CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-06-19 a. Vaststelling (gewijzigd) bestemmingsplan Buitengebied, Westsingel (landgoed) - Ontwerpbesluit

commissie Omgeving 19 juni 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied, Westsingel Axel26.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeenteraad Ontwerpbesluit

Zitting van 2 juli 2024 Omgeving & Economie - Planvorming zaaknummer: 44588

2024_Raad_00085 - Vaststelling (gewijzigd) bestemmingsplan Buitengebied, Westsingel (landgoed) Portefeuillehouder Frank van Hulle Programma en/of paragraaf Programma Wonen & leefbaarheid Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit om de zienswijzen van reclamanten genoemd onder 1. tot en met 9. van paragraaf 2.1 van de 'Antwoordnota zienswijzen en ambtshalve aanpassingen' bestemmingsplan 'Buitengebied, Westsingel (landgoed)' ontvankelijk te verklaren. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit om de zienswijze van reclamant genoemd onder 1. van paragraaf 2.1 van de 'Antwoordnota zienswijzen en ambtshalve aanpassingen' bestemmingsplan 'Buitengebied, Westsingel (landgoed)' gegrond te verklaren. Besluitpunt 3 De gemeenteraad besluit om de zienswijze van reclamant genoemd onder 5. van paragraaf 2.1 van de 'Antwoordnota zienswijzen en ambtshalve aanpassingen' bestemmingsplan 'Buitengebied, Westsingel (landgoed)' ongegrond te verklaren. Besluitpunt 4 De gemeenteraad besluit om de zienswijzen van reclamanten genoemd onder 2, 3, 4, 6, 7, 8 en 9. van paragraaf 2.1 van de 'Antwoordnota zienswijzen en ambtshalve aanpassingen' bestemmingsplan 'Buitengebied, Westsingel (landgoed)' gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond te verklaren.

Besluitpunt 5 De gemeenteraad besluit het bestemmingsplan 'Buitengebied, Westsingel (landgoed)' als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0715.BPBG86-VG01 met bijbehorende bestanden zowel in digitale als analoge vorm (gewijzigd) vast te stellen.

1/250

Besluitpunt 6 De gemeenteraad besluit geen exploitatieplan vast te stellen conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening. Wat is de aanleiding? In 2021 verleende u in principe medewerking aan het realiseren van een landgoed aan de Westsingel te Axel. In de daarop volgende uitwerking van de plannen zijn diverse planconcepten ingediend, besproken en aangepast. Momenteel zijn er twee afzonderlijke onderdelen: een landgoed met woning en openbaar gebied (park) en een natuurbegraafplaats. Zowel het landgoed als de natuurbegraafplaats hebben een oppervlakte van 3 ha. Het totaal van de beoogde ontwikkeling komt daarmee op circa 6 ha. Wat willen we bereiken? Een goede ruimtelijke ordening en een verhoging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de gemeente Terneuzen. Argumenten 1.1 Investering in natuur (toevoeging) Initiatiefnemer investeert in het realiseren van natuurwaarden aan de Buthkreek. Volgens provinciale en gemeentelijke regelgeving dient 80% van het landgoed te bestaan uit openbaar toegankelijke natuurontwikkeling. 1.2 Versterking natuur door aansluiten op bestaande natuur Het landgoed en de daarbij te realiseren natuurwaarden sluit tesamen met de natuurbegraafplaats aan op de bestaande natuur(waarden) van De Grote Kreek en Axelsche Kreek. Daarmee ontstaat een robuustere natuurstructuur.

1.3 Uitbreiding recreatieve wandelpaden rondom Axel Aan de zuidzijde van Axel bestaat bij het Axelse Bos en het zogenoemde golfcompensatiebos een uitgebreide recreatieve wandelpadenstructuur. Met deze ontwikkeling wordt ook in een recreatieve wandelpadenstructuur voorzien aan de westzijde van Axel. 2.1 Voorzien in behoefte aan natuurbegraven In Nederland ontstaat naast de traditionele vormen van begraven steeds meer behoefte aan alternatieve vormen van 'begraven', zoals natuurbegraven en resomeren. In Nederland zijn zo'n 39 natuurbegraafplaatsen. Met dit initiatief wordt beoogd te voorzien in een natuurbegraafplaats, de eerste binnen de provincie Zeeland. Kanttekeningen 1.1 Zienswijzen Tijdens de ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan ontvingen wij 9 zienswijzen. Eén zienswijzen is gegrond, één zienswijze is ongegrond en 7 zienswijzen zijn gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. De volledige beantwoording van de zienswijzen namen wij op in de Antwoordnota zienswijzen. 2.1 Aanvullend besluit tot aanwijzing van en gebruik van de natuurbegraafplaats 2/250

