2023-11-29 - Buitengebied, Koegorsstraat ong. Terneuzen vastgesteld 2 Toelichting (geanonimiseerd)
Tekst van het document
oppevlakte wordt overschreden, voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning, archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Om dit te borgen is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 opgenomen voor dit deel van het plangebied. Conform de richtlijnen van de provincie Zeeland, dient dit onderzoek te bestaan uit een bureauonderzoek met verkennend booronderzoek. Conclusie Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. In het bestemmingsplan wordt wel een regeling opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. In lijn met het beleid
wordt dit dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Voor het gehele plangebied wordt een koppeling gelegd met de in 2017 geactualiseerde 'Vrijstellingenkaart Terneuzen 2017 (zie bijlage 2) . Op grond van deze kaart geldt voor deze bestemming een vrijstellingsdiepte van 0, 5 meter -mv. Voorafgaand aan de bouw is archeologisch onderzoek mogelijk noodzakelijk.
4. 4
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren) . Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de
betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een
34/54
volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek en conclusie Er is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of er belemmeringen zijn voor de ontwikkeling (bijlage 3) . Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat er geen asbestverdachte materialen zijn waargenomen. in de bovengrond en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met naftaleen, molybdeen en/of nikkel. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Er is in de bovengrond geen PFAS aangetoond. De locatie is dan ook niet verdacht op het voorkomen van PFAS in de bodem.
4. 5
Water
Toetsingskader Het is wettelijk verplicht een watertoets uit te voeren. Dit is een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets heeft als doel het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die negatieve effecten hebben op het duurzame waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Scheldestromen en het beheergebied van Rijkswaterstaat. Onderzoek Bij het Waterschap Scheldestromen wordt gebruik gemaakt van een aanmeldformulier watertoets. Het ingevulde formulier is opgenomen in bijlage 4. Uit de watertoets komt naar voren dat er waterberging dient te worden aangelegd ter compensatie van extra toe te voegen verharding. In aanvulling op de watertoets is bij een worst case benadering van in totaal 27. 929m 2 toe te voegen verhardingsoppervlakte (dakoppervlakte inclusief terreinverharding) is 2. 094m 3 waterberging nodig met overstortfunctie op oppervlaktewatersysteem. Zonder overstort (solitaire waterberging) is een berging van 4. 106 m 3 nodig. In fase 1 zal circa 15. 000m 2 verharding worden toegevoegd. De waterbergingsopgave bedraagt daarmee 1. 125 m 3 of 2205 m 3 als solitaire waterberging.
Naast de centrale waterberging worden
ook alternatieven binnen het plangebied onderzocht, bijvoorbeeld waterinfiltratie binnen de bestemming 'Groen' rondom het plangebied. Ook wordt wellicht nog een waterberging voorzien aan de noordoostzijde van het plangebied bij uitbreiding van het bedrijf. Voor het parkeren wordt geadviseerd om gebruik te maken van betonroosters of andere bestrating die maximale hemelwaterinfiltratie toestaat in de ondergrond. Daarnaast bestaat de optie om te voorzien in een centrale waterbergingsopgave voor bedrijven in het gebied Zuidpoort. Hierdoor is het niet verplicht volledig te voorzien op eigen perceel in de waterbergingsopgave. De daadwerkelijke invulling van de waterbergingsopgave wordt nader verkend en ingevuld. Om de realisatie van voldoende waterberging te borgen is artikel 3. 4. 2 een voorwaardelijke bepaling opgenomen.
Er is een zone aan de noordoostzijde van het plangebied is bestemd als 'Groen'. Hier wordt waterberging
35/54
voorzien. Bij een uitbreiding van het bedrijf aan de oostzijde wordt ook hier een waterberging voorzien. Ook wordt voorzien in een centrale waterbergingsopgave voor de bedrijven in het gebied Zuidpoort waardoor
waterberging volledig op eigen perceel niet noodzakelijk is. Voor het parkeren wordt geadviseerd om gebruik te maken van betonroosters of andere bestrating die maximale hemelwaterinfiltratie toestaat in de ondergrond. Om de realisatie van voldoende waterberging te borgen is in artikel 3. 4. 2 een voorwaardelijke bepaling opgenomen. Bij de ontwikkeling van het perceel wordt het waterschap betrokken voor de uitwerking. De nieuwbouw wordt daarnaast aangesloten op het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel. In de toekomst zal de Koegorsstraat, nu nog in eigendom bij het waterschap, eigendom van de gemeente worden en zal de gemeente
ook verantwoordelijk zijn voor afwikkeling van verkeer bij toekomstige ontwikkelingen aan dit deel van de straat.
Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
4. 6
Geluid
4. 6. 1
Wegverkeerslawaai Op de locatie is een bedrijfsfunctie voorzien. In het kader van de Wet geluidhinder is dit geen geluidsgevoelige bestemming. 4. 6. 2
Spoorweglawaai
Indien nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een spoorweg worden gerealiseerd, dient onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting vanwege deze spoorweg. In paragraaf 4. 6. 1 is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen geluidsgevoelige bestemmingen in het kader van de Wet geluidhinder. Voor de beoogde ontwikkelingen hoeft akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai daarom niet te worden uitgevoerd. 4. 6. 3
Industrielawaai Toetsingskader Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidzone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB (A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de geluidzones “Oostelijke Kanaaloever/Mr. F. J. Haarmanweg-Driewegen” en “Sluiskil-Oost/Stroodorpe-Oost ”. Voor deze geluidzones zijn in dit bestemmingsplan gebiedsaanduidingen opgenomen. Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling van het nieuwe bedrijf wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van de geluidzones.
36/54
4. 7
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) . In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin
de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype
'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek De ontwikkeling bestaat uit een milieuhinderlijke functie. Er dient getoetst te worden of: de realisatie van de functie niet leidt tot nadelige milieueffecten ter plaatse van de omliggende woningen. Bestaande omliggende woningen In de omgeving van het plangebied zijn een aantal woningen en agrarische bedrijfswoningen aanwezig. De dichtsbijzijnde woningen zijn de woning op Gravin Mariaweg 1, grenzend aan het plangebied en de agrarische bedrijfswoning op Gravin Mariaweg 3, op 30 meter van het plangebied. Daarnaast is er aan de westzijde op ongeveer 150 meter van het plangebied ook een agrarsiche bedrijfswoning aanwezig. Het plangebied wordt omgeven door diverse bedrijven, agrarische bedrijven, een skihal en de CO3 campus. Vanwege de bedrijvigheid in de omgeving is sprake van gemengd gebied. Op
de locatie gaat het bedrijf Symach B. V. zich vestigen. Op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt dit bedrijf onder de categorie ‘Vervaardiging en reparatie van producten van metaal (excl. machines/transportmiddelen) en de subcategorie ‘Overige metaalbewerkende industrie’ (milieucategorie 3. 2) . Naar aard en invloed op de omgeving geldt voor Symach B. V. dat de bedrijfsactiviteiten gelijkgesteld kunnen worden met categorie 3. 2. Deze categorie heeft in gemengd gebied een richtafstand van 50 meter. De westelijk gelegen woning ligt niet binnen deze
37/54
richtafstand. De oostelijk gelegen woningen liggen wel
binnen een afstand van 50 meter van het plangebied. Om te zorgen dat deze woningen niet binnen de richtafstand van het bedrijf zullen liggen wordt een zone in het bestemmingsplan opgenomen waar het niet mogelijk is bebouwing te vestigen, deze krijgt de bestemming Groen. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. De CO3 campus is eveneens een gevoelige functie. De gronden waarop de CO3 campus is gebouwd hebben een maatschappelijke bestemmming met onderwijsfunctie. In de CO3 campus zitten diverse theorielokalen. Deze zijn in het Besluit geluidhinder aangemerkt als geluidgevoelige ruimten. Volgens de VNG brochure geldt voor Symach een richtafstand van 50 meter tot milieugevoelige functies. De afstand tussen de nieuwe bedrijfsbestemming en het bouwvlak maatschappelijk bedraagt 30 meter. Dat is minder dan de richtafstand van 50 meter. Hierdoor moet volgens stap 2 van de VNG brochure bedrijven en milieuzonering vervolgonderzoek
worden gedaan. Vervolgonderzoek: De afstand tussen de gevel van de huidige CO3 campus en de bedrijfsbestemming bedraagt 50 meter. Deze afstand zou korter kunnen worden als de CO3 campus besluit uit te breiden richting de nieuwe bedrijfsbestemming. Dat zal ons inziens echter niet snel gebeuren omdat de CO3 campus dan algauw parkeerplaatsen op eigen terrein tekort komt. Verder merken wij op dat de huidige theorielokalen geen te openen ramen hebben aan de kant van de bedrijfsbestemming. De huidige theorielokalen zullen daardoor naar verwachting geen milieu- c. a. geluidhinder ondervinden van de bedrijfsbestemming. Gelet op het bovenstaande vinden wij het acceptabel om de bedrijfsbestemming zo dicht op de maatschappelijke bestemming te bestemmen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4. 8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5. 2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de onderstaande weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO 2 ) fijn stof (PM 10 )
