CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-03-27 - bijlage 1. Bp Glastuinbouw, 2e ontsluiting, toelichting

gemeenteraad 11 april 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan glastuinbouwgebied Kanaalzone, 2e ontsluitingsweg Axelse vlakte14.635 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

36/58

weg aan de

grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. In figuur 4. 3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het rekenpunt weergegeven. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het hele plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 4. 3 - Plangebied (rood vlak) ten opzichte van rekenpunt (rode cirkel) (NSL monitoringstool, 2020)

Onderzoek NIBM De ontwikkeling maakt de realisatie van een tweede ontsluitingsweg en een perceel ten behoeve van glastuinbouw mogelijk. Deze ontwikkeling is dusdanig van omvang dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een verkeersaantrekkende werking zorgt. Deze verkeersaantrekkende werking is bepaald in de verkeersparagraaf. Het effect op de luchtkwaliteit is vervolgens met de NIBM rekentool bepaald, deze is weergegeven in figuur 4. 4.

37/58

Figuur 4. 4 - NIBM tool De uitkomst van de NIBM-tool laat zien dat de ontwikkeling binnen het plangebied niet in betekenende mate

bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het plan is derhalve uitvoerbaar voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4. 7

Archeologie

Beleid en normstelling Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011.

Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m 2 voor de zogenaamde kruimelgevallen.

38/58

Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen,

ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd. Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als: het gebied niet wordt vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) ;

volgens de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) een zeer lage of lage trefkans heeft (op eventuele waarden tot 1, 2 meter beneden het maaiveld) ; in de nationale digitale database ARCHIS en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) geen gegevens zijn geregistreerd, danwel alleen gegevens die duiden op een lage waarde; er volgens de Geologische kaart Van Rummelen sprake is van de geologische formatie Duinkerke III. Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt

verleend. Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de

Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing. Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoeks (rapport) . De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan

archeologische dubbelbestemmingen. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd. Het archeologiebeleid is inmiddels in alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen verwerkt, zo ook in het bestemmingsplan Sas van Gent. In de plannen en verordeningen is, voor zover dat op grond van dat beleid

nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst. Onderzoek De algemene vrijstelling voor archeologie waaronder werkzaamheden tot 100 m 2 en minder dan 0, 5m diep is beperkt van toepassing op dit ruimtelijk plan. Op basis van de gemeentelijke vrijstellingenkaart (figuur 4. 5) blijkt

39/58

dat slechts ter plaatse van de huidige woonbestemming er grotere vrijstellingsdiepten zijn.

Figuur 4. 5 - Vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen 2017 Hierna wordt beoordeeld of in het bestemmingsplan een regeling (onderzoeksplicht en vergunningstelsel) moet

worden opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt 1. De Archeologische Monumentenkaart (AMK) Binnen de grenzen van het plangebied Axelse Vlakte bevinden zich volgende de Archeologische

Monumentenkaart (AMK) geen terreinen met een vastgestelde archeologische waarde (figuur 4. 6) . Direct aangrenzend aan het plangebied ligt wel een gebied met een hoge archeologische waarde. Het betreft een terrein met de resten van een voormalig verdedigingswerk en een inundatiesluis, daterend uit de Nieuwe

tijd. In Archis werd het eerstgenoemde eerder aangeduid als 'de schans Zwartenhoek'. Veeleer betreft het een verdedigingswerk bij de zeesluis De Grote Petrus, een deels uit militaire overwegingen gebouwde uitwaterings-/inundatiesluis waarvan de bouw begon in 1788. De fortificatie, een front van 3 aaneen geschakelde bastions zonder flanken, is in de volksmond bekend als 'de Batterij'. Ze had als taak de sluis bij een aanval te dekken. Als gevolg van de aanleg van het kanaal Gent-Terneuzen (1825-27) werden de schorren herdijkt en verviel de functie van De Grote Petrus. Het planvoornemen voorziet niet in werkzaamheden in dit archeologisch waardevol gebied, waardoor de aanwezig archeologische waarden niet worden aangetast.