Artikel 40, lid 1, van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat ‘voor het aanleggen of uitbreiden van de bijzondere begraafplaats wordt slechts de grond gebruikt die daartoe door de gemeenteraad is aangewezen’. Naast de vaststelling van het bestemmingsplan is dus ook een aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad noodzakelijk. Dit aanwijzingsbesluit leggen wij voor nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. Op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet op de lijkbezorging is ons college bevoegd maatregelen voorschrijven voor de inrichting van de natuurbegraafplaats en op grond van artikel 41 van de Wet op de lijkbezorging dienen wij toestemming te geven voor ingebruikname. Wij blijven in gesprek met initiatiefnemer over de verdere uitwerking en inrichting van zijn plan. Wat mag het kosten? Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin o.a. de proceskosten worden verhaald. Initiatiefnemer heeft op eigen kosten opdracht gegeven aan een stedenbouwkundig adviseur voor het opstellen van het bestemmingsplan. Voor de gemeente zijn aan deze procedure geen kosten verbonden. Wat gaan we ervoor doen? Voorafgaand aan de behandeling in de cie. Omgeving en de vaststelling door de gemeenteraad: •

krijgen de indieners van een zienswijze een brief met het concept standpunt van de gemeenteraad met betrekking tot de ingediende zienswijzen.

Na vaststelling door de gemeenteraad: •

krijgen de indieners van een zienswijze een brief met het definitief standpunt van de gemeenteraad en worden zij gewezen op de beroepsmogelijkheden;

•

wordt het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan toegestuurd aan de Provincie Zeeland;

•

wordt het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan bekend gemaakt in ZVA en Gemeenteblad;

•

wordt het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan digitaal gepubliceerd op de landelijke voorziening (www.ruimtelijkeplannen.nl) en de gemeentelijke website;

•

wordt het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd voor de beroepstermijn bij de Raad van State.

Bijlagen 1. Bp Buitengebied, Westsingel (landgoed)_toelichting_geanoni..pdf 2. Bp Buitengebied, Westsingel (landgoed)_Bijlagen toelichting_geanoni..pdf 3. Bp Buitengebied, Westsingel (landgoed)_planregels.pdf 4. Bp Buitengebied, Westsingel (landgoed)_Bijlagen regels.pdf 5. Bp Buitengebied, Westsingel (landgoed)_verbeelding.pdf 6. Bp Buitengebied, Westsingel (landgoed)_Antwoordnota zienswijzen.pdf 7. Bp Buitengebied, Westsingel (landgoed)_Overzicht zienswijzen.pdf

3/250

Bestemmingsplan Buitengebied, Westsingel (landgoed)

Versie: vastgesteld 4/250

Datum: juli 2024

1 5/250

Bestemmingsplan

Buitengebied, Westsingel (landgoed)

Identificatiecode: Planstatus: Datum: Auteur: Korte omschrijving:

NL.IMRO.0715.BPBG86-VG01 Vastgesteld 02-07-2024 Tom de Koster Bestemmingsplan voor de realisatie van een landgoed aan de Westsingel in Axel met één woning en voor een natuurbegraafplaats met een openbaar parklandschap

2 6/250

3 7/250

Inhoud 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 6 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 6 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................................................. 6 1.3 Geldende bestemmingsplan.......................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 Planbeschrijving.................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie plangebied ........................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie plangebied .................................................................................................. 8 3. Beleidskader ......................................................................................................................................

10 3.1 Rijksbeleid.................................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 12 3.3 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 14 4. Omgevingsaspecten. ......................................................................................................................... 17 4.1. Bodem ........................................................................................................................................ 17 4.2 Geluid .......................................................................................................................................... 17 4.3 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................. 18 4.4 Bedrijven en milieuzonering........................................................................................................ 20 4.5 Externe veiligheid ........................................................................................................................

21 4.6 Flora en fauna .............................................................................................................................. 23 4.7 Stikstof ......................................................................................................................................... 25 4.8 Verkeer ........................................................................................................................................ 26 4.9 Archeologische waarden en cultuurhistorie ............................................................................... 27 4.10 Kabels en leidingen.................................................................................................................... 38 4.11 Overige belemmeringen ............................................................................................................ 38 4.12 Waterhuishouding ..................................................................................................................... 38 4.13 Besluit M.E.R. ............................................................................................................................ 38 4.14 Niet gesprongen explosieven ....................................................................................................

39 5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................. 44 5.1 Planopzet en systematiek............................................................................................................ 44 6 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................ 45 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................... 46 7.1 Vooroverleg ................................................................................................................................. 46 7.2 Zienswijzen .................................................................................................................................. 46 Bijlage 1: Akoestisch onderzoek ............................................................................................................ 48 Bijlage 2: Stikstofberekening ................................................................................................................. 50 Bijlage 3: Watertoetstabel.....................................................................................................................