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM 2, 5 ) jaargemiddelde concentratie Tabel 4. 8. 1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
38/54
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p. j. meer
25 µg /m³
dan 50 µg / m³
Op grond van artikel 5. 16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een
overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM 10 (= 1, 2 µg/m³) ; plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1. 500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3. 000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100. 000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200. 000 m 2 bij twee ontsluitingswegen. een
Onderzoek De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 1. 151 mvt/etmaal op een middelde weekdag (zie paragraaf 4. 2) . Op basis van de kengetallen uit CROW publicatie 381 bedraagt het percentage vrachtverkeer (hoogwaardig bedrijvenpark) 16%. Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO 2 2, 6 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM 10 0, 29 µg/m³. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM 10 (= 1, 2 µg/m³) . De beoogde ontwikkeling draagt dan 'mogelijk in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen.
Figuur 4. 8. 1 Resultaten NIBM-tool Via de monitoringstool (www. nsl-monitoring. nl) , die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is bekeken hoe hoog de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn. De
39/54
dichtstbijzijnde toetspunt
ligt aan
de N61,
welke
in
de NSL-monitoringstool
aangegeven
wordt als
Rijkswaterstaat. In figuur 4. 12 is de ligging weergegeven. Tabel 4. 8. 2: Toetsing (2020) aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer Hoogste Stofcategorie Maximale Maximaal Grenswaarde Wm planbijdrage 2020 achtergrond optredendeconc 3 (µg/m ) (µg/m 3 ) concentratie entratie 2023 (µg/m 3 ) 2020 (µg/m 3 ) volgens NIBM rekentool (Rijkswaterstaat) NO 2
2, 60
14, 6
16, 20
40
PM 10
0, 29
16, 14
16, 43
40
PM 2, 5
0, 29
8, 278
8, 568
25
Uit tabel 4. 8. 2 blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2020, er alsnog ruimschoots aan de grenswaarden (tabel 4. 8. 1) uit de Wet milieubeheer
wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg N61/Rijkswaterstaat. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ook nemen door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 14, 6 µg/m³ voor NO 2 , 16, 1 µg/m³ voor PM 10 en 8, 3 µg/m³ voor PM 2, 5 . Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM 10 bedroeg 6
dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4. 9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) . Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt
getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
40/54
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10 -6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor
het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet
beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor nieuwe situaties geldt de 10 -6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10 -6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden
in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het
ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Binnen het bouwvlak worden zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten toegestaan.
41/54
Figuur 4. 6 Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omkaderd
Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart zijn er in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen gelegen. De invloedsgebieden en PR 10 -6 contouren liggen niet over het plangebied. Deze vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Ten westen op een afstand van circa 400 meter bevindt zich het spoortraject Terneuzen Zuidzijde - Terneuzen. Op een afstand van circa 1, 6 kilometer bevindt zich het spoortraject Sluiskil - Sluiskil racc. dow Chemical. Over
deze spoortrajecten vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van beide spoorlijnen wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van beide trajecten. Omdat de afstand groter is dan 200 meter hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Vervoer van gevaarlijke stoffen door leidingen
Grenzend aan de oostkant van het plangebied bevinden zich 2 buisleidingen. Het betreffen aardgasleiding in beheer van de Gasunie en waterstofleiding in beheer van Gas Waterstof Services. De locatie ligt binnen de invloedsgebieden van hogedruk gasleiding en waterstofleiding. Inzicht in de externe veiligheidsrisico’s is daarom nodig, hiervoor is een QRA (quantitative risk assessment) gemaakt. Deze is opgenomen in bijlage 5. Uit dit onderzoek komt het volgende:
Hogedruk aardgasleiding
42/54
1.
