2024-05-22 - Terneuzen, Othene Oost 2022 Toelichting - ingewerkte versie
Tekst van het document
Figuur 4.10 Invloedsgebied brandbare (blauwe lijn) en toxische stoffen (rood) voor het gebied van de Westerschelde
34/61
Figuur 4.11 Groepsrisico Terneuzen Vaarroute Westerschelde Provinciale weg N290 Ten zuiden van het plangebied, op circa 930 meter afstand, ligt de provinciale weg N290. Dit is een basisnetroute voor gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt hiermee binnen het invloedsgebied van ongevallen met giftige stoffen op de N290. 4.5.3
Verantwoording groepsrisico vervoer gevaarlijke stoffen
Omdat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de vaarroute Westerschelde en de provincialeweg N290 , is op grond van het Bevt artikel 7 een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Voor de verantwoording van het groepsrisico is gebruikt gemaakt van een stappenplan. Stappenplan verantwoording Stap 1: Ligt het plan binnen het invloedsgebied. Uitkomst toets: Ja, dit is het geval. Stap 2: Is het groepsrisico hoger dan 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico: Trek een vierkant van 1 bij 1 km om het plan waarbij het plan in principe centraal wordt genomen in het vierkant, met die toevoeging dat het vierkant wel zo dicht mogelijk bij de vaargeul wordt genomen (maar wel helemaal op het land) en andere relevante bevolking ook zo veel mogelijk wordt meegenomen. Ga met behulp van de bevolkingsdichtheden per ha. na hoeveel bevolking er aanwezig is in het gebied na realisering van het plan. Tel hier ook toeristen bij op. Indien het aantal aanwezigen hoger is dan 2500 personen per km², dan is uitvoering van stap 3 noodzakelijk. Uitkomst toets: Binnen een vierkant van 1 km2 (zie figuur 4.12) zijn momenteel ongeveer 540 woningen aanwezig. Het aantal dat daaraan wordt toegevoegd is circa 530. Daarmee komt het aantal woningen op ongeveer 1.070. De gemiddelde woningbezetting van bewoonde woningen is in de gemeente Terneuzen iets minder dan 2,2 personen.
Daarmee komt het totaal aantal personen op ongeveer 2.350. Daarmee blijft het groepsrisico ter hoogte van Terneuzen onder 10 % van de oriëntatiewaarde.
35/61
Figuur 4.12 Kilometerhok met daarin het plangebied Othene Oost (Kaart: provincie Zeeland) Stap 3: Neemt het groepsrisico met meer dan 10% toe: ga na of ten gevolge van het ontwikkelingsplan, en eventuele andere ontwikkelingsplannen in het gebied, de bevolkingsdichtheid in het gebied met meer dan 10% toeneemt. Zo ja: een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is vereist. Uitkomst toets: gezien de uitkomst van stap 2 is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Stap 4 Ga na welke risicoreducerende maatregelen kunnen worden toegepast. Gebruik hiervoor de checklist uit het rapport Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico van het toenmalige Ministerie van VROM (november 2007). In het rapport is een overzicht gegeven van mogelijke risicoreducerende maatregelen. Stap 5 Is één van de volgende motieven voor een acceptatie van een hoger risico van toepassing: Het opvullen van kleine open gaten of vervangende nieuwbouw in bestaand stedelijk gebied. Een voor de specifieke locatie belangrijke ontwikkeling. Een situatie waarbij anders de externe veiligheidsproblematiek (elders) zou toenemen. Uitwerking van deze stap wordt door de gemeente gedaan. Naast de hoogte van het groepsrisico maken ook de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. Op deze aspecten wordt hierna ingegaan.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijke van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan
36/61
gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. Uit deze handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Het plangebied wordt in verschillende windrichtingen ontsloten en is goed bereikbaar voor de hulpverlening. De mogelijkheden voor hulpverleningsdiensten zijn echter beperkt bij een toxische wolk en zijn vooral gericht op detectie en alarmering van bewoners “ramen, deuren en ventilatie openingen sluiten”. Bluswatervoorzieningen worden op een zo strategische mogelijke plaats aangebracht. Alvorens tot uitvoering te gaan worden de ontwerptekeningen ter goedkeuring voorgelegd aan de brandweer. Zelfredzaamheid Onder zelfredzaamheid wordt verstaan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. Het uitgangspunt is dat de meerderheid van de aanwezige personen zelfredzaam zal zijn.
Verwacht wordt dat minder zelfredzame personen worden begeleid door ouders en/of verzorgers. Er worden geen specifieke functies mogelijk gemaakt voor minder zelfredzame personen. Restrisico De risicobronnen Westerschelde en provincialeweg N290 kunnen kan in voorziene situatie leiden tot incidenten met effecten of slachtoffers binnen het plangebied. De genoemde maatregelen kunnen de omvang van mogelijke incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht voor hulpverleningsdiensten. Het groepsrisico wordt verantwoord geacht. 4.5.4 Conclusie Alleen aan de zuidoostzijde van het plangebied, ligt een heel klein deel binnen een relevante PR-contour 10-6 van een risicovolle functie. Binnen deze contour zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten voorzien.
37/61
Figuur 4.13 Fragment risicokaart met Othene Zuid en omgeving (bron: atlas voor de leefomgeving) Voor het overige zijn op korte afstand van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan de PR 10-6 contour loopt over (een deel van) het plangebied. Het groepsrisico vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde en de provincialeweg N290 bedraagt ter hoogte van het plangebied minder dan 10 % van de oriëntatiewaarde. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is daarom niet nodig. Bovendien worden in voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waardoor het groepsrisico toeneemt. De vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan ook niet gehinderd door het aspect externe veiligheid. Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) heeft op 2 november geadviseerd over het bestemmingsplan. Het advies is opgenomen in bijlage 11. De conclusie van de VRZ is dat de maatgevende scenario's voor het plangebied bestaan uit ongevallen met giftige stoffen en ongevallen met brandbare gassen. Tegen deze ongevallen zijn redelijkerwijs geen ruimtelijke maatregelen te nemen. Er zijn wel andere maatregelen te treffen om de veiligheid te verhogen. Voorstellen daarvoor zijn opgenomen in het advies.