52 Bijlage 4: Quickscan Flora en Fauna ..................................................................................................... 54 Bijlage 5: Historisch bodemonderzoek .................................................................................................. 56 Bijlage 6: Notitie zienswijzen en ambtshalve aanpassingen ................................................................. 58

4 8/250

5 9/250

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Westsingel in Axel wordt een nieuw landgoed ontwikkeld, in hetzelfde aan te leggen parklandschap wordt tevens een natuurbegraafplaats gerealiseerd. Aan de Westsingel wordt op basis van de landgoederenregeling één extra woning gebouwd. Het moet een gebied worden waar mensen graag komen voor een ommetje, maar ook om te herdenken. De ontwikkelaar wenst een aantrekkelijk landschap te realiseren, met een aantrekkelijke biodiversiteit. Het ontwikkelen van het landgoed past niet rechtstreeks binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend plan is opgesteld om de ontwikkelingen in een nieuw planologisch-juridisch kader vast te leggen.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de kern Axel. Het plangebied is L-vormig en bestaat aan de noordzijde uit de voormalige spoorlijn Mechelen – Terneuzen. Het zuidelijk deel van het landgoed is een agrarisch perceel dat westelijk wordt begrensd door de Buthkreek. Het nieuwe landgoed loopt door tot de achterzijde van de bestaande begraafplaats aan de Westsingel. Op afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 1.1: Ligging van landgoed Westsingel De begrenzing van het plangebied is rood omkaderd. Zie de digitale verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

1.3 Geldende bestemmingsplan Het perceel is gelegen binnen de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en is bestemd als ‘agrarisch met waarden – coulisselandschap en microreliëf’. De gronden hebben eveneens deels de dubbelbestemmingen ‘waarde – archeologie 2’ en ‘waarde – archeologie 3’, ‘Leiding – Gas 2’ en de gebiedsaanduiding ‘geluidzone industrie 4’. Aan de zuidwestzijde is een gedeelte bestemd als ‘groen’. In afbeelding 1.2 is de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

6 10/250

Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Tevens zijn de voorschriften van het op 18 maart 2021 vastgestelde facetbeheersverordening ‘Parkeren Terneuzen’ en de op 12 oktober 2021 vastgestelde facetbeheersverordening ‘Wonen Terneuzen’ van toepassing. Het ontwikkelen van het landgoed Westsingel wordt mogelijk gemaakt door middel van voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan.

1.4 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

7 11/250

2 Planbeschrijving Om te beoordelen of een bouwplan dat niet rechtstreeks past binnen de regels van het bestemmingsplan, wel past binnen de omgeving is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Met het oog hierop is het plangebied geïnventariseerd en geanalyseerd.

2.1 Huidige situatie plangebied De Westsingel kan worden gezien als de westelijke randweg rondom de kern Axel. Aan de oostzijde van deze weg liggen diverse buurten van de kern Axel. Tot en met de woning Buthstraat 1 is er aan de westzijde sprake van een zeer herkenbare randzone. Een overgang tussen bebouwde kom en buitengebied. In deze zone bevinden zich een tankstation, een tuinaanleg bedrijf met bedrijfswoning, het kerkhof, een pompstation voor een gasleiding, een volkstuintjescomplex en de eerder genoemde burgerwoning aan de Buthstraat 1. Achter deze voorzieningen is het gebied agrarisch in gebruik. Tot en met de westelijk gelegen Tractaatweg is er sprake van een agrarisch productielandschap. Vanaf de Tractaatweg verandert het landschap sterk in een industrieel landschap. Aan de zuidzijde is de Axelse Kreek gelegen. Hier heeft het landschap een sterk natuurlijk karakter.

2.2 Toekomstige situatie plangebied Het totaal te ontwikkelen gebied heeft een oppervlakte van ruim 6 ha. Het bestaat in feite uit één parkachtig landschap. Achter de bestaande begraafplaats aan de Westsingel wordt een natuurbegraafplaats gerealiseerd en aan de Westsingel een openbaar nieuw landgoed met één woning. De recreatieve paden van het landgoed en de natuurbegraafplaats sluiten op elkaar aan. Aan de noordzijde van het nieuwe landgoed wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Hier wordt een zeer duurzame en levensloopbestendige woning gebouwd. Hoewel het ontwerp van de woning nog niet bekend is, zal het duurzame karakter voorop staan zowel qua materiaalgebruik, als energieprestatie. Ten zuiden van de woning en tussen de woning en de straat is er ruimte voor een hoogstamboomgaard met hierin enkele hobbydieren. In de nabijheid van deze woning komt de toegang tot het park. Hier wordt een openbare parking gerealiseerd voor de bezoekers van het landgoed. Aan de ingang worden enkele volkstuintjes gehandhaafd voor bewoners van de nabijgelegen wijk. Over de locatie van de voormalige spoorlijn loopt een recht pad in westelijke richting het landgoed op tot de meest noordwestelijke punt van het gebied. Achter de bestaande woning wordt een hoogstamfruitboomgaard gerealiseerd. Aan de westzijde wordt het nieuwe landgoed begrenst door de Buthkreek.