Plaatsgebonden risico Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een PR 10 -6 -contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
2.
Groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico
Waterstofleiding 1. Plaatsgebonden risico Het transport van waterstof leidt tot een PR 10-6-contour die tot over de plangrens reikt en daarmee beperkingen oplegt aan de invulling van het plangebied. In geval van het transport van aardgas vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering. 2.
Groepsrisico In de huidige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde bij zowel het transport
waterstof als aardgas. Naar verwachting blijft het groepsrisico ook na realisatie van het planvoornemen kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. In dat geval kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. van
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg De N61 grenst ten westen van het plangebied, de N290 bevindt zich op circa 130 meter ten oosten van het
plangebied. Over deze wegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van beide wegen. Omdat de afstand korter is dan 200 meter, is een kwalitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 5. N61/N62, N290 1.
Plaatsgebonden risico Uit de Regeling Basisnet blijkt dat voor alle wegvakken een plaatsgebonden risicocontour 10 -6 is bepaald van 0 m, gemeten vanuit het hart van de weg. De PR 10 -6 -contour ligt daarmee op de weg. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
2.
Groepsrisico In de huidige situatie is het groepsrisico 0. 086 ten opzichte van de oriëntatiewaarde, in de toekomstige situatie neemt dit toe tot 0. 132 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Door de voorgenomen
ontwikkeling neemt het groepsrisico met meer dan 10% toe tot boven 0. 1 keer de oriëntatiewaarde. Conform art. 8 van het Bevt dient het groepsrisico te worden verantwoord. Deze verantwoording is in bijlage 6 opgenomen. Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Het in dit bestemmingsplan opgenomen bouwvlak is afgestemd op de aanwezigheid van de leidingen.
4. 10
Ecologie
Toetsingskader
43/54
Wet natuurbescherming Met
de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) . Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de
leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) . Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland) .
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten
44/54
(hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij
provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4. 7) . Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) .
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, ligt op een afstand van circa 3, 8 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNZ-gebied ligt op circa 58 meter en betreft een ecologische verbindingszone (figuur 4. 8) .
45/54
Figuur 4. 7 Ligging plangebied (rode stip) t. o. v. Natura 2000-gebied
Figuur 4. 8 Ligging plangebied in rood t. o. v. Natuurnetwerk Zeeland (groen) (Bron: provincie Zeeland) Het plangebied ligt niet in beschermde
natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen ook effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de
instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Om dit te onderzoeken zijn
46/54
Aerius-berekeningen uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase, deze zijn opgenomen in bijlage 9. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0, 00 mol/ha/jr op het Natura 2000-gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De uitkomsten van de berekening dienen 5 jaar te worden bewaard, zodat bij controle kan worden aangetoond dat dit aspect is onderzocht. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plan niet in de weg.
Soortenbescherming Er is op dit moment hoofdzakelijk sprake van een agrarisch perceel waar aardappelen op worden geteeld. De aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten is onderzocht door middel van een ecologische quickscan (zie bijlage 7) . Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied mogelijk onderdeel uitmaakt van een essentiële migratieroute voor kleine marterachtigen. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk, dat wordt gedurende de zomerperiode 2023 uitgevoerd. Uiteraard geldt ook de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Nader onderzoek naar kleine marterachtigen In de zomerperiode van 2023 is onderzoek naar de functie van het plangebied voor de wezel uitgevoerd (bijlage 8) Tijdens het onderzoek is op twee locaties op meerdere dagen de wezel waargenomen op de onderzoekslocatie. De bunzing en de hermelijn zijn daarentegen niet waargenomen tijdens de onderzoeksperiode. De onderzoekslocatie vervult redelijkerwijs een beschermde functie als vaste rust- en voorplantingsplaats en essentieel foerageergebied voor de wezel. Voor de voorgenomen werkzaamheden is een soortenontheffing benodigd, aangezien overtreding op verbodsartikelen in de Wet natuurbescherming niet te voorkomen is Conclusie Er zijn geen belemerringen op het gebied van gebiedsbescherming.
