2024-05-22 - Terneuzen, Othene Oost 2022 Bijlagen toelichting Bijlage 12 Quickscan Othene, fase 4a fase 5 en fase 6
Tekst van het document
RAPPORT Quickscan Othene, fase 4a (noordelijk deel), fase 5 en fase 6 Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Soortenbescherming Klant:
AM Zeeland
Referentie: M&IBE6070-106-106/R001F0.1 Status:
Definitief/01
Datum:
14 november 2022
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Larixplein 1 5616 VB Eindhoven Water & Maritime Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Quickscan Othene, fase 4a (noordelijk deel), fase 5 en fase 6 Subtitel: Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel
Soortenbescherming
Referentie: M&IBE6070-106-106/R001F0.1 Status: 01/Definitief Datum: 14 november 2022 Projectnaam: Bouw- en woonrijp maken Othene fase 4 t/m 6 Projectnummer: BE6070-106-106 Auteur(s): Emmy Post en Pauline Maas Opgesteld door: Emmy Post en Pauline Maas Gecontroleerd door: Pauline Maas Datum: 14 november 2022 Goedgekeurd door: Anton Elenbaas Datum: 14 november 2022
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Achtergrond en aanleiding van het onderzoek
1
1.2
Doelstelling en scope onderzoek
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Beschrijving plangebied en voorgenomen ingreep
2
2.1
Beschrijving plangebied en de directe omgeving
2
2.2
Voorgenomen ingreep
4
3
Toetsing wettelijk beschermde soorten
5
3.1
Werkwijze onderzoek naar beschermde soorten
5
3.2
Vaatplanten
6
3.3
Grondgebonden zoogdiersoorten
6
3.4
Vleermuizen
9
3.5
Vogels
10
3.6
Vissen
12
3.7
Amfibieën
13
3.8
Reptielen
14
3.9
Ongewervelden
14
4
Conclusie en advies
16
4.1
Conclusie
16
4.2
Advies
18
5
Literatuur
20
Bijlagen Bijlage 1: Juridisch- en beleidskader A1.1
Natura 2000 (Wnb hoofdstuk 2)
A1.2
Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3)
A1.3
Bescherming van houtopstanden (Wnb hoofdstuk 4)
A1.4
Planologische gebiedsbescherming (NNN)
Bijlage 2: Foto’s veldonderzoek Othene d.d. 24 augustus 2022
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
iii
Projectgerelateerd
1
INLEIDING
1.1
Achtergrond en aanleiding van het onderzoek
AM Zeeland is voornemens om aan de oostzijde van Terneuzen de nieuwbouwwijk Othene te bouwen. De ontwikkeling wordt in 6 fases uitgevoerd. Fase 1 tot en met fase 3 en fase 4b (zuidelijke deel) zijn reeds gerealiseerd. Fase 4a (noordelijk deel), fase 5 en fase 6 moeten nog gerealiseerd worden. Ruimtelijke plannen en/of ingrepen moeten getoetst worden aan vigerende natuurwet- en regelgeving. In Nederland worden de natuurwaarden via de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) beschermd. Onder de Wnb is de bescherming geregeld van Natura 2000-gebieden, soorten die genoemd zijn in de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn alsook overige soorten opgenomen in de bijlagen van de Wnb en van houtopstanden. Naast de wettelijke bescherming worden natuurgebieden planologische beschermd via onder andere het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Royal HaskoningDHV (RHDHV) is gevraagd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling te toetsen aan het onderdeel Soortenbescherming van de Wnb. Andere natuurwet- en regelgeving wordt apart beoordeeld of is voor het betreffende project niet aan de orde. Er hebben in het verleden al meerdere onderzoeken plaatsgevonden, een van de eerste actualisaties heeft plaatsgevonden in 2017 wegens het in werking treden van de Wet natuurbescherming (waarin de voormalige Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet 2002 en de Boswet 1968 zijn samengevoegd).
Ten tijde van deze actualisatie in 2017 waren fase 1 tot en met fase 3 al geheel gerealiseerd en moesten fase 4 tot en met fase 6 nog gerealiseerd worden. Uit het vervolgonderzoek die Royal HaskoningDHV in 2018 heeft uitgevoerd, blijkt dat de veldspitsmuis in het gebied aanwezig is. De veldspitsmuis is beschermd op grond van artikel 3.10 van de Wnb. Voor het realiseren van fase 4b (zuidelijke deel), fase 5 en fase 6, waarvan de werkzaamheden leiden tot overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de veldspitsmuis, is van de Provincie Zeeland op 14 februari 2018 een ontheffing voor de Wnb ontvangen. Deze ontheffing verloopt op 1 januari 2023. Inmiddels zijn er een aantal relevante wijzingen omtrent de bescherming van soorten onder de Wnb, waaronder ook een wijziging in de door de Provincie Zeeland aangewezen soorten van de vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing (haas en konijn). De realisatie van fase 4a (noordelijke deel), fase 5 en fase 6 vindt na 1 januari 2023 plaats.
1.2
Doelstelling en scope onderzoek
Dit rapport geeft een algemene indruk van het plangebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Het doel van de natuurtoets betreft de toetsing van het voornemen aan de vigerende natuur- en regelgeving. Specifiek gaat het om de het onderdeel Soortenbescherming van de Wnb. Uit de quickscan volgt of er in het kader van Soortenbescherming vervolgstappen zoals het uitvoeren van een aanvullend onderzoek en een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een algemene beschrijving van het plangebied en beschrijft de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 is de quickscan ten aanzien van beschermde soorten opgenomen. Tot slot zijn in hoofdstuk 4 de conclusies samengevat en worden aanbevelingen gedaan.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
1
Projectgerelateerd
2
BESCHRIJVING PLANGEBIED EN VOORGENOMEN INGREEP
2.1
Beschrijving plangebied en de directe omgeving
Het plangebied is gelegen in de gemeente Terneuzen in de provincie Zeeland (Figuur 2-1). Ten noorden van het plangebied ligt de Margarethapolder wat ingericht is als natuur en ook onder het Natuurnetwerk Zeeland valt. Verder zijn ten oosten en zuiden van het plangebied veelal akkers aanwezig. Ten westen van het plangebied liggen de al gerealiseerde fases van de nieuwbouwwijk Othene. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Reuzenhoeksedijk. In het oosten wordt het plangebied voor een groot gedeelte begrenst door de Drieweg. Verder grenst het plangebied in het zuidoosten aan een perceel met een woning en tuin, gelegen aan de Molenweg 6 in het zuiden. In het westen wordt het plangebied in het zuidwesten begrenst door fase 4b en een deel van fase 5 van de nieuwbouwwijk Othene, en in het noordwesten door de woningen van fase 2, welke geheel gereed is.
Figuur 2-1. De ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving.
Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief gebruikte akkers. Verder is in enkele delen van het plangebied gras aanwezig. Langs en tussen de akkers zijn sloten gelegen die ten tijde van het veldbezoek droog stonden, met uitzondering van de watergang in het midden van het plangebied. De oevers van de droogstaande sloten zijn vrij steil en zijn grotendeels beschoeid met lage begroeiing. Opgaande en dekkende vegetatie is grotendeels geheel afwezig binnen het gebied. Langs de randen van enkele percelen staan wat bramen en andere kleine struikjes en er zijn wat knotwilgen langs de sloot onderaan de Reuzenhoeksedijk. Langs de noordelijke zijde van het plangebied is een bomenrij aanwezig langs de weg.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
2
Projectgerelateerd
Deze bomenrij loopt voor een gedeelte door in het oosten van het plangebied langs de weg. In het noordwesten van het plangebied is een kunstmatige wateroppervlakte aanwezig, en is nabij het informatiepunt een uitkijkheuvel gemaakt. In het noordenoosten van het plangebied is een perceel gelegen met daarop een woning en bijgebouwen, een voormalige boerderij aan de Reuzenhoeksedijk 5. Het terrein rondom de gebouwen is ingericht als tuin. De begroeiing van de tuin bestaat hoofdzakelijk uit gras. Verder staan er enkele bomen in de tuin. In het westen van het plangebied is een (bouw)depot aanwezig, gelegen aan de Drieweg. In het zuidoosten is nog een woonhuis met bijgebouwen aanwezig, met rondom hoge bomen, een oude boerderij aan de Molenweg 6. De aanwezige gebouwen bevinden zich in zeer vervallen staat. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (Figuur 2-2 t/m Figuur 2-4). In bijlage 2 zijn nog een aantal afbeeldingen opgenomen.
Figuur 2-2. Impressie, met links het beeld vanuit het zuidoosten richting het noorden, de opgaande structuren zijn deel van het perceel van het woonhuis ten zuidoosten van het plangebied en grenzen daarmee aan het plangebied, en rechts een impressie van een deel van de woonwijk welke al gerealiseerd is en bewoond wordt (woning van fase 2).
Figuur 2-3. Impressie, met links het beeld vanaf het uitkijkheuvel in het noorden van het plangebied (nabij het informatiecentrum), in zuidoostelijke richting kijkende en rechts een beeld van het aanwezige (bouw)depot, gelegen in het oostelijke deel van het plangebied.
Figuur 2-4. Impressie, met links de watergang welke door het midden van het plangebied loopt, te zien zijn dat de kades begroeid zijn met onder andere riet en rechts uitzicht op de woning aan de Reuzenhoeksedijk 5 in het noorden van het plangebied, met op de voorgrond de vlasakker.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
3
Projectgerelateerd
2.2
Voorgenomen ingreep
Het voornemen bestaat uit het realiseren van fase 4a (noordelijke deel), fase 5 en fase 6 van de nieuwbouwwijk Othene. Hiervoor zullen in het plangebied huizen worden gebouwd, wegen worden aangelegd en er worden nieuwe watergangen gegraven. In de navolgende figuur is de globale inrichting van fase 4a (noordelijke deel), fase 5 en fase 6 weergegeven (Figuur 2-5). De begrenzing van het plangebied is met een rode lijn weergegeven. Voor de realisatie van de nieuwbouwwijk worden de aanwezige sloten gedempt. Ook wordt in fase 4a (noordelijke deel) nog een klein deel van de aanwezige watergang dempt. De boerderij in het noorden van het plangebied, gelegen aan de Reuzenhoeksedijk 5, zal gesloopt worden. De boerderij in het zuidoosten, gelegen aan de Molenweg 6, valt buiten de planontwikkeling. Voor het voornemen is geen bomenkap voorzien. De start van de werkzaamheden staat gepland voor 2023 en de doorlooptijd bedraagt enkele jaren, de verwachting is dat het project in 2030 wordt opgeleverd. De precieze planning is niet bekend, voor een deel moeten de werkzaamheden namelijk nog aanbesteed worden. De watergangen worden in het noorden richting het oosten van het plangebied gegraven en van het oosten naar het zuiden van het plangebied.
De ontwikkeling van een woonwijk, en zeker een relatief ruim opgezette en groene wijk als Othene, zorgt ook voor allerlei nieuwe habitats voor planten en dieren. Deze zullen meer passen bij een stedelijke / parkachtige omgeving dan bij het huidige open agrarische gebied.
Figuur 2-5. Overzicht fasering nieuwbouwwijk Othene waarbij fase 4a (noordelijk deel, lichtgele arcering), fase 5 (donkergrijze arcering) en fase 6 (licht grijze arcering) nog uitgevoerd moeten worden.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
4
Projectgerelateerd
3
TOETSING WETTELIJK BESCHERMDE SOORTEN
In dit hoofdstuk wordt de (mogelijke) aanwezigheid van onder de Wnb beschermde soorten beschreven en wordt voor de aanwezige habitats beoordeeld of ze geschikt zijn voor onder de Wnb beschermde soorten. Tevens is per (mogelijk) voorkomende soort(groep) een effectbeoordeling opgenomen en worden eventuele vervolgstappen beschreven.
3.1
Werkwijze onderzoek naar beschermde soorten
Om na te gaan wat het belang is van het onderzoeksgebied voor de wettelijk beschermde soorten die in of nabij het onderzoeksgebied voorkomen, zijn op 3 oktober 2022 de verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) voor het onderzoeksgebied en enkele kilometers rondom het onderzoeksgebied (NDFF, 2022). Daarnaast zijn verspreidingsatlassen van verschillende soortgroepen geraadpleegd om inzicht te krijgen in de regionale verspreiding van soorten (Verspreidingsatlas, 2022). Door de bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, is inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het plangebied. Daarnaast zijn de voorgaande onderzoeken van RHDHV en opgevraagde informatie in het verleden geraadpleegd om een volledig beeld te krijgen van de bevindingen tot nu toe. Daarbij is voornamelijk informatie gehaald uit de Natuurtoets / Activiteitenplan Othene fase 4B-6, Terneuzen (RHDHV, 2018). Op 24 augustus 2022 is een verkennend veldbezoek uitgevoerd (circa 28 graden Celsius, met een zwakke wind uit het noorden van max. 1 Bft, droog en half- tot onbewolkt) door een deskundig ecoloog werkzaam bij Royal HaskoningDHV. Aan de hand van de verspreidingsgegevens en het veldbezoek is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is in het onderzoeksgebied.
Bepaalde delen van het gebied konden niet geïnspecteerd worden, dit betrof de opslag van materieel in het oosten van het plangebied en de opgaande structuren rondom de woning en bijgebouwen in het zuidoosten (direct tegen het plangebied gelegen) aan de Molenweg 6, waar wel rondom is gelopen aan de oost- en zuidzijde. Via gesprekken is de onderzoeksopgave en/of data ook verscherpt. Er heeft overleg plaatsgevonden met dhr. A. de Smet, van de STONE, een landelijke werkgroep die steenuilenbescherming en -onderzoek coördineert. Dit ten doel om na te gaan of er nog kasten van steenuil of kerkuil en/of exemplaren in de laatste jaren zijn waargenomen, uit de oude data is dat onduidelijk, daarnaast is de data reeds gedateerd geraakt. Er is een voldoende goed beeld ontstaan over het voorkomen van beide uilensoorten in en rondom het plangebied. Ook heeft er overleg plaatsgevonden met de eerder van RHDHV betrokken ecoloog, dhr. A. de Wilde, met als doel na te gaan waar de veldspitsmuis ten tijde van het voorgaande onderzoek precies werd verwacht en of er nog geschikt biotoop in de nu nog te ontwikkelen fases van het project aanwezig zijn. Tot slot heeft er overleg plaatsgevonden met de Provincie Zeeland, afdeling Soortenbescherming.
