2024-05-22 - Terneuzen, Othene Oost 2022 Bijlagen toelichting Bijlage 12 Quickscan Othene, fase 4a fase 5 en fase 6
Tekst van het document
Projectgerelateerd
4.2
De te nemen maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 1.11 van de Wnb), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten.
Advies
Het plangebied heeft over het algemeen weinig bijzondere habitats voor planten en diersoorten. Toch maken vrij veel soorten gebruik van met name de ruigtes langs de perceelranden, zoals algemene grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en verschillende amfibiesoorten. Daarnaast worden verschillende soorten vogels verwacht, waaronder soorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Voor al deze soorten geldt ofwel een algemene provinciale vrijstelling ofwel kan door het nemen van algemene maatregelen overtreding van verbodsbepalingen voorkomen worden. Voor alle soorten, zowel beschermde als niet-beschermde soorten, geldt daarnaast te allen tijde de algemene zorgplicht. De staat van instandhouding van de aanwezige en voorkomende soorten wordt door het voornemen niet (significant) negatief aangetast, het voortbestaan van aanwezige individuen en populaties is niet in het geding. Het is te adviseren om een ecologisch werkprotocol op te stellen en de werkzaamheden conform dit protocol uit te voeren. Navolgend zijn een aantal adviezen opgenomen:
In het plangebied en in de directe omgeving is de beschermde steenuil en kerkuil bekend. De soorten hebben bij de woning in het zuidoosten van het plangebied, gelegen aan de Molenweg 6, een nestlocatie, daarnaast hebben beide soorten buiten het plangebied nestlocaties.
Tijdens de bouw en daarna is de verwachting dat de kwaliteit van het plangebied als foerageergebied ongeveer gelijkwaardig zal blijven. Door een natuurvriendelijke inrichting van de groenzones kan die kwaliteit zelfs makkelijk toenemen, het is te adviseren om de inrichting van het plangebied geschikt te maken als foerageergebied van deze soorten.
Het verstoren van broedgevallen van algemene broedvogels is te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dit kan van half augustus tot half maart of bijvoorbeeld door voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken (bijvoorbeeld oevervegetatie verwijderen) en (gedurende het broedseizoen) te houden.
Deze broedlocaties van deze soorten liggen op voldoende afstand en zijn tevens voldoende afgeschermd van de nieuwe woonwijk en bouwlocaties om verstoring uit te sluiten. Delen van het plangebied worden mogelijk gebruikt als foerageergebied.
Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken, zijn overigens niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels te voorkomen.
Voor alle soorten, beschermd of niet, geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Onderstaand wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen:
De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht. Na zonsondergang en voor zonsopkomst wordt het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk beperkt en uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen; Indien er nabij vegetatie, of watergangen gewerkt moet worden, wordt er één richting opgewerkt, zodat kleine dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben om te vluchten. Voorafgaande het dempen van watergangen moeten algemene soorten worden overgezet naar de direct aangrenzende of nabijgelegen watervoerende watergang;
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
18
Projectgerelateerd
Voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt enkel gebruik gemaakt van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten en beschadiging van hun leefgebied voorkomen; Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden (opnieuw) geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
19
Projectgerelateerd
5
LITERATUUR
FLORON (2022), informatie over planten, via FLORON Verspreidingsatlas, https://www.verspreidingsatlas.nl. Provincie Zeeland (2021), Bebouwde kom grenzen Boswet, via: https://nationaalgeoregister.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit (2022a), informatie over de ligging en begrenzing van verschillende Natura 2000-gebieden via: https://www.natura2000.nl/ Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit (2022b), informatie mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden via: https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1 Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit (2022c), Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering, via, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-140.html Nationale Databank Flora en Fauna, waarnemingen afgelopen 5 jaar ,via: https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal. RAVON (2022), algemene informatie over amfibieën en reptielen en verspreidingsgegevens via: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie. Royal HaskoningDHV (RHDHV, 2017), Natuurtoetsing Othene 4, 5 & 6, kenmerk: T&PBE6070-103100/N003F1.0, opgesteld door dhr. De Wilde, d.d. 3 februari 2017. Royal HaskoningDHV (RHDHV, 2018), Natuurtoets / Activiteitenplan Othene fase 4B-6, Terneuzen, referentie: TPBE6070-103-100/R009F0.1, opgesteld door dhr.