4.6
Planologisch relevante kabels en leidingen
4.6.1 Beleid / toetsingskader Planologische relevantie Voor hoogspanningsverbindingen en hoofdtransportleidingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt kabels en buisleidingen voor het transport van:
38/61
a. hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer; b. buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. 4.6.2 Toetsing/onderzoek In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen of hoogspanningslijnen aanwezig. De hoofdaanvoerroutes voor kabels en leidingen zullen door de - buiten het plangebied gelegen - Laan van Othene gaan lopen.
Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor de woonstraten geldt een minimale beschikbare strook van 1,50 meter voor kabels en leidingen. 4.6.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7
Ecologie
4.7.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en,
39/61
Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in provincie Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Rond de natuurgebieden van het Natuurnetwerk Zeeland geldt een zone van 100 meter waarbij nieuwe ontwikkelingen moeten worden beoordeeld op de gevolgen voor de natuur. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten.
De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de "overig" beschermde soorten. Het betreft de soorten aardmuis, bastaardkikker/middelste groene kikker , bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. 4.7.2 Toetsing/onderzoek De geplande activiteiten houden in het verwijderen van beplanting, bouwrijp maken van het terrein en realiseren van nieuwbouw. In voorliggende bestemmingsplan zijn geen andere nieuwe ontwikkelingen voorzien die kunnen leiden tot aantasting of verstoring van beschermde dier- en plantensoorten of beschermde natuurgebieden. Voor wat betreft het verwijderen van beplanting wordt het volgende opgemerkt. Een deel van de te verwijderen beplanting zijn houtopstanden.
Het betreft in ieder geval de knotwilgen aan de zuidkant van de Reuzenhoeksedijk en wellicht ook de bomenrij halverwege het talud van de dijk. Van belang is dat het plangebied in de huidige situatie nog geen deel uitmaakt van de bebouwde kom. Dat betekent dat er een meldings- en herplantplicht geldt als de omvang van houtopstanden die worden gekapt groter is dan 10 are of als het gaat om meer dan 20 rijbomen. Het natuurwaardenonderzoek dat destijds voor Othene-Zuid is uitgevoerd, is gedateerd. Daarom zijn 6 nieuwe natuurwaardenonderzoeken uitgevoerd en is 1 advies met maatregelen opgesteld:
40/61
1. Advies compenserende en mitigerende maatregelen ter bescherming in of in de nabijheid van het uitbreidingsplan aanwezige kerkuilen (2017); 2. Natuurtoets / Activiteitenplan Othene fase 4B-6, Terneuzen (11 januari 2018); dit onderzoek is in feite de definitieve versie van de natuurtoets die in 2017 is uitgevoerd; ook toen zijn maatregelen voorgesteld om mogelijk negatieve effecten voor verschillende soorten, waaronder de strikt beschermde rugstreeppad, te voorkomen; 3. Quickscan beschermde natuurwaarden Othene Oost (25 februari 2018) waarin is het gehele deelgebied Othene Oost opnieuw onderzocht. Het studiegebied is wat ruimer genomen omdat sommige soorten een groter leefgebied hebben. 4. Quickscan Othene, fase 4a (noordelijk deel), fase 5 en fase 6 (14 november 2022, zie bijlage 12); dit onderzoek is uitgevoerd omdat een verleende ontheffing op grond van de Wnb op 1 januari 2023 verliep en omdat er een aantal relevante wijzingen omtrent de bescherming van soorten onder de Wnb werd doorgevoerd. 5. Voortoets stikstof Othene Oost (8 december 2023, zie bijlage 13); 6. Natuurtoets NNZ-gebied Margarethapolder (zie bijlage 14). Op laatstgenoemde 3 rapporten wordt hierna ingegaan. Quickscan Othene, fase 4a (noordelijk deel), fase 5 en fase 6 In februari 2017 is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor de fasen Othene 4,5 & 6.
Op basis daarvan is een ontheffing op grond van de Wnb verleend. Omdat die ontheffing op 1 januari 2023 is verlopen en omdat er sindsdien een aantal relevante wijzingen omtrent de bescherming van soorten onder de Wnb is doorgevoerd, waaronder een wijziging in de door de Provincie Zeeland aangewezen soorten van de vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing (haas en konijn) is in 2022 een nieuwe quickscan voor de laatste fasen van Othene Zuid uitgevoerd.
Figuur 4.14 Plangebied Quickscan Op 24 augustus 2022 is een verkennend veldbezoek uitgevoerd. Aan de hand van de verspreidingsgegevens en het veldbezoek is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is in het onderzoeksgebied. Bepaalde delen van het gebied konden niet geïnspecteerd worden, dit betrof de opslag van
41/61
materieel in het oosten van het plangebied en de opgaande structuren rondom de woning en bijgebouwen in het zuidoosten (direct tegen het plangebied gelegen) aan de Molenweg 6, waar wel rondom is gelopen aan de oost- en zuidzijde. Via gesprekken met externe deskundigen en de provincie Zeeland zijn de onderzoeksopgave en/of data ook verscherpt. Door middel van een beknopte analyse van het project in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde soorten uit het onderzoeksgebied is beoordeeld welke negatieve effecten de voorgenomen werkzaamheden kunnen hebben op mogelijk in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Effecten op beschermde soorten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Effectbeoordeling Het plangebied heeft over het algemeen weinig bijzondere habitats voor planten en diersoorten. Wegens het ontbreken van geschikte standplaatsen, essentieel leefgebied en/of vaste rust- en/of verblijfplaatsen, zijn geen negatieve effecten te verwachten voor volgende beschermde soorten of soortgroepen: vaatplanten, vissen, reptielen en ongewervelden. Vrij veel soorten maken gebruik van vooral de ruigtes langs de perceelranden, zoals algemene grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en verschillende amfibiesoorten. Het is mogelijk dat het plangebied momenteel gebruikt wordt als leefgebied voor de strikt beschermde rugstreeppad.