40/58

Figuur 4. 6 - Archeologische Monumentenkaart (AMK) 2. De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) : Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) is het onderzoeksgebied gelegen in een zone die wordt

gekenmerkt door een zeer lage trefkans voor het aantreffen van archeologische waarden (zie figuur 4. 7) .

41/58

Figuur 4. 7 - Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) 3. ARCHIS & Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) : ARCHIS is het Archeologisch informatiesysteem. In Archis 3. 0, de nationale database voor vindplaatsen in

Nederland, worden binnen het plangebied geen waarnemingen vermeld. In de ruimere omgeving zijn wel enkele vindplaatsen bekend. In het Zeeuws Archeologische Archief (ZAA) berusten de verslagen van alle in het verleden in Zeeland uitgevoerde bodemonderzoeken, gegevens over losse vondsten en dergelijke. Dit archief geeft een

indicatie van de vondsten die in het verleden zijn gedaan. Veel of belangrijke vondsten geven een hogere archeologische verwachtingswaarde. Hieruit blijkt dat in het plangebied geen vondsten zijn gedaan in het verleden. 4. Geologie Aan de hand van de geologische kaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante,

bodemlagen aanwezig zijn, waaronder: Pleistoceen: vanaf de Steentijd; Hollandveen: vanaf de IJzertijd en Romeinse tijd; Duinkerke II, inclusief ‘oudere afzettingen van Duinkerke’: vanaf de Middeleeuwen; Duinkerke III; vanaf de Nieuwe Tijd.

42/58

In de gemeente Terneuzen kunnen archeologische resten in de bodem voorkomen tot in de Pleistocene afzettingen. Op de geologische kaart (figuur 4. 8) blijkt dat er verschillende afzettingen van Duinkerke aanwezig zijn: Do. 3b 'Kreekafzettingen van Duinkerk e IIIb DPo. 3b 'Afzettingen van Duinkerke IIIa op niet geërodeerd Pleistoceen'

Figuur 4. 8 - Geologische Kaart (Van Rummelen, 1960) Voor de Kreekafzettingen van Duinkerke DIIIb' (geologische laag Do. 3b) geldt geen onderzoeksplicht. Aangezien het gaat om kreekafzettingen, is er een grote kans dat mogelijk in het verleden daar aanwezige resten zijn

verdwenen. Voor Afzettingen van Duinkerke IIIa op niet geërodeerd Pleistoeen (geologische laag DP. o3b) geldt een onderzoeksplicht indien verstoringen groter dan 500 m² plaatsvinden en dieper dan 1, 0 meter* beneden

maaiveld; Voor het gebied (DPo. 3b) van het plangebied is een regeling gericht op bescherming van de archeologische waarden nodig. Hiervoor wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’ gehanteerd. Binnen deze

43/58

bestemming geldt bij verstoringen boven de 500m2 een onderzoeksplicht, dit sluit aan bij de vrijstellingsoppervlakte volgens de geoloigsche kaart 'Van Rummelen'. Voor de vrijstellingsdiepte wordt in de regeling verwezen naar de 'Archeologische Vrijstellingenkaart'. Conclusie In het bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' opgenomen ten behoeve van het beschermen van archeologische waarden. Hierdoor staat het aspect archeologie de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4. 8

Cultuurhistorie

Beleid en normstelling Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden) bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart, als onderdeel van de Structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen beschikbaar. Onderzoek De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. In figuur 4. 9 - 4. 11 is een uitsnede van de drie kaartenbladen voor het beoogde plangebied weergegeven inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie er voor die locatie geldt. Behoud In de kaartlaag ''behoud'' van de cultuurhistorische waardenkaart' (figuur 4. 9) wordt duidelijk dat de projectlocatie gedeeltelijk is voorzien van de strategie behouden.

Verder is de cultuurhistorische waarde van het naastgelegen perceel aangeduid met de aanduidingen 'sluisrestant', 'batterij' en 'SHBO class. A'.