Dit had als doel om na te gaan in hoeverre een geldig ontheffing vereist is voor werk dat nog wordt uitgevoerd, maar geen effect heeft op de toen voorkomende soorten en geschikte habitats. Door middel van een beknopte analyse van het project in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde soorten uit het onderzoeksgebied is beoordeeld welke negatieve effecten de voorgenomen werkzaamheden kunnen hebben op mogelijk in het plangebied voorkomende beschermde soorten. In het geval dit op basis van de verkregen onderzoeksgegevens niet mogelijk is, wordt aangegeven welke vervolgstappen, zoals het uitvoeren van nader soortgericht onderzoek, moeten plaatsvinden. Effecten op beschermde soorten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Het gaat bijvoorbeeld om extra geluid, licht en kans op het doodrijden van dieren door inzet van groot materieel. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden en daarnaast ook van gebruik van het gebied na afronding.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
5
Projectgerelateerd
3.2
Vaatplanten
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er in de ruime omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van kleine wolfsmelk, dreps en bokkenorchis. Kleine wolfsmelk groeit op zonnige, vrij warme, open plaatsen. Hierbij gaat de voorkeur uit naar vochtige, matig voedselrijk, kalkrijke en vaak kleiige grond. Het is van belang dat de grond niet te sterk bemest is. Dreps is een plant die groeit op zonnige en open plaatsen. De plant heeft een voorkeur voor vrij kalkarme, matig voedselrijk en lichte grond. Bokkenorchis is een plant die groeit op zonnige tot half beschaduwde plaatsen. De grond dient matig droog tot vochtig, voedselarm, kalkrijk en humushoudend te zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen in het plangebied. In het plangebied en de directe omgeving hiervan ontbreekt het namelijk aan geschikte groeiplaatsen voor kleine wolfsmelk, dreps en bokkenorchis, of welke beschermde vaatplant dan ook. Zo is het plangebied over het algemeen voedselrijk en wordt een groot gedeelte van de grond veel bemest. Vrijwel alle beschermde vaatplanten zijn gebonden aan natuurgebieden, schrale gronden of extensief beheerde gronden. Dergelijk habitat is niet aanwezig in de directe omgeving van het plangebied, de terreinen en randen zijn daarvoor (te) intensief beheerd.
Op basis van verspreidingsgegevens en de habitatanalyse wordt het voorkomen van beschermde vaatplanten binnen de invloedsfeer van het voornemen redelijkerwijs uitgesloten. Effectbeoordeling Er is geen reden aan te nemen dat er voor het project rekening gehouden moet worden met beschermde plantensoorten, er hoeft gezien de aanwezige biotoop ook geen nader onderzoek naar het voorkomen van beschermde planten te worden uitgevoerd. Overtreding van de verbodsbepalingen als gevolg van de voorziene ingreep en werkzaamheden wordt uitgesloten.
3.3
Grondgebonden zoogdiersoorten
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er in het plangebied en rondom waarnemingen bekend zijn van haas en vos. Nabij het plangebied zijn waarnemingen bekend van aardmuis, bever, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, huisspitsmuis, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, veldspitsmuis, waterspitsmuis en woelrat. In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bunzing, konijn, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis. Verder valt het plangebied binnen de (grove) bekende verspreiding van de eekhoorn, hermelijn en wezel. Op ruime afstand ten noorden van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond. Aangezien het in het plangebied ontbreekt aan geschikte wateren die verbonden zijn met de Westerschelde is het voorkomen van deze soorten in het plangebied uiteraard uitgesloten. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat het in het plangebied grotendeels ontbreekt aan geschikte schuilen verblijfsmogelijkheden voor grondgebonden zoogdiersoorten. Het terrein in het midden van het plangebied bestaat grotendeels uit akkerlanden, waar akkerbouw op plaatsvindt. Wanneer de gewassen hoog opstaan, is sprake van een voor grondgebonden zoogdiersoorten geschikte biotoop om te foerageren en/of te verplaatsen, vanwege de voedselwaarde en dekking.
Na het oogsten van de betreffende gewassen ontstaat een kale vlakte die geen geschikt biotoop biedt voor verschillende grondgebonden zoogdiersoorten. Om deze reden wordt het voorkomen van bever, eekhoorn en egel niet verwacht, dan wel is het uitgesloten dat het plangebied onderdeel is van het essentiële leefgebied van deze soorten.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
6
Projectgerelateerd
De randen en de opgaande (oever)begroeiingen zijn wel geschikte structuren voor verschillende algemeen voorkomende kleine grondgebonden zoogdieren als aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergsitsmuis, huisspitsmuis, ondergrondse woelmuis, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis en woelrat. Dergelijke soorten komen algemeen voor in Nederland en kunnen hier ook verwacht worden. Ook voor vos en ree is dit van toepassing, echter is het gebied na de oogst(en) zeer open van karakter en zullen deze soorten zich eerder ophouden in robuustere opgaande structuren, zoals aanwezig in de Margarethapolder, wat zich kenmerkt als een divers en robuust natuurgebied. Het plangebied zelf maakt slechts marginaal onderdeel uit van het grotere leef- en foerageergebied van beide soorten. De veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap dat niet te intensief beheerd wordt. Hij komt voor in overgangsvegetaties, lintvormige landschapselementen, opgaande kruidenvegetaties en overhoekjes. En ook in aanliggende, braakliggende of niet begraasde kruidenvegetaties, zoals boomgaarden, kan de soort worden aangetroffen. In gebouwen komt hij zelden voor (Zoogdiervereniging, 2022). Hieruit is duidelijk af te leiden dat voor het plangebied de veldspitsmuis alleen te verwachten is in de ruigteranden langs sloten en percelen.
Op basis van beschikbare informatie lijkt de regionale populatie van de veldspitsmuis stabiel, wijdverspreid en constant. Waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Hij kan niet worden uitgesloten op de in het plangebied aanwezige biotoop rondom de watergang, welke geschikt kan zijn. De steenmarter komt voornamelijk voor in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig ook in grote steden. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. De soort heeft vaak zijn verblijfplaats in gebouwen, zoals op zolders, in kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Echter, ook boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen waar weinig verstoring is, zijn geschikt als (voortplantings)verblijfplaats voor de steenmarter (Zoogdiervereniging, 2022). Deze structuren ontbreken in het plangebied, maar kunnen wel aanwezig zijn bij de woning in het noorden van het plangebied aan de Reuzenhoeksedijk 5 en bij het woonhuis en bijgebouwen in het zuidoosten aan de Molenweg 6.
