2023-06-21 a. Bestemmingsplan Philippine, Ankerhof - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Ankerhof 1 7 In opdracht van Woongoed Zeeuws Vlaanderen is op 11 april 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de percelen Ankerhof 1 7. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 8. Het volgende is geconcludeerd. y y y y
De grond bevat plaatselijk sporen baksteen en zwakke tot matige bijmengingen met baksteen; Zintuigelijk is geen asbest waargenomen; De grond is niet verontreinigd met onderzochte parameters; Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
Gelet op de onderzoeksresultaten kan de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie worden gehandhaafd. Beperkingen ten aanzien van het verkrijgen van een Omgevingsvergunning en het voorgenomen gebruik van de locatie worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
35/90
46/533
Aanbeveling Adviesbureau IDDS adviseert om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag, zijnde gemeente Terneuzen om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en conclusies. Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. Het bodemonderzoek is steekproefgewijs uitgevoerd. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat plaatselijk sprake kan zijn van een afwijkende bodemopbouw. Indien op de locatie graafwerkzaamheden worden uitgevoerd wordt derhalve aanbevolen om alert te blijven op plaatselijke afwijkingen in de bodem die kunnen wijzen op een eventuele bodemverontreiniging.
4.6
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient het plan te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot verkeer en parkeren betekent dit dat de ontwikkeling niet mag leiden tot parkeerproblemen in de omgeving en dient de verkeersgeneratie zonder problemen te kunnen worden afgewikkeld, zonder dat dit leidt tot opstoppingen en knelpunten voor de verkeersveiligheid. 4.6.1 Verkeersontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt omgeven door de Ankerhof, Havenpoortstraat en Bastionstraat. Deze wegen zijn erftoegangswegen met een snelheidsregime van 30 km/uur. De erftoegangswegen staan in directe verbinding met de Laureijnestraat, Havenplein en Braakmanweg. Deze wegen leiden richting het noorden van Philippine naar de Kanaalpolderweg, naar de provinciale weg N61. De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer is goed. Langzaam verkeer Fietsers maken gebruik van de erftoegangswegen. Rond het plangebied zijn geen gescheiden fietspaden aanwezig. Voor voetgangers zijn aan beide zijden van de erftoegangswegen voetpaden aanwezig. Openbaar vervoer Aan de Braakmanweg, ten oosten van het plangebied, is de bushalte van Philippine gelegen. Hier halteren bussen 511 en 601. Deze lijnen gaan richting Terneuzen en Sas van Gent.
Deze halte ligt op circa 5 minuten loopafstand van het plangebied.
36/90
47/533
4.6.2 Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Verkeersgeneratie bestaande situatie De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling is berekend op basis van kencijfers uit CROW 381 ('Toekomstbestendig parkeren', 2018). De gehanteerde kencijfers zijn afhankelijk van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied. Voor onderhavig plangebied geldt een ligging in een matig stedelijke omgeving (bron: CBS) in het schilgebied van het centrum. De verkeersgeneratie behorende bij de functie 'huur, huis, sociale huur' is volgens de CROWuitgave “Toekomstbestendig parkeren 2018” maximaal 5,0 mvt/etmaal per woning, uitgaande van matig stedelijk en centrumgebied. Aangezien er in de huidige situatie 22 huurwoningen aanwezig zijn, bedraagt de maximale verkeersgeneratie in de bestaande situatie 110 mvt/etmaal (5,0 mvt/etmaal * 22 huurwoningen. Verkeersgeneratie toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden de 22 huurwoningen gesloopt en worden en er 13 huurwoningen teruggebouwd. Voor dit type huurwoningen is ook de functie 'huur, huis, sociale huur' is volgens de CROWuitgave “Toekomstbestendig parkeren 2018” maximaal 5,0 mvt/etmaal per woning van toepassing. Voor deze nieuwe situatie bedraagt de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie 65 mvt/etmaal (5,0 mvt/etmaal * 13 huurwoningen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie zal afnemen.