De Wilde, d.d. 11 januari 2018. STOWA (2022), algemene informatie over amfibieën en reptielen en verspreidingsgegevens via http://soortprotocollenflora-enfaunawet.stowa.nl/documents/soortprotocollenflora-enfaunawet.pdf Verspreidingsatlas (2022), via: https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuiswerkgroep Nederland (2022), algemene informatie over verschillende soorten vleermuizen via: www.vleermuis.net. Vlinderstichting (2022), algemene informatie over de witsnuitlibel via: https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/gevlekte-witsnuitlibel. Vogelbescherming (2022), informatie over verschillende soorten vogels, via: https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels. Zoogdiervereniging (2022), informatie over de verspreiding en ecologie van zoogdiersoorten, via: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
20
Projectgerelateerd
BIJLAGE 1: JURIDISCH- EN BELEIDSKADER In Nederland is de bescherming van Natura 2000-gebieden en bepaalde soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen ten aanzien van de jacht en houtopstanden. Naast de bescherming van natuur en biodiversiteit voorziet de Wnb in de decentralisatie van taken en bevoegdheden en de vereenvoudiging van regelgeving. De Europese regelgeving, met name de Vogel- en Habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van deze wet. Het instrumentarium van de Wnb sluit aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. De uitwerking van de wet is vastgelegd in de regeling en het besluit natuurbescherming.
A1.1
Natura 2000 (Wnb hoofdstuk 2)
Het onderdeel Gebiedsbescherming (H2) van de Wnb regelt de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Hoewel het de meest strikte vorm van juridische bescherming betreft, heeft deze wet daardoor vaak een beperkte reikwijdte, die zich beperkt tot de grenzen van een Natura 2000-gebied en uitsluitend die natuurwaarden ten aanzien waarvan daarbinnen instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Voor elk van de in het kader van Natura 2000 aangewezen gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, nader uitgewerkt in een beheerplan, die gelden als toetsingskader. Uitgaande van die instandhoudingsdoelstellingen dient nagegaan te worden of sprake is van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen en zo ja, of de wezenlijke kenmerken en waarden van een Natura 2000-gebied in het geding zijn. Voorgaande geldt sinds 29 mei 2019 ook weer onverkort voor effecten ten gevolge van depositie van stikstof, gevat onder de storingsfactor “Verzuring en Vermesting door stikstof uit de lucht (3 & 4)”; de generieke Passende Beoordeling voor het PAS, waarin rekening werd gehouden met de verschillende bronen herstelmaatregelen, is niet langer bruikbaar als beoordelingskader. Bij de beoordeling van effecten op instandhoudingsdoelstellingen is ook zogenoemde externe werking van belang.