Deze pad is in de periode 2019-2022 enkele keren net buiten het plangebied aangetroffen. Bovendien kan deze soort zich hier tijdens de werkzaamheden vestigen indien geschikte habitats gevormd worden, ook op plaatsen waar vervolgens gaat worden gebouwd. Daarom is in 2021 in het plangebied, achter een zand- en materialendepot aan de Drieweg, een poel voor de rugstreeppad aangelegd. In overleg met een specialist wordt deze poel regelmatig geïnspecteerd en waar nodig aangepast.
Figuur 4.15 Aanwezige poel voor rugstreeppad Daarnaast komen in en rondom het plangebied verschillende soorten vogels voor, waaronder ook soorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is.
42/61
In het rapport wordt het volgende geconcludeerd: De staat van instandhouding van de aanwezige en voorkomende soorten wordt door het voornemen niet (significant) negatief aangetast, het voortbestaan van aanwezige individuen en populaties is niet in het geding. Het verlies aan leefgebied heeft voor de algemene soorten geen negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding omdat deze in de ruime omgeving ook voorkomen en voor een groot deel na aanleg van de woonwijk hier weer een leefgebied zullen vinden. Voor soorten van open habitats als de haas geldt dit niet of minder, voor hen neemt het leefgebied iets af in oppervlakte. Er is geen ontheffing vereist. Voor de realisatie van de laatste fases van Othene worden geen negatieve effecten op nestplaatsen van steenuil, kerkuil of andere soorten vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is en/of significant negatieve effecten op in het plangebied of direct rondom gelegen aanwezige foerageergebied verwacht. De broedlocaties van deze soorten liggen op voldoende afstand en zijn ook voldoende afgeschermd van de nieuwe woonwijk en bouwlocaties om verstoring uit te sluiten. Het plangebied is voor vleermuizen marginaal geschikt als foerageergebied. Overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen als gevolg van de voorziene ingreep wordt niet verwacht.
Het uitvoeren van een nader onderzoek naar deze functies van vleermuizen is niet noodzakelijk. Het bureau dat de quickscan heeft opgesteld heeft op 17 juli 2023 per e-mail de volgende aanvullende informatie aangeleverd: "Doordat in het plangebied vrij lage vegetatie aanwezig is, is het maar marginaal geschikt als foerageergebied. Verder zijn in de directe omgeving voldoende en zelfs betere alternatieve foerageergebieden aanwezig. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen onderdeel is van essentieel foerageergebied van vleermuizen en overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen is dan ook uitgesloten." Alleen voor de te slopen gebouwen in het plangebied wordt geadviseerd om nog een nadere beschouwing te doen naar het voorkomen van (steen)uilen en van vleermuizen. Wordt er vastgesteld dat de locatie (toch nog) in gebruik is door deze soorten, dan is het nemen van maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing voorafgaande de sloop vereist. Voor al deze soorten geldt ofwel een algemene provinciale vrijstelling ofwel kan door het nemen van algemene maatregelen overtreding van verbodsbepalingen voorkomen worden.
Zo kan het optreden van negatieve effecten worden voorkomen door gefaseerd te werken buiten de kwetsbare periode van verschillende soorten en/of door het plangebied voorafgaand aan de kwetsbare periode ongeschikt te maken. Zeker ten aanzien van de rugstreeppad zijn voorzorgsmaatregelen nodig om negatieve effecten voor deze soort en mogelijke overtreding van artikel 3.5 van de Wnb te voorkomen. Overtreding van verbodsbepalingen voor soorten die niet vrijgesteld zijn van een ontheffingsaanvraag wordt niet verwacht. Dit geldt voor de soorten haas, konijn en veldspitsmuis, waarvoor het plangebied weliswaar onderdeel uitmaakt van het grotere leefgebied, maar waar niet verwacht wordt dat sprake is van vernietiging van vaste rust- en/of verblijfplaatsen. Het bureau dat de quickscan heeft opgesteld heeft op 17 juli 2023 per e-mail de volgende aanvullende informatie aangeleverd: "Voor grondgebonden zoogdieren is het plangebied mogelijk onderdeel van een groter leefgebied van ree en vos. Door het veelal ontbreken van opgaande structuren biedt het plangebied echter maar gering geschikt leefgebied voor deze soorten. Verder zijn er in de directe omgeving van het
43/61
plangebied voldoende en zelfs geschiktere gebieden aanwezig voor deze soorten. Het voornemen leidt daarom niet tot permanent negatieve effecten op deze soorten." Ten aanzien van de veldspitsmuis wordt opgemerkt dat door het dempen van een watergang en de bouw van woningen leefgebied is vernietigd. Maar voor deze activiteiten hebben Gedeputeerde Staten van Zeeland op 16 februari 2018 ontheffing verleend. De ontheffing is weliswaar op 1 januari 2023 verlopen, maar is aangeven dat vernietiging van nieuw leefgebied niet wordt verwacht. Geadviseerd is om een ecologisch werkprotocol op te stellen en de werkzaamheden conform dit protocol uit te voeren waarin de volgende voorzorgsmaatregelen worden genomen: Tijdens de bouw en daarna is de verwachting dat de kwaliteit van het plangebied als foerageergebied voor steenuil en kerkuil ongeveer gelijkwaardig zal blijven. Door een natuurvriendelijke inrichting van de groenzones kan die kwaliteit zelfs makkelijk toenemen. Geadviseerd is om de inrichting van het plangebied geschikt te maken als foerageergebied van deze soorten. Er dient te worden voorkomen dat op het bouwterrein geschikte (maar tijdelijke) voortplantingshabitats (wateren) en geschikt leefgebieden ontstaan voor rugstreeppadden en/of dat deze bereikbaar zijn voor deze soort.