Verkeersveiligheid De capaciteit van de wegen rondom het plangebied worden niet overschreden omdat er een afname is waardoor het niet zal leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. Als gevolg van de ontwikkeling blijft de verkeersveiligheid gewaarborgd. 4.6.3 Parkeren Het parkeren binnen de gemeente Terneuzen is geregeld in de Parkeernota 20152020. Door middel van het facetbestemmingsplan Parkeren Terneuzen zijn de geldende regels ten behoeve van het parkeren verankerd in de planregels van alle vigerende bestemmingsplannen. De planregels uit dit facetbestemmingsplan worden overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. De parkeernormen van de gemeente Terneuzen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers uit CROWpublicatie 381. Hierbij worden de kengetallen voor het gebied 'rest bebouwing' aangehouden. functie
programma
kencijfer CROW
parkeerbehoefte
Huur, huis, sociale huur
13 woningen
1,6 per woning
20,8 parkeerplaatsen
totaal
21 parkeerplaatsen
Huidige en toekomstige situatie In de huidige situatie parkeren de bewoners van de 22 huurwoningen hun auto rondom het plangebied. In de toekomstige situatie worden 21 parkeerplaatsen gerealiseerd op het terrein (zie figuur 2.4). Er wordt zodoende in overwegende mate aan de parkeerbehoefte voldaan. 4.6.4 Conclusie De verkeersontsluiting is voor alle modaliteiten goed. Daarnaast is er een afname als gevolg van de ontwikkeling in de verkeersafwikkeling. De beoogde ontwikkeling voorziet in voldoende parkeerplaatsen om aan de parkeernormen van de gemeente Terneuzen te voldoen.
37/90
48/533
4.7
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: y ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon en leefmilieu kan worden gegarandeerd; y rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorieindeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse woningen. Omdat de te realiseren woningen op dezelfde locatie komt als voorgaande woningen, was de beoogde functie al reeds aanwezig. Hiermee wordt geen nieuwe milieugevoelige functie opgericht. De komst van de woningen zal geen gevolgen hebben voor het woon en leefklimaat ter plaatse. Conclusie Het aspect milieuzonering staat de vaststelling van dit plan niet in de weg. Bestaande woningen worden niet in hun belangen geschaad en er is sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat.
4.8
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, aannemelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan de wettelijke geluidnormen indien deze zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van gezoneerde wegen. Wegen zijn gezoneerd indien hier een maximum snelheid geldt van 50 km/uur of hoger. De breedte van de geluidzone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnenof buitenstedelijke ligging.
38/90
49/533
Indien gelegen binnen de geluidzone van een weg dient in principe voldaan te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen omde geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te bovengaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnenof buitenstedelijk). Onderhavig plan kent een ligging binnen de bebouwde kom. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB. Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30km/u of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn.
Toetsing De ontwikkeling maakt gevoelige functies mogelijk welke aan de normen van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen te worden getoetst indien gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. De N61 heeft een geluidzone van 350 meter die zich uitstrekt vanaf de as van de weg. Het plangebied is hier ruimschoots van verwijderd en valt daarmee niet in de zone van deze weg. De overige wegen rond het plangebied zijn aan te merken als 30 km/u wegen. De woningen zijn net als in de huidige situatie beoogd langs de Ankerhof, dit is een niet al te drukke weg waarlangs al veel woningen op dezelfde afstand van de wegen liggen. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk aangezien het geluid van de Braakmanweg grotendeels wordt afgeschermd door tussenliggende bebouwing. Bovendien is de verkeerinsiteit op deze weg laag als ook op die van de omliggende nietgezoneerde wegenaag. Er kan dan ook zondermeer worden aangenomen dat de waarde van 48 dB, die als voorkeurswaarde geldt voor de gezoneerde weg en als richtwaarde geldt voor de omliggende nietgezoneerde wegen niet wordt overschreden. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Luchtkwaliteit
Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.
39/90
50/533
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1. weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
toetsing van
grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
)
Fijn stof (PM2,5)
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: y een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); y een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing en conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht. De beoogde ontwikkeling van tien woningen behoort tot een vaste categorie waarvan vooraf bekend is dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Dus ook geen berekening opnemen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de N61 (zie figuur 4.11).
Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.2. 4.2 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof
grenswaarde
maximale waarden in jaar 2020
maximale waarden in jaar 2030
stikstofdioxide (NO2)
40 µg/m³
16,2 µg/m³
11,7 µg/m³
fijn stof (PM10)
40 µg/m³
17,1 µg/m³
14,7 µg/m³
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
6,0 µg/m³
6,0 µg/m³
25 µg/m³
10,2 µg/m³
8,0 µg/m³
Fijn stof (PM2,5)
40/90
51/533
Figuur 4.11 Luchtkwaliteit ten opzichte van het plangebied (Bron: NSLmonitoringstool)
4.10 Externe veilighieid Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: y bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; y vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit
41/90
52/533
dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Uit informatie van de professionele risicokaart blijkt ook dat er geen (spoor)wegen in de nabijheid van het plangebied van invloed op de externe veiligheid. Tenslotte zijn er geen buisleidingen aanwezig die vallen onder het Bevb in of in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied bevindt zich wel binnen twee invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen, namelijk van Bertschi BV en Terneuzen Oiltanking B.V. Vanwege de grote afstand van het plangebied tot de risicobronnen en de afname van de personendichtheid ten opzichte van de bestaande situatie zal geen sprake zijn van een toename van het groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico is dus niet aan de orde. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied niet in de invloedssfeer ligt van externe veiligheidsbronnen.
4.11 Duurzaamheid Toetsingskader Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Toetsing en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde woningen worden bijna energieneutraal en worden zonder gasaansluiting gebouwd.
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatieuitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water, elektriciteit en gasleidingen, telefoonlijnen en olie en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het
42/90
53/533
Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien nietrelevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.
43/90
54/533
44/90
55/533
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Wettelijk kader
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen zijn van belang voor bestemmingsplannen.
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
5.2.1 Verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Op de analoge verbeelding worden de bestemmingen door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. 5.2.2 Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. y In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. y In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels) worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
y Hoofdstuk 3 (Algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een antidubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing. y Hoofdstuk 4 (Overgangs en slotregels) ten slotte bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Ook bij de opstelling van een bestemming (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
45/90
56/533
Verder is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de antidubbeltelbepaling. Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels van andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Terneuzen. 5.2.3 Gehanteerde bestemmingen Artikel 3 Groen Binnen de bestemming groen kan de groene inrichting worden gerealiseerd. Binnen deze bestemming zijn ook ondergeschikte voorzieningen als parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut als afvalophaalvoorzieningen toegestaan. Artikel 4 Wonen Op de voor Wonen aangewezen gronden mogen maximaal 13 grondgebonden woningen en bijbehorende voorzieningen worden gerealiseerd. Woningen mogen binnen de bouwvlakken gebouwd worden, de maximale goot en bouwhoogte is door middel van een maatvoeringsaanduiding bepaald. Daarnaast wordt een gemeeschappelijke ruimte gerealiseerd. 5.2.4 Algemene regels Artikel 5 Antidubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
De antidubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken. Artikel 6 Algemene bouwregels Dit artikel bevat één lid. Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel is het strijdig gebruik vermeld. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen. Artikel 9 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 13. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen.
46/90
57/533
Artikel 10 Overige regels In dit artikel wordt verwezen naar de 'werking wettelijke regeling' waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het Staatsblad. Ook is in dit artikel een parkeerregeling opgenomen. 5.2.5 Overgangs en slotregel In artikel 11 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. Artikel 12 bevat de slotregel van het bestemmingsplan.
47/90
58/533
48/90
59/533
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: y de bouw van één of meer woningen; y de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; y de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met één of meer woningen; y de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; y de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bvo bedraagt; y de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatieeisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal en eventuele planschade zijn geregeld. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk.
Voor de aankoop, planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
49/90
60/533
Ter voldoening aan het bepaal de in artikel 3.8 lid 1, sub b, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de Provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio Zeeland. De Provincie Zeeland heeft op 25 augustus 2022 december 2021 gereageerd, de provincie heeft gevraagd om een aantal tekstuele wijzigingen, deze zijn doorgevoerd. De Veiligheidsregio heeft op 29 augustus 2022 gereageerd, de Veiligheidsregio heeft gevraagd om een aantal tekstuele wijzigingen, deze zijn doorgevoerd. 6.2.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 16 maart 2023 tot en met 26 april 2023, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Tijdens deze terinzagelegging is één mondelinge en één schriftelijke zienswijze kenbaar gemaakt. De zienswijze is samengevat en beantwoord in de 'Antwoordnota zienswijzen en ambtshalve aanpassingen', die als bijlage 9 bij de toelichting is opgenomen. De zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. 6.2.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.
Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
50/90
61/533
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
62/533
63/533
Bijlage 1 Memo stikstof
64/533
65/533
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN AAN CC
15 februari 2023 20210555 L. ten Braak
PROJECT OPDRACHTGEVER ONDERWERP
Philippine - Ankerhof Woongoed Zeeuws-Vlaanderen Berekening stikstofdepositie
MEMO STIKSTOFBEREKENINGEN PHILIPPINE - ANKERHOF 1. INLEIDING Op de locatie aan het Ankerhof in Philippine worden 13 woningen en een gemeenschappelijke huiskamer gerealiseerd. De realisatie van de woningen zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. De locatie is gelegen op circa 7 kilometer van het dichtstbijzijnde Nederlandse stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Canisvliet’ (zie figuur 1). Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De berekening is opgenomen als bijlage bij deze memo.
Figuur 1 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied
66/533
2. TOETSINGSKADER Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: - verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; - vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; - legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: - De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. - Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
- Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk.
67/533 2/5
3. UITGANGSPUNTEN AANLEGFASE Uitgangspunten realisatiefase • Sloop- en bouwfase worden zijn toegerekend aan 1 jaar; • Het wegverkeer is gemodelleerd als lijnbron. Verkeersaantallen zijn weergegeven als aantallen per jaar; • Het verkeer is gemodelleerd tot de N61. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld; • Het materieel op de bouwplaats is als oppervlaktebron gemodelleerd. Sloopfase De eerste stap in het realisatieproces is de sloop van de nog resterende 8 woningen. Hiervoor wordt uitgegaan van een slooptijd van 2 weken, inzet van een graafmachine en 60 mvt licht verkeer en 260 mvt zwaar verkeer. Materieel (sloop- en bouwfase)
Graafmachine (sloopfase) (STAGE IV, 130-300 kW)
Vermogen (kW)
Draaiuren
145
80
Totaal verbruik (liter) 880
Realisatiefase Tijdens de aanlegfase ontstaan NOx-emissies door de inzet van materieel (veelal mobiele werktuigen), auto’s en vrachtwagens. Op dit moment zijn de uitgangspunten voor de realisatiefase nog niet bekend. Emissies ten gevolge van de aanleg van woningen kunnen per bouwlocatie variëren, afhankelijk van de gebruikte technieken, materialen, bodemgesteldheid, grondverzet, type woning, etc. Met AERIUS Calculator is berekend welke emissies door materieel toelaatbaar zijn zonder dat de aanlegfase leidt tot een stikstoftoename groter dan 0,00 mol/ha/jr. op reeds overbelaste habitattypen en leefgebieden. De Rijksoverheid geeft met de handreiking “Woningbouw en Aerius” indicaties en aandachtspunten bij AERIUS-berekeningen om de mogelijke stikstofdepositie van woningbouw in kaart te brengen. De handreiking geeft voor de emissie uit de aanlegfase van woningen een kengetal van 3 kg NOx per woning. Daarnaast is er sprake van ammoniakemissie door materieel. Om te kunnen bepalen welk aandeel ammoniakemissie het betreft is nagegaan hoe dit in Aerius voor verschillende stageklassen materieel is ingevoerd. Daaruit blijkt dat de emissie NH3 uit materieel circa 1,0 % van de emissie NOx is. Daarom is er vanuit gegaan dat er bij de bouw van de woningen (1% * 3,0 kg NOx =) 0,03 kg NH3 per woning ontstaat.
De realisatie van 13 woningen en een gemeenschappelijke huiskamer (worst-case hanteren we hier de kengetallen voor 1 woning) leidt op basis van deze kengetallen tot een emissie van 42 kg NOx en 0,42 kg NH3. Ten behoeve van het bouwverkeer is voor woningen een verkeersgeneratie van 110 lichte mvt/woning en 40 zware mvt/woning opgenomen.
Licht verkeer Zwaar verkeer
Verkeersgeneratie (mvt/project) 1.540 560
Tabel 1 Verkeersgeneratie tijdens aanlegfase
68/533 3/5
4. UITGANGSPUNTEN GEBRUIKSFASE De 13 nieuwe woningen worden gerealiseerd ter vervanging van 22 woningen. Het type woningen is gelijk. Er is dan ook geen sprake van toename van verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling. Daarnaast worden de woningen gasloos uitgevoerd, waar nu sprake is van gasgestookte woningen. Omdat er sprake is van een afname van stikstofemissies als gevolg van een afname aan verkeersbewegingen (met dezelfde rijroutes) en een afname van stikstofemissies door gasgestookte installaties kan er geen sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Een berekening is dan ook niet noodzakelijk.