Vanaf hier kunnen de bezoekers in zuidelijke richting gebruik maken van diverse wandelpaden. Onder meer langs de Buthkreek en richting het aan te planten bos. De ontwikkelaar wenst een grote verscheidenheid aan bomen aan te planten, waardoor hier een arboretum ontstaat. Ook zal op dit deel van het landgoed waterberging worden gerealiseerd. In het zuidelijke deel van het parklandschap wordt een natuurbegraafplaats ontwikkeld. Deze natuurbegraafplaats sluit aan op de bestaande begraafplaats Westsingel. In dit deel zijn de recreatieve paden intensiever ten opzichte van het overige deel van het landgoed. Alle paden komen samen bij een open ruimte in het bos. In de natuurbegraafplaats is ruimte om te herdenken en te bezinnen. Om het natuurlijke karakter van het landgoed te behouden mogen hier geen permanente herdenkingsmonumenten worden geplaatst. 8 12/250

Aan de zuidoostzijde wordt een openbaar pad gerealiseerd richting de Buthdijk. Hierdoor kunnen gebruikers een ommetje lopen. Dit gedeelte wordt in een tweede fase ingericht, zodra de gronden vrij komen. Deze wordt tevens ingericht als natuurbegraafplaats.

Afbeelding 2.1, toekomstige schets Landgoed

Afbeelding 2.2, artist impression Landgoed 9 13/250

3. Beleidskader In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het Rijk, provincie en gemeente.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Wet op de lijkbezorging De wet op de lijkbezorging regelt de lijkbezorging in ruime zin, zoals de locatie en beheer van een bijzondere begraafplaats. De wet geeft aan dat een bijzondere begraafplaats kan worden aangelegd en in stand kan worden gehouden door een privaatrechtelijke rechtspersoon. De wet regelt daarnaast dat de gemeenteraad bevoegd gezag is in het aanwijzen van de locatie van de begraafplaats. De wet schrijft voor dat een register wordt bijgehouden met de begraven lijken en een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven zijn. In de administratie van de natuurbegraafplaats zal een register worden bijgehouden van de exacte locatie van de reserveringen en de begravingen op de begraafplaats, omdat na verloop van tijd geen zichtbare herkenningspunten meer aanwezig zullen zijn op de plek van het graf.

3.1.2 Besluit op de lijkbezorging Het besluit op de lijkbezorging regelt onder meer de wijze van begraven en de inrichting van het graf. Zo regelt dit besluit dat bij het begraven geen gebruik mag worden gemaakt van kunststof of metalen omhulsel. Dit sluit aan bij het natuurbegraven, waarbij alleen gebruik gemaakt mag worden van materialen die makkelijk afbreken en vergaan in de bodem. Zo zijn de veel gebruikte spaanplaatgrafkisten niet toegestaan. Voor de inrichting van een graf wordt aangegeven dat er zich minimaal 65 centimeter grond boven op de kist of het omhulsel moet bevinden. De afstand tussen de kisten bedraagt minimaal 30 centimeter. Tevens zal de kist of het omhulsel zich 30 centimeter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) moeten begeven. Uitgaande van een kisthoogte van 50 centimeter, betekent dit dat de grondwaterstand 145 centimeter beneden maaiveld moet blijven. Bij het inrichtingsplan voor Westsingel hiermee rekening gehouden. In de voorschriften wordt opgenomen dat natuurbegraven mogelijk is in één laag. De graven zullen vervolgens daar worden gesitueerd waar de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper is dan 145 centimeter. In het Besluit wordt aangegeven dat de afstand van een graf tot aan de erfafscheiding ten minste één meter dient te bedragen. Hiermee zal bij de inrichting van de begraafplaats rekening worden gehouden.

3.1.3 Inspectierichtlijn Lijkbezorging Deze inspectierichtlijn lijkbezorging kan worden gezien als een advies van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de milieuhygiënische aspecten van de lijkbezorging. In de inspectierichtlijn worden adviezen gegeven over onder andere het tegengaan van bodem- en grondwaterverontreiniging. De bijlage ‘Technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven’ behorend bij de Inspectierichtlijn Lijkbezorging is onlangs geactualiseerd. In deze bijlage zijn adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen opgenomen waaronder adviezen over een adequaat ontwaterings- en afwateringssysteem. 10 14/250

In de bijlage is opgenomen dat “de grond- en grondwatercriteria bij natuurbegraven geen belemmerend thema zijn omdat bij natuurbegraven sprake is van eeuwigdurende grafrust en ruiming op natuurbegraafplaatsen daardoor niet aan de orde is”. Vanwege onder andere het feit dat lichamen niet worden geruimd is de intensiteit van begraven op een natuurbegraafplaats immers veel lager dan op een reguliere begraafplaats. De inrichtingsadviezen over ontwaterings- en afwateringssystemen zijn derhalve conform de bijlage ‘Technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven’ voor natuurbegraafplaatsen niet van toepassing.

3.1.4 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR): In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten. Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie. Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen. De ontwikkeling ligt in de MIRT-regio Zuidwestelijke Delta.

MIRT staat voor Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport. Nationale belangen die van toepassing zijn voor deze regio en voor de ontwikkeling is het samenwerken met de provincie en gemeenten in het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering. Ook is in de regio Zuidwestelijke Delta in een aantal gebieden sprake van bevolkingskrimp, hetgeen leidt tot opgaven in de regionale woning-, bedrijventerreinenen voorzieningenmarkt. Binnen het plangebied spelen geen Rijksbelangen, het initiatief past binnen de SVIR.