Voor het onderdeel soortenbescherming is
ontheffing van de Wnb noodzakelijk voor de wezel en dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1. 11, Wet natuurbescherming) . Ook dient terughoudend omgegaan te worden met buitenverlichting en gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke verlichting.
4. 11
Leidingen en kabels
Het relevante toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen is
Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen; de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening) het provinciaal Omgevingsplan Zeeland (herzien 2016) Advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen het 'Handboek Risicozonering Windturbines (2014) '.
47/54
Planologische relevantie Planologisch relevante kabels en leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden geregeld (lees: te worden beschermd) . Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze kabels en leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren. De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb:
aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1. 600 kPA of meer; aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1. 600 kPA of meer (aardolie, aardgasolie, vloeibare aardolieproducten, en derivaten) ; brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1. 600 kPa of meer; vergiftige stoffen, (stoffen die zijn geclassificeerd als acuut toxisch) en; specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1. 600 kPa of meer (kooldioxide, zuurstof en stikstof) . Het Bevb is niet van toepassing op:
Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb) . < Gasleidingen (1600 kPa) die deel uitmaken van het gasdistributienet (deze vallen onder de Gaswet) . Andere mogelijk planologisch relevante buisleidingen zoals elektriciteitsleidingen (zie verder in dit document) Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting, Voor deze leidingen geldt dat deze in het bestemmingsplan moeten worden aangegeven als deze op het terrein van een inrichting liggen maar geen deel uitmaken van die betreffende inrichting, In het Bevb is voorts bepaald
dat het hart van de leiding alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook op de verbeelding moeten worden aangegeven. Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven) regionale transportfunctie of leidingen die op
andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. een
Behalve buisleidingen worden door de gemeente Terneuzen hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer als planologisch relevant aangemerkt. Welke leidingen planologisch relevant zijn en worden opgenomen in het bestemmingsplan is aan het bevoegd gezag. De provincie Zeeland heeft in het Omgevingsplan Zeeland beleid opgenomen ten aanzien van hoofdtransportleidingen Daarmee worden deze leidingen en verbindingen aangemerkt als planologisch
48/54
relevant. Het betreft buisleidingen waarmee de volgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/ goederen; aardgas hoofdtransportnet Gasunie, of andere gasnetten, met diameter vanaf 18 inch (47, 5 cm) ; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening, met een diameter groter of gelijk aan 18 inch (47, 5 cm) aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 7 cm en een druk van meer dan 16 bar. Grondroeringsregeling (WION) In principe zijn leidingen ook beschermd tegen schade door graafwerkzaamheden vanwege de meldingsplichtig op basis Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) . De WION verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteiten gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Hoogspanningsleidingen Ook hoogspanningsverbindingen vanaf een bepaald voltage kunnen planologisch relevant zijn.
In oktober 2005 heeft het Ministerie van VROM aan te houden afstanden geformuleerd (in de praktijk ook wel Teslazones genoemd) van gevoelige functies tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen ( > 150 kV) vanwege een mogelijke relatie tussen straling en leukemie bij kinderen, deze zones zijn in 2018 voor het laatst geactualiseerd. De gemeente Terneuzen hanteert als uitgangspunt dat hoogspanningsverbindingen met een spanning van 50 kV of meer planologisch relevant zijn. Toetsing In het plangebied van de ontwikkeling zijn diverse planologisch relevante leidingen aanwezig, namelijk: drie ondergrondse hoogspanningsleidingen van ten minste 50kV; een leiding voor transport van aardgas- of waterstofgas; een leiding voor transport van aardgas. Binnen
de leidingbestemmingen gelden beperkingen voor het bouwen en voor het uitvoeren van werkzaamheden die los staan van bouwwerkzaamheden en die de grond roeren. Voor de aanleg van de verschillende onderdelen uit het plan ter plaatse van deze bestemming zal in overleg met de leidingbeheerder een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Voor de ontwikkeling van de bebouwing en bijbehorende voorzieningen als parkeerplaatsen en wegen geldt dat deze niet voorzien zijn op gronden waar deze dubbelbestemmingen gelden. Dit staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg. In het kader van de externe veiligheid is een QRA en verantwoording groepsrisico uitgevoerd (zie paragraaf 4. 9) . De belangen van de leidingen worden geborgd door een dubbelbestemming voor de verschillende leidingen op te nemen waarin deze belangen zijn beschermd.