5. RESULTATEN EN CONCLUSIE AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de realisatiefase (rekenjaar 2023) en gebruiksfase voor wat betreft depositie op Nederlandse Natura-2000 gebieden. Vlaams toetsingskader In Vlaanderen volgde men aanvankelijk het Duitse toetsingskader, inclusief onderbouwing, met een drempelwaarde van 0,3 kg N/ha/jr als onderdeel van de Vlaamse Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze waarde werd bepaald als 5% van de KDW van het meest stikstofgevoelige habitattype (EU-habitattype 3110: KDW = 6 kg N/ha/jr) dat in Vlaanderen voorkomt. Vijf procent daarvan is 0,3 kg N/ha/jr, hetgeen overeenkomt met 21,4 mol/ha/jr. Aangenomen werd dat een lagere depositie niet kan leiden tot een betekenisvolle aantasting van Natura 2000-gebied. Echter; de Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde op 25 februari 2021 dat een loutere verwijzing naar het PAS-significantiekader en de daarin opgenomen drempelwaarden niet volstaat. Het Vlaamse Minister van Justitie en Handhaving, Energie, Omgeving en Toerisme hanteert daarom sinds 2 mei 2021, in afwachting van een definitief PAS-kader, tijdelijk een drempelwaarde van maximaal 1% van de bijdrage van de KDW van het gevoeligste habitattype in de omgeving (met een maximale absolute bijdrage van 0,3 kg N/ha/jr. In de praktijk komt dat 4,3 mol/h/jr.
Op grond van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. De berekening is als bijlage bij deze memo gevoegd.
69/533 4/5
Bijlage 1 Aerius realisatiefase
70/533 5/5
71/533
Bijlage 2 Quickscan ecologie Ankerhof 115
72/533
73/533
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Datum: 19 januari 2021 Opdrachtgever: Woongoed Zeeuws-Vlaanderen Uitgevoerd en opgesteld door: Ecomark advies & beheer Churchillweg 19 Hulst
© Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.
74/533
1
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
INHOUDSOPGAVE
1
Inleiding ...................................................................................................................................... 3 1.1
Aanleiding en doel onderzoek .............................................................................................. 3
1.2
Kader ................................................................................................................................... 3
1.3
Afbakening plangebied en werkwijze ................................................................................... 7
1.4
Opzet beoordeling ................................................................................................................ 8
2
Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten ........................................................... 8
3
Soortenbescherming ................................................................................................................. 10 3.1
Zoogdieren......................................................................................................................... 10
3.2
Vogels ................................................................................................................................ 10
3.2.1 Broedvogels ..................................................................................................................... 10 3.2.2 Watervogels ..................................................................................................................... 11 3.3
Reptielen en Amfibieën ...................................................................................................... 11
3.4
Vissen ................................................................................................................................ 12
3.5
Ongewervelden .................................................................................................................. 13
3.6
Vaatplanten........................................................................................................................ 13
4 Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) ................................................................................................................................. 14 5
Conclusies en aanbevelingen mbt de uitvoering ....................................................................... 15 Bijlage 1 Kaart Natuurbeheerplan, Natura 2000 Bijlage 2 Informatie Wet natuurbescherming
75/533
2
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel onderzoek De opdrachtgever wil de woningen op de locatie Ankerhof 1-15 te Philippine slopen. Voor deze sloopwerkzaamheden geldt een onderzoeksplicht in het kader van beschermde natuurwaarden. Deze rapportage bevat de resultaten van een voorstudie van beschikbare kennis op het gebied van beschermde natuurwaarden. Op basis van de gevonden resultaten kan op voorhand bepaald worden of significante effecten op de huidige (beschermde) natuurwaarden al dan niet uit te sluiten zijn en wat eventueel nog nader onderzocht dient te worden. In deze beoordeling worden dan ook de volgende vragen, voor zover mogelijk, beantwoord: • • • • •
Tot welke (mogelijke) effecten leidt de sloop van bebouwing op beschermde natuurwaarden? Wat is de reikwijdte van de mogelijke effecten? Hoe beïnvloeden de effecten de jaarrond beschermde soorten en de kwalificerende natuurwaarden, gelet op de instandhoudingsdoelen? Zijn mogelijke negatieve effecten significant? Al of niet in combinatie met andere projecten in de omgeving? Op welke wijze kunnen negatieve effecten voorkomen of gemitigeerd worden?
1.2 Kader Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield.
Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) staan vernoemd in onderstaand kader. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb)
76/533
3
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken
De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffingsen vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode.