3.1.5 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO) Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een beperkt aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen, over rijksvaarwegen, zones buisleidingen en zones van hoogspanningsleidingen. Voor het plangebied zijn geen nationale belangen van toepassing.

3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Wanneer er een procedure moet worden gevolgd voor een ontwikkeling die niet past in het bestemmingsplan, is in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) vastgelegd aan welke eisen de toelichting moet voldoen. Verder is in artikel 3.1.6 van het Bro vastgelegd dat voor stedelijke ontwikkelingen de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gehanteerd. Via de duurzaamheidsladder

11 15/250

stimuleert het Rijk zorgvuldig ruimtegebruik en herstructurering van bestaand stedelijk gebied en bestaande gebouwen. 3.1.6.1 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruime is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van deze ladder is het bevorderen van een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte én het voorkomen van overprogrammering. Om dit te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, tweede lid). Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. Deze procesvereiste is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten die voorzien in een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Voor ontwikkelingen met meer dan 12 woningen en buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht. Laddertoets Het landgoed Westsingel ziet op de realisatie van een natuurbegraafplaats en een woning. Dit kan als een nieuwe stedenbouwkundige ontwikkeling worden gezien.

De provincie Zeeland heeft de harde grenzen van het bestaand stedelijk gebied losgelaten. De provincie heeft in de Omgevingsverordening 2018 aangegeven dat bij het bepalen van het bestaand stedelijk gebied moet worden gelet op de feitelijke situatie, de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Het plangebied ligt tegen de bestaande bebouwing van de kern Axel aan. De natuurbegraafplaats sluit rechtstreeks aan op de bestaande begraafplaats aan de Westsingel. De gekozen locatie aan de westzijde van de kern grenst aan de het bestaand stedelijk gebied. Het nieuwe landgoed zal zorgen voor een landschappelijke inpassing van de kern Axel en een groene overgang tussen bebouwd gebied en buiten gebied. De woningen dient te worden opgenomen in de woningmarktafspraken die gemaakt zijn met de drie Zeeuws-Vlaamse gemeenten: Terneuzen, Hulst en Sluis. Daarmee is de regionale behoefte aan de woning aangetoond en afgestemd.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie Op 11 november 2021 heeft Provinciale Staten de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft aan de hand van 27 bouwstenen de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Per bouwsteen worden de beleidsdoelstellingen voor 2030 beschreven, de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen.

In de Omgevingsvisie zijn de volgende vier Zeeuwse ambities omschreven voor de provincie in 2050. • • • •

Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; Een duurzame en innovatieve economie; Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland. 12 16/250

Het benoemen en beschrijven van uitdagingen en ambities is geen garantie voor het maken van de beste keuzes voor Zeeland. Bij het kiezen en prioriteren wil de provincie zowel de Zeeuwse kernkwaliteiten behouden als kansen en mogelijkheden benutten. Hiervoor dienen de volgende afwegingsfactoren: • • • •

Doe meer met minder grond; Werk samen en deel kosten en baten; Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de kernkwaliteiten van Zeeland. • • • •

Genieten en opladen; Waarderen en beschermen van het mooie Zeeuwse landschap; We voelen ons verbonden met de historie; Kernkwaliteitswens: passende werkgelegenheid en ontwikkelmogelijkheden voor iedereen in Zeeland.

Toets De realisatie van een nieuw landgoed en de ontwikkeling van het landschap draagt bij aan een aantrekkelijk Zeeuws landschap. Het toevoegen van beplanting zal tevens bijdragen aan de CO2 en stikstofreductie.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018 Waar de omgevingsvisie is vernieuwd, vigeert thans nog de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Specifiek onderdeel van het provinciale beleid is de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Uitgangspunt van de provincie voor een nieuw landgoed vormt “de door de particuliere sector betaalde aaneengesloten natuur- en of landschapsontwikkeling. ... Om aanleg, onderhoud en beheer te kunnen financieren mag bebouwing worden gerealiseerd.” De randvoorwaarden die de provincie aan de ontwikkeling van landgoederen stelt, luiden als volgt: • De maximale omvang van bebouwing bedraagt 4.500 m³ bij een oppervlakte van 5 ha. Als een qua oppervlak groter of kleiner landgoed wordt gerealiseerd neemt de maximale omvang van de bebouwing verhoudingsgewijs toe of af; • De minimale oppervlakte van een landgoed of buitenplaats bedraagt 1,5 ha (het maximale bouwvolume bedraagt dan 1.350 m³). Om in aanmerking te komen voor de fiscale voordelen die een landgoed of buitenplaats biedt moet voldaan worden aan aanvullende voorwaarden die op basis van de Natuurschoonwet worden gesteld; • Op een landgoed of buitenplaats kunnen meerdere gebouwen worden gerealiseerd. Het maximale bebouwingspercentage bedraagt 3% van de totale oppervlakte; • Een landgoed of buitenplaats is openbaar toegankelijk.