44/58

Figuur 4. 9 - Cultuurhistorische waardenkaart ''Behoud''

Behoud door Ontwikkeling In de kaartlaag ''Behoud door ontwikkeling'' (figuur 4. 10) is het plangebied aangewezen voor de strategie verbinden. Het planvoornemen sluit hier bij aan doordat met de nieuwe ontsluitingsweg een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd. Indien gewenst kan langs het wegprofiel reeds dijkbeplanting aangelegd worden, zodat de cultuurhistorische waarde toeneemt.

Figuur 4. 10 - Cultuurhistorische waardenkaart ''Behoud door ontwikkeling''

45/58

Vernieuwing mogelijk In de kaartlaag 'Vernieuwing mogelijk' (figuur 4. 11) is het plangebied aangewezen voor de strategie 'Ontwikkelen'. Het planvoornemen sluit hierbij aan, allereerst is de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg en het realiseren van meer grond ten behoeve van 'glastuinbouw' een ontwikkeling op zich. Daarnaast krijgt het gebied betere ontwikkelingsmogelijkheden door de aanleg van de ontsluitingsweg.

Figuur 4. 11 - Cultuurhistorische waardenkaart ''Vernieuwing mogelijk'

Conclusie Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart zijn in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig en wordt het plangebied aangeduid als 'behouden', 'ontwikkelen' en 'verbinden'. De geplande ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4. 9

Ecologie

Beleid en normstelling Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming

46/58

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden;

Natuurnetwerk Nederland (NNN) . Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de

leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) . Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; m het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. In paragraaf 3. 2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van NNN-gebied en de mogelijke invloed op NNN-gebied weergegeven. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten

(hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening

47/58

kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij

provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn Canisvliet op circa 3700 meter en Polders (België) op circa 3650 meter. Het plangebied ligt buiten de beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering zijn hierdoor uitgesloten. Ook zal geen sprake zijn van andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling. Ook kunnen negatieve effecten als gevolg van verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met de beoogde ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen toe. Het is dan ook niet uit te sluiten dat de ontwikkeling in de gebruiksfase geen negatief heeft effect op stikstofgevoelige natuurgebieden. Met het programma AERIUS Calculator (2020) is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming.

Gebruiksfase In het kader van mogelijke stikstofdepositie is voor de ontwikkeling een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase, deze is opgenomen in Bijlage 8 en 9. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling in de gebruiksfase niet meer dan 0, 00 mol/ha/jaar stikstof uitstoot op omliggende Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling heeft hierdoor geen significant negatief effect op omliggende natuurgebieden. Aanlegfase Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Deze wet regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2. 7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) . Hiermee heeft er door de wetgever al een beoordeling plaatsgevonden met betrekking tot tijdelijke stikstofemissies gedurende de bouwfase. Echter uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de vrijstelling in deze vorm juridisch niet houdbaar is. Om deze reden is in bijlage 10 ook de berekening voor de aanlegfase opgenomen. Ook in de aanlegfase is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Natuur Netwerk Nederland De aanleg van de ontsluitingsweg gaat tijdelijk ten koste van een klein oppervlak van het Natuurnetwerk Zeeland. Dit oppervlakteverlies wordt met een factor 8, 5 gecompenseerd. In de natuurtoets in bijlage 11 wordt

48/58

het nader op ingegaan. Het aanwezige beheertype is goed en in korte tijd opnieuw te ontwikkelen. Het planvoornemen is daarom als niet van invloed op het Natuurnetwerk Zeeland te beschouwen. Omdat de begrenzing van het Natuurnetwerk als gevolg van de ingreep wijzigt moet het bevoegd gezag (provincie Zeeland) worden gevraagd om die administratief aan te passen aan de nieuwe situatie. Soortenbescherming Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming zal kunnen worden verkregen. De

ontwikkeling voorziet in de realisatie van een ontsluitingsweg en glastuinbouw. Hiervoor worden volgende werkzaamheden, die mogelijk soorten kunnen verstoren, uitgevoerd. Verwijdering van begroeiing; Bouwwerkzaamheden