De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen. In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou. De wezel heeft een voorkeur voor open en droog natuur- en cultuurlandschap, maar komt tevens voor in allerlei andere soorten habitat zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. De hermelijn komt voor in vergelijkbaar habitat met als uitzondering dat de soort ook voorkomt op vochtig terrein. Voor alle drie de soorten kleine marters geldt dat goede schuilmogelijkheden met voldoende rust en de aanwezigheid van geschikt voedsel (met name woelmuizen) een vereiste is voor het voorkomen (Zoogdiervereniging, 2022). In en rondom het plangebied ontbreken daarvoor geschikte structuren, alhoewel te verwachten is dat voldoende prooidieren gevonden kunnen worden wanneer de akkers bebouwd zijn. Haas kan verwacht worden in en rondom het plangebied, de omgeving is voor deze soort geschikt als onderdeel van het grotere leefgebied. Hazen eten grassen (winter), kruiden (zomer) en akkerbouwproducten zoals graan, maïs, klaver en aardappelen.
Hazen zijn overwegend in de vooravond en 's nachts actief, in de zomer ook wel in de schemering en overdag. Overdag rust de haas doorgaans uit in zijn leger, een ondiepe uitholling in bijvoorbeeld bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Ze hebben vaak meerdere legers. Konijn kan ook verwacht worden rondom het plangebied, het zijn plaatstrouwe dieren. Meestal wonen konijnen in uitgebreide, gegraven gangenstelsels met vele gangen en kamers (wrangen), maar soms wonen ze in oude vossen- of dassenburchten.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
7
Projectgerelateerd
Tijdens het veldonderzoek is gelet op sporen van haas en konijn. Er zijn bij het doorlopen van het plangebied geen keutels gevonden, ook is er geen waarneming gedaan van bijvoorbeeld een wegvluchtend dier of leger. Er zijn ook geen konijnburchten aangetroffen, waardoor een vaste verblijfplaats van konijn wordt uitgesloten. Hierbij is met name gezocht langs de randen van het terrein, de uitkijkheuvel, en de opgaande structuren rondom beide woningen en (bouw)depot in het oostelijke deel van het plangebied. Effectbeoordeling Het voorkomen van verschillende soorten grondgebonden zoogdiersoorten in en rondom het plangebied kan verwacht worden, dan wel is niet uitgesloten op basis van de aanwezige biotoop. Afhankelijk van de werkwijze en uitvoering(speriode) van het project kunnen negatieve effecten op soorten optreden. De uitvoering van het project zal betekenen dat er mogelijk beschermde zoogdieren worden gedood en verblijfplaatsen worden verstoord en vernietigd. Dit betreft vooral de kleinere soorten zoals muizen. Maar ook een egel in winterslaap kan niet tijdig wegkomen en loopt risico. Het gaat dan met name om soorten waarvoor de randen en opgaande vegetatie langs de watergang van belang zijn. De aangetroffen dieren behoren tot een ruime regionale populatie die ook buiten het plangebied overal in bermen, slootoevers en ruigtes verwacht kan worden.
Voor geen van de soorten zal de aanwezige biotoop in het plangebied van essentieel belang zijn, met uitzondering van de oeverbegroeiingen langs de watergang (ter hoogte van de toekomstige Vlinderlaan). Het doden en/of verwonden van aanwezige soorten in en rondom het plangebied is geheel te voorkomen door gefaseerd buiten de kwetsbare voortplantingsperiode en/of overwinteringsperiode van soorten te werken. Het is zaak om aanwezige ruigtes en opgaande structuren te verwijderen voor overwintering van bijvoorbeeld egels en buiten de voortplantingsperiode van andere soorten. Doordat de woonwijk stapsgewijs ontwikkeld zal worden, ontstaan er tijdens de aanleg mogelijk zelfs meer geschikte habitats dan in de huidige situatie waarbij het grootste deel intensief agrarisch gebruikt wordt. Toch zal uiteindelijk een groot deel van het gebied bebouwd worden en zullen alleen soorten die ook in stedelijk gebied kunnen leven (zoals de egel, en de bosmuis) of in de groenzones en langs de oevers van de waterpartijen (zoals de aardmuis, veldmuis en huisspitsmuis) overblijven. Dit verlies aan leefgebied heeft voor de algemene soorten geen negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding omdat deze in de ruime omgeving ook voorkomen en voor een groot deel na aanleg van de woonwijk hier weer een leefgebied zullen vinden.
Voor soorten van open habitats als de haas en de veldspitsmuis zal dit niet of minder gelden. Voor hen neemt het leefgebied iets af in oppervlakte. De haas als de veldspitsmuis hebben landelijk te maken met slinkende populaties door het afnemen van geschikt leefgebied en andere stressfactoren. Het leefgebied bij Othene is voor beide soorten van relatief gering belang in relatie met het veel ruimere leefgebied van de regionale populatie. Daardoor heeft het verlies van dit leefgebied geen gevolgen voor de staat van instandhouding van beide soorten op regionaal niveau. Voor de veldspitsmuis geldt tot slot geen vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing indien sprake is van overtreding, zoals het beschadigen en/of vernietigen van verblijfplaatsen. In het nog te ontwikkelen gebied van Othene, fase 4a (noordelijke deel), fase 5 en fase 6, zijn alleen langs de watergang (ter hoogte van de toekomstige Vlinderlaan) mogelijk verblijfsmogelijkheden te verwachten. Deze watergang is nieuw aangelegd en zal behouden blijven. Er zijn daarom geen negatieve effecten op verblijfplaatsen of het leefgebied te verwachten van deze soort.
Het in verhouding kleine en onbelangrijke potentiële leefgebied bij Othene is voor de veldspitsmuis daarnaast van gering belang in relatie met het veel ruimere en kwalitatief betere leefgebied van de regionale populatie, te vinden in de omgeving van het plangebied zoals in de Margarethapolder. Daardoor heeft het verlies van dit kleine stuk potentieel leefgebied geen gevolgen voor de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau. Dit is navolgend nader onderbouwd.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
8
Projectgerelateerd
Ten tijde van het voorgaande onderzoek in 2017 waren voor veldspitsmuis (en andere soorten) nog vele in potentie geschikte ruigtes en opgaande begroeiingen in het plangebied aanwezig, met name in het deel van fase 4b, het zuidelijke deel (RHDHV, 2018). Nu dit deel al geheel bouwrijp en deels al ontwikkeld is, en in fase 5 en fase 6 relatief weinig ruigtes en opgaande begroeiingen aanwezig zijn, én omdat de aanwezige watergang inclusief de oeverbegroeiingen behouden zal blijven, worden geen negatieve effecten op deze soort of vaste rust- en/of verblijfplaatsen verwacht. Het aanvragen van een (nieuwe) ontheffing is dan ook niet noodzakelijk, mits het voorkomen van effecten wordt geborgd (door het nemen van voorzorgsmaatregelen en de begroeiingen rondom de watergang verder ongemoeid te laten). Noot: het is, met oog op de aflopende geldigheidsdatum van de in het verleden verleende ontheffing (zaakkenmerk: ZK17000206/18001932), te adviseren om dit najaar nog zo veel mogelijk opgaande begroeiingen aan de randen van het plangebied te verwijderen waar dat nodig is voor de ontwikkeling van fase 4a (noordelijke deel), fase 5 en fase 6, nu er nog een geldende ontheffing is en gewerkt kan worden buiten de voortplantingsperiode (van alle voorkomende soorten).