49/54
4. 12
Niet gesprongen explosieven
Gemeente
Terneuzen
hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek en NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. Zodra een ontwikkellocatie als (potentiële) risicolocatie is aangemerkt, moet er in eerste instantie rekening worden gehouden met mogelijk achtergebleven conventionele explosieven. De bedoelde
locatie aan de Koegorsstraat valt in relatie tot NGE door oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog in een aangemerkt aandachtsgebied (zie afbeelding 4. 12. 1 in paars) .
Figuur 4. 12. 1 Uitsnede NGE-Risicokaart (bron: REASeuro, kenmerk RO180093)
Tijdens de bevrijding hebben in september 1944 hevige grondgevechten en artillerie-beschietingen plaatsgevonden, namelijk bij het verdrijven van Duitse soldaten uit Axel in de opmars richting Terneuzen en Zaamslag door Poolse eenheden. In het gebied dient -- in eerste instantie -- rekening te worden gehouden met achtergebleven geschutmunitie van de kalibers 5 cm t/m 10, 5 cm, afkomstig van grondartillerie.
Figuur 4. 12. 2 Historische kaart 1945 (bron: www. topotijdreis. nl)
50/54
Figuur 4. 12. 3 Historische kaart 1970 (bron: www. topotijdreis. nl)
Figuur 4. 12. 4 Historische kaart 2015 (bron: www. topotijdreis. nl)
Overweging De NGE-risicokaart gaat in beginsel uit van een aanwijsbaar risicogebied. Door de omvang van het te ontwikkelen gebied is het aantreffen van een vorm van munitie in dat geval reëel. De omschreven en naar verwachting kleine munitie zou zich dan op, of juist onder de oppervlakte bevinden. Het plangebied is echter sinds de Tweede Wereldoorlog tot heden als landbouwgrond in gebruik, met enige grondroering/-verzet aan de oppervlakte tot gevolg. Grote oorlogsrestanten zouden redelijkerwijs al zijn opgemerkt. De trefkans van munitie is niet ondenkbaar, maar wel klein. Op basis van trefkans en kaliber van bedoelde munitie wordt humaan risico laag ingeschat en wordt onderzoek redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht. In geval er alsnog munitie wordt aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.
Afhankelijk van het tijdpad kan de initiatiefnemer zekerheidshalve zelf tot onderzoek naar NGE besluiten, bedoeld om vertraging tijdens de fase van projectuitvoering te voorkomen.
51/54
Conclusie Er is geen (vervolg) onderzoek naar zogenoemde ontplofbare oorlogsresten vereist. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan.
52/54
Hoofdstuk 5
5. 1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6. 4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is
grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. om
in de situatie van particuliere
In artikel 6. 12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke
besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6. 2. 1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) . In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1. 000 m² bvo of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1. 500 m² bvo bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1. 000 m² bvo. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal en eventuele planschade zijn geregeld. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk. Voor de aankoop, planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer
voldoende middelen gereserveerd.
5. 2 5. 2. 1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie In het voorstadium van de ontwikkeling is overleg geweest met de diverse buren. Naar aanleiding daarvan is de groenstrook aan de oostzijde in het ontwerp opgenomen. Het participatieverslag is opgenomen in bijlage 10
53/54
5. 2. 2
Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3. 1. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties. Deze reacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. 5. 2. 3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Van donderdag 20 juli tot en met
woensdag 30 augustus 2023. Tijdens deze periode zijn er 5 zienswijzen/adviezen ingediend. In bijlage 12 is de antwoord nota zienswijzen toegevoegd. 5. 2. 4
Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze
periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
54/54