Het verstoren van broedgevallen van algemene broedvogels is te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dit kan van half augustus tot half maart of bijvoorbeeld door voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken (bijvoorbeeld oevervegetatie verwijderen) en (gedurende het broedseizoen) te houden. Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken, zijn overigens niet "waterdicht"; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Voor alle soorten, beschermd of niet, geldt altijd de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Hierna wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen: 1. De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Na zonsondergang en voor zonsopkomst wordt het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk beperkt en uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen. 2. Indien er nabij vegetatie, of watergangen gewerkt moet worden, wordt er één richting opgewerkt, zodat kleine dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten.
Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben om te vluchten. Voorafgaande het dempen van watergangen moeten algemene soorten worden overgezet naar de direct aangrenzende of nabijgelegen watervoerende watergang. 3. Voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt enkel gebruik gemaakt van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten en beschadiging van hun leefgebied voorkomen. 4. Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden (opnieuw) geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog. Voortoets stikstof Othene Oost (2023) In geen van de hiervoor genoemde onderzoeken (natuurtoets en quickscans) is het aspect stikstofemissie en
44/61
-depositie op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanlegwerkzaamheden en het gebruik van het plangebied onderzocht. Die stikstofemissie en -depositie is er wel en mogelijk heeft dit effecten op genoemde habitats. Vanwege deze potentiële negatieve effecten is een passende beoordeling (voortoets) opgesteld om te bepalen of deze effecten significant zijn. Uit de berekeningen (opgenomen in de bijlagen bij de voortoets) blijkt dat in de aanleg- en bouwfase de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er daarom geen relevant effect is. De beoogde aanleg- en bouwfase is aldus uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor de gebruiksfase is een kleine depositietoename (0,01 mol/ha/jr) op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden "Westerschelde & Saeftinghe"en "Vogelkreek" berekend. Significant negatieve effecten als gevolg van vermesting/verzuring op dit Natura 2000-gebied konden daarom nog niet op voorhand worden uitgesloten. De effecten zijn in de voortoets daarom nader onderzocht aan de hand van een ecologische beoordeling met veldbezoek ter plaatse van de locatie waar de overschrijding is berekend. Ook het aspect cumulatie met andere projecten is daarbij betrokken.
Op grond van de beoordeling is in de voortoets geconcludeerd dat significante effecten als gevolg van de berekende extra stikstofdepositie geheel kunnen worden uitgesloten. De gebruiksfase leidt niet tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Natuurtoets NNZ-gebied Margarethapolder (2023) Omdat het plangebied ligt binnen een afstand van 100 meter afwegingszone van dit natuurgebied is een effectbeoordeling uitgevoerd. In de rapportage is geconcludeerd dat de ontwikkeling mogelijk leidt tot licht negatieve ecologische effecten op het naastgelegen NNZ (tijdelijke verstoring door geluid) maar ook tot relevante, blijvende positieve effecten (afname vermesting, verzuring en vergiftiging). Per saldo zal de ontwikkeling geen significant negatieve effecten hebben op het NNZ. Het provinciaal beleid ten aanzien van het NNZ staat daarom de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.7.3 Conclusie Beschermde natuurgebieden De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming De staat van instandhouding van de aanwezige en voorkomende soorten wordt door het voornemen niet (significant) negatief aangetast, het voortbestaan van aanwezige individuen en populaties is niet in het geding.
Voor al deze soorten geldt ofwel een algemene provinciale vrijstelling ofwel kan door het nemen van algemene maatregelen overtreding van verbodsbepalingen voorkomen worden. Door het werken met ecologische werkprotocollen voor broedvogels, steenuilen en kerkuilen en rugstreeppadden wordt strijdigheid met de Wet natuurbescherming voorkomen. Voor alle eventueel voorkomende soorten geldt een zorgplicht en wordt overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb voorkomen door buiten het broedseizoen (15 maart -15 oktober) te werken of te zorgen dat vogels niet tot broeden komen.
45/61
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Beleids-/toetsingskader Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) luchtkwaliteitseisen Besluit niet in betekenende mate; Wet ruimtelijke ordening. 4.8.2 Toetsing/onderzoek Het aspect luchtkwaliteit is bij de totstandkoming van het bestemmingsplan Othene - Zuid niet onderzocht. Daarom wordt in deze toelichting getoetst aan dit aspect. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer kan daarom achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante wegen zijn de Guido Gezellestraat, de Rooseveltlaan en de Hoofdweg. Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 ruimschoots wordt voldaan aan de voor die jaren geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.2. Tabel 4.2 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof stikstofdioxide (NO2) ) fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
46/61
grenswaarde
maximale waarden in jaar maximale waarden in jaar 2030 2020 40 µg/m³ 16,7 13,4 40 µg/m³ 16,4 14,9 max. 35 keer p.j. meer 6,0 6,0 dan 50 µg/m³ 25 µg/m³ 8,5 7,1
Figuur 4.16 Meetpunten luchtkwaliteit NSL-monitoringstool 4.8.3 Conclusie Binnen het gehele bestemmingsplangebied wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen uit de Wet milieubeheer. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu.
4.9
Bedrijven en milieuhinder
4.9.1 Toetsingskader Richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009); Provinciaal ruimtelijk beleid (Omgevingsplan Zeeland); Jurisprudentie: goede ruimtelijke ordening. 4.9.2 Onderzoek en conclusie In het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven aanwezig (zie figuur 4.17) en er worden in dit bestemmingsplan, ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
47/61
Figuur4.17 Fragment verbeelding bestemmingsplan Buitengebied: geen agrarische bedrijven in de omgeving (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
4.10 Water Voor het aspect ‘water’ wordt verwezen naar de waterparagraaf die ten behoeve van het (voorheen geldende) bestemmingsplan Othene Zuid (vastgesteld 4 juni 2015) is uitgevoerd. Bijlage 15 bij deze toelichting is daarop gebaseerd en is ook al opgenomen in bijlage 2 van de toelichting op het bestemmingsplan Terneuzen, Othene Oost (vastgesteld 3 juli 2018). Na de vaststelling van de hiervoor genoemde bestemmingsplannen is het ontwerp aangepast waarbij de waterpartij wordt verbreed. De ruimte achter de appartementengebouwen (zie figuur 2.1) zijn minimaal tussen de 8 en 10 meter breed. De ruimte achter en rond de eilanden (Frisiusschans, speeleiland en Hattingsschans) is tussen de 4 en 6 meter breed. Deze breedtes zijn genoeg om varend onderhoud uit te voeren. Voor het overige hebben geen nieuwe feiten of omstandigheden plaatsgevonden die noodzaken tot een aanpassing van de waterparagraaf. De eerdere uitgangspunten en conclusies zijn dus nog steeds geldig.