3.4
Vleermuizen
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er nabij het plangebied alleen waarnemingen bekend zijn van gewone dwergvleermuis. Verder zijn in de ruime omgeving van het plangebied waarnemingen van de meervleermuis bekend. Daarnaast valt het plangebied binnen de (grove) bekende verspreiding van de gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Vleermuizen worden in vrijwel het gehele land waargenomen. Ze maken gedurende een jaar gebruik van meerdere type verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen). Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten (zoals rosse vleermuis) en gebouwbewonende soorten (zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Een aantal soorten maken zowel van gebouwen als van bomen gebruik als verblijfplaats (bijvoorbeeld ruige dwergvleermuis). Vleermuizen foerageren over het algemeen op relatief windluwe plaatsen, zoals tuinen en langs bosranden. Om van de verblijfplaats naar foerageergebied te komen (en andersom) wordt gebruikt gemaakt van zogenaamde vliegroutes, die bestaan uit lijnvormige elementen zoals bomenrijen en watergangen. Deze lijnvormige elementen kunnen tevens dienen als migratieroute van soorten die buiten Nederland overwinteren.
Het plangebied bestaat uit agrarische akkerlanden die door vleermuizen gebruikt kunnen worden om te foerageren. De vegetatie in het plangebied is vrij laag en er staan alleen enkele wilgen in het noorden van het plangebied. Het plangebied is daarom maar gering geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Veel liever foerageren (gewone dwerg)vleermuizen langs opgaande structuren en watergangen, zoals de bomen rondom de woning aan de Molenweg 6 van het plangebied, de watergang in het midden van het plangebied en de bomenlanen langs de Reuzenhoeksedijk. Deze bomenlaan vormt daarnaast een verbindend lijnvormige structuur in het landschap. Het is niet duidelijk of sprake kan zijn van een essentiële vliegroute omdat niet evident is dat bijvoorbeeld de woonkern van Terneuzen door de laan met een voor vleermuizen geschikt natuurgebied wordt verbonden. De bomen rondom hebben geen opvallende holtes, holen of loszittende schors of bast, waarin en waarachter vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben. Er zijn enige gebouwen in en rondom het plangebied aanwezig, welke in potentie geschikt kunnen zijn als verblijfsmogelijkheid voor vleermuizen in de vorm van een zomer-, (kleine) kraam- of paarverblijfplaats. Gezien de staat van de gebouwen worden niet direct winterverblijfplaatsen vermoed.
De aanwezige (te slopen) boerderij aan de Reuzenhoeksedijk 5 kan mogelijk voor vleermuizen geschikt zijn als verblijfslocatie, dit kan op basis van het onderzoek niet voldoende worden uitgesloten.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
9
Projectgerelateerd
Hier is een nader bezoek noodzakelijk om na te gaan of er daadwerkelijk potenties zijn, zoals holtes, spouwmuren, etc. of niet, bijvoorbeeld wanneer er geen spouwmuren zijn en/of geschikte ruimtes om te verblijven, zoals zolders of onder dakpannen, etc. Afhankelijk van de resultaten van deze schouw wordt beoordeeld of een nader onderzoek conform het vigerende Vleermuizenprotocol noodzakelijk is of niet. Effectbeoordeling Er is geen reden aan te nemen dat er voor het project rekening gehouden moet worden met beschermde vleermuizen, het plangebied maakt slechts marginaal deel uit van het foerageergebied van vleermuizen en de geschikte elementen zoals opgaande structuren, de bomenlaan langs de Reuzenhoeksedijk en de watergang blijven behouden. Na de aanleg van de huizen, tuinen en waterpartijen zal Othene vrijwel zeker verder geschikt worden als foerageergebied en zullen er mogelijk ook verblijfplaatsen ontstaan (deze kunnen overigens ook bewust aangelegd worden tijdens de bouw). De uitvoering van Othene vergroot dus het geschikte leefgebied voor (gebouwbewonende) vleermuissoorten, terwijl negatieve effecten tijdens de aanleg afwezig zijn. Overtreding van de verbodsbepalingen als gevolg van de voorziene ingreep wordt daarom niet verwacht.
Dit met uitzondering van een nadere beoordeling van de te slopen gebouwen in het plangebied, hier moet nog goed gekeken worden naar verblijfsmogelijkheden van vleermuizen, indien dit niet kan worden uitgesloten is het uitvoeren van een nader onderzoek naar het gebruik van de te slopen gebouwen door vleermuizen noodzakelijk om een effectbeoordeling te kunnen doen. Worden er verblijfplaatsen van vleermuizen bij de te slopen gebouwen vastgesteld, dan is het nemen van maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing voorafgaande de sloop vereist.
3.5
Vogels
Voorkomen Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. De nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Deze nesten zijn beschermd omdat ze jaarrond worden gebruikt, of omdat een soort zeer honkvast is en er elk jaar naar terugkeert en moeilijk in staat is om een nieuw nest te maken. Dit kan zowel gaan om soorten die broeden in bebouwing als om soorten die broeden in bomen. Van de volgende broedvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn vanuit de literatuur waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, kerkuil, ooievaar, roek, sperwer, steenuil en zwarte wouw. Uit het voorgaande onderzoek is het voorkomen van steenuil en kerkuil en soorten als wilde eend, meerkoet, waterhoen, kievit, fazant en patrijs bekend. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in de omgeving van het plangebied geïnspecteerd op de aanwezigheid van grote nesten. Er waren echter veel bomen die vol in het blad stonden, waardoor grote nesten wel aanwezig kunnen zijn, met name in de bomen rondom de woning in het zuidoosten van het plangebied aan de Molenweg 6 en/of in de bomen langs de Reuzenhoeksedijk en woningen aldaar.
Het kan mogelijk zijn dat (roof)vogels zoals de buizerd hier een nest hebben. Steenuilen zijn in de voorgaande jaren in de omgeving als ook in het plangebied bekend. Alle broedparen zijn aangetroffen op erven. De erven zelf zijn over het algemeen zeer geschikt als voedselgebied, verder zijn vooral de graslanden, heggen en tuinen geschikt. Vooral kleinschalige en vochtige graslanden bij de kreken zijn geschikt om regenwormen te zoeken. Muizen zijn vooral te vinden in ruige perceelranden en onder struiken. De veel in de omgeving voorkomende grootschalige akkers zijn vrijwel niet geschikt als foerageergebied door het ontbreken van wormen en muizen. Zowel bij de woning in het zuidoosten aan de Molenweg 6 als bij de woning in het noordoosten aan de Reuzenhoeksedijk 5 van het plangebied was een nestlocatie bekend (RHDHV, 2018). 14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
10
Projectgerelateerd
Middels het opvragen van aanvullende informatie is duidelijk geworden dat er bij de woning aan de Reuzenhoeksedijk 5 in de afgelopen jaren geen steenuilen zijn waargenomen (mondelinge mededeling dhr. A. de Smet), op deze locatie is ook geen nestkast bekend. Bij de gebouwen in het zuidoosten aan de Molenweg 6 is wel een nestlocatie en territorium van steenuil bekend. Bij de woning in het zuidoosten aan de Molenweg 6 valt op dat vrijwel het gehele geschikte foerageergebied buiten het plangebied voor Othene fase 5 valt met uitzondering van een rand aan de noordzijde en verderop de randen van de kreekrestant. Het ruime erf met veel groen en gevarieerde en oudere bebouwing zelf is naar verwachting het belangrijkste foerageergebied. Ten zuidwesten ligt bovendien een boomgaard welke naar verwachting ook bijzonder geschikt is als foerageergebied. Bij de woning in het noorden aan de Reuzenhoeksedijk 5 is het erf zelf klein en door de strakke inrichting minder geschikt. Vooral de groenzone langs de Reuzenhoeksedijk en het natuurgebied ten noorden hiervan (de Margaretapolder) zullen het belangrijkste foerageergebied van deze uilen zijn. Dus ook hier ligt het foerageergebied grotendeels buiten het plangebied voor Othene.
