. Onder andere het waterschap, de provincie, omgevingsdienst, veiligheidsregio en GGD sluiten aan bij de Omgevingstafel. Motivering Het plan is behandeld in de Omgevingstafel van PM. Daarin zijn de volgende zaken naar voren gekomen: PM
29
BIJLAGEN
BIJLAGE 1: STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP
Het ontwerp bezink bassin
eengezinsw
Appartement 3 lagen
oning 2 lag
en + kap
1 laag + ka
p
vrijsaand
1 laag + k ap
Levensloop
Gebruik groene hof met bewoners in te vullen
Appartement 3 lagen
Levensloop eengezinsw
1 laag + ka
p
oning 1 laa g + kap
dierenweide
hondenspeelweide hondensnuffelweide kunst
referentie Inrichting hofje
referentie Inrichting hofje
referentie vrijstaande woningen
referentie eengezinswoning
referentie levensloop bestendig
referentie appartementen
Referentie voetgangersbrug
Ontmoeten in het gebied