de

Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming zal

kunnen worden verkregen. Verkennend ecologisch onderzoek Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd (Sweco, 11-04-2023) In het plangebied zijn geen strikt beschermde planten, zoogdieren, reptielen, vissen, insecten of weekdieren aangetroffen of te verwachten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing ten aanzien van deze soortgroepen is niet aan de orde. In het plangebied wordt door een aantal algemene vogelsoorten van struwelen en bos gebroed. Geen van deze soorten beschikt over een jaarrond beschermd, vast nest volgens de definitie zoals die door het Ministerie van EZ wordt gehanteerd. Broedvogels mogen echter gedurende het broedseizoen of zolang als er wordt gebroed niet worden verstoord. Een ontheffing kan niet worden verleend. Door tijdig passende mitigerende maatregelen

(maaien en de inzet van verjagende middelen) te nemen wordt het vestigen en daarmee verstoren van broedvogels te voorkomen. De strikt beschermde rugstreeppad is niet binnen de werkgrenzen waargenomen. Geschikte rustplaatsen en voortplantingswateren ontbreken. Het werkgebied maakt daarom geen deel uit van het functioneel leefgebied van de soort. Vanwege

de nabijheid van de Groene Knoop zijn niettemin zwervende exemplaren in het werkgebied te verwachten. Door zorgvuldig te handelen en te werken conform een Ecologisch Werkprotocol is een wezenlijk effect op het duurzaam voortbestaan van de populatie rugstreeppadden op de Axelse Vlakte uit te sluiten. Het aanvragen van een ontheffing met betrekking tot het onopzettelijk verstoren of doden van exemplaren van de rugstreeppad is in dat geval niet aan de orde.

49/58

Het aanvragen van een ontheffing met betrekking tot wettelijk beschermde soorten ten behoeve van de voorgenomen aanleg en het gebruik van de ontsluitingsweg is niet nodig. Het nemen van passende

voorzorgsmaatregelen volstaat. Deze maatregelen worden opgenomen in een Ecologisch Werkprotocol. Het volledig verkennend ecologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 11.

Houtopstanden Voor de aanleg van de weg worden geen bomen gekapt. Hierdoor is geen herplantplicht op basis van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Conclusie Het beschermingsregime en de noodzakelijke maatregelen worden uitvoerbaar geacht. Hierdoor staat het aspect ecologie, met inachtneming van deze maatregelen, de ontwikkeling niet in de weg.

4. 10

Kabels

en

leidingen

Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. De gemeente Terneuzen verstaat onder planologische relevante kabels en leidingen: hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer;

buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is; Onderzoek In en in de directe omgeving van het plangebied liggen diverse planologisch relevante leidingen. Op de leidingkaart (figuur 4. 12) is te zien dat in het plangebied twee ondergrondse hoogspanningsleidingen van 50 kV van Stedin (rood) en een waterstofleiding van Air Liquide van 4 inch, 100 bar liggen. Elke hoogspanningsleiding bestaat uit 3 fasekabels. Binnen het plangebied bevinden zich dus 6 fasekabels. Met de leidingbeheerder (s) zijn reeds overleggen gevoerd om de raakvlakken in kaart te brengen tussen de nieuwe wegenstructuur en de bestaande ondergrondse infra. Hieruit zijn een aantal raakvlakken naar voren

gekomen. De belangrijkste om te noemen zijn het verleggen van de waterleiding van Evides ter plaatse van de kruising rondweg Vlaeynatie/ 2 e ontsluitingsweg. En alle nutsvoorzieningen van het bedrijf Vlaeynatie zullen verlegd moeten worden om de gewenste uitbreiding te kunnen realiseren.