Kerkuilen zijn ook bekend in de omgeving van het plangebied, bij de woning in het zuidoosten aan de Molenweg 6 wordt een nestplaats vermoed, alsook in de Margarethapolder (RHDHV, 2018). Middels het opvragen van aanvullende informatie is duidelijk geworden dat er bij de woning aan de Molenweg 6 een broedlocatie van kerkuil aanwezig is (mondelinge mededeling dhr. A. de Smet), Kerkuilen komen voor in halfopen tot open cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. In bossen of zeer bosrijke gebieden kom je de kerkuil zelden tegen. De kerkuil gaat vanuit z’n roest- of nestplaats jagen in het open veld, het liefst daar waar gras- en bouwland worden afgewisseld met kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Ook ruig begroeide, slecht onderhouden graslandgebieden, braakliggende akkers, ruige grasstroken en wegbermen worden als jachtterrein benut (Vogelbescherming, 2022). Ook voor deze kerkuil geldt eveneens dat het gehele geschikte foerageergebied buiten het plangebied voor Othene fase 5 valt met uitzondering van een rand aan de noordzijde en verderop de randen van de kreekrestant. Het ruime erf met veel groen en gevarieerde en oudere bebouwing zelf is naar verwachting het belangrijkste foerageergebied. In en rondom het plangebied zijn verschillende waarnemingen bekend van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten.
In het plangebied is voor op de grond broedende vogelsoorten weinig geschikte biotoop aanwezig, het terrein is in de huidige situatie sterk verstoord. Wel kunnen algemene soorten tot broeden komen in of langs de oevers van de watergang en opgaande ruigtes en structuren, met name rondom de aanwezige (nieuwe en oude) gebouwen rondom het plangebied. Aanwezigheid van algemene broedvogels is daarom in het plangebied niet uitgesloten. Effectbeoordeling Er is reden aan te nemen dat er voor het project rekening gehouden moet worden met broedvogels binnen het plangebied. Overtreding van de verbodsbepalingen als gevolg van de voorziene ingreep kan worden uitgesloten door het nemen van maatregelen zoals het tijdig ongeschikt maken van potentiële broedlocaties en bepaalde werkzaamheden te mijden in het broedseizoen. Het voor vogels, en met name voor de uilen, geschikte foerageergebied rondom het plangebied zal behouden blijven. Dit met uitzondering van een nadere beoordeling van de te slopen gebouwen in het plangebied, hier wordt geadviseerd om nog een nadere beschouwing te doen naar het voorkomen van (steen)uilen. Indien ze aanwezig zijn, zullen sporen van braakballen en/of poep makkelijk zichtbaar zijn. Ook kan dan onafhankelijk bevestigd worden of wel of niet een nestkast aanwezig is.
Wordt er vastgesteld dat de locatie (toch nog) in gebruik is door een (steen)uil, dan is het nemen van maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing voorafgaande de sloop vereist. De eindconclusie ten aanzien van de kerkuil is dat er geen broedlocaties binnen het plangebied liggen, maar waarschijnlijk wel aan de rand daarvan. Daardoor zou invloed van het project op de foerageergebieden rondom die mogelijke broedlocaties kunnen zijn.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
11
Projectgerelateerd
Echter, gezien de voldoende afstand tot de mogelijke broedlocaties en de beperkte geschiktheid van de percelen binnen het plangebied als foerageergebied, is de verwachting dat zowel tijdens als na de bouw van de nieuwe woonwijk de kwaliteit van het plangebied als foerageergebied niet achteruit gaat (RHDHV, 2018).
Figuur 3-1. Plangebied (rood omlijnd) met boerderijen/broedlocaties steenuil 2016 en de toekomstige ontwikkelingen in Othene (bron kaart: Natuurtoets RHDHV, 2018). Bij locatie 2, betreffende de woning aan de Reuzenhoeksedijk 5, is geen nestlocatie van steenuil meer bekend (mondelinge mededeling dhr. A. de Smet, d.d. 8 november 2022).
Noot bij Figuur 3-1: de opstallen met nesten van kerkuil en steenuil bij de woning in het zuidoosten van het plangebied aan de Molenweg 6 (locatie 1) liggen buiten het plangebied en worden niet aangetast, het foerageergebied van deze locatie ligt voor een klein deel van het foerageergebied binnen fase 5. Door de ontwikkeling van Othene zal naar verwachting geen broedlocatie bij de woning in het noordelijke deel van het plangebied aan de Reuzenhoeksedijk 5 (locatie 2) uit fase 6 verdwijnen omdat hier geen broedterritorium van steenuil meer bekend is (mondelinge mededeling dhr. A. de Smet).
3.6
Vissen
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er in de ruime omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde vissen. De meeste beschermde vissoorten zijn soorten uit beken (elrits, beekdonderpad, beekprik), snelstromende rivieren (gestippelde alver), verlandende watergangen met een sliblaag en rijke onderwatervegetatie (grote modderkruiper), watergangen met koel en zuurstofrijk water (kwabaal) of vissoorten die in rivieren of zijarmen hun paaiplaatsen hebben (Noordzeehouting, steur). Dergelijk biotoop ontbreekt in het plangebied. Hierdoor is het voorkomen van (beschermde) vissoorten uitgesloten. In de watergang en watervoerende sloten in en rondom het plangebied kunnen wel algemene vissoorten verwacht worden, als drie- en tiendoornige stekelbaarsjes en verschillende soorten voorntjes.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
12
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling Ingrepen aan het watersysteem moeten rekening houden met de algemene zorgplicht en schade en verstoring zoveel als mogelijk voorkomen. Er is geen reden aan te nemen dat er voor het project rekening gehouden moet worden met beschermde vissoorten. Overtreding van de verbodsbepalingen als gevolg van de voorziene ingreep kan worden uitgesloten.
3.7
Amfibieën
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er nabij het plangebied waarnemingen bekend zijn van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad. Verder valt het plangebied binnen de (grove) bekende verspreiding van de Alpenwatersalamander en kamsalamander. De Alpenwatersalamander is een weinig kritische soort die in verschillende wateren wordt aangetroffen. De soort wordt aangetroffen in heidegebieden, agrarisch gebied, ruderale terreinen maar ook in steden en dorpen. De soort komt vooral voor in en nabij bossen en heeft in voorkeur voor wateren met onder-watervegetatie en een laag dode bladeren op de bodem. In het plangebied ontbreekt het aan bos maar zijn wel watergangen aanwezig. De onderwatervegetatie van deze sloten is echter gering. In het plangebied ontbreekt het dus aan geschikte voortplantingswateren en landhabitat. Het voorkomen van de soort kan dus worden uitgesloten. De kamsalamander is een kritische soort wat betreft zijn landhabitat en voortplantingswateren. De soort wordt vooral aangetroffen in landschap met bossen, houtwallen en struwelen. Daarbij dient het voortplantingswater in de directe omgeving van de landhabitat te liggen. De soort heeft een voorkeur voor grote, stilstaande, geïsoleerde en niet te voedselrijke wateren.