Maximaal 20% van de totale oppervlakte mag aan de openbaarheid worden onttrokken; • De te realiseren landschapswaarden worden planologisch en privaatrechtelijk vastgelegd. Het nieuwe bestemmingsplan krijgt een omvang van 6 ha. In het plan wordt een nieuw landgoed van 3 ha ontwikkeld en tevens een natuurbegraafplaats. Het nieuwe landgoed maakt de bouw van een woning mogelijk..

13 17/250

Het ontwerp van de woning is nog niet bekend. Initiatiefnemers wensen hier een duurzame nultreden- en dus levensloopbestendige woning te bouwen. Onderzocht wordt of de woning, of toch in ieder geval een deel, volgens het biobased principe kan worden gerealiseerd. De inhoud van deze woning blijft ruim binnen de maximale toegestane inhoud uit de landgoederenregeling. In de planregels is een beperking opgenomen dat de inhoud van deze toekomstige woning niet meer dan 1.200 m3 zal bedragen. Het private perceel bedraagt minder dan 5% van het totale landgoed. Ten aanzien van de overige bouwwerken op het landgoed geldt een maximale oppervlakte van 250 m2. Dit is op het totale landgoed een oppervlakte van minder dan 0,5%. Het landgoed wordt openbaar toegankelijk. Onderdeel van de planregels van dit bestemmingsplan is een natuur- en beheerplan, waarmee de inrichting en instandhouding planologisch is vastgelegd. Daarnaast is met de initiatiefnemer in een anterieure overeenkomst vergelijkbare afspraken gemaakt over de realisatie, beheer en instandhouding van het nieuwe landgoed. Gelet op de uitgangspunten van de provincie Zeeland kan worden gesteld dat twee landgoederen met een omvang van 6 ha. ruimschoots voldoen aan de provinciale uitgangspunten zoals vastgelegd in de omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Gemeente Terneuzen De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gemeentelijk grondgebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. De structuurvisie geeft een doorkijk tot medio 2025. Binnen het plangebied zijn meerdere ruimtelijke strategieën van toepassing. Het plangebied is deels aangewezen als ‘Woongebieden’. Van de verschillende kernen binnen de gemeente vallen de meeste woonwijken binnen de strategie ‘behouden’. Zo ook de woonwijken van Axel. Het perceel direct achter het bestaande kerkhof aan de Westsingel behoort tot ‘woongebieden’. De functie en de kwaliteit van deze gebieden is goed en behoeft geen grootschalige ingrepen. Kleine invullingen binnen de bestaande structuur zijn mogelijk. Het agrarisch deel van het plangebied is aangewezen als ‘Liniezone’. De gemeente Terneuzen wenst de Liniezone met de restanten van de Staats-Spaanse Linies op te waarderen op een zodanige manier dat de verschillende forten en verdedigingswerken in het landschap beter herkenbaar worden en een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de toeristisch-recreatieve infrastructuur van de gemeente. Zowel ten oosten (rondom Axel) als ten westen (rondom Hoek en Philippine) zal deze verbinding een impuls krijgen.

Tot slot valt het plangebied in het gebied dat is aangewezen als ‘Otheense Kreek’. Het besloten polderlandschap tussen Axel, Zaamslag en Terneuzen wordt gekenmerkt door een kleinschaliger verkaveling en vormt thans al een belangrijk uitloop gebied. Hier wordt een vergroting van de toegankelijkheid voor de recreant voorgestaan, gekoppeld aan meer ruimte voor agrarische bedrijven om Nieuwe Economische Dragers toe te voegen. Toets Hoewel de ontwikkeling niet is meegenomen in de in 2010 vastgestelde structuurvisie, staat de ontwikkeling ook de overige ruimtelijke strategieën uit de structuurvisie niet in de weg. In het plangebied bevinden zich geen oude restanten uit de Staats-Spaanse oorlog aanwezig, of voormalige agrarische bedrijfslocatie, waar bedrijfsverbreding mogelijk is. 14 18/250

3.3.2 Landgoederenregeling Gemeente Terneuzen Het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen biedt via een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid om mee te werken aan het realiseren van landgoederen, voor zover deze vallen binnen het wijzigingsgebied. In het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen zijn aan de vestiging van een landgoed onder andere de volgende voorwaarden gekoppeld: • • •

het nieuwe landgoed dient ten minste te bestaan uit een aaneengesloten oppervlakte van 3 ha; hiervan moet tenminste 80% als openbaar toegankelijk bos worden ingericht; er mag ten hoogste één hoofdgebouw (woning) met één woning worden gerealiseerd met ten hoogste vier bijgebouwen en een gezamenlijke inhoud van 2.700 m3.