4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Bovengrondse cultuurhistorie Beleid en toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. In het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk is opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
48/61
De gemeente beschikt over een Cultuurhistorische Waardenkaart. In overleg met betrokken organisaties als Stichting Landschapsbeheer Zeeland is de kaart verder verfijnd. In deze kaart wordt een inventarisatie van alle aanwezige cultuurhistorisch waardevolle elementen en objecten gecombineerd met de drie ontwikkelingsstrategieën uit de Structuurvisie 2025: Behoud (B): behouden, beschermen; Behoud door ontwikkeling (BO): versterken, verbreden, verbinden; Vernieuwing mogelijk (V): transformeren, ontwikkelen, herstructureren Per bestemmingsplan wordt vervolgens besloten welke cultuurhistorische elementen daadwerkelijk worden beschermd. Toetsing / beoordeling Cultuurhistorie kent verschillende aspecten: historische (steden)bouwkunde (het gebouwde erfgoed), archeologie en het cultuurlandschap en historische geografie. Net buiten het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt de Reuzenhoeksedijk, een cultuurhistorische waardevolle (binnen)dijk. In figuur 4.18 is deze dijk aangeduid.
Figuur 4.18 Waardevolle dijken (bron: provincie Zeeland) De boerderij op het adres Reuzenhoeksedijk is volgens de kaart waarop de Cultuur Historische Structuur is aangeduid als object dat is opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project van de provincie. De bebouwing past in het bestemmingsplan, maar voor het behoud ervan is geen beschermde regeling in het bestemmingsplan opgenomen. Voor het overige zijn in het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig.
49/61
Conclusie In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig waarmee in het bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. 4.11.2 Archeologie Voor een uitgebreide toelichting op dit aspect wordt verwezen naar bijlage 16 van deze toelichting. In het voorliggende bestemmingsplan is het aspect archeologie verwerkt in de juridische regeling. Nader archeologisch onderzoek is niet nodig. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kan dit wel nodig zijn.
4.12 Ontplofbare oorlogsresten 4.12.1 Beleids-/toetsingskader In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). De gemeente Terneuzen hanteert voor OO het Historisch Vooronderzoek en een Risicokaart4. Zodra een ontwikkellocatie als (potentiële) risicolocatie is aangemerkt, moet rekening worden gehouden met mogelijk achtergebleven OO. 4.12.2 Toetsing En uitgebreide toetsing is opgenomen in bijlage 17. Uit de risicokaart blijkt dat onder andere het plangebied Othene-Oost valt in een aandachtsgebied voor het voorkomen van OO en daarmee in een aanwijsbaar risicogebied (zie paars gebied figuur 4.19).
Figuur 4.19 Fragment Risicokaart OO gemeente Terneuzen met aanduiding plangebied Tijdens de bevrijding hebben in september 1944 hevige grondgevechten en artilleriebeschietingen plaatsgevonden. Dit bij het verdrijven van Duitse soldaten uit Axel in de opmars richting Terneuzen en Zaamslag
50/61
door Poolse eenheden. In het gebied dient - in eerste instantie - rekening te worden gehouden met achtergebleven geschutmunitie van de kalibers 5 cm t/m 10,5 cm, afkomstig van grondartillerie. In het plangebied liep vroeger een meanderende, brede waterloop, omgeven door landbouwgronden. Deze waterloop is tijdens of kort na WOII vrijwel volledig gedempt en grotendeels tot landbouwgrond omgevormd. Eventueel achtergebleven oorlogsmunitie kon in oppervlaktewater aan het zicht worden onttrokken. Het dempen van de waterloop juist deze in periode maakt de locatie in relatie tot eventuele munitiedump extra verdacht. (Vervolg)onderzoek is nodig. Voor het resterend plangebied is het aantreffen van een vorm van munitie door de omvang van het te ontwikkelen gebied 'Othene-Oost' reëel. Naar verwachting gaat het daarbij om kleine munitie. Deze munitie zou zich dan op, of juist onder de oppervlakte bevinden. Dit deel van het plangebied (exclusief de hiervoor gedempte waterloop) is echter sinds de WOII tot heden als landbouwgrond in gebruik, met enige grondroering/-verzet aan de oppervlakte tot gevolg. Grote oorlogsrestanten zouden hier redelijkerwijs al zijn opgemerkt. De trefkans van munitie is niet ondenkbaar, maar wel klein. Op basis van trefkans en kaliber van bedoelde munitie wordt humaan risico laag ingeschat.
Om vertraging tijdens de fase van projectuitvoering te voorkomen, is op 10 juli 2023 een detectieonderzoek uitgevoerd voor het in figuur 4.20 aangeduide gebied.
Figuur 4.20 Gebied waarvoor detectieonderzoek is uitgevoerd (bron: Opsporingsonderzoek ontplofbare oorlogsresten) Aansluitend is tijd ingeruimd om de gevonden voorwerpen te benaderen. Eventuele gevonden OO worden door Explosieven Opruimingsdienst geruimd. Als de resultaten voor de vaststelling beschikbaar zijn en het gebied kan worden vrijgegeven, dan wordt dit in het bestemmingsplan verwerkt.
51/61
4.12.3 Conclusie De gedempte waterloop vormt vooralsnog een noemenswaardig risico, waardoor een projectgebonden risicoanalyse (PRA) naar ontplofbare oorlogsresten is vereist; vrijgave van dit specifieke terreindeel geldt als voorwaardelijke verplichting in relatie tot het bestemmingsplan en als voorwaarde in relatie tot een omgevingsvergunning, namelijk dat elke vorm van bouwactiviteiten in/tegenaan de voormalige waterloop, inclusief grondroering/-verzet, zonder instemmen van de gemeente niet is toegestaan. Volledigheidshalve, het laten uitvoeren van een projectgebonden risicoanalyse geldt alleen in relatie tot deze historische waterloop, en niet voor het resterende plangebied 'Othene-Oost'. In geval er bij de aanleg- en bouwwerkzaamheden ter plaatse alsnog munitie wordt aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.