Hierbij is een goed ontwikkelde onderwatervegetatie van belang en is bij voorkeur vis afwezig. In het plangebied zijn wateren aanwezig maar hierbij ontbreekt het aan een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Verder ontbreekt het in het plangebied en de directe omgeving hiervan aan geschikt landhabitat. Zo is begroeiing in het plangebied vrij laag en ontbreken bossen, houtwallen en struwelen. Het voorkomen van de kamsalamander binnen het plangebied is dan ook uitgesloten. De rugstreeppad is een soort van open zandige locaties en/of gebieden met veel ondiep water, zoals poelen, greppels en poldersloten. Dit zijn vaak terreinen met een pioniermilieu of een dynamisch milieu zoals afgravingen, opgespoten terreinen, zandverstuivingen, industrieterreinen, braakliggende terreinen, militaire oefenterreinen, akkers, heideterreinen, duinen, etc. (RAVON, 2022). De rugstreeppad is recent (afgelopen 3 jaar) enkele keren net buiten het plangebied aangetroffen. Dit zijn waarnemingen afkomstig ten westen van het plangebied in het al gerealiseerde deel van de nieuwbouwwijk. De rugstreeppad is een mobiele soort die enkele kilometers kan lopen om bij geschikt voortplantingswater en leefgebied te komen en het is bekend dat de soort soms ineens opduikt op een geschikte locatie en dan na enige tijd weer verdwijnt.
Bouwlocaties met ondiep water, zoals te verwachten in het plangebied tijdens de bouwfase, zijn aantrekkelijk voor deze soort omdat ze een voorkeur hebben voor open gebieden met losse grond en ondiep, snel opwarmend water. De sloten in het plangebied kunnen mogelijk worden gebruikt door algemeen voorkomende soorten zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Deze soorten zijn weinig kritisch wat betreft hun voortplantingswater en overwinteringsplaats. Voor deze soorten geldt dat ze in het plangebied kunnen voorkomen. Zo kunnen de sloten gebruikt worden als voortplantingswater en kan het materiaal op het bouwdepot gebruikt worden als overwinteringsplaats. 14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
13
Projectgerelateerd
Effectbeoordeling Er is absoluut reden aan te nemen dat er voor het project rekening gehouden moet worden met de rugstreeppad omdat de soort in het recente verleden in de omgeving aanwezig geweest is en er een goede kans is dat de soort ook nu nog aanwezig is. Het is daarom van belang te voorkomen dat er geschikte (maar tijdelijke) voortplantingshabitats ontstaan op daarvoor ongeschikte locaties en/of dat deze bereikbaar zijn voor de rugstreeppad. Door voorzorgsmaatregelen te nemen is te voorkomen dat geschikte voortplantingswateren ontstaan op daarvoor ongewenste locaties en dat rugstreeppadden op het bouwterrein terecht komen. Een ontheffing voor de rugstreeppad is dan niet nodig. Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting in de omgeving van de gebouwen, bospercelen en bomenrijen binnen en aangrenzend aan het plangebied kunnen algemeen voorkomende soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander door de daarmee gepaard gaande effecten (geluids- en lichtproductie) worden verwond of verstoord. Voor deze soorten bestaat in de provincie Zeeland een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen. Om deze reden hoeft voor de optredende verstoring geen ontheffing aangevraagd te worden.
Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen. De maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 1.11 van de Wnb), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten.
3.8
Reptielen
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er in en nabij het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde reptielen. Het plangebied valt ook niet binnen het bekende (grove) verspreidingsgebied van onder de Wnb beschermde reptielen. Verder ontbreekt het in het plangebied ook aan geschikt habitat voor beschermde reptielen, door de afwezigheid van geschikte ruigte, bladhopen, houtstapels en dichte struiken. Het voorkomen van de onder de Wnb beschermde reptielen is dan ook op voorhand uitgesloten. Effectbeoordeling Er is geen reden aan te nemen dat er voor het project rekening gehouden moet worden met beschermde reptielsoorten. Overtreding van de verbodsbepalingen als gevolg van de voorziene ingreep en werkzaamheden wordt uitgesloten.
3.9
Ongewervelden
Voorkomen Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er in de ruime omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van grote vos en teunisbloempijlstaart. Het plangebied valt niet binnen het (grove) bekende verspreidingsgebied van andere onder de Wnb beschermde ongewervelden. De grote vos kwam voor op voedselarme zandgronden, in de duinen en in Zuid-Limburg. De soort werd acuut met uitsterven bedreigd, maar wordt tegenwoordig weer vaker gezien. De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Voor de overwintering moeten er geschikte plaatsten, zoals holle bomen of stapels hout aanwezig zijn. De soort legt vooral eitjes op iep, maar ook op zoete kers en sommige wilgensoorten. De waarneming in de omgeving van het plangebied betreft een zwervend individu. Op dit moment wordt de soort nergens meer geregeld of met meerdere exemplaren tegelijk gevonden. Hij is dan ook acuut met verdwijnen bedreigd, mogelijk is hij al als standvlinder verdwenen. 14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
14
Projectgerelateerd
De laatste jaren worden zo´n vijf vlinders per jaar gezien, vermoedelijk zwervers uit het buitenland of vlinders van onregelmatige populaties (Vlinderstichting, 2022). Ondanks dat de wilgen in het plangebied mogelijk door de soort als waardplant gebruikt kan worden is het niet aannemelijk dat het plangebied onderdeel is van essentieel leefgebied van de soort. Zo zijn bossen in het plangebied en de directe omgeving hiervan afwezig. Verder ontbreekt het in het plangebied aan voor de soort geschikte overwinteringsplaatsen zoals holle bomen of stapels hout. Daarbij is er in het plangebied weinig tot geen dekking aanwezig. Aangezien van de soort bekend is dat ze regelmatig zwervend in het plangebied worden waargenomen is het mogelijk dat de soort incidenteel wordt aangetroffen in het plangebied. De teunisbloempijlstaart komt voor in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. De soort komt vooral voor op plaatsen waar een grote concentratie van waardplanten aanwezig zijn. In het plangebied ontbreekt het aan bossen met daarin warme open plaatsen. Het voorkomen van de soort in het plangebied wordt dan ook niet verwacht. Effectbeoordeling Van de grote vos is bekend dat ze regelmatig zwervend in het plangebied worden waargenomen.