77/533
4
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander. Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd. Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht.
Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn.
Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.
78/533
5
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Gebiedenbescherming Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd. De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Wet natuurbescherming (Wnb) overgenomen. Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen. Eén van die bepalingen is het afwegingskader, incl. compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat. Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Binnen Nederland zijn er, in de periode 1986-2005, 79 belangrijke vogelgebieden als speciale beschermingszone (SBZ) van de Vogelrichtlijn aangewezen. In het kader van de Habitatrichtlijn zijn in 2003 141 gebieden aangemeld bij de Europese Commissie.
Ongeveer 87% van het oppervlak van deze Habitatrichtlijngebieden heeft overlap met de gebieden die als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen. In Aanwijzingsbesluiten wordt door de minister van EZ de bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd. Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Het toetsingskader van de Wet natuurbescherming kent de volgende procedurevarianten: 1. Er is zeker geen kans op effecten: geen vergunningplicht; 2. Er een kans op effecten, maar zeker niet significant: vergunningaanvraag via een verstoringstoets/ verslechteringstoets; 3. Er is een kans op significante effecten: vergunningaanvraag via Passende Beoordeling (alternatieventoets + dwingende redenen van groot openbaar belang). Het referentiekader voor de toetsing wordt gevormd door de instandhoudingsdoelen voor de habitats en soorten waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Zeeland, vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Zeeuwse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het maakt onderdeel uit van het Nederlandse netwerk.
In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. 79/533
6
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. 1.3 Afbakening plangebied en werkwijze Het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied is het gebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden (rood aangegeven). Figuur 1. Plangebied (rood) en studiegebied (blauw), in het rode gebied worden de maatregelen uitgevoerd.
Het plangebied is bezocht op 15 januari 2021. Daarnaast zijn lokale verspreidingsatlassen geraadpleegd, zijn gegevens opgevraagd en zijn openbare websites geraadpleegd.
80/533
7
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
1.4 Opzet beoordeling De opzet van deze beoordeling is als volgt. In hoofdstuk 2 is een korte beschrijving gegeven van het studiegebied, het plangebied en de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de te verwachten en de aangetroffen natuurwaarden in het gebied. Deze gegevens zijn vervolgens geïnterpreteerd en beoordeeld in relatie tot de voorgenomen activiteit.
2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie. Het plangebied waar deze beoordeling op van toepassing is, is weergegeven in figuur 1.
Het plangebied is gelegen in het dorp Philippine. Het betreft drie blokken met seniorenwoningen (totaal 14 stuks) met een tuin. De geplande werkzaamheden bestaan uit het slopen van woningen, slopen van opstallen in tuinen, weghalen beplanting uit achtertuinen, bouwrijp maken van het terrein en het realiseren van nieuwbouw. Foto 1. Te slopen woningen.
81/533
8
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Foto 2. Mogelijkheden voor vleermuizen en vogels onder dakpannen en achter gevelbeplating.
82/533
9
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
3
Soortenbescherming
3.1
Zoogdieren
Hieronder worden soorten vernoemd die in en nabij het plangebied voorkomen. Vervolgens wordt uitgewerkt of er eventueel nadelige effecten te verwachten zijn.
Huisspitsmuis, egel. Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Watervleermuis. Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: Bekker 2009, Zoogdieren in Zeeland, NDFF versie 10 jan 2021. Grondgebonden soorten komen sporadisch voor in het plangebied. Ze komen voor in de achtertuinen. De te slopen bebouwing en tuinen hebben geen waarde voor deze soorten. Er is veel verstoring (huisdieren en menselijke activiteiten) en weinig dekking. Vleermuizen komen voor in het plangebied. In de te slopen bebouwing zijn mogelijkheden voor dagverblijven achter de gevelbeplating en dakpannen. Uit te voeren maatregelen: slopen van bebouwing en realiseren van nieuwbouw. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Nog niet te bepalen. Er dient nader onderzocht te worden of er vleermuizen voorkomen en wat de functie van de bebouwing is. Mitigerende maatregelen / Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Nog niet te bepalen. Er dient nader onderzocht te worden of er vleermuizen voorkomen en wat de functie is. Conclusie: Voor grondgebonden zoogdieren is de te slopen bebouwing ongeschikt. Er zijn wel mogelijkheden voor dagverblijven voor vleermuizen. Deze dagverblijven zouden met de sloop vernietigd kunnen worden en bij onzorgvuldig handelen zouden er vleermuizen gedood kunnen worden.