50/58

Figuur 4. 12 Leidingkaart

Conclusie Indien benodigd zullen kabels en leidingen worder verlegt. Hierover worden gesprekken gevoerd met de leidingbeheerder (s) . Het aspect kabels en leidingen vormt verder geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4. 11

Externe veiligheid

Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In de huidige wetgeving zijn de begrippen risicobron, (beperkt) kwetsbaar object, plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico van belang. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans per jaar dat één persoon die

zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico GR is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) is van toepassing op het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10 -6 per jaar, bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico, maar wel geldt hiervoor een verantwoordingsplicht in het

51/58

invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van toepassing; het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid tussen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

kwetsbare objecten geldt 10 -6 als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten geldt 10 -6 als richtwaarde, ongeacht of sprake is van nieuwe of bestaande situatie. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10 -6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Voor

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt

geanticipeerd op de beperkingen plasbrandaandachtsgebieden.

voor

ruimtelijke

ontwikkelingen

die

samenhangen

met

deze

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) , zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Onderzoek

Figuur 4. 12 - Uitsnede risicokaart met het plangebied en beoogde tracé blauw gemarkeerd (Risicokaart, 2022)

Conform de openbare risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn met een externe werking (figuur 4. 12) . Ook vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor of over het water. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

52/58

Ten oosten bevindt zich de N62 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Volgens de Handleiding Riscoanalyse Transport (HART) is het invloedsgebied van deze weg 880 meter als gevolg van vervoer van de

stofcategorie LT2. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van de N62. De weg heeft geen plaatsgebonden risicocontour. De PR-contour vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Tevens is er geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Omdat het plangebied binnen de 200 meter van de weg is gelegen, is een berekening van het groepsrisico noodzakelijk. Uit het bestemmingsplan 'Buitengebied' vastgesteld op (25 juni 2013) blijkt echter dat het groepsrisico onder de 0, 1 maal de oriëntatiewaarde is gelegen. Een weg en een fietspad worden in het kader van het Bevt niet gezien als (beperkt) kwetsbare object. Een toetsing hiervoor kan achterwege gelaten worden. Onderdeel van de beoogde ontwikkeling is de omzetting van een woonbestemming naar glastuinbouw. Er is hierdoor slechts een beperkte toename van het aantal aanwezigen binnen het plangebied. Tevens vallen woningen conform het Bevt onder kwetsbare objecten en glastuinbouwbedrijven onder beperkt kwetsbare objecten. Door de omzetting zullen er minder mensen in de nacht verblijven en zijn de aanwezigen zelfredzamer. Er kan daardoor volstaan worden met een beknopte verantwoording. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In het plangebied bevindt zich een waterstofleiding in beheer van Air Liquide. De leiding heeft een grootte van 4 inch en een werkdruk van 100 bar.

De bijbehorende PR 10 -6 -contour is 55 meter aan weerszijden van de leiding. De belemmeringenstrook is 5 meter. Ten oosten bevinden zich de leidingen A503 en leiding A-642 in beheer van de Gasunie. Leiding A503 betreft een aardgasleiding met een grootte van 28 inch en een werkdruk van 80 bar. Het invloedsgebied is 400 meter. De PR 10 -6 -contour is aanwezig, maar verschilt in grootte over de lengte van de buisleiding. Leiding A-642 is tevens een aardgasleiding. De grootte van deze leiding is 30 inch, de werkdruk is 80 bar en het bijbehorende invloedsgebied

Ook bij deze leiding verschilt de PR 10 -6 -contour. Voor deze belemmeringenzone van 5 meter. is 400

meter.

beide leidingen

geldt een

Binnen de PR 10 -6 -contour zijn kwetsbare objecten niet toegestaan.

Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Sasdijk en Ameliaweg. Deze wegen sluit aan op het verdere wegennetwerk van Westdorpe. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal glastuinbouw gerealiseerd worden. De aanwezigen zijn over het algemeen

53/58

zelfredzaam. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf) werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) . Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis. nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. genomen

Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van buisleidingen en de N62. Een autoweg en fietspad worden in het kader van het Bevt niet gezien als (beperkt) kwetsbare objecten. Onderdeel van de ontwikkeling is de omzetting van een woonbestemming naar agrarisch gebied. Hierdoor is er sprake de realisatie van een beperkt kwetsbaar object op de locatie wat momenteel een kwetsbaar object is. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4. 12

Milieueffectrapportage

Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m. e. r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m. e. r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten Onderzoek en conclusies De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m. e. r. niet worden overschreden. Hiervoor is een vorm vrije mer beoordeling uitgevoerd, deze is bijgevoegd in bijlage 12.