Het is daarom mogelijk dat de soort incidenteel wordt aangetroffen in het plangebied. Echter doordat het plangebied maar gering geschikt is voor de soort en geen essentiële functie heeft zijn negatieve effecten op de soort uitgesloten, een overtreding van verbodsbepalingen is dan ook uitgesloten. Het uitvoeren van nader onderzoek en het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
15
Projectgerelateerd
4
CONCLUSIE EN ADVIES
4.1
Conclusie
AM Zeeland is voornemens om aan de oostzijde van Terneuzen de nieuwbouwwijk Othene te bouwen. De ontwikkeling wordt in 6 fases uitgevoerd. Fase 1 tot en met fase 3 en fase 4b (zuidelijke deel) zijn reeds gerealiseerd. Fase 4a (noordelijk deel), fase 5 en fase 6 moeten nog gerealiseerd worden. Voor het uitvoeren van de realisatie van deze fases heeft voorliggende quickscan plaatsgevonden. Uit het onderzoek komen de volgende conclusies naar voren:
Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op de volgende beschermde soorten of soortgroepen wegens het ontbreken van voor deze soorten geschikte standplaatsen, essentieel leefgebied en/of vaste rust- en/of verblijfplaatsen, te weten: vaatplanten, vissen, reptielen en ongewervelden. Er kunnen in de omgeving en in het plangebied verschillende soorten grondgebonden zoogdiersoorten verwacht worden. De meeste soorten zijn zeer algemeen voorkomend en staan voor het grootste gedeelte op de lijst van vrijgestelde soorten, wat betekent dat indien sprake is van overtreding van verbodsbepalingen geen ontheffing vereist is. Te allen tijde moet invullingen gegeven worden aan de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wnb).
Het optreden van negatieve effecten kan voorkomen worden door gefaseerd te werken buiten de kwetsbare periode van verschillende soorten en/of door het plangebied voorafgaand aan de kwetsbare periode ongeschikt te maken. In de directe omgeving is meer dan afdoende, zo niet beter, alternatief leefgebied beschikbaar. Overtreding van verbodsbepalingen voor soorten die niet vrijgesteld zijn van een ontheffingsaanvraag wordt niet verwacht. Dit geldt voor de soorten haas, konijn en veldspitsmuis, waarvoor het plangebied weliswaar onderdeel uitmaakt van het grotere leefgebied, maar waar niet verwacht wordt dat sprake is van vernietiging van vaste rust- en/of verblijfplaatsen. De staat van instandhouding van grondgebonden zoogdiersoorten wordt door het project, mits de werkzaamheden gefaseerd en waar dat nodig is buiten het kwetsbare voortplantings- en/of overwinteringsperiode wordt uitgevoerd, niet negatief beïnvloed. Doordat de woonwijk stapsgewijs ontwikkeld wordt, is er geen sprake van een grote en algemene verandering in het gebied. Akkers en grasland zullen in de loop van jaren in delen omgezet worden in woonwijk. Hierdoor ontstaan er tijdens de aanleg mogelijk zelfs meer geschikte habitats dan in de huidige situatie waarbij het grootste deel intensief agrarisch gebruikt wordt.
Uiteindelijk wordt een groot deel van het gebied bebouwd en blijven alleen soorten die ook in stedelijk gebied kunnen leven (zoals de egel en de bosmuis) of in de groenzones en langs de oevers van de waterpartijen (zoals de aardmuis, veldmuis en huisspitsmuis) over. Dit verlies aan leefgebied heeft voor de algemene soorten geen negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding omdat deze in de ruime omgeving ook voorkomen en voor een groot deel na aanleg van de woonwijk hier weer een leefgebied zullen vinden. Voor soorten van open habitats als de haas geldt dit niet of minder, voor hen neemt het leefgebied iets af in oppervlakte. Er is geen ontheffing vereist.
Het plangebied is voor vleermuizen marginaal geschikt als foerageergebied. De aanleg van de huizen, tuinen en waterpartijen zorgt ervoor dat het gebied vrijwel zeker geschikt zal blijven als foerageergebied.
Overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van vliegroutes en/of foerageergebied van vleermuizen als gevolg van de voorziene ingreep wordt niet verwacht. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar deze functies van vleermuizen is dan ook niet noodzakelijk.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
16
Projectgerelateerd
In en rondom het plangebied komen verschillende soorten vogels voor, waaronder ook soorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is.
Wel moet nog een nadere beoordeling van de te slopen gebouwen in het plangebied gedaan worden, hier moet goed gekeken worden naar verblijfsmogelijkheden van vleermuizen, indien dit niet kan worden uitgesloten is het uitvoeren van een nader onderzoek naar het gebruik van de te slopen gebouwen door vleermuizen noodzakelijk om een effectbeoordeling te kunnen doen. Worden er verblijfplaatsen van vleermuizen bij de te slopen gebouwen vastgesteld, dan is het aanvragen van een ontheffing voorafgaande de sloop vereist.
Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in de omgeving van het plangebied geïnspecteerd op de aanwezigheid van grote nesten. Er waren echter veel bomen die vol in het blad stonden, waardoor grote nesten wel aanwezig kunnen zijn, met name in de bomen rondom de woning in het zuidoosten van het plangebied aan de Molenweg 6 en/of in de bomen langs de Reuzenhoeksedijk en woningen aldaar. Het kan mogelijk zijn dat (roof)vogels zoals buizerd hier een nest hebben. Hier dient in het najaar een nadere schouw naar plaats te vinden. Het voor vogels, en met name voor de uilen, geschikte foerageergebied rondom het plangebied zal behouden blijven. Voor de realisatie van de laatste fases van Othene worden geen negatieve effecten op nestplaatsen van steenuil, kerkuil of andere soorten vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is en/of significant negatieve effecten op in het plangebied of direct rondom gelegen aanwezige foerageergebied verwacht. Dit met uitzondering van een nadere beoordeling van de te slopen gebouwen in het plangebied, hier wordt geadviseerd om nog een nadere beschouwing te doen naar het voorkomen van (steen)uilen. Indien ze aanwezig zijn, zullen sporen van braakballen en/of poep makkelijk zichtbaar zijn. Ook kan dan onafhankelijk bevestigd worden of wel of niet een nestkast aanwezig is.
Wordt er vastgesteld dat de locatie (toch nog) in gebruik is door een (steen)uil, dan is het nemen van maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing voorafgaande de sloop vereist. Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels met zowel jaarrond al niet jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen.
Het voorkomen van amfibieën in en rondom het plangebied kan worden verwacht. Het is mogelijk dat het plangebied thans gebruikt wordt als leefgebied voor de strikt beschermde rugstreeppad. Bovendien kan deze soort zich hier tijdens de werkzaamheden vestigen indien geschikte habitats gevormd worden, ook op plaatsen waar vervolgens gebouwd gaat worden.
Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting in de omgeving van de gebouwen, bospercelen en bomenrijen binnen en aangrenzend aan het plangebied kunnen algemeen voorkomende soorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander door de daarmee gepaard gaande effecten (geluids- en lichtproductie) worden verwond of verstoord. Om mogelijke overtreding van artikel 3.5 van de Wnb te voorkomen ten aanzien van rugstreeppad zijn maatregelen nodig. Door het treffen van voorzorgsmaatregelen is het mogelijk negatieve effecten voor deze soort te voorkomen. Het zal nodig zijn dit op te nemen in het ecologisch werkprotocol en de werkzaamheden conform dit protocol uit te voeren. Voor de algemene amfibiesoorten bestaat in de provincie Zeeland een vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding. Om deze reden hoeft voor de optredende verstoring ten aanzien van deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen.
14 november 2022
M&IBE6070-106-106/R001F0.1
17