4.13 Mer-beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D 11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is bij vaststelling van een bestemmingsplan in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling valt onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is waarin deze paragraaf voorziet. Het plangebied bevindt zich niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Voor zover bekend zijn er geen redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden. Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat vanuit het aspecten verkeer en parkeren geen negatieve effecten worden verwacht. Ook vanuit het aspect bodem worden negatieve effecten uitgesloten. Echter wordt de bodemkwaliteit van het kavel waarop de voormalige bedrijfsopstallen staan nog onderzocht. Mocht uit dit onderzoek blijken dat sanerende maatregelen noodzakelijk zijn, dan worden deze genomen. Het plangebied bevindt zich binnen de geluidzone van de Reuzendijk, Drieweg en Molenweg.
Uit onderzoek kwam naar voren dat aan de voorkeursgrenswaarde van de Wgh wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat ook vanuit het aspect wegverkeerslawaai negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van de vaarroute Westerschelde en de weg N290. Uit de beknopte verantwoording kwam naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Ook vanuit het aspect externe veiligheid worden geen negatieve effecten verwacht. Vanuit soortenbescherming worden negatieve effecten ook uitgesloten, wel geldt er een zorgplicht. Daarnaast dienen de bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen van de broedvogels uitgevoerd te worden. Vanuit het aspect luchtkwaliteit en bedrijven en milieuzonering worden negatieve effecten ook uitgesloten. Het aspect water en archeologie is in het vorige bestemmingsplan dat vastgesteld is (op 4 juni 2015) geregeld. De conclusie dat negatieve effecten uitgesloten worden geldt nog steeds. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Vanuit dit aspect worden negatieve effecten ook uitgesloten. Uit de informatie in deze paragraaf blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een kwetsbaar gebied en/of
52/61
gebied met een beschermde status. De aard en beperkte omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits de genoemde maatregelen worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
53/61
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op de juridische regeling
Wettelijk kader
In de Wro en het Bro is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) is het volgende van belang. De regeling in het bestemmingsplan sluit binnen de huidige standaarden en wet- en regelgeving zoveel mogelijk aan op de geldende bestemmingsplannen die in paragraaf 1.3 zijn genoemd. 5.2.1 Verbeelding Bestemmingen Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid, zoals WG voor Woongebied. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er dubbelbestemmingen die op de verbeelding herkenbaar zijn aan arceringen. 5.2.2 Regels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde. In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden voor zover nodig de in de regels gehanteerde 'Begrippen' gedefinieerd en wordt de 'Wijze van meten' bepaald. De begrippen zijn ontleend aan het bestemmingsplan Othene Oost en andere geldende bestemmingsplannen in de gemeente. Ook de leden in het artikel Wijze van meten zijn standaard. Er is in dit bestemmingsplan één sublid toegevoegd dat specifiek voor het plangebied van belang is.
Het betreft lid 2.4, de wijze van meten van de breedte van een bouwperceel. Het regelen van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens is in het bestemmingsplan Othene Oost gerelateerd aan het begrip perceelsbreedte. Er gelden andere zijdelingse afstanden bij percelen die smaller of breder zijn dan 19 meter (bij smaller dan 19 meter mag een vrijstaande woning aan één zijde op de perceelsgrens worden gebouwd, bij breder dan 19 meter is de smalste afstand 1 meter). Er zijn echter verschillende percelen voorzien die in breedte divergeren. De breedte is aan de achterzijde niet gelijk dan aan de voorzijde. Bij deze regel gaat het om de "luchtigheid" van het straatbeeld en dus om de voorzijde. Om de interpretatieverschillen te voorkomen wordt perceelsbreedte in het nieuwe BP gemeten op de voorgevellijn. In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die
54/61
op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 Algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel en regels die voor eventuele flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden. Hoofdstuk 4 (Overgangs- en slotregels) bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.
5.3
Toelichting op de gehanteerde bestemmingen
Status: alleen aan de regels zoals genoemd in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels kunnen rechten worden ontleend. Groen (Artikel 3) Groen en water zijn in beginsel overal binnen het woongebied toegestaan. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen, bermen en beplanting toegestaan en bij deze bestemming behorende voorzieningen die in de gehele gemeente gebruikelijk zijn. Op de gronden met deze bestemming is een klein gebouw toegestaan ten behoeve van de groenbestemming, zoals een overdekte jongerenontmoetingsplaats, en voor het overige uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer (Artikel 4) Dit besluitvlak is opgenomen voor de weg over de Reuzenhoeksedijk. De regeling in dit bestemmingsplan is min of meer een standaardregeling binnen de gemeentelijke plannen. Binnen de verkeersbestemming zijn de gebruikelijke verkeersfuncties met daarnaast bijbehorende groen- en speelvoorzieningen en water toegestaan. De inrichting is niet gedetailleerd vastgelegd. Woongebied (Artikel 5) Dit artikel is afgesplitst van het oude bestemmingsartikel Woongebied 1, Woongebied 2 (beide geregeld in artikel 6) van het bestemmingsplan Othene-Zuid en op onderdelen van een nieuwe redactie voorzien. Dit houdt verband met de landelijke ruimtelijke ordeningsstandaarden en komt de raadpleegbaarheid en leesbaarheid ten goede.