Dat wil zeggen dat ook beschouwd moet worden in hoeverre voorgenomen activiteiten buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten hebben op in deze gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen. In zoverre is de reikwijdte van de Wnb onbegrensd, zo volgt uit staande jurisprudentie. In geval van emissie en depositie van stikstof is dit bijvoorbeeld relevant. Vaak vindt de emissie plaats (ver) buiten de grenzen van een Natura 2000-gebied, maar daalt de stikstof neer in Natura 2000-gebieden waar deze negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen die daar gelden. Hoe werkt een beoordeling voor Natura 2000-gebieden? Voor projecten of plannen waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze, rekening houdend met externe werking en gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, dient in een oriënterende fase onderzocht te worden of het voornemen significante negatieve effecten kan hebben. Vaak heeft deze oriënterende fase de vorm van een zogenoemde Voortoets waarin ten minste voor elk van de storingsfactoren uit de Effectenindicator (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit 2020) wordt nagegaan óf deze relevant is (aan de orde is) en zo ja óf negatieve effecten op geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen op voorhand kunnen worden uitgesloten. 14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
21
Projectgerelateerd
Indien op grond van de Voortoets niet kan worden uitgesloten dat een voornemen uitgaande van de instandhoudingsdoelstellingen (significant) negatieve effecten kan hebben, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden neergelegd in een Passende Beoordeling. In de Passende Beoordeling wordt de best beschikbare wetenschappelijke kennis gebruikt om in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen na te gaan welke effecten aan de orde zijn, waarbij mitigerende maatregelen (maatregelen die de effecten terugdringen) meegenomen mogen worden, om zo waar mogelijk het optreden van effecten uit te sluiten. Voor projecten of handelingen waarvan uit de Passende Beoordeling volgt dat ze afzonderlijk of in cumulatie kunnen leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken kan geen vergunning worden verleend, tenzij een zogenoemde ADC-toets (die formeel geen onderdeel is van de Passende Beoordeling) succesvol kan worden doorlopen. De stappen die volgordelijk allemaal succesvol moeten worden doorlopen zijn dan:
Er zijn geen Alternatieve oplossingen met minder gevolgen voor het gebied. Het project is nodig om Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Overigens gelden als Dwingende redenen van groot openbaar belang alleen die gronden, die zijn vastgelegd in de Europese Habitat- of Vogelrichtlijn. De nodige Compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
A1.2
Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3)
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Voor alle in het wild levende planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en dat bij de inrichting aandacht wordt besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.
Beschermingsregimes Het gaat om de volgende beschermingsregimes: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2 van de Wnb) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
22
Projectgerelateerd
•
Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3 van de Wnb) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten van nature voorkomend in Nederland.
Verbodsbepalingen Elk van de beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van deze verboden. De verbodsbepalingen in de paragrafen 3.1 en 3.2 (van de Wnb) zijn eenop-een overgenomen uit de genoemde richtlijnen (zie Tabel 2-1) en verdragen en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel van de Wnb wordt bepaald of beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen in het onderzoeksgebied en of de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten aangetast wordt als gevolg van het project, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt. Tabel 1. Verbodsbepalingen Wnb. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2
Beschermingsregime andere soorten § 3.3
Art. 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.5 lid 1: Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.10 lid 1a: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art. 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art. 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Art. 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art. 3.1 lid 3: Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art. 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art. 3.10 lid 1c: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.1 lid 4: Het is verboden vogels opzettelijk te storen.
Art. 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art. 3.1 lid 5: Opzettelijk storen is niet verboden indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art. 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast en soorten niet worden verwond of gedood. Lukt dat niet en worden dus verbodsbepalingen overtreden, dan moeten mitigerende maatregelen genomen worden en is een ontheffing nodig. Het beschermingsregime van de soort bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing. Artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wnb bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden per beschermingsregime. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang). Onder de Wnb geldt voor deze soorten 14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
23
Projectgerelateerd
een ontheffingsplicht, behalve als het bevoegd gezag door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. De provincie is het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wnb. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voor dit project is Provincie Zeeland. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen op basis van Provinciale Staten vastgestelde provinciale verordeningen. De vrijgestelde soorten in Provincie Zeeland zijn in Tabel 2 2 weergegeven. De algemene zorgplicht (artikel 1.11) blijft wel te allen tijde van toepassing. Tabel 2. Soorten met een algemene vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van door PS vastgestelde provinciale verordeningen in Provincie Zeeland. Grondgebonden zoogdieren
Amfibieën en reptielen
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Bruine kikker
Bosmuis
Huisspitsmuis
Veldmuis
Gewone pad
Dwergmuis
Ondergrondse woelmuis
Vos
Kleine watersalamander
Dwergspitsmuis
Ree
Woelrat
Meerkikker
Egel
Rosse woelmuis
Bastaardkikker (middelste groene kikker)
Opzettelijkheid: In de Wnb is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant”. Wezenlijke invloed: Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort. Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de huidige staat van instandhouding van de soort.