Het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen is daarmee stringenter dan de huidige Omgevingsverordening 2018. De door de provincie ingezette nieuwe beleidslijn om bij een perceel van 1,5 ha een landgoed te mogen realiseren, vindt de gemeente ongewenst. Uitgangspunt bij landgoederen is steeds geweest dat de particuliere sector betaald voor aaneengesloten natuuren/of landschapontwikkeling, die openbaar toegankelijk moet zijn. Door het toestaan van landgoederen vanaf 1,5 ha - waarvan 20 % aan de openbaarheid onttrokken mag worden, met een max. gebouw van 1350 m³ – ontstaan te kleine solitaire gebieden. Dit biedt zowel vanuit ruimtelijk oogpunt maar ook vanuit maatschappelijk oogpunt, geen meerwaarde. In het nieuwe bestemmingsplan wordt bepaald dat landgoederen mogelijk zijn bij een minimale oppervlakte van 3 ha, waarvan ten hoogste 20% aan de openbaarheid mag worden onttrokken en inherrent aan het provinciaal beleid een gebouw is toegelaten van maximaal 2.700 m³. Omdat het bij landgoederen van belang is dat deze als openbaar toegankelijk gebied benut kunnen worden, is het logisch dat deze in de nabijheid van kernen/bebouwingsconcentraties worden gerealiseerd. Naast de invulling met 'Wonen' zijn in een landgoed ook functies als 'Verblijfsrecreatie' en 'Maatschappelijk' toegestaan. Samengevat •

•

•

•

voor het toepassen van de landgoederenregeling geldt dat hiervoor een minimale aaneengesloten omvang van 3 ha wordt gehanteerd; hiervan mag 20% aan de openbaarheid onttrokken worden. de inhoud van het te realiseren gebouw mag maximaal 2.700 m³ bedragen. Meerdere gebouwen zijn toegestaan, maar per extra gebouw dient 1 ha extra natuur- en/of landschapsontwikkeling plaats te vinden; Indien een groter landgoed wordt gerealiseerd, neemt de maximale omvang van bebouwing verhoudingsgewijs toe. Waarbij bij een landgoed van 5 ha, max. 4500 m³ aan bebouwing is toegestaan. In het landgoed mogen de functies Wonen, Maatschappelijk en Verblijfsrecreatie worden toegestaan;

Toets Het landgoed krijgt een omvang van 3 hectare en en wordt ingericht als openbaar parklandschap. Aan de Westsingel wordt een duurzame woning gebouwd. Het ontwerp van het landgoed gaat natuurlijk in de aan de bestaande begraafplaats Westsingel aansluitende natuurbegraafplaats. 15 19/250

De omvang van de woning blijft ruim binnen de mogelijkheden die de landgoederenregeling biedt.

afbeelding 3.1, twee aansluitende landgoederen van elk 3 hectare

16 20/250

4. Omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1. Bodem Overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid van het plangebied. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek, te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).

4.1.1 Historisch bodemonderzoek Door het adviesbureau MCG Zuidwest is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen of er in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaats gevonden binnen het plangebied en of een nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Het volledige historisch onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.

4.1.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de locatie, op basis van historische bodeminformatie en de bodemkwaliteitskaart onverdacht is voor wat betreft de standaard parameters. Echter blijkt uit historisch kaartmateriaal dat binnen het zuidelijk deel van de locatie in het verleden een boomgaard aanwezig is geweest. Voor dat deel is de locatie verdacht op de aanwezigheid van een verontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen. Een verontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen geeft, gezien het lage humane risico alsmede het toekomstig gebruik waarbij er sprake is van de aanleg van een landgoed, zonder dat hier gewoond gaat worden, pas bij zeer hoge concentraties aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen. Uitgaande van normaal gebruik worden dermate hoge gehalten in een voormalige boomgaard niet verwacht. Geconcludeerd kan worden dat de bodem geschikt is voor de toekomstige functie.

4.2 Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. De realisatie van het landgoed met een openbaar park en een natuurbegraafplaats is geen geluidgevoelige ontwikkeling. Hiervoor dient geen onderzoek plaats te vinden. De realisatie van de woning is wel een geluidsgevoelige ontwikkeling. 17 21/250

De locatie van de toekomstige woning is gelegen in een zone industrielawaai en een zone verkeerslawaai. De woning is niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen. Nader onderzoek naar spoorweglawaai wordt voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk geacht. Door het adviesbureau Peutz is een onderzoek naar industrielawaai en wegverkeerslawaai uitgevoerd. Toets Indien de toekomstige woning op tenminste 33,5 meter vanaf het hart van de Westsingel wordt gebouwd, dan wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het vaststellen van een hogere waarde is dan niet noodzakelijk. De bestemmingsplankaart is dusdanig aangepast dat het bouwvlak op 34 meter uit de as van de Westsingel ligt. Hiermee is geborgd dat ten aanzien van wegverkeerslawaai wordt voldaan aan de wettelijke normeringen. De geluidbijdrage ten gevolge van het gezoneerde industriegebied RES Axel is ten hoogste 43 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De maximale geluidniveaus ten gevolge van het gezoneerde industriegebied bedragen ten hoogste 58 dB(A) in de dagperiode. Met een dergelijke geluidbelasting kan voldaan worden aan het wettelijk kader. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 52 dB waarmee een kwalificatie voor het akoestisch woon- en leefklimaat van 'redelijk' van toepassing is. Aldus is een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Gezien het voorgaande is er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmering de omgevingsvergunning milieu te verlenen voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan 'buitengebied' voor het geprojecteerde landgoed aan de Westsingel te Axel.