De bestemming Woongebied is een globale bestemming voor zowel de uit te geven gronden (gronden met de aanduiding 'wonen') als gronden van het publieke domein. Zowel wonen als openbare verkeers-, groen- en
55/61
watervoorzieningen zijn daarin mogelijk. In de toelichting op het bestemmingsplan Othene-zuid is over de bestemming Woongebied geschreven dat: ".. de bestemming dusdanig is ingericht, dat een zeker evenwicht ten aanzien van de zekerheid van de geplande structuur en flexibiliteit ten aanzien van een gedetailleerde invulling mogelijk is. Het plan zal gefaseerd over een langere periode ontwikkeld worden. Het is dan ook belangrijk flexibel in te kunnen spelen op eventueel veranderende omstandigheden, in bijvoorbeeld de marktsituatie." Dit is nog steeds actueel en een argument voor het hanteren van een globale bestemming. Binnen de bestemming zijn bouwvlakken aangeduid waarbinnen de woningen mogen (moeten) worden gebouwd.5 Binnen de bestemming is ook een zorgvoorziening mogelijk gemaakt. Om richting te geven aan deze wens mag 1 woonzorgcomplex worden gebouwd met een capaciteit van ten hoogste 60 niet-zelfstandige ruimten of ruimten voor de huisvesting van hun cliënten. Het woonzorgcomplex hoeft niet uit één gebouw te bestaan, maar mag ook een complex van gebouwen zijn. Functies die in een woonzorgcomplex gebruikelijk zijn, zijn vermeld in de bestemmingsomschrijving. Het betreft overigens geen limitatieve opsomming. Naast het gebruik voor wonen mogen de gronden worden gebruikt voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
De regeling is afgestemd op andere bestemmingsplannen die recent in de gemeente zijn vastgesteld. Binnen de bestemmingsvlakken zijn geen aanduidingen opgenomen waarmee de situering van de bebouwing is vastgelegd. Hiermee wordt aangesloten op de regeling in het voorheen geldende bestemmingsplan Terneuzen, Othene Oost. Voor het overige zijn er geen inhoudelijke verschillen met de voorgaande regeling. Waarde - Archeologie 2 (Artikel 6) In bijlage 16 van deze toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de in het plangebied eventueel voorkomende archeologische waarden. Deze waarden dienen in het bestemmingsplan te worden veiliggesteld. Hiervoor wordt overeenkomstig de standaardregels voor archeologie in bestemmingsplannen gebruik gemaakt van een dubbelbestemming, namelijk Waarde - Archeologie 2. Op grond van deze bestemming moet bij een grondverstoring groter dan 500 m2 en dieper dan de vrijstellingsdiepte door middel van archeologisch onderzoek worden aangetoond dat er ter plaatse van het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. Waterstaat - Waterkering (Artikel 7) en Vrijwaringszone - waterkering (Artikel 10 lid 10.1) De Reuzenhoeksedijk heeft naast een waterkerende functie een andere hoofdfunctie (verkeersfunctie, groen). Deze binnendijk is daarom planologisch geregeld met de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering.
De begrenzing van de bestemming is afgestemd aanduiding 'Waterstaatswerk' op Legger waterkeringen 2020 als bedoeld in artikel 5.1 van de wet of in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet. Hiervan is een fragment in de afbeelding opgenomen.
56/61
Figuur 5.1 Fragment Leggerkaart waterkeringen 2020 met de keurzonering Reuzenhoeksedijk (bron: Waterschap Scheldestromen) Op de gronden mag worden gebouwd, zowel ten behoeve van de bestemming als voor andere, voor deze gronden geldende bestemming(en). Het gaat daarbij alleen om bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voorwaarde is dat de waterstaatkundige belangen door de bouwactiviteiten niet worden geschaad. Hierover zal het bevoegd gezag (veelal burgemeester en wethouders) advies moeten inwinnen bij de waterbeheerder, in dit geval het Waterschap Scheldestromen. De beschermingszones die te maken hebben met de stabiliteit van de waterkering en eventuele toekomstige dijkverzwaringen zijn niet in de bestemming opgenomen. Als die moeten worden geregeld, dan worden hiervoor gebiedsaanduidingen gebruikt. In dit bestemmingsplan is alleen de binnenste vrijwaringszone (beschermingszone A) geregeld. Hiervoor is de aanduiding 'Vrijwaringszone - waterkering' opgenomen. De regels zijn opgenomen in artikel 10 lid 10.1. Parkeerregeling (artikel 9.2) In het voorheen geldende bestemmingsplan Terneuzen, Othene Oost is een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning vastgelegd, waarvan bij vrijstaande woningen minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein.
In dit bestemmingsplan Terneuzen, Othene Oost 2022 is gekozen voor een flexibelere (maatwerk)regeling, die afwijkt van de parkeerregeling in het Facetbestemmingsplan Parkeren Terneuzen uit 2019 (zie paragraaf 1.3). Er wordt in voorliggend bestemmingsplan een een relatie gelegd met het besluit 'Actualiseren parkeernormen gemeente Terneuzen' van 24 april 2020 (zie ook paragraaf 3.4.3). De reden hiervoor is dat normen regelmatig wijzigen.
57/61
De hoofdregel is dat er voldoende parkeergelegenheid op het eigen perceel of in de omgeving daarvan wordt aanlegd en in stand wordt gehouden. Hiervan kan niet worden afgeweken. De parkeerbepaling is er onder meer voor bedoeld om onterechte afwenteling van de parkeerbehoefte op de openbare ruimte door particulieren te voorkomen. Veiligheidszone -niet-gesprongen conventionele explosieven ( Artikel 10, lid 10.2) De gedempte waterloop is verdacht op het voorkomen (lees: de aanwezigheid) van ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog (zie paragraaf 4.12.) Daarom is voor dit specifieke terreindeel in dit bestemmingsplan een regeling opgenomen ter bescherming van en veiligstelling van personen en goederen. Dit is gedaan met een aanduiding voor dat gebied en daaraan gekoppeld regels voor het bouwen en voor het uitvoeren van werkzaamheden. Deze activiteiten mogen alleen plaatsvinden, indien eventueel aanwezige of geconstateerde ontplofbare oorlogsresten naar het oordeel van het bevoegd gezag geen gevaar vormen voor personen en goederen.