54/58

Hoofdstuk 5

5. 1

Juridische toelichting

Algemeen

In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) . Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare

Bestemmingsplannen 2012 (SVBP) . De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) . Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5. 2

Toelichting

op

de bestemmingen

Verkeer: De bestemming verkeer is gebruikt voor het bestemmen van het verkeersvak, met onder meer de rijbanen, fietspaden, groenstroken, lichtmasten en andere nutsvoorzieningen. Glastuinbouw: De bestemming 'Glastuinbouw wordt gebruik voor het bestemmen van het beoogde perceel glastuinbouw.

55/58

Hoofdstuk 6

6. 1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. De

ontwikkeling

Inspraak en vooroverleg In het kader van de inspraak en vooroverleg is het concept ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de wettelijke overlegpartners. In deze periode hebben deze partijen gereageerd op het concept ontwerpbestemmingsplan. De uitkomsten hiervan hebben we meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Omgevingsdialoog In het kader van de omgevingsdialoog is er een voorlichting gegeven aan de dorpsraad Westdorpe op 22 maart 2022. Over het algemeen waren de reacties positief en zijn er geen aandachtspunten naar voren gekomen tijdens deze presentatie. Verder worden de bewoners van Sasdijk 1 en Sasdijk 14 betrokken bij het project door middel van een keukentafelgesprek. Deze gesprekken worden gevoerd voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken lheeft van donderdag 28 december 2023 tot en met woensdag 7 februari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode heeft een ieder de gelegenheid gehad om een zienswijze in te dienen (artikel 3. 8 Wro) . Tijdens de termijn van terinzagelegging zijn twee zienswijzen ontvangen. Te weten van de Provincie Zeeland (GS) en het Waterschap Scheldestromen. Hieronder zijn de zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien. Provincie Zeeland Zienswijze (email d. d.

22-01-2024) De provincie laat weten geen zienswijze in te dienen ten aanzien van het Ontwerp bestemmingsplan Glastuinbouwgebied, tweede ontsluitingsweg Axelse Vlakte. Wel merken zij op dat voor de stikstofberekening

gebruik moet worden gemaakt van de meest actuele Aerius-versie die op 6 november 2023 in werking is getreden. Reactie De stikstofberekening (bijlage 8 van de toelichting) is opnieuw uitgevoerd en als bijlage bij de toelichting van

het bestemmingsplan opgenomen Waterschap Scheldestromen

56/58

Zienswijze (per e-mailbericht d. d. 18-01-2024) Het waterschap heeft verschillende keren met North Sea Port gesproken over de tweede, de zuidelijke, ontsluiting van de Axelse Vlakte. Die ontsluitingsweg, de Zwartenhoekseweg, kruist de Sasdijk, waarvan het waterschap wegbeheerder is. Het waterschap heeft aandacht gevraagd voor de veiligheid op dit kruispunt. Dit voor overstekend maar

ook voor afslaand verkeer. Er rijden best wel wat fietsers over de Sasdijk van en naar met name Terneuzen. North Sea Port zal hiermee in het ontwerp rekening houden. Het is de bedoeling dat de aansluiting van de Ameliaweg op de Sasdijk komt te vervallen. Het verkeer gaat straks gebruikmaken van de Zwartenhoekseweg. Voor de fietsers wijzigt de situatie niet. Het fietspad op de Axelse Vlakte wordt ook in de nieuwe situatie ontsloten op onze Sasdijk ter hoogte van de Batterij. Reactie

Paragraaf 4. 1 Verkeer en Parkeren is aangepast naar aanleiding van de reactie van het waterschap. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6. 2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De

economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie) . Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een ontwikkeling waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de verkoop van gronden. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning) bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is niet als 'bouwplan' aangemerkt. De gemeente maakt verder geen kosten die niet met leges worden gedekt. Het opstellen van een

exploitatieplan of -overeenkomst is daarom niet aan de orde. Wel wordt een planschadeverhaalsovereenkomst opgesteld.

57/58

58/58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13899828/1