In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort. Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is. Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.
Voorzorgs- en mitigerende maatregelen Indien door voorzorgsmaatregelen de negatieve effecten volledig kunnen worden opgeheven, waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Het gaat erom dat de voorzorgsmaatregel zorgt dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort blijft behouden en de betreffende soort niet gedood, verwond of verstoord wordt.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
24
Projectgerelateerd
De voorzorgsmaatregelen worden als randvoorwaarde meegegeven aan de aannemer. Indien dit niet wenselijk of mogelijk is, dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om de optredende effecten te verzachten. Omdat sprake is van het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen, moet een ontheffing worden aangevraagd. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode.
A1.3
Bescherming van houtopstanden (Wnb hoofdstuk 4)
In de Wnb is de bescherming van houtopstanden geregeld. Het doel van de regels met betrekking tot houtopstanden onder de Wnb is de instandhouding van het bosareaal. Om deze doelstelling te realiseren blijven de meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod ingeval van houtkap bestaan. De kap dient daarbij wel nog steeds een bepaalde omvang en locatie te hebben. Enkel houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom worden gereguleerd. De voormalige boswet is grotendeels overgenomen in hoofdstuk 4 van de Wnb. Bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen is een kapmelding verplicht. De Wnb hanteert het principe van 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. Verder zijn bijvoorbeeld fruitboomgaarden, lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren, kerstbomen en houtopstanden op erven en tuinen vrijgesteld van bescherming. Meldplicht ten aanzien van de voorgenomen kap Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wnb, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie.
In artikel 4.2 is namelijk opgenomen dat het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. De provincie kan bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de gegevens die bij de melding worden verstrekt, de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en de wijze waarop de melding wordt gedaan. Herplantplicht en vrijstellingsmogelijkheid Een eigenaar moet binnen drie jaren na het vellen of het tenietgaan van de houtopstand zorgdragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting, bedoeld in het eerste lid. Gedeputeerde staten kan ontheffing verlenen van het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de gevelde houtopstand.
Kapverbod De melding vergemakkelijkt de controle op de uitvoering van deze plicht tot herbeplanting en maakt het mogelijk voor gedeputeerde staten om een kapverbod op te leggen. Het kapverbod kan door gedeputeerde staten telkens voor ten hoogste vijf jaar worden opgelegd ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
25
Projectgerelateerd
A1.4
Planologische gebiedsbescherming (NNN)
Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur, is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. “Nee, tenzij” De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde “nee, tenzij”-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan (‘nee’) als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten vereist. De provincie beschermt het NNN via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang en kwaliteit van deze gebieden niet afneemt. Dit is geregeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Hoofdlijn is daarbij dat nieuwe ontwikkelingen in het NNN per saldo niet mogen leiden tot significante aantasting van het NNN, tenzij er een groot openbaar belang is én alternatieven ontbreken (Nee tenzij.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met significante negatieve natuurgevolgen in het Natuurnetwerk Nederland zijn niet toegestaan (‘nee’), tenzij groot openbaar belang en het ontbreken van alternatieven aangetoond is. Het Nee-tenzij komt uit het rijksbeleid en is uitgewerkt in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en Verordening (PRV). Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze zijn te vinden in het “Natuurbeheerplan” van de betreffende provincie, de Index Natuur en Landschap en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden voor zover de onder het Natuurnetwerk Nederland aangewezen gebieden ook in een Natura 2000-gebied liggen. De vraag wanneer sprake is van een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden kan in het kader van het Natuurnetwerk Nederland niet in algemene zin beantwoord worden. In ieder geval worden alle plannen of projecten die ertoe leiden dat een deel van het netwerk een andere bestemming moet krijgen en daardoor uit de begrenzing moet worden gehaald als significant aangemerkt.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
26
Projectgerelateerd
BIJLAGE 2: FOTO’S VELDONDERZOEK OTHENE D.D. 24 AUGUSTUS 2022
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
27
Projectgerelateerd
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
28
Projectgerelateerd
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
29