58/61
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het nieuwe woongebied Othene wordt ontwikkeld door AM Zeeland B.V. (voorheen Projectontwikkeling Zeeland B.V.). Deze onderneming is in staat om alle voorbereidings- en uitvoeringskosten te financieren, inclusief de verwerving van de grond die nu nog niet in hun bezit is. Voor de realisatie van het bestemmingsplan “Othene Zuid” is in 2005 tussen de gemeente Terneuzen en AM Zeeland B.V. een basisexploitatieovereenkomst gesloten. Voor de verdere ontwikkeling zullen aan de hand daarvan steeds deelexploitatieovereenkomsten moeten worden aangegaan. Op basis van deze overeenkomsten is geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is. Buiten de kosten voor een actueel planologisch regime, brengt het plan dan ook geen kosten met zich mee. Het bestemmingsplan is daarmee economisch uitvoerbaar.
6.2
Grondexploitatie
Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen tenzij: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het opnemen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en 3. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is. Een exploitatieplan is evenmin verplicht in gevallen waarin: a. het totaal van de exploitatiebijdragen dat (..) kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,-; b. er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4., onderdelen b tot en met f van het Bro; c. de verhaalbare kosten, bedoeld in artikel 6.2.4., onderdelen b tot en met f, uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Van belang is dat in 2005 tussen de gemeente en AM Zeeland B.V. voor geheel Othene-Zuid een exploitatieovereenkomst is afgesloten dat voorziet in het kostenverhaal van de openbare voorzieningen. Per fase wordt een verrekening toegepast. Omdat niet alle gronden in eigendom zijn van de gemeente of van AM Zeeland B.V. is gekeken of één van bovenstaande punten speelt over de gronden waar met de eigenaar geen overeenkomst is gesloten. AM Zeeland B.V.
vergoedt alle door de gemeente te verhalen kosten. Dus ook die over de gronden waarover geen contract gesloten is. Dat betekent dat het kostenverhaal voor de gemeente anderszins is verzekerd. Onder de uitvoeringseisen als genoemd onder 2 moet ook een fasering of een koppeling tussen werken worden verstaan. Hiermee wordt bedoeld dat bepaalde gronden eerder dan andere moeten worden ontwikkeld. Dit deel van Othene wordt in 3 ontwikkelfasen opgedeeld, namelijk fase 4, 5, en 6. In fase 4 liggen gronden van de niet gecontracteerde eigenaar. Echter, de enkele omstandigheid dat een ontwikkeling gefaseerd wordt gerealiseerd,
59/61
leidt als zodanig nog niet tot een verplichting om een exploitatieplan vast te stellen. Er moet uit ruimtelijk oogpunt sprake zijn van een noodzaak daartoe, en bij de beslissing of hier al of niet sprake is, heeft de raad beleidsvrijheid. Die noodzaak is er naar het oordeel van de gemeenteraad niet. De fasering die nu wordt voorgestaan is een andere dan die in het plan uit 2005. Het zijn vooral praktische overwegingen die hiertoe hebben geleid.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe gebruiks- en/of bouwmogelijkheden. Bovendien is onder andere in hoofdstuk 4 aangetoond dat het bestemmingsplan geen negatieve invloed heeft op de kwaliteit van de leefomgeving. Aangezien de woningbouw binnen het plangebied voorziet in de regionale behoefte aan nieuwe woningbouwlocaties en een marktconforme ontwikkeling steeds uitgangspunt is geweest, wordt de uitvoering van het plan voor dat aspect maatschappelijk uitvoerbaar geacht. Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg conform artikel 3.8, lid 1, WRO op 10 oktober 2022 toegezonden aan: Veiligheidsregio Zeeland; Waterschap Scheldestromen Provincie Zeeland. De VRZ heeft op 2 november gereageerd: verwezen wordt naar bijlage 11 en paragraaf 4.5. De provincie heeft op dezelfde dag gereageerd. De opmerkingen hadden betrekking op de woningaantallen, de kwalitatieve woningbehoefte, verkeersaspecten en natuurtoetsen. De opmerkingen hebben geleid tot aanpassingen van de plantoelichting en het uitvoeren van extra natuurtoetsen. Met het waterschap zijn verschillende contactmomenten geweest. Deze instantie heeft op 19 juni 2023 aangegeven akkoord te zijn met de watertoets en -paragraaf.
60/61
Eindnoten
1. Bij de vaststelling is de verbeelding op enkele onderdelen gewijzigd. De grootste aanpassing heeft betrekking op de situering van de woningen in de noordoosthoek van het gebied. De inrichtingstekeningen in bijlage 1 zijn niet aangepast naar aanleiding van de gewijzigde verbeelding. 2. In dit overzicht is rekening gehouden met een toename van 165 woningen ten opzichte van de eerdere afspraken. Dit aantal is voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan verhoogd naar een plus van maximaal 250 woningen. Een dergelijke kleine toename van het aantal woningen (85) waarvan de verkeergeneratie bovendien wordt verspreid over de verschillende wegen in de omgeving, is niet relevant en en nauwelijks meetbaar. Daarom is afgezien om de berekeningen en de figuur te actualiseren. 3. De eerste versie van het akoestisch onderzoek dateert van mei 2023. Daarin is rekening gehouden met een toename van 165 woningen ten opzichte van de eerdere afspraken. Dit aantal is voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan verhoogd naar een plus van maximaal 250 woningen. Een dergelijke klein aantal waarvan de verkeergeneratie bovendien wordt verspreid over de verschillende wegen in het invloedsgebied, geeft geen significante verschillen in de uitkomsten van de berekeningen. Daarom is afgezien om het onderzoek toen te actualiseren.
Bij de vaststelling is de verbeelding in de noordoosthoek en langs de oostzijde gewijzigd. Langs de oostrand is een 50 meter brede bufferzone aangehouden om neerslag van bestrijdingsmiddelen afkomstig van de percelen aan de oostzijde van de Drieweg op de nieuwe woningen zo veel mogelijk te voorkomen. Omdat dit in akoestisch opzicht gunstiger is, is het akoestisch onderzoek ook toen niet aangepast. 4. REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018 5. Bij de vaststelling is de begrenzing van de bouwvlakken in noordoosthoek aangepast.
61/61