4.3 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; 18 22/250

• •

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De nieuwe ontwikkeling leidt tot extra verkeersbewegingen. Op basis van de landelijke geaccepteerde CROW kengetallen voor een vrijstaande woning komt men tot 9 verkeersbewegingen per dag. Voor de begraafplaats zijn kengetallen per plechtigheid bekend. Uitgaande van drie plechtigheden per week, brengt dit op een gemiddelde van 14 verkeersbewegingen per dag. Voor het landgoed Westsingel wordt uitgegaan van een worst-case scenario met 30 verkeersbewegingen per dag.

Er zal nauwelijks sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 5% gezet kan worden. In afbeelding 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 300 extra voertuigbewegingen.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m3

0,03

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

19 23/250

30

1,2

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'buitengebied'. In afbeelding 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Afbeelding 4.3: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Voor onderhavig plan is gekeken naar mogelijke hinder voor omliggende functies met betrekking tot milieuzonering. Voor het landgoed en de aanleg van natuur geldt dat deze ontwikkeling niet moeten worden getoetst op hinder van omliggende bedrijven enerzijds en anderzijds geen hinder 20 24/250

veroorzaken naar omliggende woningen. Voor deze ontwikkeling dienen geen afstanden aangehouden te worden. Voor de realisatie van de woning en de natuurbegraafplaats wordt wel getoetst aan de richtafstandenlijst. Natuurbegraafplaats Op basis van de VNG-brochure geldt voor een begraafplaats een richtafstand van 10 meter tot het dichtstbijzijnde gevoelige object. Gelet op de ligging van de natuurbegraafplaats op een nieuw aan te leggen landgoed en het ontbreken van gevoelige objecten in de nabijheid van de toekomstige natuurbegraafplaats zal deze ontwikkeling geen hinder opleveren. Woning Achter de toekomstige woning ligt een gasdrukregelstation type cat. C. Voor dit type inrichting geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De toekomstige woning wordt op een afstand van meer dan 50 meter van deze inrichting gebouwd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Overige bedrijven liggen op grotere afstand van de toekomstige woning. Het aspect milieuzonering vormt dan ook geen beperking voor onderhavig plan.

4.5 Externe veiligheid Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) van kracht geworden. Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. 21 25/250

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. De ontwikkeling van een landgoed met natuurbegraafplaats is geen ontwikkeling, waaraan op basis van externe veiligheid aan getoetst moet worden. Dit geldt wel voor de nieuw op te richten woning. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied aan de westzijde van Axel. Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied één risicovolle inrichting aanwezig is die deels van invloed is op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Dit betreft het bedrijf Lehnkering Chemical Transport B.V. aan de noordzijde van de kern Axel (gevestigd op het adres Vaartstraat 3). Het bedrijf beschikt over een PR 10‐6‐contour die niet buiten de inrichting ligt. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor het plan.

Daarnaast is op de hoek Buthdijk/Westsingel een LPG tankstation aanwezig. De woning wordt ruim buiten de groepsrisicocontouren ontwikkeld. Binnen het plangebied is een planologisch beschermde gasleiding gelegen, die onder het BEVB valt. Deze aardgasleiding van de Gasunie heeft een diameter van 6 inch en een werkdruk van 40 bar. Het plaatsgebonden risicocontour van deze leiding ligt binnen de belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van het hart van de leiding. De woonbestemming ligt buiten deze leiding en de belemmeringenstrook. Toets Het invloedsgebied ten behoeve van het groepsrisico bedraagt voor het bedrijf Lehnkering Chemical Transport BV 1.400 m. Het plangebied ligt op een afstand van ruim 1.000 m van het bedrijf. Het groepsrisico ligt onder de oriënterende waarde. De bijdrage van de ontwikkeling in het plangebied voor het groepsrisico is ten opzichte van de bijdrage van de kern Axel verwaarloosbaar klein. De ontwikkeling zorgt in geen geval voor een toename van meer dan 10% van het groepsrisico; conform het beleid van de gemeente Terneuzen is daarom ook geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Tijdens het vooroverleg zal de ontwikkeling ook worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Zeeland.

Conform artikel 12, lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) hoeft er slechts een beperkte invulling gegeven te worden aan de verantwoordingsplicht van het groepsrisico als gevolg van de aanwezigheid van de hogedruk aardgastransportleiding binnen en in de directe nabijheid van het plangebied aangezien het groepsrisico lager is dan 10% van de oriënterende waarde. Het toevoegen van één woning in de nabijheid van een gastransportleiding is een toename van maximaal 2,3 personen. Dit aantal is ruim onder de oriënterende waarde.

22 26/250

Afbeelding 4.4: uitsnede Risicokaart

4.6 Flora en fauna Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield.

Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Zorgplicht

23 27/250

Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan.

Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten 27 worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.

Gebiedsbescherming Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd. De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Wet natuurbescherming (Wnb) overgenomen. Stikstof Zie de aparte paragraaf 4.7. Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Zeeland, vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Zeeuwse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het maakt onderdeel uit van het Nederlandse netwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14245969/1