Er dient nader onderzocht te worden of vleermuizen aanwezig zijn en wat dan de functie is van de bebouwing.
3.2
Vogels
3.2.1 Broedvogels De volgende broedvogels zijn in de omgeving van het plangebied vastgesteld: Houtduif, Holenduif, Turkse Tortel, Ekster, Kauw, Winterkoning, Heggenmus, Putter, Groenling, Vink, Merel, Koolmees, Zwartkop, Tjiftjaf, Zanglijster, Pimpelmees, Staartmees, Spreeuw, Huiszwaluw, Zwarte roodstaart, , Gierzwaluw, Huismus. Vetgedrukt zijn soorten waarvan het leefgebied jaarrond beschermd is.
83/533
10
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Voorkomen / functie van het plangebied: Vogelatlas van Nederland, NDFF versie 10 jan 2021. De genoemde soorten komen voor in de omgeving en mogelijk deels in het plangebied. Er zijn dakpannen, er zijn ook spleten en kieren waar broedmogelijkheden voor Huismussen en Gierzwaluwen zijn. Er is beplanting in de tuinen waar vogels in kunnen broeden. Uit te voeren maatregelen: slopen van bebouwing en realiseren van nieuwbouw. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): De bebouwing is geschikt voor broedvogels, nader onderzoek dient te bepalen of verboden handelingen te verwachten zijn. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Nog niet te bepalen, hiervoor dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Conclusie: Het plangebied is geschikt voor broedvogels, nader onderzoek dient uitgevoerd te worden om te bepalen of er nesten van Gierzwaluw en Huismus aanwezig zijn. 3.2.2 Watervogels Er komen geen watervogels voor in het plangebied. Het is gelegen in het dorp. De dichtstbijzijnde gebieden voor watervogels bevinden zich op meer dan 200 meter afstand.
Trekvogels en watervogels Voorkomen / functie van het plangebied: (Ministerie van Verkeer en Waterstaat e.a., Deltavogelatlas, atlas van vogelconcentraties en vliegbewegingen in het Deltagebied, digitale versie 15-05-2019; SOVON Vogelonderzoek Nederland & Ganzenwerkgroep Zeeland.2018; In het plangebied zelf komen geen watervogels voor. Er is geen water aanwezig en het terrein is verhard en er is veel menselijke verstoring. Uit te voeren maatregelen: slopen van bebouwing en realiseren van nieuwbouw. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet te verwachten. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: In het plangebied zelf komen geen watervogels voor. Het is gelegen in de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde mogelijkheden liggen op meer dan 200 meter afstand.
3.3
Reptielen en Amfibieën
Gewone pad, bruine kikker, groene kikker, kleine watersalamander.
84/533
11
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
Voorkomen en functie van het plangebied: Bron: website www.ravon.nl, NDFF versie 10 jan 2021. In het plangebied zijn geen voortplantingswateren en er is geen geschikt landbiotoop aanwezig. De terreinen zijn grotendeels verhard, er is veel verstoring en predatie (katten en honden) en er is geen dekking. Reptielen en amfibieën zijn dan ook niet te verwachten. Uit te voeren maatregelen: slopen van bebouwing en realiseren van nieuwbouw. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: geen nadelige effecten te verwachten.
3.4
Vissen
In het plangebied komen geen vissen voor. Voorkomen en functie van het plangebied: NDFF versie 10 jan 2021. Er is geen water in het plangebied. Het biotoop is ongeschikt. Uit te voeren maatregelen: slopen van bebouwing en realiseren van nieuwbouw. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen negatieve effecten te verwachten.
85/533
12
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Ankerhof 1-15 Philippine
3.5
Ongewervelden
Voorkomen en functie van het plangebied: Vlinder- en Libellenwerkgroep 2003; Geene et. al. 2007; Wagenaar 2007. NDDF versie 10 jan 2021. www.verspreidingsatlas.nl In het plangebied komen geen dagvlinders, nachtvlinders, libellen, sprinkhanen en overige ongewervelde voor die beschermd worden door de Wet natuurbescherming. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom. Het plangebied is grotendeels verhard. Er komen geen beschermde soorten voor binnen 500 meter van het plangebied. Uit te voeren maatregelen: slopen van bebouwing en realiseren van nieuwbouw. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen negatieve effecten te verwachten.